„Inderdaad,” zeide Aramis, „dat is een absolutie in den volsten
zin.”--„Dit papier moet verscheurd worden,” zeide d’Artagnan, die zijn
doodvonnis meende te lezen.--„Volstrekt niet,” hernam Athos, „het moet
zorgvuldig worden bewaard, en ik zou dat papier niet geven, al wilde men
het met goudstukken bedekken.”--„En wat zal zij nu gaan doen?” vroeg de
jongeling.--„Wel,” zeide Athos losweg, „zij zal waarschijnlijk den
kardinaal schrijven, dat een vervloekte musketier, Athos genaamd, haar
gewelddadig de volmacht heeft ontweldigd; zij zal bij die gelegenheid
hem tevens aanraden, zich zoowel van dezen als van diens twee vrienden,
Porthos en Aramis, te ontdoen. De kardinaal zal zich dan herinneren, dat
het altijd mannen zijn, welke hij op zijn weg ontmoet; en op zekeren
schoonen morgen zal hij d’Artagnan in hechtenis laten nemen, en opdat
deze zich niet geheel alleen vervele, zal hij ons hem in de Bastille
doen gezelschap houden.”--„Wel zoo! maar het schijnt mij, dat uw scherts
niet om te lachen is, mijn waarde!” zeide Porthos.--„Ik scherts niet,”
zeide Athos.--„Weet gij wel,” hernam Porthos, „dat het minder kwaad zou
zijn die vervloekte milady den hals om te draaien, dan die arme duivels
van Hugenooten, die nooit een andere misdaad hebben bedreven dan in het
Fransch de Psalmen te zingen, die wij in het Latijn zingen.”--„Wat zegt
hiervan de abt?” vroeg Athos bedaard.--„Ik zeg, dat ik met Porthos van
dezelfde denkwijze ben,” antwoordde Aramis.--„En ik!” riep
d’Artagnan.--„Gelukkig dat zij veraf is, want ik beken, dat zij mij hier
vreeselijk zou hinderen,” hernam Porthos.--„Zij hindert mij in
_Engeland_ evenveel als in _Frankrijk_,” zeide Athos.--„Zij hindert mij
overal,” zeide d’Artagnan.--„Maar dewijl gij haar in uw macht hadt,”
zeide Porthos, „waarom hebt gij haar dan niet verzopen, verworgd,
gehangen? Alleen de dooden komen niet terug.”--„Meent gij dat, Porthos?”
antwoordde de musketier met een somberen glimlach, dien d’Artagnan
alleen begreep.--„Ik bedenk iets,” zeide d’Artagnan.--„Laat hooren!”
riepen de musketiers.
„Te wapen!” riep Grimaud. De jongelieden stonden haastig op en grepen
hun geweren. Nu naderde een kleine krijgsbende van twintig of vijf en
twintig man; doch het waren nu geen schansgravers, maar soldaten van het
garnizoen.
„Willen wij naar het kamp terugkeeren?” zeide Porthos, „ik geloof, dat
de partij niet gelijk staat.”--„Onmogelijk! om drie redenen,” antwoordde
Athos. „Vooreerst hebben wij nog niet gedaan met ontbijten, ten tweede
hebben wij elkander nog veel belangrijks te zeggen, ten derde moeten er
nog tien minuten verloopen, alvorens het uur voorbij is.”--„Welaan!”
zeide Aramis, „maar wij dienen van te voren een verdedigingsplan te
maken.”--„Dat is zeer eenvoudig,” zeide Athos. „Zoodra de vijand onder
het bereik van ons schot zal zijn gekomen, geven wij vuur; wanneer hij
blijft voortgaan, geven wij nogmaals vuur, en dat zoo lang als er nog
geladen geweren overblijven; indien dan, hetgeen van den troep
overblijft, mocht willen stormloopen, laten wij de belegeraars tot in de
gracht dalen, en dan begraven wij hen onder een brok van dien muur, die
slechts door een wonder van evenwicht is staande gebleven.”--„Bravo!”
riep Porthos, „waarachtig, Athos! gij zijt tot generaal geboren, en de
kardinaal, die zich een groot veldheer waant, is niets bij u
vergeleken.”--„Mijne heeren!” zeide Athos, „mikt op twee voorwerpen
tegelijk, dat verzoek ik u, dat elk schot slechts voor één man
zij.”--„Ik heb den mijnen al,” zeide d’Artagnan.--„En ik den
mijnen.”--„En ik idem,” zeide Aramis.--„Vuur!” riep Athos.
