Familiezaken.
Athos had eindelijk het woord gevonden, namelijk: van de zaak van
Buckingham een _familiezaak_ te maken. Immers, een familiezaak zou niet
aan het onderzoek van den kardinaal onderworpen worden. Een familiezaak
raakte niemand, en men kon zich met een familiezaak in tegenwoordigheid
van de geheele wereld bezighouden. Aramis had het denkbeeld gevonden:
den lakei. Porthos het middel: den diamant. Alleen d’Artagnan had niets
gevonden, hij, gewoonlijk de vindingrijkste van allen; maar het moet ook
gezegd worden, dat alleen de naam van milady voldoende was om hem te
ontzenuwen. Maar neen, wij bedriegen ons, hij had een kooper voor den
diamant gevonden.
Het ontbijt bij den heer de Tréville was zeer vroolijk. D’Artagnan bezat
reeds zijn nieuwe uniform. Van bijna dezelfde grootte als Aramis zijnde,
had deze, die, zooals men weet, zoo edelmoedig betaald was geworden door
den boekverkooper, die zijn dichtstuk had gekocht, alles dubbel laten
maken en zijn vriend een volledige uitrusting afgestaan. D’Artagnan zou
het toppunt zijner wenschen hebben bereikt, indien hij niet milady als
een donkere wolk aan den gezichteinder had zien opdagen.
Na het ontbijt maakte men afspraak, elkander bij Athos dienzelfden avond
weder te vinden, alwaar men de zaak zou afhandelen.
D’Artagnan besteedde den dag met het vertoonen van zijn musketiersgewaad
in al de straten van het legerkamp. Des avonds vereenigden zich de vier
vrienden op het bepaalde uur; er bleven nog slechts drie punten ter
overweging over: Wat men aan den broeder van milady zou schrijven. Wat
men aan dien knappen persoon van _Tours_ zou schrijven. En wie de
lakeien zouden zijn, die de brieven moesten bezorgen. Elk bood den
zijnen aan. Athos roemde de stilzwijgendheid van Grimaud, die dan alleen
sprak, wanneer zijn meester hem den mond opende; Porthos roemde de
kracht van Mousqueton, die tegen vier mannen, van gewone grootte, was
opgewassen; Aramis, in de slimheid van Bazijn volkomen vertrouwen
stellende, weidde uit in loftuitingen op zijn kandidaat; d’Artagnan ten
slotte wees op den moed van Planchet en herinnerde aan de wijze, op
welke hij zich in de zoo moeilijke zaak van _Boulogne_ had gedragen. Die
vier deugden betwistten elkander lang den prijs en gaven aanleiding tot
redevoeringen, die wij, uit vrees voor langwijligheid, niet zullen
mededeelen.
„Ongelukkiglijk,” zeide Athos, „zou hij, dien men zond, alleen die vier
hoedanigheden bij elkander moeten bezitten.”--„Maar waar een
dergelijken dienaar te vinden?”--„Die is niet te vinden,” zeide Athos,
„dat weet ik wel; neem dus Grimaud.”--„Neem Mousqueton.”--„Neem
Bazijn.”--„Neem Planchet. Planchet is trouw en behendig, dat
zijn reeds twee hoedanigheden van de vier.”--„Mijne heeren!”
zeide Aramis, „het voornaamste is niet te weten, wie van onze
vier knechts de geheimhoudendste, de sterkste, de behendigste
of de moedigste is; het voornaamste is te weten, wie het meest van
geld houdt.”--„Hetgeen Aramis daar opmerkt, is zeer verstandig
gezegd,” hernam Athos; „men moet met de gebreken der menschen zijn
voordeel doen, en niet met hun deugden. Mijnheer de abt, gij zijt een
groot zedenmeester!”--„Ongetwijfeld,” hernam Aramis, „want wij moeten
niet alleen goed bediend worden, ten einde te slagen, maar ook om onze
onderneming niet te doen mislukken; immers in het laatste geval is niet
het hoofd van den lakei....”--„Spreek zachter, Aramis!” zeide
Athos.--„Het is waar ook. Is niet het hoofd van den lakei, maar dat van
den meester er mede gemoeid. Hebben onze knechts ons nu zoo lief, dat
zij hun hoofden voor ons zouden wagen? Neen.”--„Wel,” zeide d’Artagnan,
„ik zou bijna voor Planchet willen verantwoordelijk blijven.”--„Welnu,
mijn beste vriend! voeg dan bij zijn natuurlijke genegenheid een goede
som, die hem eenig genot kan geven, en dan, in plaats van eenmaal voor
hem verantwoordelijk te zijn, wees het dan twee malen.”
