Het bolwerk Saint Gervais.
Toen d’Artagnan bij zijn drie vrienden kwam, vond hij ze in dezelfde
kamer vereenigd. Athos overwoog, Porthos krulde zijn knevel, Aramis las
zijn getijden in een fraai klein, in blauw fluweel gebonden kerkboek.
„_Pardieu_!” riep d’Artagnan, „ik hoop, mijne heeren! dat hetgeen gij
mij te zeggen hebt de moeite waard is, ik zou u anders nooit vergeven
mij alleen een bolwerk te hebben laten verdedigen, het was er
heet!”--„Wij waren ook ergens, waar het niet koud was,” antwoordde
Porthos, aan zijn knevel een hem bijzondere krulling gevende.--„Stil!”
zeide Athos.--„Oh! oh!” riep d’Artagnan, het licht fronsen der
wenkbrauwen van Athos begrijpende, „er schijnt hier iets nieuws te zijn
gebeurd?”--„Aramis!” zeide Athos, „gij hebt gisteren in de herberg _het
Geuzennest_ ontbeten, geloof ik?”--„Ja.”--„Wel, hoe is het daar?”--„Ik
heb er wat mij betreft zeer slecht gegeten, want eergisteren was het
vastendag en er was niets dan vleesch voorhanden.”--„Wat!” riep Athos,
„hebben zij in een zeehaven geen visch?”--„Zij zeggen,” hernam Aramis,
zijn vrome lectuur hervattende, „dat de dijk, dien de kardinaal laat
maken, al de visch in zee jaagt.”--„Maar dat is het niet, wat ik u
vraag, Aramis!” hernam Athos, „ik wenschte te weten of gij alleen waart
en niemand u is komen hinderen?”--„Wel, ik geloof, dat wij over te veel
nieuwsgierigen niet te klagen hebben gehad. Wel ja, voor hetgeen gij
bedoelt, Athos, zullen wij tamelijk wel in _het Geuzennest_
zijn.”--„Gaan wij dan naar _het Geuzennest_,” zeide Athos, „want hier
zijn de muren zoo dik als papier.”
D’Artagnan, die aan de handelwijze van zijn vriend gewoon was en
dadelijk aan één woord, aan één gebaar, aan één teeken van hem begreep,
dat de omstandigheden netelig waren, nam Athos bij den arm en vertrok
met hem zonder iets te zeggen. Porthos volgde al pratende met Aramis.
Op weg ontmoette men Grimaud; Athos wenkte hem, dat hij zou volgen.
Grimaud gehoorzaamde, volgens gewoonte zonder te spreken; de arme jongen
had bijna het spreken verleerd. Men bereikte de herberg _het
Geuzennest_. Het was zeven uur des ochtends en het werd licht; de vier
vrienden bestelden een ontbijt en traden een kamer binnen, waar zij,
volgens zeggen van den herbergier, niet zouden gehinderd worden.
Ongelukkig was het oogenblik voor een geheim gesprek zeer slecht
gekozen. Men had juist de réveille geslagen en overal wreef men den
slaap uit de oogen, en voor de vochtigheid van de ochtendlucht ging men
naar de herberg een slokje drinken; dragonders, Zwitsers, gardes,
musketiers en lichte kavalleristen volgden elkander onophoudelijk en
moesten den waard niet weinig voordeel aanbrengen; maar dat strookte
zeer slecht met de oogmerken der vier vrienden, ook beantwoordden zij op
zeer onvergenoegden toon de begroetingen, de gezondheidsdronken en de
kwinkslagen hunner krijgsmakkers.
„Zoo,” zeide Athos, „zullen wij ons een twist op den hals halen, en dit
zou ons voor het oogenblik zeer ongelegen komen. D’Artagnan! verhaal ons
eens, wat u hedennacht is overkomen, daarna zullen wij u vertellen, hoe
onze nacht is afgeloopen.”--„Inderdaad,” zeide een ruiter, die geen
oogenblik stilstond, terwijl hij langzaam een glas brandewijn opslurpte,
„inderdaad, gij waart in de loopgraven, heeren gardes! en ik geloof, dat
gij met de belegerden van _la Rochelle_ iets te doen hebt gehad.”
