HOOFDSTUK XV.

Het bolwerk Saint Gervais.

Toen d’Artagnan bij zijn drie vrienden kwam, vond hij ze in dezelfde

kamer vereenigd. Athos overwoog, Porthos krulde zijn knevel, Aramis las

zijn getijden in een fraai klein, in blauw fluweel gebonden kerkboek.

„_Pardieu_!” riep d’Artagnan, „ik hoop, mijne heeren! dat hetgeen gij

mij te zeggen hebt de moeite waard is, ik zou u anders nooit vergeven

mij alleen een bolwerk te hebben laten verdedigen, het was er

heet!”--„Wij waren ook ergens, waar het niet koud was,” antwoordde

Porthos, aan zijn knevel een hem bijzondere krulling gevende.--„Stil!”

zeide Athos.--„Oh! oh!” riep d’Artagnan, het licht fronsen der

wenkbrauwen van Athos begrijpende, „er schijnt hier iets nieuws te zijn

gebeurd?”--„Aramis!” zeide Athos, „gij hebt gisteren in de herberg _het

Geuzennest_ ontbeten, geloof ik?”--„Ja.”--„Wel, hoe is het daar?”--„Ik

heb er wat mij betreft zeer slecht gegeten, want eergisteren was het

vastendag en er was niets dan vleesch voorhanden.”--„Wat!” riep Athos,

„hebben zij in een zeehaven geen visch?”--„Zij zeggen,” hernam Aramis,

zijn vrome lectuur hervattende, „dat de dijk, dien de kardinaal laat

maken, al de visch in zee jaagt.”--„Maar dat is het niet, wat ik u

vraag, Aramis!” hernam Athos, „ik wenschte te weten of gij alleen waart

en niemand u is komen hinderen?”--„Wel, ik geloof, dat wij over te veel

nieuwsgierigen niet te klagen hebben gehad. Wel ja, voor hetgeen gij

bedoelt, Athos, zullen wij tamelijk wel in _het Geuzennest_

zijn.”--„Gaan wij dan naar _het Geuzennest_,” zeide Athos, „want hier

zijn de muren zoo dik als papier.”

D’Artagnan, die aan de handelwijze van zijn vriend gewoon was en

dadelijk aan één woord, aan één gebaar, aan één teeken van hem begreep,

dat de omstandigheden netelig waren, nam Athos bij den arm en vertrok

met hem zonder iets te zeggen. Porthos volgde al pratende met Aramis.

Op weg ontmoette men Grimaud; Athos wenkte hem, dat hij zou volgen.

Grimaud gehoorzaamde, volgens gewoonte zonder te spreken; de arme jongen

had bijna het spreken verleerd. Men bereikte de herberg _het

Geuzennest_. Het was zeven uur des ochtends en het werd licht; de vier

vrienden bestelden een ontbijt en traden een kamer binnen, waar zij,

volgens zeggen van den herbergier, niet zouden gehinderd worden.

Ongelukkig was het oogenblik voor een geheim gesprek zeer slecht

gekozen. Men had juist de réveille geslagen en overal wreef men den

slaap uit de oogen, en voor de vochtigheid van de ochtendlucht ging men

naar de herberg een slokje drinken; dragonders, Zwitsers, gardes,

musketiers en lichte kavalleristen volgden elkander onophoudelijk en

moesten den waard niet weinig voordeel aanbrengen; maar dat strookte

zeer slecht met de oogmerken der vier vrienden, ook beantwoordden zij op

zeer onvergenoegden toon de begroetingen, de gezondheidsdronken en de

kwinkslagen hunner krijgsmakkers.

„Zoo,” zeide Athos, „zullen wij ons een twist op den hals halen, en dit

zou ons voor het oogenblik zeer ongelegen komen. D’Artagnan! verhaal ons

eens, wat u hedennacht is overkomen, daarna zullen wij u vertellen, hoe

onze nacht is afgeloopen.”--„Inderdaad,” zeide een ruiter, die geen

oogenblik stilstond, terwijl hij langzaam een glas brandewijn opslurpte,

„inderdaad, gij waart in de loopgraven, heeren gardes! en ik geloof, dat

gij met de belegerden van _la Rochelle_ iets te doen hebt gehad.”