„Ach, mijn God! gij zoudt u eveneens bedrogen vinden,” zeide Athos,
die _Optimist_ was wanneer het zaken, en _Pessimist_ wanneer het
menschen betrof: „zij zullen alles beloven voor geld, maar onderweg
zal de vrees hen beletten te handelen. Eenmaal in handen, zal men
hen knijpen; en geknepen, zullen zij bekennen. Wat duivel! wij zijn
kinderen! Om naar _Engeland_ te gaan (Athos begon zachter te spreken)
moet men geheel _Frankrijk_ door, dat wemelt van spionnen en
aanhangers van den kardinaal; men moet Engelsch spreken, om in
_Londen_ den weg te vragen. Zie, ik beschouw de zaak als zeer
moeilijk.”--„Wel, volstrekt niet,” zeide d’Artagnan, die er zeer op
gesteld was, dat de zaak werd voortgezet; „ik, integendeel, beschouw
ze als zeer uitvoerbaar. Het spreekt vanzelf, _parbleu_! dat wanneer
men lord de Winter ongerijmdheden, afschuwelijkheden van den kardinaal
schrijft....”--„Spreek toch zachter,” zeide Athos.--„Intrigues en
staatsgeheimen,” ging d’Artagnan voort, de aanbeveling nakomende, „dan
spreekt het vanzelf, dat men ons levend zal radbraken. Maar om Gods wil,
vergeet niet, zooals gij het zelf hebt gezegd, Athos! dat wij over
familiezaken schrijven; dat wij hem alleen schrijven, milady, zoodra zij
in _Engeland_ aankomt, buiten staat te stellen ons te schaden. Ik zal
hem een brief in dien zin schrijven.”--„Laat hooren,” zeide Aramis,
reeds bij voorbaat het gezicht van een recensent aannemende.
„Mijnheer en waarde vriend!....”
„Wel zeker! waarde vriend aan een Engelschman! Alleen om deze woorden
zou men u vierendeelen, in plaats van levend radbraken.”--„Welnu, dan
zal ik eenvoudig mijnheer schrijven.”--„Gij kunt wel mylord zeggen,”
hernam Athos, die zeer op étiquette was gesteld.--„Mylord! herinnert gij
u nog wel die kleine omheinde geitenweide bij het _Luxembourg_?”--„Nog
fraaier! Nu het _Luxembourg_! men zal gelooven, dat men op de
koningin-moeder zinspeelt! zeer slim inderdaad!” zeide Athos.--„Welnu,
dan zullen we eenvoudig zetten: Mylord! herinnert gij u nog wel zekere
omheinde weide, waar men u het leven redde?”--„Mijn waarde d’Artagnan!”
zeide Athos, „gij zult nooit anders dan een slecht briefsteller zijn.
Waar men u het leven redde! wel foei! dat is onwaardig! men herinnert
dergelijke zaken niet aan een edelman. Een herinnerde weldaad wordt een
beleediging.”--„Ach, mijn waarde!” zeide d’Artagnan, „gij zijt
onverdragelijk; en indien men onder uw toezicht moet schrijven, dan zie
ik er van af.”--„En gij doet wel. Ga met het musket en den degen om,
mijn vriend! gij bedient u van beide wapens voortreffelijk; maar geven
wij de pen aan Aramis, ze behoort hem.”--„Wel ja,” zeide Porthos, „geef
Aramis de pen in de hand; immers hij schrijft zijn thesis in het
Latijn.”--„Goed, het zij zoo,” zeide d’Artagnan, „stel ons dien brief
op, Aramis! Maar bij onzen Heiligen Vader den Paus, pas op! want op mijn
beurt zal ik u mijn aanmerkingen niet onthouden, dat verzeker ik
u.”--„Ik begeer niets anders,” zeide Aramis, met dat onnoozel
vertrouwen, hetwelk ieder poëet in zich zelven stelt; „maar men
moet mij met de zaken bekend maken. Ik heb wel hier en daar gehoord,
dat die schoonzuster een zeer slechte vrouw is, en er zelfs het
bewijs van gekregen, toen ik naar haar gesprek met den kardinaal
luisterde.”--„Spreek toch zoo luid niet, _sacrebleu_!” hernam
Athos.--„Maar,” vervolgde Aramis, „die bijzonderheden zijn mij
ontgaan.”--„En mij ook,” zeide Porthos.