De vier geweerschoten vormden slechts één losbranding en vier mannen
vielen. Dadelijk hierop werd de trom geroerd en de kleine bende naderde
in den stormpas. Toen volgden de geweerschoten elkander onregelmatig op,
maar steeds troffen die der vrienden met juistheid het doel; intusschen
bleef de vijand, alsof hij het zwakke getal der vrienden gekend had,
stormloopend naderen. Drie andere geweerschoten troffen weder twee
mannen, de nadering der ongekwetsten werd daarom niet langzamer.
Aan den voet van het bolwerk gekomen, was de vijand nog twaalf of
vijftien in getal, een laatste losbranding begroette hen, maar hield hen
niet staande; zij sprongen in de gracht en beproefden de bres te
beklimmen.
„Welaan, vrienden!” zeide Athos, „maken wij er een einde aan. Naar den
muur!”--En de vier vrienden, door Grimaud bijgestaan, begonnen met de
loopen hunner geweren tegen een ontzaglijk grooten brok van den muur te
duwen, die zich boog, alsof hij door den wind bewogen werd, en van
deszelfs voetstuk losrakende met een vreeselijk geraas in de gracht
viel; daarop hoorde men een hard geschreeuw, een stofwolk rees ten hemel
en alles was gedaan.
„Zouden wij hen van den eersten tot den laatsten verplet hebben?” vroeg
Athos.--„Op mijn woord,” zeide d’Artagnan, „het schijnt wel
zoo.”--„Neen,” zeide Porthos, „zie, daar vluchten er twee of drie,
geheel verminkt.”--En waarlijk, een viertal dier rampzaligen, met bloed
en slijk bedekt, vloden langs den hollen weg stadwaarts; dat was alles,
wat van de kleine bende overbleef.
Athos zag op zijn horloge.--„Mijne heeren!” zeide hij, „het is nu een
uur, dat wij hier zijn, en de weddenschap is gewonnen; maar wij moeten
toonen wat spelers wij zijn, en daarenboven heeft d’Artagnan ons nog
zijn denkbeeld mede te deelen.”--En met zijn gewone koelbloedigheid
zette zich de musketier voor het overschot van het ontbijt neder.
„Gij wilt mijn plan kennen?” zeide d’Artagnan tot zijn drie vrienden,
toen, na de schermutseling, welke voor die kleine bende een zoo
rampzalig einde had genomen, zij aan het ontbijt hun plaatsen hadden
hernomen.--„Ja,” hernam Athos, „gij zeidet een denkbeeld te hebben.”--„O
ja, ik herinner mij,” zeide d’Artagnan, „welnu, ik ga voor de tweede
maal naar _Engeland_, bezoek den hertog van Buckingham en waarschuw hem
voor den aanslag tegen zijn leven.”--„Gij zult dat niet doen,
d’Artagnan!” zeide Athos koel.--„En waarom niet, heb ik het niet reeds
gedaan?”--„Ja, maar destijds waren wij niet in oorlog, de hertog van
Buckingham was toen een bondgenoot en geen vijand, wat gij wilt doen,
zou als verraad worden beschouwd.”
D’Artagnan gevoelde de gegrondheid dier redeneering en zweeg.--„Maar,”
zeide Porthos, „ik geloof, dat ik ook een denkbeeld heb.”--„Stilte
voor het denkbeeld van den heer Porthos!” riep Aramis.--„Ik vraag
verlof aan den heer de Tréville, onder een of ander voorwendsel, dat
gij wel zult vinden; ik ben in het vinden van voorwendsels niet zeer
handig. Milady kent mij niet, ik nader haar, zonder dat zij voor mij
de minste vrees koestert, en wanneer ik haar onder mijn bereik heb,
draai ik haar den hals om.”--„Wel,” zeide Athos, die voor den jongen
musketier zeer veel onderscheiding koesterde. „Men moet de koningin
verwittigen.”--„Inderdaad, dat is waar ook!” riepen eenparig Porthos en
d’Artagnan; „ik geloof, dat wij bijna het middel raken. De koningin
verwittigen, en op wat wijze? Staan wij in de minste aanraking met het
hof? Kunnen wij iemand naar _Parijs_ zenden, zonder dat het in het
legerkamp bekend wordt? Van hier naar Parijs is een afstand van honderd
veertig mijlen; en voor onze brief te _Angers_ zou wezen, zouden wij
reeds in de gevangenis zijn.”--„Wat betreft aan Hare Majesteit met
zekerheid een brief te doen geworden,” zeide Aramis blozende, „hiermede
zal ik mij belasten; ik ken te _Tours_ een zeer behendig persoon.”
