HOOFDSTUK XVII.

Familiezaken.

Athos had eindelijk het woord gevonden, namelijk: van de zaak van

Buckingham een _familiezaak_ te maken. Immers, een familiezaak zou niet

aan het onderzoek van den kardinaal onderworpen worden. Een familiezaak

raakte niemand, en men kon zich met een familiezaak in tegenwoordigheid

van de geheele wereld bezighouden. Aramis had het denkbeeld gevonden:

den lakei. Porthos het middel: den diamant. Alleen d’Artagnan had niets

gevonden, hij, gewoonlijk de vindingrijkste van allen; maar het moet ook

gezegd worden, dat alleen de naam van milady voldoende was om hem te

ontzenuwen. Maar neen, wij bedriegen ons, hij had een kooper voor den

diamant gevonden.

Het ontbijt bij den heer de Tréville was zeer vroolijk. D’Artagnan bezat

reeds zijn nieuwe uniform. Van bijna dezelfde grootte als Aramis zijnde,

had deze, die, zooals men weet, zoo edelmoedig betaald was geworden door

den boekverkooper, die zijn dichtstuk had gekocht, alles dubbel laten

maken en zijn vriend een volledige uitrusting afgestaan. D’Artagnan zou

het toppunt zijner wenschen hebben bereikt, indien hij niet milady als

een donkere wolk aan den gezichteinder had zien opdagen.

Na het ontbijt maakte men afspraak, elkander bij Athos dienzelfden avond

weder te vinden, alwaar men de zaak zou afhandelen.

D’Artagnan besteedde den dag met het vertoonen van zijn musketiersgewaad

in al de straten van het legerkamp. Des avonds vereenigden zich de vier

vrienden op het bepaalde uur; er bleven nog slechts drie punten ter

overweging over: Wat men aan den broeder van milady zou schrijven. Wat

men aan dien knappen persoon van _Tours_ zou schrijven. En wie de

lakeien zouden zijn, die de brieven moesten bezorgen. Elk bood den

zijnen aan. Athos roemde de stilzwijgendheid van Grimaud, die dan alleen

sprak, wanneer zijn meester hem den mond opende; Porthos roemde de

kracht van Mousqueton, die tegen vier mannen, van gewone grootte, was

opgewassen; Aramis, in de slimheid van Bazijn volkomen vertrouwen

stellende, weidde uit in loftuitingen op zijn kandidaat; d’Artagnan ten

slotte wees op den moed van Planchet en herinnerde aan de wijze, op

welke hij zich in de zoo moeilijke zaak van _Boulogne_ had gedragen. Die

vier deugden betwistten elkander lang den prijs en gaven aanleiding tot

redevoeringen, die wij, uit vrees voor langwijligheid, niet zullen

mededeelen.

„Ongelukkiglijk,” zeide Athos, „zou hij, dien men zond, alleen die vier

hoedanigheden bij elkander moeten bezitten.”--„Maar waar een

dergelijken dienaar te vinden?”--„Die is niet te vinden,” zeide Athos,

„dat weet ik wel; neem dus Grimaud.”--„Neem Mousqueton.”--„Neem

Bazijn.”--„Neem Planchet. Planchet is trouw en behendig, dat

zijn reeds twee hoedanigheden van de vier.”--„Mijne heeren!”

zeide Aramis, „het voornaamste is niet te weten, wie van onze

vier knechts de geheimhoudendste, de sterkste, de behendigste

of de moedigste is; het voornaamste is te weten, wie het meest van

geld houdt.”--„Hetgeen Aramis daar opmerkt, is zeer verstandig

gezegd,” hernam Athos; „men moet met de gebreken der menschen zijn

voordeel doen, en niet met hun deugden. Mijnheer de abt, gij zijt een

groot zedenmeester!”--„Ongetwijfeld,” hernam Aramis, „want wij moeten

niet alleen goed bediend worden, ten einde te slagen, maar ook om onze

onderneming niet te doen mislukken; immers in het laatste geval is niet

het hoofd van den lakei....”--„Spreek zachter, Aramis!” zeide

Athos.--„Het is waar ook. Is niet het hoofd van den lakei, maar dat van

den meester er mede gemoeid. Hebben onze knechts ons nu zoo lief, dat

zij hun hoofden voor ons zouden wagen? Neen.”--„Wel,” zeide d’Artagnan,

„ik zou bijna voor Planchet willen verantwoordelijk blijven.”--„Welnu,

mijn beste vriend! voeg dan bij zijn natuurlijke genegenheid een goede

som, die hem eenig genot kan geven, en dan, in plaats van eenmaal voor

hem verantwoordelijk te zijn, wees het dan twee malen.”