D’Artagnan wierp een vragenden blik op Athos om te weten, of hij dien
indringer, die zich in het gesprek mengde, moest antwoorden.--„Wel!”
riep Athos, „verstaat gij den heer de Busigny niet, die u de eer aandoet
u toe te spreken? Vertel wat er dezen nacht is voorgevallen, daar die
heeren verlangend zijn het te weten.”
„_Haben Sie kein Bollwerk genommen?_” vroeg een Zwitser, die uit een
bierglas rum dronk.--„Ja, mijnheer!” antwoordde d’Artagnan buigende,
„wij hebben die eer gehad, wij hebben zelfs, zooals ge hebt kunnen
hooren, onder een der hoeken een ton buskruit gelegd, die, losbarstende,
een fraaie bres heeft gemaakt, zoodat het geheele bolwerk, dat niet van
gisteren meer was, deerlijk is geschud geworden.”--„En welk bolwerk is
dat?” vroeg een dragonder, die aan zijn sabel een gans had gestoken,
welke hij had meegebracht om te braden.--„Het bolwerk _St. Gervais_,”
antwoordde d’Artagnan, „van waaruit de belegerden onze werklieden
verontrusten.”--„En is het er heet toegegaan?”--„Welzeker! wij hebben
vijf en de belegerden acht of tien man verloren.”--„_Palsambleu_!” riep
de Zwitser, die, ondanks de bewonderenswaardige verzameling van vloeken,
welke de Duitsche taal bezit, echter de gewoonte had aangenomen in het
Fransch te vloeken.--„Maar waarschijnlijk zullen zij hedenochtend
schansgravers afzenden om het bolwerk weder in goeden staat te
brengen.”--„Ja, dat is waarschijnlijk,” zeide d’Artagnan.
„Mijne heeren!” zeide Athos, „ik stel u een weddenschap voor.”--„_Ah ja,
ein barie_,” herhaalde de Zwitser.--„Welke?” vroeg de ruiter.--„Wacht,”
zeide de dragonder, die zijn sabel als een spit op de twee haardijzers
legde, tusschen welke het vuur brandde, „ik wed mede. Ellendige
kastelein, geef mij dadelijk een braadpan, opdat er geen droppel vet van
dat achtenswaardige gevogelte verloren ga....”--„_Er hat recht,
Gänsefett ist ganz gut mit Confituren._”--„Welnu? laat hooren de
weddenschap. Wij luisteren, mijnheer Athos!”--„Ja, zeg ons de
weddenschap,” zeide de lichte kavallerist.
„Luister, mijnheer de Busigny! ik wed met u,” zeide Athos, „dat mijn
drie vrienden, de heeren Porthos, Aramis, d’Artagnan en ik, in het
bolwerk _Saint Gervais_ zullen ontbijten en er één uur in blijven, op
klokslag af, wat de vijand ook moge doen om ons er uit te
drijven.”--Porthos en Aramis keken elkander aan, zij begonnen te
begrijpen.--„Maar,” fluisterde d’Artagnan Athos in het oor, „gij zult
ons zonder genade doen om hals brengen?”--„Men zal ons wel op een andere
wijze om hals brengen!”--„Wel, heeren!” zeide Porthos, zich achterover
op zijn stoel werpende en zijn knevel opstrijkende, „ik meen, dat dit
een fraaie weddenschap is?”--„Ik neem ze dan ook aan,” zeide de heer de
Busigny. „Wij moeten nu slechts weten, waarom wij wedden.”--„Gij zijt
met u vieren, mijne heeren!” zeide Athos, „wij ook, een nader te bepalen
diner voor acht personen, wat denkt gij daarvan?”--„Kostelijk!” hernam
de Busigny.--„Best,” zeide de dragonder.--„_Das geht_,” zeide de
Zwitser. De vierde, die gedurende dat gansche gesprek geen woord had
gesproken, knikte met het hoofd, ten teeken dat hij met het voorstel
genoegen nam.