Aramis zweeg, Athos ziende glimlachen.--„Wel, vindt gij dat middel niet
doelmatig, Athos?” vroeg d’Artagnan.--„Ik verwerp het niet geheel,”
zeide Athos, „maar ik wilde alleen aan Aramis doen opmerken, dat hij het
legerkamp niet kan verlaten, en elk ander dan wij niet zeker is, dat
twee uren, nadat onze bode zal zijn vertrokken, al de Kapucijners, al de
gerechtsdienaars, al de zwartmutsen van den kardinaal uw brief van
buiten zullen kennen, en men u en uw behendigen vriend in hechtenis zal
nemen.”--„Zonder daarbij te rekenen,” zeide Porthos, „dat de koningin
wel den hertog van Buckingham, maar volstrekt ons niet zal
redden.”--„Mijne heeren,” zeide d’Artagnan, „de tegenwerping van Porthos
is zeer juist.”
„Maar luistert eens: wat gebeurt er in de stad?” riep Athos.--„Men slaat
alarm.”--De vier vrienden luisterden, en het tromgeroffel bereikte
werkelijk hun oor.--„Gij wilt toch niet een geheel regiment weerstand
bieden?” vroeg Porthos.--„Waarom niet?” antwoordde Athos; „ik ben aan
den gang, en ik zou mij tegen een geheel leger verzetten, indien wij
slechts de voorzorg hadden genomen een dozijn flesschen meer mede te
nemen.”--„Op mijn woord, de trom nadert,” zeide d’Artagnan.--„Laat ze
naderen,” zeide Athos, „een kwartier zijn wij hier van de stad
verwijderd, en bijgevolg ligt de stad een kwartier van hier; wij hebben
dus genoegzaam tijd om ons plan te beramen; eenmaal van hier vertrokken,
zullen wij nooit gunstiger plek vinden. En zie, daar komt juist het
rechte denkbeeld in mij op.”--„Spreek dan.”--„Veroorloof mij eerst
eenige onvermijdelijke bevelen aan Grimaud te geven.”
Athos wenkte zijn knecht te naderen.--„Grimaud!” zeide hij, op de dooden
wijzende, die in het bolwerk lagen, „gij zult die heeren opnemen en
tegen den muur zetten, met de hoeden op het hoofd en het geweer in de
hand.”--„O, groote man!” riep d’Artagnan, „nu begrijp ik u!”--„Gij
begrijpt?” vroeg Porthos.--„En gij, Grimaud! hebt gij mij verstaan?”
vroeg Athos.--Grimaud knikte van ja.--„Dan is het wel,” zeide Athos.
„Keeren wij tot mijn denkbeeld terug.”--„Ik wilde toch wel eerst
begrijpen,” zeide Porthos.--„Dat is niet noodig.”--„Neen, eerst het
denkbeeld van Athos!” riepen gelijktijdig d’Artagnan en Aramis.--„Die
milady, die vrouw, dat schepsel, die duivelin heeft, zooals gij mij hebt
gezegd, d’Artagnan! een schoonbroeder, niet waar?”--„Ja, dezen ken ik
zeer goed, en ik geloof zelfs, dat hij zijn schoonzuster ook niet zeer
genegen is.”--„Dat kan geen kwaad,” zeide Athos, „en al verfoeide hij
haar, dat zou er niet te slechter om zijn.”--„In dat geval zijn wij naar
wensch bediend.”--„Maar,” hernam Porthos, „ik wilde toch wel eens weten,
wat Grimaud uitvoert.”--„Stil, Porthos,” zeide Aramis.--„Hoe heet die
schoonbroeder?”--„Lord de Winter.”--„Waar is hij thans?”--„Op het eerste
oorlogsgerucht is hij naar _Londen_ teruggekeerd.”--„Welnu,” zeide
Athos, „dat is juist de man, die ons lijkt. Hij is het, dien wij moeten
waarschuwen. Wij laten hem weten, dat zijn schoonzuster op het punt is
iemand te vermoorden, en wij verzoeken hem haar niet uit het oog te
verliezen. Er zal te _Londen_ wel een inrichting zijn, zooals die der
_Madelonnettes_ en der _boetvaardige zusters_,[12] daarin laat hij zijn
schoonzuster plakken en wij zijn gerust.”--„Ja, zoo lang tot zij er weer
uitkomt,” zeide d’Artagnan.--„Op mijn woord,” hernam Athos, „gij vergt
te veel van mij, d’Artagnan! ik heb u gegeven, wat ik had, en ik
verzeker u, dat het alles is, wat mij overblijft.”--„Het komt mij voor,
dat zulks het beste is,” zeide Aramis. „Wij zullen tegelijkertijd de
koningin en lord de Winter verwittigen.”--„Ja, maar door wien zullen wij
den brief naar _Tours_ en naar _Londen_ doen bezorgen?”--„Ik ben voor
Bazijn verantwoordelijk,” zeide Aramis.--„En ik voor Planchet,” zeide
d’Artagnan.--„Inderdaad,” zeide Porthos, „indien wij het legerkamp niet
mogen verlaten, kunnen het onze knechts.”--„Zeker,” zeide Aramis, „en
nog heden schrijven wij de brieven en geven hun reisgeld.”--„Hebt gij
dan geld?” hernam Athos.