„Ach, mijn God! gij zoudt u eveneens bedrogen vinden,” zeide Athos,

die _Optimist_ was wanneer het zaken, en _Pessimist_ wanneer het

menschen betrof: „zij zullen alles beloven voor geld, maar onderweg

zal de vrees hen beletten te handelen. Eenmaal in handen, zal men

hen knijpen; en geknepen, zullen zij bekennen. Wat duivel! wij zijn

kinderen! Om naar _Engeland_ te gaan (Athos begon zachter te spreken)

moet men geheel _Frankrijk_ door, dat wemelt van spionnen en

aanhangers van den kardinaal; men moet Engelsch spreken, om in

_Londen_ den weg te vragen. Zie, ik beschouw de zaak als zeer

moeilijk.”--„Wel, volstrekt niet,” zeide d’Artagnan, die er zeer op

gesteld was, dat de zaak werd voortgezet; „ik, integendeel, beschouw

ze als zeer uitvoerbaar. Het spreekt vanzelf, _parbleu_! dat wanneer

men lord de Winter ongerijmdheden, afschuwelijkheden van den kardinaal

schrijft....”--„Spreek toch zachter,” zeide Athos.--„Intrigues en

staatsgeheimen,” ging d’Artagnan voort, de aanbeveling nakomende, „dan

spreekt het vanzelf, dat men ons levend zal radbraken. Maar om Gods wil,

vergeet niet, zooals gij het zelf hebt gezegd, Athos! dat wij over

familiezaken schrijven; dat wij hem alleen schrijven, milady, zoodra zij

in _Engeland_ aankomt, buiten staat te stellen ons te schaden. Ik zal

hem een brief in dien zin schrijven.”--„Laat hooren,” zeide Aramis,

reeds bij voorbaat het gezicht van een recensent aannemende.

„Mijnheer en waarde vriend!....”

„Wel zeker! waarde vriend aan een Engelschman! Alleen om deze woorden

zou men u vierendeelen, in plaats van levend radbraken.”--„Welnu, dan

zal ik eenvoudig mijnheer schrijven.”--„Gij kunt wel mylord zeggen,”

hernam Athos, die zeer op étiquette was gesteld.--„Mylord! herinnert gij

u nog wel die kleine omheinde geitenweide bij het _Luxembourg_?”--„Nog

fraaier! Nu het _Luxembourg_! men zal gelooven, dat men op de

koningin-moeder zinspeelt! zeer slim inderdaad!” zeide Athos.--„Welnu,

dan zullen we eenvoudig zetten: Mylord! herinnert gij u nog wel zekere

omheinde weide, waar men u het leven redde?”--„Mijn waarde d’Artagnan!”

zeide Athos, „gij zult nooit anders dan een slecht briefsteller zijn.

Waar men u het leven redde! wel foei! dat is onwaardig! men herinnert

dergelijke zaken niet aan een edelman. Een herinnerde weldaad wordt een

beleediging.”--„Ach, mijn waarde!” zeide d’Artagnan, „gij zijt

onverdragelijk; en indien men onder uw toezicht moet schrijven, dan zie

ik er van af.”--„En gij doet wel. Ga met het musket en den degen om,

mijn vriend! gij bedient u van beide wapens voortreffelijk; maar geven

wij de pen aan Aramis, ze behoort hem.”--„Wel ja,” zeide Porthos, „geef

Aramis de pen in de hand; immers hij schrijft zijn thesis in het

Latijn.”--„Goed, het zij zoo,” zeide d’Artagnan, „stel ons dien brief

op, Aramis! Maar bij onzen Heiligen Vader den Paus, pas op! want op mijn

beurt zal ik u mijn aanmerkingen niet onthouden, dat verzeker ik

u.”--„Ik begeer niets anders,” zeide Aramis, met dat onnoozel

vertrouwen, hetwelk ieder poëet in zich zelven stelt; „maar men

moet mij met de zaken bekend maken. Ik heb wel hier en daar gehoord,

dat die schoonzuster een zeer slechte vrouw is, en er zelfs het

bewijs van gekregen, toen ik naar haar gesprek met den kardinaal

luisterde.”--„Spreek toch zoo luid niet, _sacrebleu_!” hernam

Athos.--„Maar,” vervolgde Aramis, „die bijzonderheden zijn mij

ontgaan.”--„En mij ook,” zeide Porthos.

