De vergadering der musketiers.
Zooals Athos het had voorzien, was het bolwerk slechts bevolkt door een
twaalftal gesneuvelden, zoowel eigen volk als vijanden.
„Mijne heeren!” zeide Athos, die het bevel der onderneming op zich had
genomen, „terwijl Grimaud de tafel zal dekken, zullen wij beginnen de
geweren en patronen bij elkander te zoeken. Wij kunnen tegelijkertijd
onder dat werk over onze zaken spreken. Die heeren,” vervolgde hij, de
gesneuvelden aanwijzende, „zullen ons niet beluisteren.”--„Maar wij
zouden hen toch in de gracht kunnen werpen,” zeide Porthos, „na ons
vooraf verzekerd te hebben, dat hun zakken niets bevatten.”--„Ja,”
hernam Athos, „dat is de zaak van Grimaud.”--„Welnu dan,” zeide
d’Artagnan, „laat Grimaud hen onderzoeken en ze daarna over den muur
werpen.”--„Wachten wij er ons wel voor,” zeide Athos, „zij kunnen ons
nog dienen.”--„Kunnen die dooden ons nog dienen?” vroeg Porthos. „Maar
waarlijk, gij wordt gek, beste vriend!”--„Oordeel niet lichtzinnig, zegt
het Evangelie en de kardinaal,” antwoordde Athos. „Hoeveel geweren zijn
er, heeren?”--„Twaalf,” antwoordde Aramis.--„Dat is juist zooveel als
wij noodig hebben; laden wij de geweren.”
De vier musketiers begonnen met dat werk. Toen het laatste geweer
geladen was, gaf Grimaud door een wenk te kennen, dat het ontbijt gereed
was. Athos antwoordde, zooals altijd, met een gebaar, dat het goed was,
en wees Grimaud een soort van schilderhuis aan, waarin deze begreep, dat
hij op den uitkijk moest gaan staan. Maar om de verveling zijner wacht
te verzachten, veroorloofde Athos hem een brood, twee koteletten en een
flesch wijn mede te nemen.
„En nu aan tafel, heeren!” riep Athos.
De vier vrienden zetten zich met over elkaar geslagen beenen, als Turken
of kleermakers, op den grond.
„Maar thans,” zeide d’Artagnan, „nu gij niet meer behoeft te vreezen
gehoord te worden, vertrouw ik, dat ge ons uw geheim zult
mededeelen!”--„Ik hoop u tevens vermaak en glorie te bezorgen, mijne
heeren!” zeide Athos. „Ik heb u een aangename wandeling bezorgd, ziedaar
nu een zeer smakelijk ontbijt, en vijf personen daarginder, zooals gij
door de schietgaten kunt zien, die ons voor dwazen of helden houden, en
een paar soorten van krankzinnigen, die elkander tamelijk
gelijken.”--„Maar het geheim?” vroeg d’Artagnan.--„Het geheim,”
antwoordde Athos, „is, dat ik gisterenavond milady heb gesproken.”
D’Artagnan bracht het glas aan zijn lippen, maar bij den naam van milady
begon hij zoo geweldig te beven, dat hij het weer op den grond zette, om
den inhoud niet te storten.
„Gij hebt uw vr....”--„Stil toch!” viel Athos hem in de rede, „gij
vergeet, mijn waarde! dat die heeren niet, zooals gij, met mijn
huiselijke geheimen zijn bekend. Ik heb milady gesproken.”--„En waar
dat?” vroeg d’Artagnan.--„Ongeveer twee uren van hier, in de herberg _de
Roode Duiventoren_.”--„In dat geval ben ik verloren,” zeide
d’Artagnan.--„Neen, nog niet geheel,” hernam Athos, „want op dit uur
moet zij de kust van _Frankrijk_ hebben verlaten.”--D’Artagnan haalde
adem.--„Maar bij slot van rekening,” vroeg Porthos, „wat is toch die
milady?”--„Een zeer lieve vrouw,” antwoordde Athos, terwijl hij een glas
schuimenden wijn ledigde.
„Schurkachtige hospes!” riep hij, „hij heeft ons wijn van _Anjou_ in
plaats van _Champagne_ gegeven, in de meening dat wij het niet zouden
bemerken.”