D’Artagnan en Athos beschouwden elkander een poos zwijgend. Eindelijk
gaf Athos, na overwogen te hebben, en nog bleeker geworden zijnde dan
gewoonlijk, een teeken van toestemming. D’Artagnan begreep, dat hij
mocht spreken.
„Welnu, ziehier wat er te schrijven is,” hernam d’Artagnan: „Mylord! uw
schoonzuster is een slechte vrouw, die u heeft willen doen vermoorden om
van u te erven; zij mocht trouwens met uw broeder niet gehuwd zijn, daar
zij reeds in _Frankrijk_....” D’Artagnan zweeg, als om het woord te
zoeken, terwijl hij Athos aanzag.--„Door haar man was weggejaagd,” zeide
Athos.--„Uit hoofde zij gebrandmerkt was,” vervolgde d’Artagnan.--„Och!”
riep Porthos, „onmogelijk! zou zij haar schoonbroeder hebben willen doen
vermoorden?”--„Ja.”--„Was zij reeds gehuwd?” vroeg Aramis.--„Ja.”--„En
heeft haar man ontdekt, dat zij een lelie op den schouder had?” riep
Porthos.--„Ja.”--Driemaal had Athos _ja_ gezegd, met een trapsgewijze
verdooving zijner stem.--„En wie heeft die lelie gezien?” vroeg
Aramis.--„D’Artagnan en ik; of liever, om de chronologische volgorde in
acht te nemen, ik en d’Artagnan,” antwoordde Athos.--„En leeft dat
afschuwelijk schepsel nog?” vroeg Aramis.--„Het leeft nog.”--„Zijt gij
er zeker van?”--„Ik ben er zeker van.”
Een oogenblik heerschte er een onaangename stilte, van welke ieder,
volgens zijn aard, den indruk voelde.
„Nu, dezen keer,” hernam Athos, het eerst de stilte afbrekende, „heeft
d’Artagnan ons een heerlijk voorschrift gegeven, en dat is het, wat wij
vooreerst moeten schrijven.”--„Duivelsch! gij hebt gelijk, Athos!”
hernam Aramis, „maar het opstel is moeilijk genoeg. Mijnheer de
kanselier zoude zelfs in verlegenheid zijn een dergelijken brief op te
stellen, en nochtans stelt hij zeer aardig een proces-verbaal op. Maar
het doet er niet toe. Zwijgt nu een oogenblik en ik zal schrijven.”
Aramis nam de pen, peinsde eenige oogenblikken, schreef een acht- of
tiental regels in een zeer net, klein vrouwenschrift; vervolgens las hij
met een zachte stem en langzaam, alsof elk woord nauwkeurig ware
overwogen, het volgende:
„Mylord!
De persoon, die u deze weinige regels schrijft, heeft de eer gehad
den degen met u te kruisen in zekere kleine omheinde weide in de
straat _d’Enfer_. Daar gij sedert meermalen dien persoon uw vriend
hebt genoemd, is hij jegens u verplicht die vriendschap door een
goede waarschuwing te erkennen. Tot tweemalen toe zijt gij bijna
het offer geworden eener bloedverwante, die gij uw erfgename waant,
omdat het u onbekend is, dat zij, vóór haar huwelijk in _Engeland_,
reeds in _Frankrijk_ was gehuwd; maar de derde maal, hetgeen nu het
geval is, zoudt gij kunnen bezwijken. Uw bloedverwante is van _la
Rochelle_ naar _Engeland_ vertrokken. Bewaak haar bij haar
aankomst, want zij wil groote en verschrikkelijke plannen
volvoeren. Als gij volstrekt wilt weten, waartoe zij in staat is,
lees dan haar verleden op den linkerschouder.”
„Wel, dat kan niet beter,” zeide Athos, „en gij hebt een stijl als van
een staatssecretaris, mijn waarde Aramis! De Winter zal nu een waakzaam
oog houden, althans indien de waarschuwing hem gewordt, en al mocht die
brief in handen van Zijne Eminentie vallen, kan hij ons niet benadeelen.
Maar dewijl de knecht, die vertrekken moet, ons zou kunnen wijsmaken,
dat hij in _Londen_ is geweest, en echter te _Châtellerault_ kan
gebleven zijn, moeten wij hem niet meer dan de helft der som geven, met
belofte hem de andere helft voor het antwoord te geven. Hebt gij den
diamant?”--„Ik heb iets beters dan dat, ik heb het geld,” zeide
d’Artagnan, en hij wierp den zak op tafel.
Op den klank van het geld richtte Aramis de oogen hemelwaarts. Porthos
sprong op, terwijl Athos onbeweeglijk bleef zitten.