D’Artagnan en Athos beschouwden elkander een poos zwijgend. Eindelijk

gaf Athos, na overwogen te hebben, en nog bleeker geworden zijnde dan

gewoonlijk, een teeken van toestemming. D’Artagnan begreep, dat hij

mocht spreken.

„Welnu, ziehier wat er te schrijven is,” hernam d’Artagnan: „Mylord! uw

schoonzuster is een slechte vrouw, die u heeft willen doen vermoorden om

van u te erven; zij mocht trouwens met uw broeder niet gehuwd zijn, daar

zij reeds in _Frankrijk_....” D’Artagnan zweeg, als om het woord te

zoeken, terwijl hij Athos aanzag.--„Door haar man was weggejaagd,” zeide

Athos.--„Uit hoofde zij gebrandmerkt was,” vervolgde d’Artagnan.--„Och!”

riep Porthos, „onmogelijk! zou zij haar schoonbroeder hebben willen doen

vermoorden?”--„Ja.”--„Was zij reeds gehuwd?” vroeg Aramis.--„Ja.”--„En

heeft haar man ontdekt, dat zij een lelie op den schouder had?” riep

Porthos.--„Ja.”--Driemaal had Athos _ja_ gezegd, met een trapsgewijze

verdooving zijner stem.--„En wie heeft die lelie gezien?” vroeg

Aramis.--„D’Artagnan en ik; of liever, om de chronologische volgorde in

acht te nemen, ik en d’Artagnan,” antwoordde Athos.--„En leeft dat

afschuwelijk schepsel nog?” vroeg Aramis.--„Het leeft nog.”--„Zijt gij

er zeker van?”--„Ik ben er zeker van.”

Een oogenblik heerschte er een onaangename stilte, van welke ieder,

volgens zijn aard, den indruk voelde.

„Nu, dezen keer,” hernam Athos, het eerst de stilte afbrekende, „heeft

d’Artagnan ons een heerlijk voorschrift gegeven, en dat is het, wat wij

vooreerst moeten schrijven.”--„Duivelsch! gij hebt gelijk, Athos!”

hernam Aramis, „maar het opstel is moeilijk genoeg. Mijnheer de

kanselier zoude zelfs in verlegenheid zijn een dergelijken brief op te

stellen, en nochtans stelt hij zeer aardig een proces-verbaal op. Maar

het doet er niet toe. Zwijgt nu een oogenblik en ik zal schrijven.”

Aramis nam de pen, peinsde eenige oogenblikken, schreef een acht- of

tiental regels in een zeer net, klein vrouwenschrift; vervolgens las hij

met een zachte stem en langzaam, alsof elk woord nauwkeurig ware

overwogen, het volgende:

„Mylord!

De persoon, die u deze weinige regels schrijft, heeft de eer gehad

den degen met u te kruisen in zekere kleine omheinde weide in de

straat _d’Enfer_. Daar gij sedert meermalen dien persoon uw vriend

hebt genoemd, is hij jegens u verplicht die vriendschap door een

goede waarschuwing te erkennen. Tot tweemalen toe zijt gij bijna

het offer geworden eener bloedverwante, die gij uw erfgename waant,

omdat het u onbekend is, dat zij, vóór haar huwelijk in _Engeland_,

reeds in _Frankrijk_ was gehuwd; maar de derde maal, hetgeen nu het

geval is, zoudt gij kunnen bezwijken. Uw bloedverwante is van _la

Rochelle_ naar _Engeland_ vertrokken. Bewaak haar bij haar

aankomst, want zij wil groote en verschrikkelijke plannen

volvoeren. Als gij volstrekt wilt weten, waartoe zij in staat is,

lees dan haar verleden op den linkerschouder.”

„Wel, dat kan niet beter,” zeide Athos, „en gij hebt een stijl als van

een staatssecretaris, mijn waarde Aramis! De Winter zal nu een waakzaam

oog houden, althans indien de waarschuwing hem gewordt, en al mocht die

brief in handen van Zijne Eminentie vallen, kan hij ons niet benadeelen.

Maar dewijl de knecht, die vertrekken moet, ons zou kunnen wijsmaken,

dat hij in _Londen_ is geweest, en echter te _Châtellerault_ kan

gebleven zijn, moeten wij hem niet meer dan de helft der som geven, met

belofte hem de andere helft voor het antwoord te geven. Hebt gij den

diamant?”--„Ik heb iets beters dan dat, ik heb het geld,” zeide

d’Artagnan, en hij wierp den zak op tafel.

Op den klank van het geld richtte Aramis de oogen hemelwaarts. Porthos

sprong op, terwijl Athos onbeweeglijk bleef zitten.