„Het ontbijt der heeren is gereed,” kwam de kastelein
berichten.--„Welnu, breng het dan,” zeide Athos. De herbergier
gehoorzaamde. Athos riep Grimaud, toonde hem een groote mand, die in een
hoek stond en gaf hem een teeken de gebrachte vleeschspijzen in een
servet te wikkelen. Grimaud, begrijpende dat men in het gras wilde
ontbijten, nam de mand, pakte het vleesch er in, voegde de flesschen er
bij en hing de mand aan zijn arm.
„Maar waar gaat gij ontbijten?” vroeg de kastelein.--„Wat raakt u dat,
als gij betaald wordt?”--En hij wierp trots twee pistolen op
tafel.--„Moet ik u teruggeven, mijn officier?” vroeg de
kastelein.--„Neen voeg er slechts twee flesschen Champagne bij, het
overschot is voor de servetten.”
De kastelein maakte een minder goede zaak dan hij aanvankelijk meende;
maar hij stelde zich schadeloos, door de vier gasten twee flesschen
Anjou-wijn in plaats van Champagne in de hand te stoppen.
„Mijnheer de Busigny!” zeide Athos, „wilt gij wel zoo goed zijn uw
horloge naar het mijne te regelen, of mij veroorloven het mijne naar het
uwe te zetten?”--„Met plezier, mijnheer!” zeide de ruiter, uit zijn zak
een zeer fraai, met diamanten omzet horloge halende; „half acht,” zeide
hij.--„Vijf minuten over half acht, wij weten nu, dat ik vijf minuten
vóór ben, mijnheer!”--En de verbaasde omstanders groetende, sloegen de
vier jongelieden den weg naar het bolwerk _Saint Gervais_ in, door
Grimaud gevolgd, die de mand droeg, niet wetende werwaarts men ging;
maar aan lijdelijke gehoorzaamheid gewoon, dacht hij er niet eens aan er
naar te vragen.
Zoo lang zij zich nog binnen de grenzen van het legerkamp bevonden,
wisselden de vrienden met elkander geen enkel woord; te meer daar zij
gevolgd werden door de nieuwsgierigen, die van de weddenschap kennis
droegen en wilden weten, hoe zij er zich zouden uitredden; maar eenmaal
de grenslijn over en zich in de vrije lucht bevindende, meende
d’Artagnan, die volstrekt niet wist waarvan er sprake was, dat het nu
tijd was een nadere verklaring te vragen.
„En nu, mijn waarde Athos! doe mij nu eens het genoegen mij te zeggen,
werwaarts wij gaan?”--„Gij ziet het,” zeide Athos, „wij gaan naar het
bolwerk.”--„Maar wat gaan wij er doen?”--„Gij weet het immers, wij gaan
er ontbijten.”--„Maar waarom niet in _het Geuzennest_ ontbeten?”--„Omdat
wij elkander belangrijke zaken hebben te zeggen, en het onmogelijk was
in die herberg vijf minuten vertrouwelijk te spreken in tegenwoordigheid
van al die nieuwsgierigen, die heen en weer gingen, ons groetten en
aanspraken. Hier ten minste,” ging Athos voort, het bolwerk aanwijzende,
„zal men ons niet komen storen.”--„Het komt mij voor,” hernam d’Artagnan
met die voorzichtigheid, welke zich bij hem zoo wèl en zoo natuurlijk
aan een uitstekenden moed paarde, „het komt mij voor, dat wij een
afgelegene plek in de duinen of aan den oever der zee hadden kunnen
vinden.”--„Waar men ons alle vier had kunnen in gesprek zien, zoodat na
verloop van een kwartier de kardinaal door zijn spionnen verwittigd zou
zijn geweest, dat wij met elkander raad hielden.”--„Ja,” zeide Aramis,
„Athos heeft gelijk: _Animadvertunt in desertis_.”--„Een woestijn zou
zoo kwaad niet zijn geweest,” zeide Porthos, „maar waar die te
vinden?”--„Er is geen woestijn, of een vogel kan er ons over het hoofd
vliegen, een visch er uit het water springen, een konijn er uit zijn
leger komen; en ik geloof, dat vogels, visschen, konijnen, zich allen
tot spionnen van den kardinaal hebben gemaakt. Het is daarom beter, dat
wij onze onderneming ten uitvoer brengen, van welke wij zonder schande
toch niet meer kunnen afzien. Wij hebben een weddenschap aangegaan, een
onmogelijk te voorziene weddenschap, van welke ik iedereen tart de ware
beweegreden te doorgronden. Wij zullen, om haar te winnen, één uur in
het bolwerk blijven. Of wij zullen worden aangevallen, òf wij zullen het
niet worden. Indien wij niet worden aangevallen, zullen wij genoeg tijd
hebben om te praten, en niemand zal ons hooren; want ik verzeker u, dat
de muren van deze sterkte geen ooren hebben; indien wij worden
aangevallen, zullen wij toch nog over zaken spreken en bovendien door
ons te verdedigen ons met roem bedekken; gij ziet wel, dat alles winst
is.”--„Maar,” zeide d’Artagnan, „wij zullen ongetwijfeld getroffen
worden.”--„Ja, mijn waarde!” hernam Athos, „maar gij weet wel, dat de
gevaarlijkste kogels niet die des vijands zijn.”--„Ik meen echter,”
zeide Porthos, „dat wij voor een dergelijke onderneming onze musketten
hadden moeten medenemen.”--„Gij zijt een onnoozele, vriend Porthos!