„Hoeveel is er in dien kleinen zak?” vroeg de laatste.--„Zeven duizend
franken, in louis van twaalf franken.”--„Zeven duizend franken?” riep
Porthos; „was die kleine, nietige diamant zeven duizend franken
waard?”--„Het schijnt wel, want daar zijn ze; ik kan toch niet
veronderstellen, dat onze vriend d’Artagnan er van het zijne heeft
bijgelegd?”--„Maar, heeren! bij dat alles wordt er niet aan de koningin
gedacht; trachten wij een weinig voor den welstand van haar lieven
Buckingham zorg te dragen; dat is niet meer dan wij haar verschuldigd
zijn.”--„Dat is waar,” zeide Athos; „maar dat raakt Aramis.”--„Welnu,”
antwoordde deze blozende, „wat moet ik doen?”--„Wel,” hernam Athos, „dat
is zeer eenvoudig: een anderen brief voor den knappen persoon, die
_Tours_ bewoont, opstellen.”
Aramis vatte wederom de pen op, begon opnieuw te peinzen en schreef de
volgende regels, die hij onmiddellijk aan de goedkeuring zijner vrienden
onderwierp:
„Lieve nicht!”
„O, o!” riep Athos, „is die knappe persoon uw nicht?”--„Mijn volle
nicht,” zeide Aramis.--„Laat het dan nicht zijn!”
Aramis vervolgde:
„Lieve nicht!
Zijne Eminentie de kardinaal, dien God behoede voor het heil van
_Frankrijk_ en het verderf der vijanden van het koninkrijk, is op
het punt een einde aan de kettersche rebellen van _la Rochelle_ te
maken; het is waarschijnlijk, dat de Engelsche vloot, ter hulp
gezonden, niet in het gezicht der stad zal komen; ik zou zelfs
durven verzekeren, dat de hertog van Buckingham door een of andere
groote gebeurtenis zal belet worden te vertrekken. Zijne Eminentie
is de beroemdste staatkundige van den tegenwoordigen tijd, en
misschien der toekomstige tijden. Hij zou de zon uitdooven, indien
de zon hem hinderde. Deel die gelukkige tijding aan uw zuster mede,
lieve nicht! Ik heb gedroomd, dat die vervloekte Engelschman dood
was. Ik herinner mij niet meer, of zulks ten gevolge van staal of
vergift was. Alleen, en hiervan ben ik zeker, is, dat hij dood was;
en gij weet, mijn droomen komen altijd uit. Wees dus verzekerd van
mijn spoedige terugkomst.”
„Kostelijk!” riep Athos; „gij zijt de koning der dichters, mijn waarde
Aramis! Gij spreekt als de openbaring van Johannes, en gij zijt zoo waar
als het evangelie. Er blijft nu slechts over, het adres op den brief te
zetten.”--„Dat is zeer gemakkelijk,” zeide Aramis.
Hij maakte op sierlijke wijze den brief dicht, daarop keerde hij hem om
en schreef er op:
„Aan mejuffrouw Michon, koopvrouw in lijnwaad te _Tours_.”
De drie vrienden zagen elkander lachend aan. Men had Aramis beet.--„Nu
begrijpt gij wel, heeren!” zeide Aramis, „dat alleen Bazijn den brief
naar _Tours_ kan brengen. Mijn nicht kent niemand dan Bazijn en stelt
alleen in hem vertrouwen. Elk ander zou de zaak doen mislukken.
Bovendien is Bazijn eerzuchtig en geleerd. Bazijn kent de geschiedenis,
mijne heeren! hij weet, dat Sixtus V, na varkenshoeder te zijn geweest,
paus is geworden; en dewijl hij voornemens is tegelijk met mij zich aan
de kerk te verbinden, laat hij de hoop ook niet varen nog eenmaal paus,
ten minste kardinaal te worden. Nu begrijpt gij wel, dat iemand, die
zulke vooruitzichten heeft, zich niet laat vangen, en gevangen wordende,
liever martelaar wordt dan te spreken.”
„Zeer goed,” zeide d’Artagnan, „ik sta u van harte Bazijn af, maar laat
mij Planchet. Milady heeft hem op zekeren dag met stokslagen de deur uit
laten werpen. En dewijl Planchet een zeer goed geheugen heeft, sta ik u
borg, indien hij de minste wraak als mogelijk beschouwt, dat hij zich
liever levend zal doen radbraken dan er van af te zien. Indien de zaken
van _Tours_ de uwe zijn, Aramis! zijn die van _Londen_ de mijne. Ik
verzoek dus, dat men Planchet verkieze, die buitendien reeds met mij te
_Londen_ is geweest en zeer goed kan zeggen: ‚_London, Sir if you
please_,’ en ‚_my master_, _lord d’Artagnan_.’ Wees daarom gerust, hij
zal zijn weg wel vinden heen en weer.”