„Hoeveel is er in dien kleinen zak?” vroeg de laatste.--„Zeven duizend

franken, in louis van twaalf franken.”--„Zeven duizend franken?” riep

Porthos; „was die kleine, nietige diamant zeven duizend franken

waard?”--„Het schijnt wel, want daar zijn ze; ik kan toch niet

veronderstellen, dat onze vriend d’Artagnan er van het zijne heeft

bijgelegd?”--„Maar, heeren! bij dat alles wordt er niet aan de koningin

gedacht; trachten wij een weinig voor den welstand van haar lieven

Buckingham zorg te dragen; dat is niet meer dan wij haar verschuldigd

zijn.”--„Dat is waar,” zeide Athos; „maar dat raakt Aramis.”--„Welnu,”

antwoordde deze blozende, „wat moet ik doen?”--„Wel,” hernam Athos, „dat

is zeer eenvoudig: een anderen brief voor den knappen persoon, die

_Tours_ bewoont, opstellen.”

Aramis vatte wederom de pen op, begon opnieuw te peinzen en schreef de

volgende regels, die hij onmiddellijk aan de goedkeuring zijner vrienden

onderwierp:

„Lieve nicht!”

„O, o!” riep Athos, „is die knappe persoon uw nicht?”--„Mijn volle

nicht,” zeide Aramis.--„Laat het dan nicht zijn!”

Aramis vervolgde:

„Lieve nicht!

Zijne Eminentie de kardinaal, dien God behoede voor het heil van

_Frankrijk_ en het verderf der vijanden van het koninkrijk, is op

het punt een einde aan de kettersche rebellen van _la Rochelle_ te

maken; het is waarschijnlijk, dat de Engelsche vloot, ter hulp

gezonden, niet in het gezicht der stad zal komen; ik zou zelfs

durven verzekeren, dat de hertog van Buckingham door een of andere

groote gebeurtenis zal belet worden te vertrekken. Zijne Eminentie

is de beroemdste staatkundige van den tegenwoordigen tijd, en

misschien der toekomstige tijden. Hij zou de zon uitdooven, indien

de zon hem hinderde. Deel die gelukkige tijding aan uw zuster mede,

lieve nicht! Ik heb gedroomd, dat die vervloekte Engelschman dood

was. Ik herinner mij niet meer, of zulks ten gevolge van staal of

vergift was. Alleen, en hiervan ben ik zeker, is, dat hij dood was;

en gij weet, mijn droomen komen altijd uit. Wees dus verzekerd van

mijn spoedige terugkomst.”

„Kostelijk!” riep Athos; „gij zijt de koning der dichters, mijn waarde

Aramis! Gij spreekt als de openbaring van Johannes, en gij zijt zoo waar

als het evangelie. Er blijft nu slechts over, het adres op den brief te

zetten.”--„Dat is zeer gemakkelijk,” zeide Aramis.

Hij maakte op sierlijke wijze den brief dicht, daarop keerde hij hem om

en schreef er op:

„Aan mejuffrouw Michon, koopvrouw in lijnwaad te _Tours_.”

De drie vrienden zagen elkander lachend aan. Men had Aramis beet.--„Nu

begrijpt gij wel, heeren!” zeide Aramis, „dat alleen Bazijn den brief

naar _Tours_ kan brengen. Mijn nicht kent niemand dan Bazijn en stelt

alleen in hem vertrouwen. Elk ander zou de zaak doen mislukken.

Bovendien is Bazijn eerzuchtig en geleerd. Bazijn kent de geschiedenis,

mijne heeren! hij weet, dat Sixtus V, na varkenshoeder te zijn geweest,

paus is geworden; en dewijl hij voornemens is tegelijk met mij zich aan

de kerk te verbinden, laat hij de hoop ook niet varen nog eenmaal paus,

ten minste kardinaal te worden. Nu begrijpt gij wel, dat iemand, die

zulke vooruitzichten heeft, zich niet laat vangen, en gevangen wordende,

liever martelaar wordt dan te spreken.”

„Zeer goed,” zeide d’Artagnan, „ik sta u van harte Bazijn af, maar laat

mij Planchet. Milady heeft hem op zekeren dag met stokslagen de deur uit

laten werpen. En dewijl Planchet een zeer goed geheugen heeft, sta ik u

borg, indien hij de minste wraak als mogelijk beschouwt, dat hij zich

liever levend zal doen radbraken dan er van af te zien. Indien de zaken

van _Tours_ de uwe zijn, Aramis! zijn die van _Londen_ de mijne. Ik

verzoek dus, dat men Planchet verkieze, die buitendien reeds met mij te

_Londen_ is geweest en zeer goed kan zeggen: ‚_London, Sir if you

please_,’ en ‚_my master_, _lord d’Artagnan_.’ Wees daarom gerust, hij

zal zijn weg wel vinden heen en weer.”

