3 Augustus 1628.

„En thans,” zeide Athos, zich in zijn mantel hullende en zijn hoed op

het hoofd drukkende, „thans, nu ik u de tanden heb uitgebroken, bijt nu

als gij kunt.”--En hij verliet de kamer, zonder zelfs om te zien.

Voor de deur vond hij de beide mannen en het paard, dat zij bij den toom

hielden.--„Mijne heeren!” zeide hij, „gij weet, dat Zijne Eminentie

bevolen heeft zonder tijdverlies die vrouw naar het fort _la Pointe_ te

voeren, en haar niet te verlaten, alvorens zij aan boord is.”--Daar deze

woorden volkomen met het bevel, dat zij hadden ontvangen,

overeenstemden, bogen zij het hoofd, ten teeken van gehoorzaamheid.

Wat Athos betreft, deze sprong vlug in den zadel en vertrok in galop.

Maar in plaats van den weg te volgen, ging hij het veld over, zijn paard

geweldig aansporende en van tijd tot tijd stilhoudende om te luisteren.

Gedurende een dier halten hoorde hij op den weg het getrappel van eenige

paarden. Hij twijfelde er niet aan, dat het de kardinaal en zijn geleide

was. Hij begaf zich dan ook onmiddellijk weer op weg, en na eenigen tijd

te hebben voortgedraafd, bleef hij staan, wreef zijn paard met mos en

boombladeren en ging ongeveer tweehonderd schreden van het kamp dwars op

den weg staan.

„Werda!” riep hij in de verte, toen hij de ruiters bespeurde.--„Dat is

onze moedige edelman, geloof ik,” zeide de kardinaal.--„Ja, Uwe

Eminentie!” antwoordde Athos, „hij is het.”--„Mijnheer Athos!” zeide

Richelieu, „ontvang mijn welgemeenden dank voor de goede waakzaamheid,

die gij ons hebt betoond. Mijne heeren! wij zijn aangekomen; gaat de

poort ter linkerzijde binnen; het wachtwoord is: _Koning en Ré_.”--Dit

zeggende, groette de kardinaal met een hoofdknik de drie vrienden en

ging rechts, gevolgd door zijn stalmeester; want dien nacht zou hij in

het legerkamp slapen.

„Wel?” vroegen eenparig Porthos en Aramis, toen de kardinaal ver genoeg

vertrokken was om niet meer te kunnen hooren; „welnu, hij heeft het

papier geteekend, dat zij hem vroeg.”--„Ik weet het wel,” antwoordde

Athos bedaard, „want ik heb het.”--En de drie vrienden spraken geen

enkel woord vóór zij in hun kwartieren waren gekomen, behalve dat zij

aan de schildwachten het wachtwoord zeiden. Alleen zond men Mousqueton

naar Planchet om dezen te zeggen, dat zijn meester verzocht werd, zoodra

hij van de wacht in de loopgraven zou zijn afgelost, zich onmiddellijk

naar het kwartier der musketiers te begeven.

Van den anderen kant, en zooals Athos had voorzien, maakte milady, toen

zij de mannen aantrof, die haar voor de deur wachtten, niet de minste

moeilijkheid hen te volgen. Zij was wel een oogenblik van meening

geweest zich voor den kardinaal te doen voeren en dezen alles te

verhalen; maar een openbaring van haar zou er eene van Athos ten gevolge

hebben gehad. Zij zou wel kunnen zeggen, dat Athos haar had opgehangen,

maar daarentegen zou Athos zeggen, dat zij gebrandmerkt was; zij

geloofde daarom, dat het nog beter was het stilzwijgen te bewaren,

stilletjes te vertrekken en met haar gewone behendigheid de moeilijke

zending te volbrengen, waarmede zij zich had belast. Vervolgens, na

alles volkomen naar het genoegen van den kardinaal te hebben volvoerd,

zou zij van dezen haar wraak komen eischen.

Bijgevolg was zij, na den geheelen nacht te hebben doorgereisd, te zeven

uur des ochtends aan het fort _de la Pointe_ gekomen, te acht uur was

zij scheep gegaan en te negen uur lichtte het vaartuig het anker en ging

onder zeil naar _Engeland_.

De Drie Musketiers dl. I en II · 第 65 / 93 题