D’Artagnan wierp een vragenden blik op Athos om te weten, of hij dien

indringer, die zich in het gesprek mengde, moest antwoorden.--„Wel!”

riep Athos, „verstaat gij den heer de Busigny niet, die u de eer aandoet

u toe te spreken? Vertel wat er dezen nacht is voorgevallen, daar die

heeren verlangend zijn het te weten.”

„_Haben Sie kein Bollwerk genommen?_” vroeg een Zwitser, die uit een

bierglas rum dronk.--„Ja, mijnheer!” antwoordde d’Artagnan buigende,

„wij hebben die eer gehad, wij hebben zelfs, zooals ge hebt kunnen

hooren, onder een der hoeken een ton buskruit gelegd, die, losbarstende,

een fraaie bres heeft gemaakt, zoodat het geheele bolwerk, dat niet van

gisteren meer was, deerlijk is geschud geworden.”--„En welk bolwerk is

dat?” vroeg een dragonder, die aan zijn sabel een gans had gestoken,

welke hij had meegebracht om te braden.--„Het bolwerk _St. Gervais_,”

antwoordde d’Artagnan, „van waaruit de belegerden onze werklieden

verontrusten.”--„En is het er heet toegegaan?”--„Welzeker! wij hebben

vijf en de belegerden acht of tien man verloren.”--„_Palsambleu_!” riep

de Zwitser, die, ondanks de bewonderenswaardige verzameling van vloeken,

welke de Duitsche taal bezit, echter de gewoonte had aangenomen in het

Fransch te vloeken.--„Maar waarschijnlijk zullen zij hedenochtend

schansgravers afzenden om het bolwerk weder in goeden staat te

brengen.”--„Ja, dat is waarschijnlijk,” zeide d’Artagnan.

„Mijne heeren!” zeide Athos, „ik stel u een weddenschap voor.”--„_Ah ja,

ein barie_,” herhaalde de Zwitser.--„Welke?” vroeg de ruiter.--„Wacht,”

zeide de dragonder, die zijn sabel als een spit op de twee haardijzers

legde, tusschen welke het vuur brandde, „ik wed mede. Ellendige

kastelein, geef mij dadelijk een braadpan, opdat er geen droppel vet van

dat achtenswaardige gevogelte verloren ga....”--„_Er hat recht,

Gänsefett ist ganz gut mit Confituren._”--„Welnu? laat hooren de

weddenschap. Wij luisteren, mijnheer Athos!”--„Ja, zeg ons de

weddenschap,” zeide de lichte kavallerist.

„Luister, mijnheer de Busigny! ik wed met u,” zeide Athos, „dat mijn

drie vrienden, de heeren Porthos, Aramis, d’Artagnan en ik, in het

bolwerk _Saint Gervais_ zullen ontbijten en er één uur in blijven, op

klokslag af, wat de vijand ook moge doen om ons er uit te

drijven.”--Porthos en Aramis keken elkander aan, zij begonnen te

begrijpen.--„Maar,” fluisterde d’Artagnan Athos in het oor, „gij zult

ons zonder genade doen om hals brengen?”--„Men zal ons wel op een andere

wijze om hals brengen!”--„Wel, heeren!” zeide Porthos, zich achterover

op zijn stoel werpende en zijn knevel opstrijkende, „ik meen, dat dit

een fraaie weddenschap is?”--„Ik neem ze dan ook aan,” zeide de heer de

Busigny. „Wij moeten nu slechts weten, waarom wij wedden.”--„Gij zijt

met u vieren, mijne heeren!” zeide Athos, „wij ook, een nader te bepalen

diner voor acht personen, wat denkt gij daarvan?”--„Kostelijk!” hernam

de Busigny.--„Best,” zeide de dragonder.--„_Das geht_,” zeide de

Zwitser. De vierde, die gedurende dat gansche gesprek geen woord had

gesproken, knikte met het hoofd, ten teeken dat hij met het voorstel

genoegen nam.

