Het nut der kachelpijpen.
Het is blijkbaar, dat, zonder het te weten en alleen gedreven door hun
ridderlijken en avontuurlijken aard, onze drie vrienden een dienst
hadden bewezen aan iemand, die door den kardinaal met zijn bijzondere
bescherming werd vereerd. Maar wie was die iemand?
Het was deze vraag, die de musketiers elkander het eerst deden,
vervolgens, toen zij zagen dat geen der antwoorden, welke hun verstand
hun ingaf, voldoende was, riep Porthos den kastelein en vroeg om
dobbelsteenen. Porthos en Aramis zetten zich aan tafel en begonnen te
spelen. Athos wandelde, al peinzende, heen en weer. Alzoo peinzende en
wandelende, ging Athos telkens de half afgebroken kachelpijp voorbij,
van welke het andere einde in de bovenkamer uitkwam, en telkens als hij
er voor heen en weer ging, hoorde hij een fluisterend gesprek, dat
eindelijk zijn aandacht wekte. Athos naderde en onderscheidde eenige
woorden, die hem ongetwijfeld zoo belangrijk schenen, dat hij zijn
vrienden een wenk gaf stil te houden, terwijl hij, zijn oor voor de
opening der pijp houdende, luisterend bleef staan.
„Luister, milady!” zeide de kardinaal, „de zaak is van het grootste
belang. Ga zitten en praten wij eens....”
„Milady!” mompelde Athos.
„Ik luister naar Uwe Eminentie met de grootste aandacht,” antwoordde
een vrouwenstem, die den musketier deed ontroeren.--„Een klein vaartuig,
met Engelschen bemand en welks kapitein tot mijn orders is, wacht u aan
den mond der _Charente_, nabij het fort _la Pointe_; het zal
morgenochtend onder zeil gaan.”--„Ik moet dus nog hedennacht mij
derwaarts begeven?”--„Oogenblikkelijk, dat is, na mijn voorschriften
te hebben ontvangen. Twee mannen, die gij, hier uitgaande, voor de deur
zult vinden, zullen u tot geleide verstrekken; ik zal het eerst
vertrekken, vervolgens zult gij u een half uur daarna op uw beurt
verwijderen.”--„Goed, Uwe Eminentie! Gelieve mij de zending mede te
deelen, waarmede gij mij wilt belasten, en daar ik er prijs op stel,
voortdurend met het vertrouwen van Uwe Eminentie vereerd te worden, zoo
zou ik ze gaarne duidelijk, in bepaalde woorden van Uwe Eminentie
vernemen, opdat er geen vergissing kan plaats hebben.”
Er ontstond voor eenige oogenblikken een diepe stilte tusschen de beide
sprekers; blijkbaar overdacht de kardinaal de woorden, welke hij zou
bezigen, terwijl milady al haar verstandvermogens inspande, om de zaken
te begrijpen, die hij gereed was haar toe te vertrouwen, en na die
gehoord te hebben, in haar geheugen te prenten.
Athos nam deze gelegenheid waar, om zijn vrienden te verzoeken de deur
van binnen te sluiten, waarna hij hun een teeken gaf met hem te komen
luisteren. De twee musketiers, die van hun gemak hielden, namen elk een
stoel en een voor Athos. Alle drie zetten zich neder, de hoofden
luisterend bij elkander stekende.
