HOOFDSTUK XVI.

De vergadering der musketiers.

Zooals Athos het had voorzien, was het bolwerk slechts bevolkt door een

twaalftal gesneuvelden, zoowel eigen volk als vijanden.

„Mijne heeren!” zeide Athos, die het bevel der onderneming op zich had

genomen, „terwijl Grimaud de tafel zal dekken, zullen wij beginnen de

geweren en patronen bij elkander te zoeken. Wij kunnen tegelijkertijd

onder dat werk over onze zaken spreken. Die heeren,” vervolgde hij, de

gesneuvelden aanwijzende, „zullen ons niet beluisteren.”--„Maar wij

zouden hen toch in de gracht kunnen werpen,” zeide Porthos, „na ons

vooraf verzekerd te hebben, dat hun zakken niets bevatten.”--„Ja,”

hernam Athos, „dat is de zaak van Grimaud.”--„Welnu dan,” zeide

d’Artagnan, „laat Grimaud hen onderzoeken en ze daarna over den muur

werpen.”--„Wachten wij er ons wel voor,” zeide Athos, „zij kunnen ons

nog dienen.”--„Kunnen die dooden ons nog dienen?” vroeg Porthos. „Maar

waarlijk, gij wordt gek, beste vriend!”--„Oordeel niet lichtzinnig, zegt

het Evangelie en de kardinaal,” antwoordde Athos. „Hoeveel geweren zijn

er, heeren?”--„Twaalf,” antwoordde Aramis.--„Dat is juist zooveel als

wij noodig hebben; laden wij de geweren.”

De vier musketiers begonnen met dat werk. Toen het laatste geweer

geladen was, gaf Grimaud door een wenk te kennen, dat het ontbijt gereed

was. Athos antwoordde, zooals altijd, met een gebaar, dat het goed was,

en wees Grimaud een soort van schilderhuis aan, waarin deze begreep, dat

hij op den uitkijk moest gaan staan. Maar om de verveling zijner wacht

te verzachten, veroorloofde Athos hem een brood, twee koteletten en een

flesch wijn mede te nemen.

„En nu aan tafel, heeren!” riep Athos.

De vier vrienden zetten zich met over elkaar geslagen beenen, als Turken

of kleermakers, op den grond.

„Maar thans,” zeide d’Artagnan, „nu gij niet meer behoeft te vreezen

gehoord te worden, vertrouw ik, dat ge ons uw geheim zult

mededeelen!”--„Ik hoop u tevens vermaak en glorie te bezorgen, mijne

heeren!” zeide Athos. „Ik heb u een aangename wandeling bezorgd, ziedaar

nu een zeer smakelijk ontbijt, en vijf personen daarginder, zooals gij

door de schietgaten kunt zien, die ons voor dwazen of helden houden, en

een paar soorten van krankzinnigen, die elkander tamelijk

gelijken.”--„Maar het geheim?” vroeg d’Artagnan.--„Het geheim,”

antwoordde Athos, „is, dat ik gisterenavond milady heb gesproken.”

D’Artagnan bracht het glas aan zijn lippen, maar bij den naam van milady

begon hij zoo geweldig te beven, dat hij het weer op den grond zette, om

den inhoud niet te storten.

„Gij hebt uw vr....”--„Stil toch!” viel Athos hem in de rede, „gij

vergeet, mijn waarde! dat die heeren niet, zooals gij, met mijn

huiselijke geheimen zijn bekend. Ik heb milady gesproken.”--„En waar

dat?” vroeg d’Artagnan.--„Ongeveer twee uren van hier, in de herberg _de

Roode Duiventoren_.”--„In dat geval ben ik verloren,” zeide

d’Artagnan.--„Neen, nog niet geheel,” hernam Athos, „want op dit uur

moet zij de kust van _Frankrijk_ hebben verlaten.”--D’Artagnan haalde

adem.--„Maar bij slot van rekening,” vroeg Porthos, „wat is toch die

milady?”--„Een zeer lieve vrouw,” antwoordde Athos, terwijl hij een glas

schuimenden wijn ledigde.

„Schurkachtige hospes!” riep hij, „hij heeft ons wijn van _Anjou_ in

plaats van _Champagne_ gegeven, in de meening dat wij het niet zouden

bemerken.”

„Ja,” hernam hij, „een zeer lieve vrouw, jegens welke onze vriend

d’Artagnan ik weet niet welke boosaardigheden heeft bedreven, waarover

zij, een maand geleden, getracht heeft zich te wreken, door hem te

willen doodschieten, en nu, acht dagen geleden, pogingen heeft aangewend

om hem te vergiftigen, terwijl zij gisteren den kardinaal zijn hoofd

vroeg.”--„Wat! den kardinaal mijn hoofd vragen?” riep d’Artagnan, bleek

van schrik.--„Ja,” zeide Porthos, „zoo waar als het evangelie! ik heb

het met mijn beide ooren gehoord.”--„Ik ook,” zeide Aramis.--„Dan,”