„Het ontbijt der heeren is gereed,” kwam de kastelein

berichten.--„Welnu, breng het dan,” zeide Athos. De herbergier

gehoorzaamde. Athos riep Grimaud, toonde hem een groote mand, die in een

hoek stond en gaf hem een teeken de gebrachte vleeschspijzen in een

servet te wikkelen. Grimaud, begrijpende dat men in het gras wilde

ontbijten, nam de mand, pakte het vleesch er in, voegde de flesschen er

bij en hing de mand aan zijn arm.

„Maar waar gaat gij ontbijten?” vroeg de kastelein.--„Wat raakt u dat,

als gij betaald wordt?”--En hij wierp trots twee pistolen op

tafel.--„Moet ik u teruggeven, mijn officier?” vroeg de

kastelein.--„Neen voeg er slechts twee flesschen Champagne bij, het

overschot is voor de servetten.”

De kastelein maakte een minder goede zaak dan hij aanvankelijk meende;

maar hij stelde zich schadeloos, door de vier gasten twee flesschen

Anjou-wijn in plaats van Champagne in de hand te stoppen.

„Mijnheer de Busigny!” zeide Athos, „wilt gij wel zoo goed zijn uw

horloge naar het mijne te regelen, of mij veroorloven het mijne naar het

uwe te zetten?”--„Met plezier, mijnheer!” zeide de ruiter, uit zijn zak

een zeer fraai, met diamanten omzet horloge halende; „half acht,” zeide

hij.--„Vijf minuten over half acht, wij weten nu, dat ik vijf minuten

vóór ben, mijnheer!”--En de verbaasde omstanders groetende, sloegen de

vier jongelieden den weg naar het bolwerk _Saint Gervais_ in, door

Grimaud gevolgd, die de mand droeg, niet wetende werwaarts men ging;

maar aan lijdelijke gehoorzaamheid gewoon, dacht hij er niet eens aan er

naar te vragen.

Zoo lang zij zich nog binnen de grenzen van het legerkamp bevonden,

wisselden de vrienden met elkander geen enkel woord; te meer daar zij

gevolgd werden door de nieuwsgierigen, die van de weddenschap kennis

droegen en wilden weten, hoe zij er zich zouden uitredden; maar eenmaal

de grenslijn over en zich in de vrije lucht bevindende, meende

d’Artagnan, die volstrekt niet wist waarvan er sprake was, dat het nu

tijd was een nadere verklaring te vragen.