„Ja,” hernam hij, „een zeer lieve vrouw, jegens welke onze vriend
d’Artagnan ik weet niet welke boosaardigheden heeft bedreven, waarover
zij, een maand geleden, getracht heeft zich te wreken, door hem te
willen doodschieten, en nu, acht dagen geleden, pogingen heeft aangewend
om hem te vergiftigen, terwijl zij gisteren den kardinaal zijn hoofd
vroeg.”--„Wat! den kardinaal mijn hoofd vragen?” riep d’Artagnan, bleek
van schrik.--„Ja,” zeide Porthos, „zoo waar als het evangelie! ik heb
het met mijn beide ooren gehoord.”--„Ik ook,” zeide Aramis.--„Dan,”
zeide d’Artagnan, zijn armen moedeloos langs zijn zijden latende vallen,
„is het vruchteloos langer te worstelen, het is het beste, dat ik mij
voor het hoofd schiet, dan is alles geëindigd.”--„Dat is de laatste
dwaasheid, waartoe men kan overgaan,” zeide Athos, „en wel eene, waaraan
niets meer te veranderen is.”--„Maar ik zal nooit de handen van
dergelijke vijanden ontkomen,” zeide d’Artagnan. „Vooreerst, mijn
onbekende van _Meung_, vervolgens de Wardes, dien ik vier degensteken
heb toegebracht, daarna milady, wier geheim ik heb ontdekt, en eindelijk
de kardinaal, wiens wraak ik heb doen mislukken.”--„Welnu! dat zijn er
niet meer dan vier, en wij zijn met ons vieren, één tegen één,
_pardieu_! Als ik de teekens versta, die Grimaud ons maakt, dan zullen
wij met eenige lieden meer te doen krijgen. Wat is er, Grimaud? Uit
hoofde van het gewicht der omstandigheden veroorloof ik u te spreken,
mijn vriend! maar wees kort en zakelijk, als ’t u blieft. Wat ziet
gij?”--„Een bende.”--„Van hoeveel personen?”--„Van twintig
mannen.”--„Welke mannen?”--„Zestien schansgravers en vier
soldaten.”--„Op hoeveel schreden afstands zijn zij?”--„Op vijfhonderd
schreden.”--„Goed, wij hebben den tijd nog dat hoen af te kluiven en een
glas wijn te drinken. Op uw gezondheid, d’Artagnan!”--„Op uw
gezondheid!” herhaalden Porthos en Aramis.--„Het zij dan zoo, op mijn
gezondheid, hoewel ik niet geloof, dat uw wenschen mij veel zullen
baten.”--„Och!” zeide Athos, „God is groot, zooals de belijders van
Mahomeds leer zeggen, en de toekomst is in zijn handen.”
En daarop den inhoud van zijn glas geledigd hebbende, dat hij naast zich
neerzette, stond Athos bedaard op, nam het eerste het beste geweer en
naderde een schietgat. Porthos, Aramis en d’Artagnan volgden zijn
voorbeeld. Wat Grimaud betreft, dezen werd bevolen zich achter de vier
vrienden te plaatsen, ten einde de geweren te laden.
Kort daarna zag men den troep verschijnen, die een soort van loopgraaf
volgde, welke de stad met het bolwerk vereenigde.
„_Pardieu_!” zeide Athos, „het is wel de moeite waard ons voor een
twintigtal kinkels, met schoppen, spaden en houweelen gewapend, te
vertoonen! Grimaud had hun slechts een wenk behoeven te geven, dat zij
zich moesten verwijderen, en ik ben verzekerd, dat zij ons met rust
hadden gelaten.”--„Ik twijfel er toch aan, want zij naderen stoutmoedig.
Daarenboven worden zij beschermd door vier soldaten en een brigadier,
met musketten gewapend.”--„Zij hebben ons ook niet gezien,” zeide
Athos.--„Op mijn woord,” zeide Aramis, „ik schiet ongaarne op die arme
duivels van burgers.”--„Een slecht priester,” zeide Porthos, „die met
ketters medelijden heeft.”--„Het is waar,” zeide Athos, „Aramis heeft
gelijk, en ik zal hen waarschuwen.”--„Wat duivel gaat gij doen?” riep
d’Artagnan. „Gij zult u laten doodschieten, mijn waarde!”
Maar Athos stoorde zich niet aan de waarschuwing, en op de bres
klimmende, in de eene hand zijn geweer en in de andere zijn hoed
houdende, riep hij, beleefd groetende, tot de naderende werklieden en
soldaten, die, verwonderd over deze verschijning, op vijftig schreden
van het bolwerk waren blijven staan: „Mijne heeren! ik en eenige mijner
vrienden zijn op dit oogenblik in dit bolwerk bezig met te ontbijten. En
dewijl gij weet, dat er niets onaangenamers is dan gedurende het ontbijt
gestoord te worden, verzoeken wij u, indien gij hier volstrekt iets te
doen mocht hebben, zoo lang te wachten, totdat de maaltijd geëindigd zal
zijn, of later terug te keeren, althans indien gij het heilrijke
voornemen niet hebt de partij des oproers te verlaten en met ons op de
gezondheid van den koning van _Frankrijk_ te komen drinken.”
„Wees op uw hoede, Athos!” zeide d’Artagnan, „ziet gij niet, dat zij op
u aanleggen?”--„Jawel, jawel,” zeide Athos, „maar het zijn burgers, die
zeer slecht mikken en er zich wel voor zullen wachten mij te raken.”
En werkelijk werden er vier geweerschoten gelost, zoodat de kogels
rondom Athos neervielen, zonder dat hij door één geraakt werd. Vier
geweerschoten beantwoordden dezelve bijna gelijktijdig, maar zij waren
beter dan die van de aanvallers gericht: drie soldaten vielen dood neder
en een der werklieden werd gekwetst.