zeide d’Artagnan, zijn armen moedeloos langs zijn zijden latende vallen,

„is het vruchteloos langer te worstelen, het is het beste, dat ik mij

voor het hoofd schiet, dan is alles geëindigd.”--„Dat is de laatste

dwaasheid, waartoe men kan overgaan,” zeide Athos, „en wel eene, waaraan

niets meer te veranderen is.”--„Maar ik zal nooit de handen van

dergelijke vijanden ontkomen,” zeide d’Artagnan. „Vooreerst, mijn

onbekende van _Meung_, vervolgens de Wardes, dien ik vier degensteken

heb toegebracht, daarna milady, wier geheim ik heb ontdekt, en eindelijk

de kardinaal, wiens wraak ik heb doen mislukken.”--„Welnu! dat zijn er

niet meer dan vier, en wij zijn met ons vieren, één tegen één,

_pardieu_! Als ik de teekens versta, die Grimaud ons maakt, dan zullen

wij met eenige lieden meer te doen krijgen. Wat is er, Grimaud? Uit

hoofde van het gewicht der omstandigheden veroorloof ik u te spreken,

mijn vriend! maar wees kort en zakelijk, als ’t u blieft. Wat ziet

gij?”--„Een bende.”--„Van hoeveel personen?”--„Van twintig

mannen.”--„Welke mannen?”--„Zestien schansgravers en vier

soldaten.”--„Op hoeveel schreden afstands zijn zij?”--„Op vijfhonderd

schreden.”--„Goed, wij hebben den tijd nog dat hoen af te kluiven en een

glas wijn te drinken. Op uw gezondheid, d’Artagnan!”--„Op uw

gezondheid!” herhaalden Porthos en Aramis.--„Het zij dan zoo, op mijn

gezondheid, hoewel ik niet geloof, dat uw wenschen mij veel zullen

baten.”--„Och!” zeide Athos, „God is groot, zooals de belijders van

Mahomeds leer zeggen, en de toekomst is in zijn handen.”

En daarop den inhoud van zijn glas geledigd hebbende, dat hij naast zich

neerzette, stond Athos bedaard op, nam het eerste het beste geweer en

naderde een schietgat. Porthos, Aramis en d’Artagnan volgden zijn

voorbeeld. Wat Grimaud betreft, dezen werd bevolen zich achter de vier

vrienden te plaatsen, ten einde de geweren te laden.

Kort daarna zag men den troep verschijnen, die een soort van loopgraaf

volgde, welke de stad met het bolwerk vereenigde.

„_Pardieu_!” zeide Athos, „het is wel de moeite waard ons voor een

twintigtal kinkels, met schoppen, spaden en houweelen gewapend, te

vertoonen! Grimaud had hun slechts een wenk behoeven te geven, dat zij

zich moesten verwijderen, en ik ben verzekerd, dat zij ons met rust

hadden gelaten.”--„Ik twijfel er toch aan, want zij naderen stoutmoedig.

Daarenboven worden zij beschermd door vier soldaten en een brigadier,

met musketten gewapend.”--„Zij hebben ons ook niet gezien,” zeide

Athos.--„Op mijn woord,” zeide Aramis, „ik schiet ongaarne op die arme

duivels van burgers.”--„Een slecht priester,” zeide Porthos, „die met

ketters medelijden heeft.”--„Het is waar,” zeide Athos, „Aramis heeft

gelijk, en ik zal hen waarschuwen.”--„Wat duivel gaat gij doen?” riep

d’Artagnan. „Gij zult u laten doodschieten, mijn waarde!”

Maar Athos stoorde zich niet aan de waarschuwing, en op de bres

klimmende, in de eene hand zijn geweer en in de andere zijn hoed

houdende, riep hij, beleefd groetende, tot de naderende werklieden en

soldaten, die, verwonderd over deze verschijning, op vijftig schreden

van het bolwerk waren blijven staan: „Mijne heeren! ik en eenige mijner

vrienden zijn op dit oogenblik in dit bolwerk bezig met te ontbijten. En

dewijl gij weet, dat er niets onaangenamers is dan gedurende het ontbijt

gestoord te worden, verzoeken wij u, indien gij hier volstrekt iets te

doen mocht hebben, zoo lang te wachten, totdat de maaltijd geëindigd zal

zijn, of later terug te keeren, althans indien gij het heilrijke

voornemen niet hebt de partij des oproers te verlaten en met ons op de

gezondheid van den koning van _Frankrijk_ te komen drinken.”

„Wees op uw hoede, Athos!” zeide d’Artagnan, „ziet gij niet, dat zij op

u aanleggen?”--„Jawel, jawel,” zeide Athos, „maar het zijn burgers, die

zeer slecht mikken en er zich wel voor zullen wachten mij te raken.”

En werkelijk werden er vier geweerschoten gelost, zoodat de kogels

rondom Athos neervielen, zonder dat hij door één geraakt werd. Vier

geweerschoten beantwoordden dezelve bijna gelijktijdig, maar zij waren

beter dan die van de aanvallers gericht: drie soldaten vielen dood neder

en een der werklieden werd gekwetst.