„In dat geval,” zeide Athos, „moet Planchet zevenhonderd franken om te

gaan en zevenhonderd franken, om terug te keeren hebben, en Bazijn

driehonderd franken om te gaan en driehonderd franken om terug te

keeren; dat zal de som tot vijf duizend franken verminderen. Wij zullen

elk duizend franken nemen om die naar ons goedvinden te gebruiken, en

een fonds van duizend franken houden, dat de abt zal bewaren voor

buitengewone uitgaven of gemeenschappelijke benoodigdheden. Neemt gij

hiermede genoegen?”--„Mijn waarde Athos!” zeide Aramis, „gij spreekt als

een Nestor, die, zooals de geheele wereld weet, de wijste onder de

Grieken was.”--„Welnu, het is bepaald,” hernam Athos, „Planchet en

Bazijn zullen vertrekken. En alles wel beschouwd is het mij niet

onaangenaam Grimaud te behouden; hij is aan mijn leefwijze gewoon en ik

ben aan hem gehecht; de dag van gisteren heeft hem reeds moeten doen

wankelen; die reis zou hem geheel verloren doen gaan.”

Men liet Planchet komen en gaf hem de noodige voorschriften; hij was

door d’Artagnan reeds gewaarschuwd, die hem vooreerst roem, ten tweede

geld en eindelijk gevaar had doen vooruitzien.

„Ik zal den brief tusschen de voering van mijn kleed steken,” zeide

Planchet, „en dien inslikken, wanneer men mij aanhoudt.”--„Maar dan zult

gij uw boodschap niet kunnen verrichten,” zeide d’Artagnan.--„Geef er

mij van avond een afschrift van, en ik zal het morgen van buiten

kennen.”

D’Artagnan beschouwde zijn vrienden als wilde hij vragen: „Wel, wat heb

ik u gezegd?”

„En nu,” ging hij voort, zich tot Planchet wendende, „gij hebt aan acht

dagen genoeg om u naar lord de Winter te begeven; gij hebt vervolgens

wederom acht dagen om terug te keeren; dus in het geheel zestien dagen.

Indien gij nu den zestienden dag na uw vertrek des avonds te acht uur

niet terug zijt, dan krijgt gij geen geld, al zou het slechts vijf

minuten er over zijn.”--„Koop mij dan een horloge, mijnheer!” zeide

Planchet.--„Neem dit,” zeide Athos met zijn ruwe edelmoedigheid, „en

wees braaf; wees indachtig, dat indien gij spreekt of babbelt of

slentert, gij uws meesters hals doet afsnijden, die zooveel vertrouwen

in uw getrouwheid stelt, dat hij jegens ons voor u verantwoordelijk is

gebleven.... Maar wees tevens ook indachtig dat, indien den heer

d’Artagnan een ongeluk gebeurt, ik u overal zal weten te vinden om u den

buik open te rijten.”--„Ach, mijnheer!” zeide Planchet, vernederd door

dat wantrouwen, maar vooral verschrikt door die bedaarde houding van den

musketier.--„En ik,” zeide Porthos, zijn groote oogen vreeselijk latende

rollen, „bedenk dat ik u levend vil.”--„En ik,” zeide Aramis met zijn

zachte, welluidende stem, „herinner u, dat ik u als een wilde zachtjes

zal roosteren.”--„Ach, mijnheer!”

En Planchet begon te huilen; wij durven niet zeggen of zulks van angst

voor de hem gedane bedreigingen was, of van verteedering op het zien

dezer zoo nauw aan elkander verbonden vrienden. D’Artagnan vatte hem bij

de hand.

„Ziet gij, Planchet!” zeide hij, „die heeren zeggen u dat alleen uit

liefde voor mij; maar inderdaad houden zij veel van u.”--„Ach,

mijnheer!” zeide Planchet, „òf ik zal slagen, òf men zal mij

vierendeelen; maar wees verzekerd, dat er geen stuk van mij zal

spreken.”

Het was bepaald, dat Planchet den volgenden dag, des morgens te acht

uur, zou vertrekken, ten einde, zooals hij had gezegd, des nachts den

brief van buiten te kunnen leeren. Hij won juist twaalf uren bij die

schikking, immers hij moest den zestienden dag daarna, des avonds te

acht uur, terug zijn.