[12] Twee kloosters, waarin de politie vrouwen van slecht gedrag
opsluit, en waarin toen ter tijd ook wel eens verdachte of
politieke misdadigers werden gevoerd.
De vier vrienden zagen elkander aan, een wolk verdreef den glans, die
een oogenblik te voren op hun aangezicht blonk.--„Opgepast!” riep
d’Artagnan, „ik zie in de verte roode en zwarte stippen, die zich
bewegen. Wat zeidet gij toch van een regiment, Athos? het is een
leger!”--„Het is op mijn eer waar!” hernam Athos, „daar zijn ze. Ziet
eens, die veinzaards! zij naderen met stille trom en trompet. Ha! ha!
zijt gij gereed, Grimaud?”
Grimaud knikte van ja en toonde een twaalftal lijken, die hij in de
bevalligste houdingen tegen den muur had geplaatst, eenige met het
geweer op den schouder, hun geweer aanleggende en wederom andere met den
degen in de hand.
„Bravo!” zeide Athos, „dat doet uw vindingrijkheid eer aan.”--„Wat er
van zij, ik wenschte toch wel te begrijpen.”--„Vertrekken wij eerst,
daarna zult gij begrijpen.”--„Een oogenblikje, mijne heeren, een
oogenblikje; geven wij Grimaud den tijd om de tafel af te nemen.”--„Ha!
de roode stippen beginnen goed zichtbaar te worden,” zeide Aramis, „en
ik vereenig mij met den raad van d’Artagnan, ik geloof, dat er ons maar
weinig tijd meer overblijft, om het legerkamp te bereiken.”--„Welnu!”
zeide Athos, „ik ben er volstrekt niet tegen, dat wij heengaan, wij
hebben gewed een uur hier te zullen blijven, en het is nu reeds
anderhalf uur, er valt dus niets op aan te merken; vertrekken wij dus,
heeren! vertrekken wij.”
Grimaud had zich reeds met de mand en het overige tafelgoed
vooruitgespoed. De vier vrienden vertrokken achter hem en deden een
tiental schreden.
„Wel!” riep Athos, „duivelsch! wat gaan wij doen, heeren?”--„Hebt gij
iets vergeten?” vroeg Aramis.--„En de vlag, _morbleu_! men mag geen vlag
in de macht des vijands laten, al is die vlag slechts een servet.”--En
Athos snelde in het bolwerk terug, klom op den wal en nam de vlag;
intusschen waren de aanvallers tot op een geweerschot het bolwerk
genaderd en gaven een geweldig vuur op dien man, die als uit vermaak er
zich aan ging blootstellen. Maar het was, alsof Athos kogelvrij was; de
kogels snorden fluitend rondom hem; doch niet één enkele raakte hem.
Athos zwaaide met zijn vlag, den lieden der stad den rug keerende, en
die van het legerkamp begroetende. Van weerszijden verhief zich een luid
geschreeuw; van den eenen kant een kreet van woede, van den anderen kant
een kreet van verwondering.--Een tweede losbranding volgde op de eerste,
en drie kogels, die het servet doorboorden, maakten er een wezenlijke
vlag van.
Men hoorde door het gansche legerkamp den kreet van: „Klim af! klim af!”
aanheffen.--Athos klom af, en zijn vrienden, die hem met angst wachtten,
zagen hem met vreugd verschijnen.
„Kom, Athos! kom,” zeide d’Artagnan, „maken wij van onze beenen gebruik,
spoeden wij ons; thans, nu wij alles, behalve geld hebben gevonden, zou
het dom zijn ons te laten doodschieten.”