„Gij moet naar _Londen_ vertrekken,” hernam de kardinaal; „daar gekomen
zult gij Buckingham een bezoek brengen.”--„Ik moet Uwe Eminentie doen
opmerken,” zeide milady, „dat sedert de zaak der diamanten haken, welke
des hertogs vermoeden op mij heeft doen vallen, Zijne Genade mij
wantrouwt.”--„Ook betreft het niet meer zijn vertrouwen te winnen, maar
eerlijk en rondborstig in onderhandeling te treden.”--„Eerlijk en
rondborstig?” herhaalde milady op een toon van onuitsprekelijke
valschheid.--„Ja, rondborstig,” hernam de kardinaal op denzelfden toon;
„die geheele zaak moet openlijk worden behandeld.”--„Ik zal letterlijk
de voorschriften van Zijne Eminentie nakomen en wacht ze te
ontvangen.”--„Gij zult Buckingham een bezoek brengen en hem van
mijnentwege zeggen, dat ik al de toebereidselen ken, welke hij maakt,
dat ik er mij evenwel weinig om bekommer, dewijl ik bij de eerste daad,
die hij zal wagen, de koningin in het verderf stort.”--„Gelooft Uwe
Eminentie, dat zij in staat is die bedreiging te vervullen?”--„Ja, want
ik heb bewijzen.”--„Ik moet hem die bewijzen kunnen blootleggen.”--„En
gij zult hem zeggen, dat ik het verslag van Bois Robert en van den
markies de Beautru zal openbaar maken over de samenkomst, welke de
hertog bij de vrouw van den konnetabel met de koningin heeft gehad, op
den avond dat die dame een gemaskerd bal gaf; gij zult hem zeggen, opdat
hij aan niets twijfele, dat hij er zich begeven heeft in het kostuum van
den _Grooten Mogol_, dat de ridder de Guise moest hebben aan gehad, en
hij het voor een som van drie duizend pistolen heeft gekocht.”--„Goed,
Uwe Eminentie!”--„Al de bijzonderheden van zijn intrede en zijn uitgang
des nachts, toen hij zich in het gewaad van een Italiaanschen waarzegger
had verkleed, zijn mij bekend; gij zult hem zeggen, opdat hij wederom
niet twijfele aan de echtheid mijner narichten, dat hij onder zijn
mantel een ruim wit kleed aan had, bezaaid met zwarte tranen en
doodshoofden op kruiselings gelegde doodsbeenderen, ten einde in geval
van verrassing als de geest der Witte Dame te verschijnen, die, zooals
algemeen bekend is, in het _Louvre_ terugkeert, telkens wanneer een
groote gebeurtenis ophanden is.”--„Is dat alles, Uwe Eminentie?”
„Zeg hem, dat ik al de bijzonderheden ken van zijn avontuur te _Amiëns_,
dat ik er een kleinen, geestigen roman van zal doen schrijven met een
platten grond van den tuin en de portretten der voornaamste acteurs van
dat nachtelijk tooneel.”--„Ik zal het hem zeggen.”--„Zeg hem nog, dat
Montaigu in mijn macht en in de Bastille is, dat men wel geen brieven
bij hem heeft gevonden, maar dat de pijnbank hem alles zal doen zeggen
wat hij weet, en zelfs.... wat hij niet weet.”--„Zeer goed.”--„Voeg er
eindelijk bij, dat Zijne Genade, in de overhaasting waarmede hij het
eiland _Ré_ heeft verlaten, zekeren brief van mevrouw de Chevreuse in
zijn kwartier heeft laten liggen, die op zonderlinge wijze de koningin
verdacht maakt, daar hij niet alleen bewijst, dat Hare Majesteit de
vijanden des konings kan beminnen, maar tevens dat zij met de vijanden
van _Frankrijk_ samenspant. Gij hebt alles, wat ik u gezegd heb, goed
onthouden, niet waar?”
„Uwe Eminentie zal er over oordeelen: het bal van de vrouw des
konnetabels, de nacht in het _Louvre_, de avond te _Amiëns_, de
gevangenneming van Montaigu, de brief van mevrouw de Chevreuse.”--„Zoo
is het,” zeide de kardinaal, „gij hebt een zeer goed geheugen,
milady!”--„Maar,” hernam zij, tot wie de kardinaal dat compliment had
gemaakt, „indien, ondanks al die redenen, de hertog zich niet onderwerpt
en voortgaat _Frankrijk_ te bedreigen?”--„De hertog is verliefd als een
dwaas, of liever, als een onnoozele,” hernam Richelieu met bitterheid.