„In dat geval,” zeide Athos, „moet Planchet zevenhonderd franken om te
gaan en zevenhonderd franken, om terug te keeren hebben, en Bazijn
driehonderd franken om te gaan en driehonderd franken om terug te
keeren; dat zal de som tot vijf duizend franken verminderen. Wij zullen
elk duizend franken nemen om die naar ons goedvinden te gebruiken, en
een fonds van duizend franken houden, dat de abt zal bewaren voor
buitengewone uitgaven of gemeenschappelijke benoodigdheden. Neemt gij
hiermede genoegen?”--„Mijn waarde Athos!” zeide Aramis, „gij spreekt als
een Nestor, die, zooals de geheele wereld weet, de wijste onder de
Grieken was.”--„Welnu, het is bepaald,” hernam Athos, „Planchet en
Bazijn zullen vertrekken. En alles wel beschouwd is het mij niet
onaangenaam Grimaud te behouden; hij is aan mijn leefwijze gewoon en ik
ben aan hem gehecht; de dag van gisteren heeft hem reeds moeten doen
wankelen; die reis zou hem geheel verloren doen gaan.”
Men liet Planchet komen en gaf hem de noodige voorschriften; hij was
door d’Artagnan reeds gewaarschuwd, die hem vooreerst roem, ten tweede
geld en eindelijk gevaar had doen vooruitzien.
„Ik zal den brief tusschen de voering van mijn kleed steken,” zeide
Planchet, „en dien inslikken, wanneer men mij aanhoudt.”--„Maar dan zult
gij uw boodschap niet kunnen verrichten,” zeide d’Artagnan.--„Geef er
mij van avond een afschrift van, en ik zal het morgen van buiten
kennen.”
D’Artagnan beschouwde zijn vrienden als wilde hij vragen: „Wel, wat heb
ik u gezegd?”
„En nu,” ging hij voort, zich tot Planchet wendende, „gij hebt aan acht
dagen genoeg om u naar lord de Winter te begeven; gij hebt vervolgens
wederom acht dagen om terug te keeren; dus in het geheel zestien dagen.
Indien gij nu den zestienden dag na uw vertrek des avonds te acht uur
niet terug zijt, dan krijgt gij geen geld, al zou het slechts vijf
minuten er over zijn.”--„Koop mij dan een horloge, mijnheer!” zeide
Planchet.--„Neem dit,” zeide Athos met zijn ruwe edelmoedigheid, „en
wees braaf; wees indachtig, dat indien gij spreekt of babbelt of
slentert, gij uws meesters hals doet afsnijden, die zooveel vertrouwen
in uw getrouwheid stelt, dat hij jegens ons voor u verantwoordelijk is
gebleven.... Maar wees tevens ook indachtig dat, indien den heer
d’Artagnan een ongeluk gebeurt, ik u overal zal weten te vinden om u den
buik open te rijten.”--„Ach, mijnheer!” zeide Planchet, vernederd door
dat wantrouwen, maar vooral verschrikt door die bedaarde houding van den
musketier.--„En ik,” zeide Porthos, zijn groote oogen vreeselijk latende
rollen, „bedenk dat ik u levend vil.”--„En ik,” zeide Aramis met zijn
zachte, welluidende stem, „herinner u, dat ik u als een wilde zachtjes
zal roosteren.”--„Ach, mijnheer!”
En Planchet begon te huilen; wij durven niet zeggen of zulks van angst
voor de hem gedane bedreigingen was, of van verteedering op het zien
dezer zoo nauw aan elkander verbonden vrienden. D’Artagnan vatte hem bij
de hand.
„Ziet gij, Planchet!” zeide hij, „die heeren zeggen u dat alleen uit
liefde voor mij; maar inderdaad houden zij veel van u.”--„Ach,
mijnheer!” zeide Planchet, „òf ik zal slagen, òf men zal mij
vierendeelen; maar wees verzekerd, dat er geen stuk van mij zal
spreken.”
Het was bepaald, dat Planchet den volgenden dag, des morgens te acht
uur, zou vertrekken, ten einde, zooals hij had gezegd, des nachts den
brief van buiten te kunnen leeren. Hij won juist twaalf uren bij die
schikking, immers hij moest den zestienden dag daarna, des avonds te
acht uur, terug zijn.
