„En thans,” zeide Athos, zich in zijn mantel hullende en zijn hoed op
het hoofd drukkende, „thans, nu ik u de tanden heb uitgebroken, bijt nu
als gij kunt.”--En hij verliet de kamer, zonder zelfs om te zien.
Voor de deur vond hij de beide mannen en het paard, dat zij bij den toom
hielden.--„Mijne heeren!” zeide hij, „gij weet, dat Zijne Eminentie
bevolen heeft zonder tijdverlies die vrouw naar het fort _la Pointe_ te
voeren, en haar niet te verlaten, alvorens zij aan boord is.”--Daar deze
woorden volkomen met het bevel, dat zij hadden ontvangen,
overeenstemden, bogen zij het hoofd, ten teeken van gehoorzaamheid.
Wat Athos betreft, deze sprong vlug in den zadel en vertrok in galop.
Maar in plaats van den weg te volgen, ging hij het veld over, zijn paard
geweldig aansporende en van tijd tot tijd stilhoudende om te luisteren.
Gedurende een dier halten hoorde hij op den weg het getrappel van eenige
paarden. Hij twijfelde er niet aan, dat het de kardinaal en zijn geleide
was. Hij begaf zich dan ook onmiddellijk weer op weg, en na eenigen tijd
te hebben voortgedraafd, bleef hij staan, wreef zijn paard met mos en
boombladeren en ging ongeveer tweehonderd schreden van het kamp dwars op
den weg staan.
„Werda!” riep hij in de verte, toen hij de ruiters bespeurde.--„Dat is
onze moedige edelman, geloof ik,” zeide de kardinaal.--„Ja, Uwe
Eminentie!” antwoordde Athos, „hij is het.”--„Mijnheer Athos!” zeide
Richelieu, „ontvang mijn welgemeenden dank voor de goede waakzaamheid,
die gij ons hebt betoond. Mijne heeren! wij zijn aangekomen; gaat de
poort ter linkerzijde binnen; het wachtwoord is: _Koning en Ré_.”--Dit
zeggende, groette de kardinaal met een hoofdknik de drie vrienden en
ging rechts, gevolgd door zijn stalmeester; want dien nacht zou hij in
het legerkamp slapen.
„Wel?” vroegen eenparig Porthos en Aramis, toen de kardinaal ver genoeg
vertrokken was om niet meer te kunnen hooren; „welnu, hij heeft het
papier geteekend, dat zij hem vroeg.”--„Ik weet het wel,” antwoordde
Athos bedaard, „want ik heb het.”--En de drie vrienden spraken geen
enkel woord vóór zij in hun kwartieren waren gekomen, behalve dat zij
aan de schildwachten het wachtwoord zeiden. Alleen zond men Mousqueton
naar Planchet om dezen te zeggen, dat zijn meester verzocht werd, zoodra
hij van de wacht in de loopgraven zou zijn afgelost, zich onmiddellijk
naar het kwartier der musketiers te begeven.
Van den anderen kant, en zooals Athos had voorzien, maakte milady, toen
zij de mannen aantrof, die haar voor de deur wachtten, niet de minste
moeilijkheid hen te volgen. Zij was wel een oogenblik van meening
geweest zich voor den kardinaal te doen voeren en dezen alles te
verhalen; maar een openbaring van haar zou er eene van Athos ten gevolge
hebben gehad. Zij zou wel kunnen zeggen, dat Athos haar had opgehangen,
maar daarentegen zou Athos zeggen, dat zij gebrandmerkt was; zij
geloofde daarom, dat het nog beter was het stilzwijgen te bewaren,
stilletjes te vertrekken en met haar gewone behendigheid de moeilijke
zending te volbrengen, waarmede zij zich had belast. Vervolgens, na
alles volkomen naar het genoegen van den kardinaal te hebben volvoerd,
zou zij van dezen haar wraak komen eischen.
Bijgevolg was zij, na den geheelen nacht te hebben doorgereisd, te zeven
uur des ochtends aan het fort _de la Pointe_ gekomen, te acht uur was
zij scheep gegaan en te negen uur lichtte het vaartuig het anker en ging
onder zeil naar _Engeland_.