Des morgens, toen hij wilde te paard stijgen, nam d’Artagnan, die in

zijn hart een zwak voor den hertog van Buckingham gevoelde, hem ter

zijde en zeide hem: „Luister! Zoodra gij den brief aan lord de Winter

zult hebben ter hand gesteld en hij dien gelezen heeft, zult gij hem nog

zeggen: ‚Waak over Zijne Genade, lord Buckingham! want men wil hem

vermoorden.’ Maar dat, Planchet, hoort gij, is van een zoo ernstigen,

gevaarlijken aard, dat ik niet eens aan mijn vrienden heb willen

bekennen, dat ik u dat geheim zou toevertrouwen, en al bood men mij een

kapiteinsplaats, zou ik u dit niet eens willen opschrijven.”--„Wees

gerust, mijnheer!” zeide Planchet, „gij zult ondervinden of men op mij

kan rekenen.”--En op een kostelijk paard gezeten, dat hij twintig mijlen

verder voor de post moest verwisselen, vertrok Planchet in galop, wel

eenigszins inwendig angstig voor de akelige beloften, die de musketiers

hem hadden gedaan, maar overigens in de beste gezindheid der wereld.

Bazijn vertrok den volgenden dag naar _Tours_ en verkreeg acht dagen om

zijn boodschap te verrichten.

De vier vrienden waren, gedurende al den tijd dat beiden afwezig waren,

meer dan ooit werkzaam en scherpten hiertoe al hun zintuigen. Zij

brachten den dag door in pogingen om te beluisteren wat er rondom hen

gesproken werd, in het nagaan der gangen van den kardinaal en het

uithooren der koeriers, die aankwamen. Meer dan eens overviel hen een

onwillekeurige rilling, wanneer zij geroepen werden ter uitvoering van

een onverwachten dienst. Zij waren buitendien genoodzaakt voor hun

eigene zekerheid te waken; immers milady was een spookgedaante die,

wanneer zij eenmaal aan de lieden was verschenen, hun een gerusten slaap

niet meer vergunde.

Op den ochtend van den achtsten dag trad Bazijn, als naar gewoonte

frisch en glimlachende, de herberg _het Geuzennest_ binnen, terwijl de

vier vrienden zaten te ontbijten, en volgens afspraak zich tot Aramis

wendende, zeide hij: „Ziedaar, mijnheer! het antwoord van uw nicht.”

De vier vrienden wisselden een verheugden blik met elkander; de helft

van het werk was verricht; het is waar, dat het de gemakkelijkste en

kortste helft was. Aramis nam onwillekeurig blozende den brief, die zeer

slecht geschreven en zonder de minste taalkennis was.

„Goede God!” riep hij lachend uit, „nu wanhoop ik er voor altijd aan,

dat die arme Michon ooit als de Heer Voiture zal schrijven.”--„_Was

sagst du doch, die arme Migeon_?” vroeg de Zwitser, die met de vier

vrienden in gesprek was, toen de brief kwam.--„Ach, mijn God! iets

minder dan niets,” zeide Aramis, „het betreft een allerliefst

linnenkoopstertje, die ik veel liefde toedraag en die mij ter

gedachtenis eenige regels heeft gezonden.”--„_Teufel_!” zeide de

Zwitser, „_wenn sie eine ebengrosse_ Tame _als ihr Schrift ist, dann

bist du mein Freund ein glücklicher Mann_.”--„Zie eens wat zij mij

schrijft, Athos!”--Athos wierp een blik op den brief en om alle

vermoedens te doen verdwijnen, die zouden hebben kunnen ontstaan, las

hij luid:

„Neef! mijn zuster en ik kunnen zeer goed droomen uitleggen en zijn

er vreeselijk benauwd voor, maar van den uwen zal men hoop ik

kunnen zeggen: droomen is bedrog.... Vaarwel, houd u goed en tracht

ons van tijd tot tijd eenige tijding van u te doen geworden.

Aglaé Michon.”

„En van welken droom spreekt zij?” vroeg de dragonder, die onder het

lezen was genaderd.--„_Ja, was träumte sie_?” hernam de Zwitser.--„Wel,

_pardieu_!” zeide Aramis, „van den droom, dien ik heb verhaald.”--„_Ach

ja! es ist ganz natürlich von sein Traum zu sprechen, aber ich träume

nie._”--„Gij zijt wel gelukkig,” zeide Athos opstaande, „en ik zou

gaarne zulks met u willen zeggen.”--„_Nie_!” hernam de Zwitser, verheugd

dat een man als Athos hem iets benijdde, „_nie! nie_!”