Maar Athos bleef majestueus voortwandelen, en zijn vrienden, ziende dat
alle aanmaningen vruchteloos waren, regelden hun schreden naar de zijne.
Grimaud en zijn mand waren vooruit en beiden schotvrij. Na een kort
oogenblik hoorde men geweerschoten.
„Wat is dat?” vroeg Porthos, „en waarop schieten zij? Ik hoor de kogels
niet fluiten, en ik zie niemand.”--„Zij schieten op de gesneuvelden,”
zeide Athos.--„Maar onze dooden zullen niet antwoorden?”--„Neen, en
daarom zullen zij een hinderlaag vermoeden en met elkander raadplegen;
zij zullen een parlementair zenden, en wanneer zij de grap zullen hebben
bemerkt, zijn wij buiten bereik. Ziedaar, waarom het onnoodig is, ons
een pleuris op den hals te halen door overhaasting.”--„Ha, nu begrijp
ik,” zeide Porthos vol bewondering.--„Dat is wel gelukkig,” hernam
Athos, de schouders ophalende.
Toen de Franschen nu de vier vrienden bedaard zagen aankomen, hieven zij
een luid vreugdegejuich aan.--Eindelijk werd er een nieuw geweervuur
gehoord, en de kogels pletten zich tegen de keisteenen van den weg,
rondom de vier vrienden, en floten akelig langs hun ooren. De belegerden
hadden zich eindelijk van het bolwerk meester gemaakt.
„Dat zijn toch zeer onhandige lieden,” zeide Athos. „Hoeveel hebben wij
er doen sneuvelen?”--„Twaalf tot vijftien.”--„Hoeveel hebben wij er
verplet?”--„Acht of tien.”--„En daarentegen geen schram. Maar ja, wat
deert u toch aan de hand, d’Artagnan? zij bloedt, geloof ik?”--„Het is
niets,” antwoordde d’Artagnan.--„Een schampschot?”--„Niet eens.”--„Wat
dan?”--Wij hebben gezegd, dat Athos d’Artagnan als zijn zoon beminde, en
hoewel somber en onwrikbaar van aard, was hij vaak voor den jongeling
goed als een vader.--„Een schram,” hernam d’Artagnan: „mijn vingers zijn
tusschen twee steenen beklemd geraakt, tusschen dien van den muur en
dien van mijn ring, zoodat het vel opengescheurd is.”--„Ziedaar de
gevolgen van diamanten te dragen,” zeide Athos verachtelijk.--„Maar het
is waar ook!” riep Porthos, „er is inderdaad een diamant; en wat duivel!
klagen wij dan geen geld te hebben, wijl er een diamant is.”--„Wel,
inderdaad,” zeide Aramis, „gij oppert daar waarlijk een goed denkbeeld,
Porthos!”--„Zeker,” hernam Porthos, trotsch op het kompliment van
Aramis, „dewijl er een diamant is, verkoopen wij hem.”--„Maar,” zeide
d’Artagnan, „die diamant komt van de koningin!”--„Een reden te meer,”
hernam Athos. „Niets billijker, dan dat de koningin den hertog van
Buckingham, haar minnaar, redt, niets redelijker, dan dat de koningin
ons, haar vrienden, redt. Verkoopen wij den diamant. Wat denkt mijnheer
de abt er van? Ik vraag niet naar de denkwijze van Porthos, hij heeft ze
medegedeeld.”--„Wel, ik denk,” zeide Aramis, „dat, wijl zijn ring niet
van een minnares afkomstig en bijgevolg geen liefdepand is, d’Artagnan
hem mag verkoopen.”--„Mijn waarde! gij spreekt als de levende
Theologie.... Dus gij besluit?”--„Den diamant te verkoopen,” antwoordde
Aramis.--„Welnu, verkoopen wij den diamant, en laat ons er niet meer
over spreken.”
Het geweervuur bleef aanhouden, maar de vrienden waren buiten schot, en
de lieden van _la Rochelle_ schoten alleen ter voldoening van hun
geweten.
„Op mijn woord,” hernam Athos, „het was tijd, dat Porthos dat denkbeeld
kreeg, wij zijn het kamp genaderd.... Dus, heeren! geen enkel woord meer
over die zaak. Men slaat ons gade, men komt ons tegemoet, en wij zullen
in zegepraal worden rondgevoerd.”
En waarlijk, zooals wij zeiden, het geheele kamp was in opschudding.
