Huwelijkstooneel.
Zooals Athos had voorzien, duurde het niet lang, of de kardinaal ging
naar beneden. Hij opende de deur der kamer, waarin zich de musketiers
bevonden, en zag Porthos en Aramis zeer druk samen dobbelen. Met een
snellen blik had hij de geheele zaal overzien en bespeurde, dat een
zijner manschappen ontbrak.
„Waar is de heer Athos gebleven?” vroeg hij.--„Eminentie!” antwoordde
Porthos, „op eenige woorden, die de kastelein heeft laten ontvallen, is
hij ter verkenning uitgegaan, in de veronderstelling, dat de weg niet
veilig was.”--„En wat hebt gij gedaan, mijnheer Porthos?”--„Ik heb vijf
pistolen van Aramis gewonnen.”--„En kunt gij thans met mij
terugkeeren?”--„Wij zijn gereed, Uwe Eminentie te gehoorzamen.”--„Te
paard dan, heeren! want het wordt laat.”
De stalmeester was voor de deur en hield het paard van den kardinaal bij
den toom. Wat verder in de schaduw vertoonde zich een groep van twee
mannen en drie paarden; die beide mannen waren zij, die milady naar het
fort _la Pointe_, moesten geleiden en over haar bij haar inscheping
waken.
De stalmeester bevestigde den kardinaal, hetgeen de twee musketiers hem
omtrent Athos hadden gezegd. De kardinaal gaf zijn goedkeuring door een
gebaar te kennen en nam den terugweg aan, dezelfde voorzorgen nemende,
die hij, komende, had in acht genomen. Laten wij hem zijn weg naar het
kamp vervolgen, en keeren wij tot Athos terug.
Een honderdtal schreden had hij in denzelfden stap voortgereden, maar
zoodra hij buiten het gezicht was, wendde hij zijn paard rechts, maakte
een omweg en keerde een twintigtal schreden op zijn weg terug, waar hij,
in het kreupelhout verborgen, de kleine bende afwachtte; na de met galon
bezette hoeden zijner vrienden en de gouden franje van des kardinaals
mantel te hebben herkend, bleef hij zoo lang stil, totdat de ruiters den
hoek van den weg achter zich hadden, en toen zij uit het gezicht waren
verdwenen, keerde hij in vollen galop naar de herberg terug, die men
voor hem, zonder eenige moeilijkheid, opende.--De kastelein herkende
hem.
„Mijn officier!” zeide Athos, „heeft vergeten de dame der eerste
verdieping iets zeer gewichtigs aan te bevelen, en hij zendt mij om zijn
vergissing te herstellen.”--„Ga boven,” zeide de kastelein, „zij is nog
in haar kamer.”
Athos maakte van het verlof gebruik, klom de trap zoo zacht mogelijk op,
kwam in het portaal, en door de half geopende deur zag hij milady, die
haar hoed opzette. Hij trad haar kamer binnen en sloot de deur achter
zich. Athos stond voor de deur in zijn mantel gehuld en zijn hoed in de
oogen gedrukt. Die stomme, onbeweeglijke gestalte ziende, werd milady
angstig.
„Wie zijt gij, en wat wilt gij?” riep zij.
„Ja, zij is het wel,” mompelde Athos. En zijn mantel latende vallen en
zijn hoed uit de oogen zettende, naderde hij milady.--„Herkent gij mij,
mevrouw?” vroeg hij.
Milady naderde een schrede en trad vervolgens achteruit, alsof zij een
slang had gezien.--„Goed,” zeide Athos, „ik zie, dat gij mij
herkent.”--„De graaf de la Fère?” mompelde milady, verbleekende en
terugdeinzende, totdat de muur haar belette verder te gaan.--„Ja,
milady!” antwoordde Athos, „de graaf de la Fère in persoon, die om geen
andere reden uit de andere wereld komt, dan om het pleizier te hebben u
te zien.... Nemen wij ons gemak en praten wij eens, zooals de kardinaal
zegt.”
Milady, door een onuitsprekelijken angst beheerscht, ging zitten, zonder
één woord te spreken.
„Gij zijt een op de aarde gezonden duivel,” zeide Athos. „Uw macht is
groot, dat weet ik, maar gij weet ook, dat met Gods hulp de menschen
vaak de vreeselijkste duivels hebben overwonnen. Gij hebt u reeds op
mijn weg gesteld, en ik meende u geveld te hebben, mevrouw! óf ik heb
mij bedrogen, óf de hel heeft u weder uitgebraakt.”--Milady liet bij die
woorden, welke haar zoo vreeselijke herinneringen voor den geest
brachten, het hoofd met een gesmoorden zucht op de borst zinken.--„Ja,
de hel heeft u weder uitgebraakt,” hernam Athos, „de hel heeft u rijk
gemaakt, de hel heeft u een anderen naam gegeven, de hel heeft u zelfs
bijna een ander aangezicht geschonken, maar zij heeft noch de smet van
uw ziel, noch de vlek van uw lichaam gewischt.”
Milady stond als door een springveer bewogen op, en haar oogen schoten
bliksemstralen.--Athos bleef zitten.