D’Artagnan, ziende dat Athos opstond, deed evenzoo, nam zijn arm en

vertrok. Porthos en Aramis bleven, om op de kwinkslagen van den

dragonder en den Zwitser te kunnen antwoorden. Intusschen ging Bazijn op

een bos stroo liggen slapen, en daar zijn verbeelding waakzamer was dan

die van den Zwitser, droomde hij, dat de heer Aramis, paus geworden

zijnde, hem den kardinaalshoed opzette.

Maar, zooals wij zeiden, had Bazijn, door zijn gelukkige terugkomst,

slechts een gedeelte der ongerustheid, die de vier vrienden prikkelde,

weggenomen. Het wachten valt lang; en vooral d’Artagnan zou gezworen

hebben, dat de dagen acht en veertig uren hadden. Hij vergat de

noodwendige langzaamheid der scheepvaart, hij overdreef de macht van

milady en schreef aan die vrouw, welke hem een helsche geest scheen,

bovennatuurlijke bondgenooten toe, aan haar gelijk; hij verbeeldde zich

bij het minste gerucht, dat men hem kwam halen en Planchet terugbracht,

om dezen met hem en zijn vrienden te confronteeren. En wat meer is, zijn

vertrouwen in den waardigen Picardiër verminderde dagelijks. Die

ongerustheid was zoo sterk, dat zij ook Porthos en Aramis overviel;

alleen Athos bleef zich zelven gelijk, alsof geen enkel gevaar hem

dreigde en hij in zijn gewone sfeer verkeerde.

Vooral waren die teekenen van onrust den zestienden dag zoo zichtbaar

bij d’Artagnan en zijn twee vrienden, dat zij niet stil konden blijven

en steeds als schimmen op den weg dwaalden, langs welken Planchet moest

terugkomen.

„Waarlijk,” zeide Athos, „gij zijt geen mannen, gij zijt kinderen, om u

door een vrouw zooveel angst te laten aanjagen. En wat beteekent het in

alle geval, gevangen te worden genomen? Welnu, men zal ons uit de

gevangenis bevrijden, waaruit men juffrouw Bonacieux wel heeft

bevrijd.... Te worden onthalsd? maar wij gaan immers dagelijks in de

loopgraven ons nog meer blootstellen; want een kogel kan ons been

verbrijzelen, en ik ben zeker, dat een wondheeler ons meer doet lijden,

door ons een been af te zetten, dan een beul door ons het hoofd af te

slaan. Weest dus gerust, binnen twee, vier of zes uren op het langst zal

Planchet hier wezen; hij heeft beloofd hier te zijn, en ik stel veel

vertrouwen in de beloften van Planchet, die er als een zeer brave jongen

uitziet.”--„Maar als hij niet komt?” zeide d’Artagnan.--„Welnu, indien

hij niet komt, is hij opgehouden, ziedaar alles. Hij kan van het paard

zijn gevallen, hij kan over een brug zijn geduikeld, hij kan zooveel

spoed hebben gemaakt, dat hij er een verkoudheid door heeft gekregen....

Nemen wij daarom, mijne heeren, de toevalligheden in aanmerking. Het

leven is een groote rozenkrans van kleine ellenden, terwijl de wijsgeer

lachend de kralen door zijn vingers laat glijden. Weest wijsgeeren,

zooals ik het ben, mijne heeren, zet u aan tafel en laat ons drinken;

niets geeft aan de toekomst een meer rooskleurigen weerschijn, dan ze

door een glas Chambertin heen te beschouwen.”--„Dat is zeer goed,”

antwoordde d’Artagnan, „maar ik ben het moede steeds, wanneer ik drink,

te moeten vreezen, dat de wijn uit den kelder van milady komt.”--„Gij

zijt wel lastig,” zeide Athos. „Een zoo schoone vrouw!”--„Een zoo

_merkwaardige_[13] vrouw!” riep Porthos hard lachende.

[13] Er is hier in het Fransch een uitdrukking „femme de marque”,

die men op een gebrandmerkte vrouw, zooals milady, kan toepassen.

Porthos wist, gelijk men weet, van de zaak niet af.

Athos ontroerde, bracht de hand aan het voorhoofd, om er het zweet af te

wisschen, en stond op zijn beurt op met een zenuwachtige spanning, die

hij niet kon bedwingen.