„Zooals de oude ridders, heeft hij alleen dezen oorlog ondernomen om een
blik zijner schoone te verkrijgen. Indien hij weet, dat die oorlog de
eer en misschien de vrijheid van de dame zijner gedachten, zooals hij
haar noemt, kan kosten, dan verzeker ik u zal hij zich bedenken.”--„En,”
zeide milady met een aandrang, die bewees, hoe zij begeerde haar
zending tot aan het einde helder in te zien, „en wanneer hij
volhardt?”--„Indien hij volhardt!” zeide de kardinaal.... „dat is niet
waarschijnlijk.”--„Dat is mogelijk,” hernam milady.--„Wanneer hij
volhardt....”
De kardinaal zweeg een oogenblik en vervolgde toen: „Indien hij
volhardt, welnu! dan zal ik op een dier gebeurtenissen hopen, welke het
aanzicht der rijken veranderen.”--„Indien Uwe Eminentie mij uit de
geschiedenis eenige dier gebeurtenissen wilde aanhalen,” zeide milady,
„ik zou dan wellicht in zijn vertrouwen op de toekomst deelen.”
„Welnu! ziehier bijvoorbeeld,” zeide Richelieu: „Toen in 1610, voor een
zaak bijna gelijk aan die, welke thans den hertog doet handelen, Hendrik
IV, glorierijker gedachtenis, gelijktijdig _Vlaanderen_ en _Italië_
aanviel om _Oostenrijk_ van beide zijden te treffen, welnu! is er toen
niet iets gebeurd, waardoor _Oostenrijk_ werd gered? Waarom zou de
koning van _Frankrijk_ niet een even goede kans hebben als de keizer van
_Oostenrijk_?”--„Uwe Eminentie bedoelt den messteek in de straat la
Féronnerie?”--„Ja,” zeide de kardinaal.--„Vreest Uwe Eminentie niet, dat
de straf van Ravaillac hen zal afschrikken, die een oogenblik de
gedachte mochten hebben hem na te volgen?”--„Er zijn in alle tijden en
in alle landen, vooral wanneer die landen door verschillende
godsdienstige sekten worden verdeeld, geestdrijvers, die niets liever
begeeren dan als martelaars te sterven. En ziedaar, ik herinner mij
juist, dat de Puriteinen woedend zijn op den hertog van Buckingham, en
dat hun predikanten hem als den _Antichrist_ voorstellen.”--„Welnu?”
vroeg milady.
„Welnu,” ging de kardinaal op ongedwongen toon voort, „men zou voor het
oogenblik, bijvoorbeeld, slechts een jonge, schoone, behendige vrouw
moeten kennen, die zich op den hertog zou willen wreken. Zoodanige vrouw
kan gevonden worden. De hertog is in de liefde een zeer gelukkig man, en
indien hij door zijn belofte van eeuwige trouw veel liefde heeft
gezaaid, heeft hij tevens veel haat moeten zaaien door zijn
eeuwigdurende ongetrouwheden.”--„Zeker,” zeide milady koel, „een
dergelijke vrouw kan gevonden worden.”--„Welnu! zoodanige vrouw, door
het mes van Jacques Clement of van Ravaillac in de handen van een
geestdrijver te stellen, zou _Frankrijk_ redden.”--„Ja, maar zij zou de
medeplichtige van een moordenaar zijn.”--„Heeft men ooit de
medeplichtigen van Ravaillac of van Jacques Clement gekend?”--„Neen,
want zij waren misschien te hooggeplaatst om hen te durven zoeken, waar
zij waren. Men zal het gerechtshof niet voor iedereen in den brand
steken, Uwe Eminentie!”--„Gelooft gij dan dat de brand van het
gerechtshof door een andere oorzaak dan het toeval heeft plaats gehad?”
vroeg Richelieu op den toon, alsof hij een vraag van niet het minste
belang zou hebben gedaan.--„Ik, Uwe Eminentie!” antwoordde milady, „ik
geloof niets. Ik haal een daadzaak aan, meer niet. Ik wil alleen zeggen,
indien ik _Mademoiselle_ de Montpensier of Maria de Médicis heette, ik
minder voorzorgen zou nemen dan ik doe, omdat ik eenvoudig lady de
Winter heet.”--„Dat is waar,” zeide Richelieu. „Wat begeert gij dan?”