„Gij waandet mij dood, niet waar? zooals ik u dood waande; de naam van
Athos heeft den naam des graven de la Fère bedekt, zooals de naam van
milady de Winter dien van Anna de Breuil! Was het niet dus, dat gij u
noemdet, toen uw eerwaardige broeder ons den huwelijkszegen gaf?--Onze
wederzijdsche gesteldheid,” ging Athos lachende voort, „is waarlijk
zonderling; wij hebben de een zoowel als de andere tot hiertoe geleefd,
omdat wij elkander dood waanden, en omdat een herinnering minder grieft
dan een schepsel, hoewel een herinnering soms knagend is.”
„Maar,” zeide milady, met gesmoorde stem, „wat voert u tot mij; en wat
wilt gij eigenlijk?”--„Ik wil u zeggen, dat, ofschoon voor uw oogen
steeds onzichtbaar, ik u echter niet uit het oog heb verloren.”--„Gij
weet, wat ik heb gedaan?”--„Ik kan u dag voor dag uw daden verhalen,
sedert den dag, dat gij in dienst van den kardinaal zijt getreden, tot
op heden avond.”
Een glimlach van ongeloovigheid vertrok de lippen van milady.--„Luister!
gij zijt het, die de diamanten haken van den schouder des hertogen van
Buckingham hebt gesneden; gij zijt het, die juffrouw Bonacieux hebt doen
ontvoeren; gij zijt het, die, op de Wardes verliefd en in de meening hem
te ontvangen, uw deur voor den heer d’Artagnan opendet; gij zijt het,
die, meenende dat de Wardes u had bedrogen, hem door zijn medeminnaar
hebt willen doen om het leven brengen; gij zijt het, die, toen die
medeminnaar uw schandelijk geheim had ontdekt, hem op zijn beurt door
twee huurlingen, die gij hem hadt achterna gezonden, wildet doen
vermoorden; gij zijt het, die, hoorende dat de kogels hun doel hadden
gemist, vergiftigden wijn hebt gezonden, met een valschen brief, die uw
slachtoffer moest doen gelooven, dat die wijn van zijn vrienden
kwam;--gij zijt het eindelijk, die hier in deze kamer, op den stoel
waarop ik zit, u jegens den kardinaal de Richelieu hebt verbonden den
hertog van Buckingham te doen vermoorden, waarvoor hij u de belofte
heeft gedaan, d’Artagnan aan uw moordzucht over te laten.”
Milady was lijkkleurig.--„Maar gij zijt dan Satan?” zeide zij.
„Misschien,” hernam Athos, „maar hoe het ook zij, luister goed; vermoord
den hertog van Buckingham, dat is mij volkomen onverschillig, ik ken hem
niet; en bovendien hij is een vijand van _Frankrijk_; maar raak aan geen
enkel haar van het hoofd van d’Artagnan, die een getrouw vriend van mij
is, dien ik bemin en bescherm, of ik zweer u bij het hoofd mijns vaders,
de misdaad, die gij mocht beproeven te plegen, of gepleegd mocht hebben
zal de laatste zijn.”--„De heer d’Artagnan heeft mij beleedigd,” zeide
milady met een gesmoorde stem, „de heer d’Artagnan zal sterven.”--„Hoe
is het mogelijk, mevrouw! dat men u kan beleedigen,” zeide Athos
glimlachende; „hij heeft u beleedigd, en hij zal sterven?”--„Zij eerst
en hij daarna.”
Athos werd als door een duizeling verblind; het gezicht van dat
schepsel, hetwelk niets eener vrouw had, herinnerde hem iets
vreeselijks; hij dacht aan den dag, toen hij in een minder gevaarlijk
oogenblik dan dat, waarin hij zich thans bevond, haar reeds aan zijn eer
had willen offeren; moordzucht overviel hem gloeiend als de koorts. Op
zijn beurt stond hij op, haalde een pistool uit zijn gordel te
voorschijn en trok den haan over.
Milady, bleek als een lijk, wilde om hulp roepen, maar haar verstijfde
tong veroorloofde haar slechts een dof geratel voort te brengen, dat
niets van een menschelijke stem had, en het gebrom van een wild dier
scheen; tegen het donkerkleurig behangsel gedrongen, verhief zij zich
met verwilderde haren als een levend schrikbeeld.
Athos hief langzaam het pistool op, strekte den arm uit, zoodat het
wapen bijna het voorhoofd van milady raakte, en toen zeide hij met een
stem, die vreeselijker was door de verheven kalmte van zijn onwrikbaar
besluit: „Mevrouw! stel mij oogenblikkelijk het papier ter hand, door
den kardinaal geteekend en u gegeven, of, bij mijn ziel, ik schiet u
door de hersens.”
Tegenover een ander dan Athos zou milady eenigen twijfel hebben kunnen
koesteren; maar zij kende hem. Zij bleef echter onbeweeglijk.--„Een
seconde blijft u over om een besluit te nemen,” zeide hij.--Milady zag
aan de vertrekking van zijn gelaat, dat het schot zou losgaan; zij
bracht de hand aan haar boezem, haalde er een papier uit te voorschijn
en reikte het Athos over.--„Ziedaar,” zeide zij, „en wees vervloekt.”
Athos nam het papier, stak het pistool weder in zijn gordel, naderde de
lamp, ten einde zich te verzekeren, dat het wel het rechte was,
ontvouwde het en las:
„Het was op mijn bevel en tot welzijn van den staat, dat houder
dezes deed, wat hij heeft gedaan.
Richelieu.”