waarom ons met een nuttelooze vracht te belasten?”--„Ik vind tegenover
den vijand een goed musket met twaalf patronen en een kruithoorn geen
onnoodige zaken.”--„Welnu,” hernam Athos, „hebt gij dan niet gehoord,
wat d’Artagnan heeft gezegd?”--„Wat heeft d’Artagnan gezegd?” vroeg
Porthos.--„D’Artagnan heeft gezegd, dat bij den aanval van heden nacht
acht of tien Franschen en evenveel vijanden waren gesneuveld.”--„En
verder?”--„Men heeft den tijd niet gehad hen uit te kleeden, niet waar?
dewijl men voor het oogenblik iets meer gewichtigs te doen
had.”--„Welnu?”--„Welnu, wij zullen hun kruithoorns en patronen gaan
zoeken, en in plaats van vier musketten en twaalf kogels zullen wij
vijftien stuks geweren en een honderdtal patronen hebben.”--„O, Athos!”
zeide Aramis, „waarlijk, gij zijt een groot man!”
Porthos boog het hoofd, ten teeken van toestemming. D’Artagnan was de
eenige, die nog niet volkomen overtuigd scheen. Grimaud deelde
ongetwijfeld in de onzekerheid van den jongeling; want toen hij
bemerkte, dat men op den weg van het bolwerk bleef voortgaan, iets
waarvan hij tot hiertoe niet zeker was geweest, trok hij zijn meester
bij de slip van zijn kleed.--„Waarheen gaan wij?” vroeg hij met een
gebaar.--Athos toonde hem het bolwerk.--„Maar,” zeide in dezelfde taal
de zwijgende Grimaud, „wij zullen er ons vel laten.”
Athos hief de oogen en den vinger hemelwaarts, Grimaud zette zijn mand
op den grond en ging, zwijgend het hoofd schuddende, er bij zitten.
Athos haalde een pistool uit zijn gordel, onderzocht de pan, haalde den
haan over en zette den loop tegen het oor van Grimaud. Grimaud stond op
zijn voeten, als door een springveer bewogen. Athos beduidde hem toen
met een wenk, dat hij de mand zou opnemen en vooruitgaan. Grimaud
gehoorzaamde. Al wat de arme jongen bij die kortstondige pantomime had
gewonnen was, van de achterhoede naar de voorhoede te zijn verplaatst.
Aan het bolwerk gekomen, keerden de vier vrienden zich om. Meer dan
driehonderd soldaten van allerlei wapen stonden voor den ingang van het
legerkamp, en in een afgezonderde groep bespeurde men den heer de
Busigny, den dragonder, den Zwitser en den vierden wedder. Athos nam
zijn hoed af, zette hem op de punt van zijn degen en wuifde er mede. Al
de aanschouwers beantwoordden zijn groet, deze beleefdheid aan een luid
hoera parende, dat hun ooren bereikte; waarna zij alle vier in het
bolwerk verdwenen, waarin Grimaud hen was voorgegaan.