„Ik begeer een volmacht, die vooraf alles goedkeurt, wat ik tot het
welzijn van _Frankrijk_ noodzakelijk acht te doen.”--„Maar ik zou eerst
de vrouw moeten hebben gevonden, waarvan ik spreek, eene, die zich op
den hertog zoude willen wreken.”--„Deze is gevonden,” zeide
milady.--„Vervolgens zou die ellendige geestdrijver moeten worden
gevonden, die der rechtvaardigheid Gods tot een werktuig moet
strekken.”--„Men zal hem vinden.”--„Welnu!” zeide de kardinaal, „dan is
het tijd genoeg de volmacht te vragen, die gij verlangt.”
„Uwe Eminentie heeft gelijk,” hernam milady, „en ik had ongelijk in de
zending, waarmede zij mij vereert, iets anders te zien dan hetgeen
werkelijk het geval is, namelijk: aan Zijne Genade vanwege Zijne
Eminentie te berichten, dat gij de verschillende vermommingen kent, met
behulp van welke hij er in geslaagd is de koningin te naderen gedurende
het door de echtgenoot van den konnetabel gegeven feest; dat gij het
bewijs hebt der samenkomst, door de koningin aan zekeren Italiaanschen
waarzegger vergund, die niemand anders dan de hertog van Buckingham was;
dat gij een zeer geestigen, kleinen roman hebt besteld, het avontuur te
_Amiëns_ tot onderwerp hebbende, met den platten grond van den tuin,
waar het is voorgevallen, en de portretten der voornaamste acteurs, die
er zich op hebben vertoond; dat Montaigu in de Bastille is en de
pijnbank hem zaken kan doen openbaren, welke hij zich herinnert, en
zelfs die, welke hij vergeten heeft; eindelijk, dat gij zekeren brief
van mevrouw de Chevreuse bezit, in het hoofdkwartier van Zijne Genade
gevonden, die niet alleen de schrijfster er van blootstelt, maar ook
haar, in wier naam hij is geschreven. Als hij nu ondanks dit alles mocht
volharden, blijft mij, dewijl mijn last zich niet verder uitstrekt,
niets anders te doen over dan Gode te bidden een mirakel te doen, ter
redding van _Frankrijk_. Het is immers wel alles, Uwe Eminentie, en ik
heb niets anders te doen?”--„Dat is alles,” hernam de kardinaal
droogjes.
„En nu,” zeide milady, zonder den schijn aan te nemen de
toonsverandering van den kardinaal jegens haar op te merken, „nu ik de
voorschriften Uwer Eminentie ten aanzien zijner vijanden heb ontvangen,
zal het mij wel veroorloofd zijn Uwe Eminentie twee woorden over de
mijnen te zeggen?”--„Gij hebt dus vijanden?” vroeg Richelieu.--„Ja, Uwe
Eminentie! vijanden tegen welke ik uw bijstand noodig heb; want zij zijn
zulks jegens mij in uw dienst geworden.”--„En wie zijn dat?” vroeg de
kardinaal.--„Vooreerst een kleine intriguante, zekere juffrouw
Bonacieux.”--„Zij is in de gevangenis te _Mantes_.”--„Ja, zij is er
geweest,” hernam milady; „maar de koningin heeft van den koning een
bevelschrift weten te krijgen, met welks hulp zij haar naar een klooster
heeft doen vervoeren.”--„In een klooster?” vroeg de kardinaal.--„Ja, in
een klooster.”--„En in welk?”--„Dat weet ik niet; men heeft het geheim
zeer goed bewaard.”--„Maar ik zal het weten.”--„En zal Uwe Eminentie mij
dan zeggen in welk klooster die vrouw is?”--„Hierin zie ik geen
bezwaar,” antwoordde de kardinaal.