Des morgens, toen hij wilde te paard stijgen, nam d’Artagnan, die in
zijn hart een zwak voor den hertog van Buckingham gevoelde, hem ter
zijde en zeide hem: „Luister! Zoodra gij den brief aan lord de Winter
zult hebben ter hand gesteld en hij dien gelezen heeft, zult gij hem nog
zeggen: ‚Waak over Zijne Genade, lord Buckingham! want men wil hem
vermoorden.’ Maar dat, Planchet, hoort gij, is van een zoo ernstigen,
gevaarlijken aard, dat ik niet eens aan mijn vrienden heb willen
bekennen, dat ik u dat geheim zou toevertrouwen, en al bood men mij een
kapiteinsplaats, zou ik u dit niet eens willen opschrijven.”--„Wees
gerust, mijnheer!” zeide Planchet, „gij zult ondervinden of men op mij
kan rekenen.”--En op een kostelijk paard gezeten, dat hij twintig mijlen
verder voor de post moest verwisselen, vertrok Planchet in galop, wel
eenigszins inwendig angstig voor de akelige beloften, die de musketiers
hem hadden gedaan, maar overigens in de beste gezindheid der wereld.
Bazijn vertrok den volgenden dag naar _Tours_ en verkreeg acht dagen om
zijn boodschap te verrichten.
De vier vrienden waren, gedurende al den tijd dat beiden afwezig waren,
meer dan ooit werkzaam en scherpten hiertoe al hun zintuigen. Zij
brachten den dag door in pogingen om te beluisteren wat er rondom hen
gesproken werd, in het nagaan der gangen van den kardinaal en het
uithooren der koeriers, die aankwamen. Meer dan eens overviel hen een
onwillekeurige rilling, wanneer zij geroepen werden ter uitvoering van
een onverwachten dienst. Zij waren buitendien genoodzaakt voor hun
eigene zekerheid te waken; immers milady was een spookgedaante die,
wanneer zij eenmaal aan de lieden was verschenen, hun een gerusten slaap
niet meer vergunde.
Op den ochtend van den achtsten dag trad Bazijn, als naar gewoonte
frisch en glimlachende, de herberg _het Geuzennest_ binnen, terwijl de
vier vrienden zaten te ontbijten, en volgens afspraak zich tot Aramis
wendende, zeide hij: „Ziedaar, mijnheer! het antwoord van uw nicht.”
De vier vrienden wisselden een verheugden blik met elkander; de helft
van het werk was verricht; het is waar, dat het de gemakkelijkste en
kortste helft was. Aramis nam onwillekeurig blozende den brief, die zeer
slecht geschreven en zonder de minste taalkennis was.
„Goede God!” riep hij lachend uit, „nu wanhoop ik er voor altijd aan,
dat die arme Michon ooit als de Heer Voiture zal schrijven.”--„_Was
sagst du doch, die arme Migeon_?” vroeg de Zwitser, die met de vier
vrienden in gesprek was, toen de brief kwam.--„Ach, mijn God! iets
minder dan niets,” zeide Aramis, „het betreft een allerliefst
linnenkoopstertje, die ik veel liefde toedraag en die mij ter
gedachtenis eenige regels heeft gezonden.”--„_Teufel_!” zeide de
Zwitser, „_wenn sie eine ebengrosse_ Tame _als ihr Schrift ist, dann
bist du mein Freund ein glücklicher Mann_.”--„Zie eens wat zij mij
schrijft, Athos!”--Athos wierp een blik op den brief en om alle
vermoedens te doen verdwijnen, die zouden hebben kunnen ontstaan, las
hij luid:
„Neef! mijn zuster en ik kunnen zeer goed droomen uitleggen en zijn
er vreeselijk benauwd voor, maar van den uwen zal men hoop ik
kunnen zeggen: droomen is bedrog.... Vaarwel, houd u goed en tracht
ons van tijd tot tijd eenige tijding van u te doen geworden.
Aglaé Michon.”
„En van welken droom spreekt zij?” vroeg de dragonder, die onder het
lezen was genaderd.--„_Ja, was träumte sie_?” hernam de Zwitser.--„Wel,
_pardieu_!” zeide Aramis, „van den droom, dien ik heb verhaald.”--„_Ach
ja! es ist ganz natürlich von sein Traum zu sprechen, aber ich träume
nie._”--„Gij zijt wel gelukkig,” zeide Athos opstaande, „en ik zou
gaarne zulks met u willen zeggen.”--„_Nie_!” hernam de Zwitser, verheugd
dat een man als Athos hem iets benijdde, „_nie! nie_!”