„Grimaud! geef mij een ander musket,” riep Athos, op de bres blijvende.
Grimaud gehoorzaamde dadelijk. Ook de drie vrienden hadden wederom hun
geweren geladen. Een tweede losbarsting volgde de eerste; de brigadier
en twee schansgravers vielen dood; de overigen der bende namen de
vlucht.
„Welaan, heeren! doen wij een uitval!” zeide Athos.
En de vier vrienden het fort verlatende, bereikten het slagveld, raapten
de vier musketten der soldaten en de piek van den brigadier op, en
verzekerd, dat de vluchtelingen niet eer met loopen zouden ophouden dan
bij de stad, keerden zij naar het bolwerk terug, de zegeteekenen hunner
overwinning medevoerende.
„Laad opnieuw de geweren, Grimaud!” beval Athos, „terwijl wij, heeren!
met ontbijten zullen voortgaan en ons gesprek vervolgen. Hoe ver waren
wij gekomen?”--„Ik herinner het mij,” zeide d’Artagnan, „gij zeidet,
dat, toen milady mijn hoofd aan den kardinaal had gevraagd, zij de kust
van _Frankrijk_ ging verlaten.--En werwaarts begeeft zij zich?” voegde
d’Artagnan er bij, die zeer ongerust was over den weg, dien milady moest
volgen.--„Zij steekt naar _Engeland_ over,” antwoordde Athos.--„En met
welk oogmerk?”--„Met het oogmerk Buckingham te vermoorden, of te doen
vermoorden.”
Aan d’Artagnan ontglipte een uitroep van verbazing en
verontwaardiging.--„Maar dat is allerschandelijkst!” riep hij.--„Och!
wat dat betreft,” zeide Athos, „ik verzoek u te gelooven, dat ik er mij
weinig om bekommer. Thans, nu gij gedaan hebt, Grimaud! moet gij de piek
van onzen brigadier nemen, een servet er aan vastmaken en haar dan boven
op het bolwerk planten, opdat die oproerige burgers van _la Rochelle_
kunnen zien, dat zij met brave en moedige soldaten des konings te doen
hebben.”
Grimaud gehoorzaamde zonder te antwoorden; een oogenblik daarna woei de
vlag boven de hoofden der vier vrienden. Een vreugdekreet, met een
donderend gejuich gepaard, begroette haar verschijning. De helft van het
legerkamp stond voor den ingang.
„Wat!” hernam d’Artagnan, „gij bekommert u er zoo weinig om, dat zij
Buckingham vermoordt, of laat vermoorden, terwijl de hertog onze vriend
is?”--„De hertog is Engelschman, de hertog strijdt tegen ons, laat zij
dus met den hertog doen, wat zij wil, ik geef er evenmin om, als om die
ledige flesch.”
En Athos wierp een flesch, die hij in de hand had, en uit welke hij de
laatste bloeddroppels in zijn glas had geschonken, een vijftiental
passen ver.
„Wacht een oogenblikje,” zeide d’Artagnan, „ik verlaat Buckingham niet
op deze wijze; hij heeft ons zeer fraaie paarden geschonken.”--„En
vooral zeer fraaie zadels,” zeide Porthos, die op dat oogenblik de
franje van het zijne aan zijn mantel had.--„En daarbij,” zeide Aramis,
„God wil de bekeering en niet den dood des zondaars.”--„Amen,” zeide
Athos, „en wij zullen hierop later terugkomen, indien u zulks aangenaam
is; maar wat op dat oogenblik mijn eerste zorg was, en gij, d’Artagnan!
hiervan ben ik zeker, zult het begrijpen, was, van die vrouw een soort
van volmacht af te persen, die zij den kardinaal had weten te
ontwringen, en waarmede zij ongestraft u en misschien ons uit den weg
zou hebben geruimd.”--„Maar dat schepsel is dan de duivel,” riep
Porthos, zijn bord aan Aramis aanbiedende, die bezig was een hoen voor
te snijden.--„En die volmacht,” vroeg d’Artagnan, „is die in haar handen
gebleven?”--„Neen, ze is in de mijne overgegaan; ik zal niet zeggen zeer
gemakkelijk, dan voorzeker zou ik liegen.”--„Mijn waarde Athos,” zeide
d’Artagnan, „ik kan niet meer tellen, hoe dikwijls ik u het leven te
danken heb.”--„Het was dus om tot haar terug te keeren, dat gij ons
verliet?” vroeg Aramis.--„Zeker.”--„En hebt gij dat briefje van den
kardinaal?” vroeg d’Artagnan.--„Hier is het,” antwoordde Athos. En hij
haalde het kostbaar papier uit den zak van zijn gewaad.
D’Artagnan vouwde het open met een hand, van welke hij niet eens het
beven wilde verbergen; en hij las op zijn beurt:
„Het was op mijn bevel en tot welzijn van den staat, dat houder
dezes deed, wat hij heeft gedaan.
Richelieu.”