„Goed, nu heb ik nog een anderen vijand, voor wien ik oneindig meer ben
bevreesd dan voor dat juffertje Bonacieux.”--„En wie?”--„Haar
minnaar.”--„Hoe heet hij?”--„O! Uwe Eminentie kent hem!” riep milady,
door gramschap vervoerd; „dat is ons beider kwade geest; hij is het, die
in een gevecht met uw gardes de overwinning naar de zijde der musketiers
heeft doen overhellen; hij is het, die de Wardes, uw zendeling, vier
degensteken heeft toegebracht en de zaak der diamanten haken heeft doen
mislukken; hij is het eindelijk, die, wetende dat ik het was, die
juffrouw Bonacieux deed ontvoeren, mij den dood heeft gezworen.”--„Ha!
ha! nu weet ik van wien gij wilt spreken.”--„Ik bedoel dien ellendigen
d’Artagnan.”--„Dat is een stoutmoedige knaap,” zei de kardinaal.--„En
juist wegens zijn stoutmoedigheid is hij het meest te vreezen.”--„Men
moest,” hernam de kardinaal, „slechts één bewijs hebben van zijn
verstandhouding met Buckingham.”--„Eén bewijs!” riep milady, „ik zal er
tien krijgen!”--„Welnu! dan is het de eenvoudigste zaak der wereld;
bezorg mij dat bewijs en ik zend hem naar de Bastille.”--„Goed, Uwe
Eminentie! maar verder?”--„Wanneer men in de Bastille is, is er niets
verder,” hernam de kardinaal op doffen toon.
„O, _pardieu_!” vervolgde hij, „ware het mij even gemakkelijk mij van
mijn vijand te ontslaan als het gemakkelijk valt u van den uwen te
bevrijden, en gij mij jegens dergelijke lieden straffeloosheid
verzocht....”--„Uwe Eminentie!” hernam milady, „ruilen wij; leven voor
leven, man voor man, geef mij hem, ik geef u den anderen.”--„Ik weet
niet, wat gij wilt zeggen, en ik wil het ook niet weten,” zeide de
kardinaal, „maar ik wensch u aangenaam te zijn en ik zie volstrekt geen
beletsel u toe te staan, wat gij verlangt ten aanzien van een zoo nietig
schepsel, te meer daar, zooals gij mij zegt, de jonge d’Artagnan een
losbol, een voorvechter, een verrader is.”--„Een eerlooze! Uwe
Eminentie! een eerlooze!”--„Geef mij dan papier, pen en inkt,” zeide de
kardinaal.--„Ziehier, Uwe Eminentie!”--„Goed.”
Er heerschte een oogenblik stilte, welke bewees, dat de kardinaal bezig
was de woorden te zoeken, welke het briefje, dat hij wilde schrijven,
moest behelzen, of dat hij het werkelijk schreef. Athos, wien geen woord
van het gesprek was ontgaan, nam zijn beide vrienden elk bij de hand en
geleidde hen naar het andere einde der kamer.
„Welnu!” zeide Porthos, „wat wilt gij en waarom laat gij ons niet naar
het einde van het gesprek luisteren?”--„Stil,” zeide Athos, „wij hebben
alles gehoord, wat wij noodig hadden te hooren; buitendien, ik belet u
niet naar het overige te luisteren, maar ik moet vertrekken.”--„Gij moet
vertrekken?” zeide Porthos; „en indien de kardinaal naar u vraagt, wat
zullen wij antwoorden?”--„Gij zult niet wachten, totdat hij u vraagt;
gij zult hem dadelijk zeggen, dat ik ter verkenning vooruit ben gegaan,
dewijl eenige den kastelein ontvallen woorden mij hebben doen vermoeden,
dat de weg niet veilig was; ik zal er overigens een paar woorden aan den
stalmeester van den kardinaal over zeggen; laat het andere aan mij over;
weest niet ongerust.”--„Wees voorzichtig, Athos!” zeide Aramis.--„Wees
gerust,” hernam Athos, „gij weet, ik ben koelbloedig.”
Porthos en Aramis hernamen hun plaatsen bij de kachelpijp. Athos vertrok
zonder de minste geheimhouding; ging zijn paard, dat met die zijner
vrienden aan de vensterluiken was gebonden, losmaken, verzekerde den
stalmeester van de noodzakelijkheid eener voorhoede om terug te keeren,
onderzocht met geveinsde nauwkeurigheid de pan van zijn pistool, nam den
degen tusschen de tanden en begaf zich als een verloren kind op den weg,
die naar het legerkamp leidde.