D’Artagnan, ziende dat Athos opstond, deed evenzoo, nam zijn arm en
vertrok. Porthos en Aramis bleven, om op de kwinkslagen van den
dragonder en den Zwitser te kunnen antwoorden. Intusschen ging Bazijn op
een bos stroo liggen slapen, en daar zijn verbeelding waakzamer was dan
die van den Zwitser, droomde hij, dat de heer Aramis, paus geworden
zijnde, hem den kardinaalshoed opzette.
Maar, zooals wij zeiden, had Bazijn, door zijn gelukkige terugkomst,
slechts een gedeelte der ongerustheid, die de vier vrienden prikkelde,
weggenomen. Het wachten valt lang; en vooral d’Artagnan zou gezworen
hebben, dat de dagen acht en veertig uren hadden. Hij vergat de
noodwendige langzaamheid der scheepvaart, hij overdreef de macht van
milady en schreef aan die vrouw, welke hem een helsche geest scheen,
bovennatuurlijke bondgenooten toe, aan haar gelijk; hij verbeeldde zich
bij het minste gerucht, dat men hem kwam halen en Planchet terugbracht,
om dezen met hem en zijn vrienden te confronteeren. En wat meer is, zijn
vertrouwen in den waardigen Picardiër verminderde dagelijks. Die
ongerustheid was zoo sterk, dat zij ook Porthos en Aramis overviel;
alleen Athos bleef zich zelven gelijk, alsof geen enkel gevaar hem
dreigde en hij in zijn gewone sfeer verkeerde.
Vooral waren die teekenen van onrust den zestienden dag zoo zichtbaar
bij d’Artagnan en zijn twee vrienden, dat zij niet stil konden blijven
en steeds als schimmen op den weg dwaalden, langs welken Planchet moest
terugkomen.
„Waarlijk,” zeide Athos, „gij zijt geen mannen, gij zijt kinderen, om u
door een vrouw zooveel angst te laten aanjagen. En wat beteekent het in
alle geval, gevangen te worden genomen? Welnu, men zal ons uit de
gevangenis bevrijden, waaruit men juffrouw Bonacieux wel heeft
bevrijd.... Te worden onthalsd? maar wij gaan immers dagelijks in de
loopgraven ons nog meer blootstellen; want een kogel kan ons been
verbrijzelen, en ik ben zeker, dat een wondheeler ons meer doet lijden,
door ons een been af te zetten, dan een beul door ons het hoofd af te
slaan. Weest dus gerust, binnen twee, vier of zes uren op het langst zal
Planchet hier wezen; hij heeft beloofd hier te zijn, en ik stel veel
vertrouwen in de beloften van Planchet, die er als een zeer brave jongen
uitziet.”--„Maar als hij niet komt?” zeide d’Artagnan.--„Welnu, indien
hij niet komt, is hij opgehouden, ziedaar alles. Hij kan van het paard
zijn gevallen, hij kan over een brug zijn geduikeld, hij kan zooveel
spoed hebben gemaakt, dat hij er een verkoudheid door heeft gekregen....
Nemen wij daarom, mijne heeren, de toevalligheden in aanmerking. Het
leven is een groote rozenkrans van kleine ellenden, terwijl de wijsgeer
lachend de kralen door zijn vingers laat glijden. Weest wijsgeeren,
zooals ik het ben, mijne heeren, zet u aan tafel en laat ons drinken;
niets geeft aan de toekomst een meer rooskleurigen weerschijn, dan ze
door een glas Chambertin heen te beschouwen.”--„Dat is zeer goed,”
antwoordde d’Artagnan, „maar ik ben het moede steeds, wanneer ik drink,
te moeten vreezen, dat de wijn uit den kelder van milady komt.”--„Gij
zijt wel lastig,” zeide Athos. „Een zoo schoone vrouw!”--„Een zoo
_merkwaardige_[13] vrouw!” riep Porthos hard lachende.
[13] Er is hier in het Fransch een uitdrukking „femme de marque”,
die men op een gebrandmerkte vrouw, zooals milady, kan toepassen.
Porthos wist, gelijk men weet, van de zaak niet af.
Athos ontroerde, bracht de hand aan het voorhoofd, om er het zweet af te
wisschen, en stond op zijn beurt op met een zenuwachtige spanning, die
hij niet kon bedwingen.