„En nu, mijn waarde Athos! doe mij nu eens het genoegen mij te zeggen,

werwaarts wij gaan?”--„Gij ziet het,” zeide Athos, „wij gaan naar het

bolwerk.”--„Maar wat gaan wij er doen?”--„Gij weet het immers, wij gaan

er ontbijten.”--„Maar waarom niet in _het Geuzennest_ ontbeten?”--„Omdat

wij elkander belangrijke zaken hebben te zeggen, en het onmogelijk was

in die herberg vijf minuten vertrouwelijk te spreken in tegenwoordigheid

van al die nieuwsgierigen, die heen en weer gingen, ons groetten en

aanspraken. Hier ten minste,” ging Athos voort, het bolwerk aanwijzende,

„zal men ons niet komen storen.”--„Het komt mij voor,” hernam d’Artagnan

met die voorzichtigheid, welke zich bij hem zoo wèl en zoo natuurlijk

aan een uitstekenden moed paarde, „het komt mij voor, dat wij een

afgelegene plek in de duinen of aan den oever der zee hadden kunnen

vinden.”--„Waar men ons alle vier had kunnen in gesprek zien, zoodat na

verloop van een kwartier de kardinaal door zijn spionnen verwittigd zou

zijn geweest, dat wij met elkander raad hielden.”--„Ja,” zeide Aramis,

„Athos heeft gelijk: _Animadvertunt in desertis_.”--„Een woestijn zou

zoo kwaad niet zijn geweest,” zeide Porthos, „maar waar die te

vinden?”--„Er is geen woestijn, of een vogel kan er ons over het hoofd

vliegen, een visch er uit het water springen, een konijn er uit zijn

leger komen; en ik geloof, dat vogels, visschen, konijnen, zich allen

tot spionnen van den kardinaal hebben gemaakt. Het is daarom beter, dat

wij onze onderneming ten uitvoer brengen, van welke wij zonder schande

toch niet meer kunnen afzien. Wij hebben een weddenschap aangegaan, een

onmogelijk te voorziene weddenschap, van welke ik iedereen tart de ware

beweegreden te doorgronden. Wij zullen, om haar te winnen, één uur in

het bolwerk blijven. Of wij zullen worden aangevallen, òf wij zullen het

niet worden. Indien wij niet worden aangevallen, zullen wij genoeg tijd

hebben om te praten, en niemand zal ons hooren; want ik verzeker u, dat

de muren van deze sterkte geen ooren hebben; indien wij worden

aangevallen, zullen wij toch nog over zaken spreken en bovendien door

ons te verdedigen ons met roem bedekken; gij ziet wel, dat alles winst

is.”--„Maar,” zeide d’Artagnan, „wij zullen ongetwijfeld getroffen

worden.”--„Ja, mijn waarde!” hernam Athos, „maar gij weet wel, dat de

gevaarlijkste kogels niet die des vijands zijn.”--„Ik meen echter,”

zeide Porthos, „dat wij voor een dergelijke onderneming onze musketten

hadden moeten medenemen.”--„Gij zijt een onnoozele, vriend Porthos!

waarom ons met een nuttelooze vracht te belasten?”--„Ik vind tegenover

den vijand een goed musket met twaalf patronen en een kruithoorn geen

onnoodige zaken.”--„Welnu,” hernam Athos, „hebt gij dan niet gehoord,

wat d’Artagnan heeft gezegd?”--„Wat heeft d’Artagnan gezegd?” vroeg

Porthos.--„D’Artagnan heeft gezegd, dat bij den aanval van heden nacht

acht of tien Franschen en evenveel vijanden waren gesneuveld.”--„En

verder?”--„Men heeft den tijd niet gehad hen uit te kleeden, niet waar?

dewijl men voor het oogenblik iets meer gewichtigs te doen

had.”--„Welnu?”--„Welnu, wij zullen hun kruithoorns en patronen gaan

zoeken, en in plaats van vier musketten en twaalf kogels zullen wij

vijftien stuks geweren en een honderdtal patronen hebben.”--„O, Athos!”

zeide Aramis, „waarlijk, gij zijt een groot man!”

Porthos boog het hoofd, ten teeken van toestemming. D’Artagnan was de

eenige, die nog niet volkomen overtuigd scheen. Grimaud deelde

ongetwijfeld in de onzekerheid van den jongeling; want toen hij

bemerkte, dat men op den weg van het bolwerk bleef voortgaan, iets

waarvan hij tot hiertoe niet zeker was geweest, trok hij zijn meester

bij de slip van zijn kleed.--„Waarheen gaan wij?” vroeg hij met een

gebaar.--Athos toonde hem het bolwerk.--„Maar,” zeide in dezelfde taal

de zwijgende Grimaud, „wij zullen er ons vel laten.”

Athos hief de oogen en den vinger hemelwaarts, Grimaud zette zijn mand

op den grond en ging, zwijgend het hoofd schuddende, er bij zitten.

Athos haalde een pistool uit zijn gordel, onderzocht de pan, haalde den

haan over en zette den loop tegen het oor van Grimaud. Grimaud stond op

zijn voeten, als door een springveer bewogen. Athos beduidde hem toen

met een wenk, dat hij de mand zou opnemen en vooruitgaan. Grimaud

gehoorzaamde. Al wat de arme jongen bij die kortstondige pantomime had

gewonnen was, van de achterhoede naar de voorhoede te zijn verplaatst.

Aan het bolwerk gekomen, keerden de vier vrienden zich om. Meer dan

driehonderd soldaten van allerlei wapen stonden voor den ingang van het

legerkamp, en in een afgezonderde groep bespeurde men den heer de

Busigny, den dragonder, den Zwitser en den vierden wedder. Athos nam

zijn hoed af, zette hem op de punt van zijn degen en wuifde er mede. Al

de aanschouwers beantwoordden zijn groet, deze beleefdheid aan een luid

hoera parende, dat hun ooren bereikte; waarna zij alle vier in het

bolwerk verdwenen, waarin Grimaud hen was voorgegaan.

De Drie Musketiers dl. I en II · 第 66 / 93 题