De dag liep ten einde, en de avond naderde langzaam, maar hij kwam toch;

de kroegen vulden zich met drinkers. Athos, die zijn aandeel van den

diamant had ontvangen, verliet _het Geuzennest_ niet meer; hij had in

den heer de Busigny, die den vrienden bereids een prachtig maal had

gegeven, een hem waardigen drinkebroer gevonden. Zij waren met elkander,

volgens gewoonte, aan het dobbelen, toen het zeven uur sloeg; men hoorde

de patrouilles voorbijgaan, die de wachtposten gingen verdubbelen. Te

half acht werd de taptoe geslagen.

„Wij zijn verloren,” zeide d’Artagnan, Athos in het oor

fluisterende.--„Gij wilt zeggen, dat wij verloren hebben,” zeide Athos

bedaard, uit zijn zak tien louis d’or halende, die hij op tafel wierp.

„Komt, heeren!” ging hij voort, „men slaat de taptoe; wij gaan slapen.”

En Athos verliet _het Geuzennest_, gevolgd door d’Artagnan. Aramis kwam

achterna, den arm aan Porthos gevende. Aramis zeide bij zich zelven

verzen op, en Porthos trok zich van tijd tot tijd wanhopend eenige haren

uit den knevel.

Maar daar verschijnt eensklaps in de duisternis een schim, van welke de

gestalte aan d’Artagnan niet onbekend is, terwijl een ook bekende stem

hem toeroept: „Mijnheer! ik breng u uw mantel, want het is koud van

avond.”--„Planchet!” riep d’Artagnan buiten zich zelven van

vreugd.--„Planchet!” riepen Porthos en Aramis.--„Welnu ja, wat is er aan

Planchet wonders te zien?” zeide Athos. „Hij heeft beloofd te acht uur

terug te zullen zijn, en ziedaar slaat het acht uur. Bravo, Planchet!

gij zijt een man van uw woord, en indien gij ooit uw meester mocht

verlaten, heb ik voor u een plaats in mijn dienst open.”--„Neen, nooit,”

zeide Planchet, „nooit zal ik den heer d’Artagnan verlaten.”

En tegelijkertijd voelde d’Artagnan, dat Planchet hem een briefje in de

hand stopte. D’Artagnan had veel lust Planchet te omhelzen; maar hij was

bevreesd, dat dit bewijs van genegenheid midden op den weg, jegens zijn

lakei betoond, den een of anderen voorbijganger zou opvallen, en hij

bedwong zich.--„Ik heb het antwoord,” zeide hij tot Athos en zijn

vrienden.--„Goed,” hernam Athos, „laat ons binnengaan, en wij zullen het

lezen.”

Het briefje brandde in de hand van d’Artagnan; hij wilde zijn schreden

verhaasten, maar Athos nam hem bij den arm, en de jongeling was

genoodzaakt zijn stap naar dien van zijn vriend te regelen. Eindelijk

trad men de tent binnen, men stak een lamp aan, en terwijl Planchet voor

de deur bleef staan, ten einde te zorgen, dat de vier vrienden niet

werden overvallen, brak d’Artagnan met een bevende hand het zegel los en

opende den zoo lang verwachten brief.

Hij behelsde slechts een halven regel echt Engelsch schrift, van een

volkomen Spartaansche zakelijkheid:

„_Thank you; be easy._”

Hetgeen wilde zeggen: ik dank u: wees gerust. Athos nam den brief uit de

handen van d’Artagnan, stak hem in de vlam der lamp en liet hem niet

los, voordat hij tot asch verteerd was. Vervolgens riep hij Planchet.

„Thans, mijn jongen!” zeide hij, „kunt gij de zevenhonderd franken

eischen, maar gij waagdet niet veel met een dergelijk briefje.”--„Dat

heeft niet belet, dat ik allerhande middelen heb moeten bedenken, om het

goed te verbergen,” zeide Planchet.--„Welnu,” zeide d’Artagnan, „verhaal

ons dat eens.”--„Duivelsch,” zeide Planchet, „dat vereischt veel tijd,

mijnheer!”--„Gij hebt gelijk, Planchet! bovendien is de taptoe geslagen

en men zou ons opmerken, indien men langer dan bij de anderen licht bij

ons zag.”--„Goed,” zeide d’Artagnan, „laat ons gaan slapen, slaap wel,

Planchet!”--„Op mijn woord, mijnheer! dat zal de eerste maal sedert

zestien dagen zijn.”--„Voor mij ook,” zeide d’Artagnan.--„Voor mij ook,”

hernam Aramis.--„Luistert, wilt gij dat ik u de waarheid zegge? Voor mij

ook,” zeide Athos.

De Drie Musketiers dl. I en II · 第 69 / 93 题