Meer dan twee duizend personen hadden, als bij een tooneelvoorstelling,
het goed afgeloopen waagstuk der vier vrienden bewonderd, een snoeverij,
van welke men verre was het eigenlijke oogmerk te vermoeden. Men hoorde
niets anders dan het geroep van: „Leven de gardes! leven de musketiers!”
De heer de Busigny was het eerst genaderd, om Athos de hand te drukken
en te erkennen, dat hij de weddenschap had verloren. De dragonder en de
Zwitser hadden zijn voorbeeld gevolgd en de overige krijgsmakkers dat
van deze. Het was een oneindige reeks van gelukwenschingen, handdrukken
en omhelzingen, een onuitputtelijk gelach, ten koste van de lieden van
_la Rochelle_, kortom, een zoo geweldig leven, dat de kardinaal in de
meening verkeerde, dat er een oproer plaats had, zoodat hij la
Houdinière, kapitein zijner gardes, zond, ten einde te vernemen, wat er
gaande was. De zaak werd den afgezondene met de meeste geestvervoering
verhaald.
„Wel?” vroeg de kardinaal, la Houdinière ziende.--„Wel, Uwe Eminentie!
het zijn drie musketiers en een garde, die met den heer de Busigny een
weddenschap hadden aangegaan om in het bolwerk _Saint Gervais_ te gaan
ontbijten, en die gedurende hun ontbijt twee uren lang de vijanden uit
_la Rochelle_ tegengehouden en ik weet niet hoeveel hunner gedood
hebben.”--„Hebt gij naar de namen der drie musketiers onderzoek
gedaan?”--„Ja, Uwe Eminentie!”--„Wie zijn zij?”--„De heeren Athos,
Porthos en Aramis.”--„Altijd mijn drie dapperen,” mompelde de kardinaal.
„En de garde?”--„De heer d’Artagnan.”--„Altijd mijn jonge knaap! Het is
besloten; die vier mannen moeten mij behooren.”
Dienzelfden avond sprak de kardinaal den heer de Tréville over de
heldendaad van dien ochtend, welke het onderwerp van al de gesprekken in
het legerkamp was; de heer de Tréville, die het verhaal van dat avontuur
uit den mond der uitvoerders zelf had gehoord, deelde het in al zijn
bijzonderheden den kardinaal mede, zonder de episode van het servet te
vergeten.
„Het is wel, mijnheer de Tréville!” zeide de kardinaal, „bezorg mij dat
servet, als het u belieft, ik zal er drie gouden leliën in doen borduren
en het als standaard aan uw kompagnie geven.”--„Uwe Eminentie!” zeide de
heer de Tréville, „men zou onbillijk jegens de garde zijn. De heer
d’Artagnan behoort niet mij, maar den heer des Essarts.”--„Welnu, neem
hem!” zeide de kardinaal; „dewijl de vier dappere krijgslieden elkander
zoo liefhebben, is het billijk, dat hij in dezelfde kompagnie wordt
ingelijfd.”
Dienzelfden avond berichtte de heer de Tréville dat goede nieuws aan de
drie musketiers en aan d’Artagnan, hen alle vier voor den volgenden
ochtend aan het ontbijt noodigende.
D’Artagnan was zich van blijdschap geen meester meer. Immers men weet,
dat de droom zijns levens was eenmaal musketier te worden. De drie
vrienden waren ook zeer verblijd.
„Op mijn woord,” zeide d’Artagnan tot Athos, „gij hebt daar een zeer
gelukkigen inval gehad, en zooals ge zeidet, hebben wij roem behaald en
een allerbelangrijkst gesprek kunnen houden.”--„Dat wij thans kunnen
hervatten, zonder dat iemand eenig kwaad vermoeden op ons zal hebben,
want met Gods hulp zullen wij voortaan voor kardinalisten worden
gehouden.”
Dienzelfden avond ging d’Artagnan den heer des Essarts begroeten en hem
zijn bevordering mededeelen. De heer des Essarts, die d’Artagnan zeer
genegen was, bood hem zijn goede diensten aan, ter tegemoetkoming in de
onkosten, welke die verandering van korps na zich sleepte. D’Artagnan
weigerde, maar de gelegenheid gunstig vindende, verzocht hij hem de
waarde van den diamant te bepalen, dien hij hem ter hand stelde, en
welken hij te gelde wilde maken. Den volgenden morgen te acht uur trad
de knecht van den heer des Essarts bij d’Artagnan binnen en stelde hem
een zak met zeven duizend franken ter hand. Dat was de som, die de
diamant der koningin had opgebracht.