De dag liep ten einde, en de avond naderde langzaam, maar hij kwam toch;
de kroegen vulden zich met drinkers. Athos, die zijn aandeel van den
diamant had ontvangen, verliet _het Geuzennest_ niet meer; hij had in
den heer de Busigny, die den vrienden bereids een prachtig maal had
gegeven, een hem waardigen drinkebroer gevonden. Zij waren met elkander,
volgens gewoonte, aan het dobbelen, toen het zeven uur sloeg; men hoorde
de patrouilles voorbijgaan, die de wachtposten gingen verdubbelen. Te
half acht werd de taptoe geslagen.
„Wij zijn verloren,” zeide d’Artagnan, Athos in het oor
fluisterende.--„Gij wilt zeggen, dat wij verloren hebben,” zeide Athos
bedaard, uit zijn zak tien louis d’or halende, die hij op tafel wierp.
„Komt, heeren!” ging hij voort, „men slaat de taptoe; wij gaan slapen.”
En Athos verliet _het Geuzennest_, gevolgd door d’Artagnan. Aramis kwam
achterna, den arm aan Porthos gevende. Aramis zeide bij zich zelven
verzen op, en Porthos trok zich van tijd tot tijd wanhopend eenige haren
uit den knevel.
Maar daar verschijnt eensklaps in de duisternis een schim, van welke de
gestalte aan d’Artagnan niet onbekend is, terwijl een ook bekende stem
hem toeroept: „Mijnheer! ik breng u uw mantel, want het is koud van
avond.”--„Planchet!” riep d’Artagnan buiten zich zelven van
vreugd.--„Planchet!” riepen Porthos en Aramis.--„Welnu ja, wat is er aan
Planchet wonders te zien?” zeide Athos. „Hij heeft beloofd te acht uur
terug te zullen zijn, en ziedaar slaat het acht uur. Bravo, Planchet!
gij zijt een man van uw woord, en indien gij ooit uw meester mocht
verlaten, heb ik voor u een plaats in mijn dienst open.”--„Neen, nooit,”
zeide Planchet, „nooit zal ik den heer d’Artagnan verlaten.”
En tegelijkertijd voelde d’Artagnan, dat Planchet hem een briefje in de
hand stopte. D’Artagnan had veel lust Planchet te omhelzen; maar hij was
bevreesd, dat dit bewijs van genegenheid midden op den weg, jegens zijn
lakei betoond, den een of anderen voorbijganger zou opvallen, en hij
bedwong zich.--„Ik heb het antwoord,” zeide hij tot Athos en zijn
vrienden.--„Goed,” hernam Athos, „laat ons binnengaan, en wij zullen het
lezen.”
Het briefje brandde in de hand van d’Artagnan; hij wilde zijn schreden
verhaasten, maar Athos nam hem bij den arm, en de jongeling was
genoodzaakt zijn stap naar dien van zijn vriend te regelen. Eindelijk
trad men de tent binnen, men stak een lamp aan, en terwijl Planchet voor
de deur bleef staan, ten einde te zorgen, dat de vier vrienden niet
werden overvallen, brak d’Artagnan met een bevende hand het zegel los en
opende den zoo lang verwachten brief.
Hij behelsde slechts een halven regel echt Engelsch schrift, van een
volkomen Spartaansche zakelijkheid:
„_Thank you; be easy._”
Hetgeen wilde zeggen: ik dank u: wees gerust. Athos nam den brief uit de
handen van d’Artagnan, stak hem in de vlam der lamp en liet hem niet
los, voordat hij tot asch verteerd was. Vervolgens riep hij Planchet.
„Thans, mijn jongen!” zeide hij, „kunt gij de zevenhonderd franken
eischen, maar gij waagdet niet veel met een dergelijk briefje.”--„Dat
heeft niet belet, dat ik allerhande middelen heb moeten bedenken, om het
goed te verbergen,” zeide Planchet.--„Welnu,” zeide d’Artagnan, „verhaal
ons dat eens.”--„Duivelsch,” zeide Planchet, „dat vereischt veel tijd,
mijnheer!”--„Gij hebt gelijk, Planchet! bovendien is de taptoe geslagen
en men zou ons opmerken, indien men langer dan bij de anderen licht bij
ons zag.”--„Goed,” zeide d’Artagnan, „laat ons gaan slapen, slaap wel,
Planchet!”--„Op mijn woord, mijnheer! dat zal de eerste maal sedert
zestien dagen zijn.”--„Voor mij ook,” zeide d’Artagnan.--„Voor mij ook,”
hernam Aramis.--„Luistert, wilt gij dat ik u de waarheid zegge? Voor mij
ook,” zeide Athos.