„Grimaud! geef mij een ander musket,” riep Athos, op de bres blijvende.

Grimaud gehoorzaamde dadelijk. Ook de drie vrienden hadden wederom hun

geweren geladen. Een tweede losbarsting volgde de eerste; de brigadier

en twee schansgravers vielen dood; de overigen der bende namen de

vlucht.

„Welaan, heeren! doen wij een uitval!” zeide Athos.

En de vier vrienden het fort verlatende, bereikten het slagveld, raapten

de vier musketten der soldaten en de piek van den brigadier op, en

verzekerd, dat de vluchtelingen niet eer met loopen zouden ophouden dan

bij de stad, keerden zij naar het bolwerk terug, de zegeteekenen hunner

overwinning medevoerende.

„Laad opnieuw de geweren, Grimaud!” beval Athos, „terwijl wij, heeren!

met ontbijten zullen voortgaan en ons gesprek vervolgen. Hoe ver waren

wij gekomen?”--„Ik herinner het mij,” zeide d’Artagnan, „gij zeidet,

dat, toen milady mijn hoofd aan den kardinaal had gevraagd, zij de kust

van _Frankrijk_ ging verlaten.--En werwaarts begeeft zij zich?” voegde

d’Artagnan er bij, die zeer ongerust was over den weg, dien milady moest

volgen.--„Zij steekt naar _Engeland_ over,” antwoordde Athos.--„En met

welk oogmerk?”--„Met het oogmerk Buckingham te vermoorden, of te doen

vermoorden.”

Aan d’Artagnan ontglipte een uitroep van verbazing en

verontwaardiging.--„Maar dat is allerschandelijkst!” riep hij.--„Och!

wat dat betreft,” zeide Athos, „ik verzoek u te gelooven, dat ik er mij

weinig om bekommer. Thans, nu gij gedaan hebt, Grimaud! moet gij de piek

van onzen brigadier nemen, een servet er aan vastmaken en haar dan boven

op het bolwerk planten, opdat die oproerige burgers van _la Rochelle_

kunnen zien, dat zij met brave en moedige soldaten des konings te doen

hebben.”

Grimaud gehoorzaamde zonder te antwoorden; een oogenblik daarna woei de

vlag boven de hoofden der vier vrienden. Een vreugdekreet, met een

donderend gejuich gepaard, begroette haar verschijning. De helft van het

legerkamp stond voor den ingang.

„Wat!” hernam d’Artagnan, „gij bekommert u er zoo weinig om, dat zij

Buckingham vermoordt, of laat vermoorden, terwijl de hertog onze vriend

is?”--„De hertog is Engelschman, de hertog strijdt tegen ons, laat zij

dus met den hertog doen, wat zij wil, ik geef er evenmin om, als om die

ledige flesch.”

En Athos wierp een flesch, die hij in de hand had, en uit welke hij de

laatste bloeddroppels in zijn glas had geschonken, een vijftiental

passen ver.

„Wacht een oogenblikje,” zeide d’Artagnan, „ik verlaat Buckingham niet

op deze wijze; hij heeft ons zeer fraaie paarden geschonken.”--„En

vooral zeer fraaie zadels,” zeide Porthos, die op dat oogenblik de

franje van het zijne aan zijn mantel had.--„En daarbij,” zeide Aramis,

„God wil de bekeering en niet den dood des zondaars.”--„Amen,” zeide

Athos, „en wij zullen hierop later terugkomen, indien u zulks aangenaam

is; maar wat op dat oogenblik mijn eerste zorg was, en gij, d’Artagnan!

hiervan ben ik zeker, zult het begrijpen, was, van die vrouw een soort

van volmacht af te persen, die zij den kardinaal had weten te

ontwringen, en waarmede zij ongestraft u en misschien ons uit den weg

zou hebben geruimd.”--„Maar dat schepsel is dan de duivel,” riep

Porthos, zijn bord aan Aramis aanbiedende, die bezig was een hoen voor

te snijden.--„En die volmacht,” vroeg d’Artagnan, „is die in haar handen

gebleven?”--„Neen, ze is in de mijne overgegaan; ik zal niet zeggen zeer

gemakkelijk, dan voorzeker zou ik liegen.”--„Mijn waarde Athos,” zeide

d’Artagnan, „ik kan niet meer tellen, hoe dikwijls ik u het leven te

danken heb.”--„Het was dus om tot haar terug te keeren, dat gij ons

verliet?” vroeg Aramis.--„Zeker.”--„En hebt gij dat briefje van den

kardinaal?” vroeg d’Artagnan.--„Hier is het,” antwoordde Athos. En hij

haalde het kostbaar papier uit den zak van zijn gewaad.

D’Artagnan vouwde het open met een hand, van welke hij niet eens het

beven wilde verbergen; en hij las op zijn beurt:

„Het was op mijn bevel en tot welzijn van den staat, dat houder

dezes deed, wat hij heeft gedaan.

Richelieu.”

De Drie Musketiers dl. I en II · 第 67 / 93 题