De herberg De Roode Duiventoren.
Nauwelijks in het legerkamp gekomen, wilde de koning, in zijn ongeduld
om zich in de tegenwoordigheid des vijands te bevinden, en den haat van
den kardinaal tegen Buckingham deelende, al het vereischte aanwenden,
vooreerst om de Engelschen van het eiland _Ré_ te verjagen, en ten
tweede om het beleg van _la Rochelle_ te bespoedigen, maar ondanks zich
zelven werd hij hierin opgehouden door de oneenigheden, die er tusschen
de heeren Bassompierre en Schomberg aan de eene en den hertog
d’Angoulême aan de andere zijde uitbraken....
De heeren Bassompierre en Schomberg, als maarschalken van _Frankrijk_,
eischten het recht, om onder het oog des konings het opperbevel des
legers te voeren, maar de kardinaal, vreezende dat Bassompierre, die
inwendig Hugenoot was, slechts flauwelijk de Engelschen en de inwoners
van _la Rochelle_, zijn geloofsgenooten, zou bestoken, droeg daarentegen
den hertog d’Angoulême voor, dien de koning, op zijn inblazing, tot
luitenant-generaal had benoemd. Hieruit volgde, dat, wilde men de heeren
Bassompierre en Schomberg het leger niet zien verlaten, men verplicht
was, aan elk hunner een bijzonder bevelhebberschap te geven.
Bassompierre vestigde zijn hoofdkwartier ten noorden der stad, van af
_Laleu_ tot aan _Dompierre_, de hertog van Angoulême het zijne ten
oosten van _Dompierre_ tot aan _Périgny_, en de heer Schomberg ten
zuiden van _Périgny_ tot aan _Angoulin_.
Het kwartier van _Monsieur_ was te _Dompierre_. Dat van den koning nu
eens te _Estré_ dan weer te _la Jarrie_. Eindelijk was het hoofdkwartier
van den kardinaal op de duinen, bij de brug _de la Pierre_, in een
eenvoudig huis zonder eenige verschansingen. Zoo was het, dat _Monsieur_
Bassompierre gadesloeg, de koning den hertog d’Angoulême en de kardinaal
den heer Schomberg. Eenmaal dit bepaald zijnde, hield men zich bezig de
Engelschen van het eiland _Ré_ te verjagen.
De gelegenheid hiervoor was gunstig. De Engelschen, die vooral, om goede
soldaten te zijn, goede levensmiddelen behoeven, aten niets dan
pekelvleesch en slechte beschuit en hadden in hun legerkamp een aantal
zieken; daarenboven vergingen dagelijks op zee--in dat jaargetijde langs
geheel de westelijke kust zeer gevaarlijk--vele kleine vaartuigen,
zoodat de kust, van de punt _de l’Aiguillon_ tot aan de loopgraven,
letterlijk bij elken vloed overdekt was met verbrijzelde pinken en
andere kleine schepen. Het gevolg hiervan moest noodwendig zijn, dat, al
hielden des konings troepen zich rustig in hun legerkamp, Buckingham,
die slechts uit stijfhoofdigheid op het eiland _Ré_ bleef, genoodzaakt
zou zijn het beleg op te breken.
Maar dewijl de heer de Toiras liet zeggen, dat in het vijandelijk
legerkamp aanstalten tot een nieuwen aanval werden bespeurd, oordeelde
de koning dat er een einde aan moest worden gemaakt, en hij gaf de
noodige bevelen tot een beslissenden slag.
Daar het ons voornemen niet is een dagboek van de belegering te
schrijven, maar integendeel slechts die gebeurtenissen aan te halen,
welke in verband met ons verhaal staan, zullen wij ons bepalen met een
paar woorden te zeggen, dat de onderneming tot groot genoegen van den
koning en tot den meest mogelijken roem van den kardinaal gelukte. De
Engelschen, voet voor voet teruggedreven, in al de gevechten geslagen,
verplet bij den overgang van het eiland, werden genoodzaakt zich in te
schepen, op het slagveld twee duizend man latende, waaronder vijf
kolonels, drie luitenant-kolonels, tweehonderd vijftig kapiteins en
twintig voorname edellieden, vier stukken geschut en zestig vlaggen, die
door Claude de Saint Simon naar _Parijs_ gebracht, met groote praal aan
de gewelven van de Onze Lieve Vrouwekerk werden opgehangen. _Te Deums_
werden gezongen en vonden weerklank door geheel _Frankrijk_. De
kardinaal was dus in staat de belegering voort te zetten, zonder althans
voor het oogenblik iets van de Engelschen te vreezen te hebben. Maar,
zooals wij zeggen, die rust was slechts kortstondig.
Een zendeling van den hertog van Buckingham, genaamd Montaigu, was
gevangen genomen, en men had het bewijs in handen van bondgenootschap
tusschen _Duitschland_, _Spanje_, _Engeland_ en _Lotharingen_ tegen
_Frankrijk_. Vervolgens had men in het hoofdkwartier van Buckingham,
hetwelk hij genoodzaakt was geweest plotseling te verlaten, papieren
gevonden, die dat bondgenootschap bevestigden en, naar hetgeen de
kardinaal in zijn Gedenkschriften verklaart, mevrouw de Chevreuse, en
bijgevolg de koningin, zeer verdacht maakten. Het was op den kardinaal
dat de geheele verantwoordelijkheid rustte; want men is niet
oppermachtig minister zonder verantwoordelijk te zijn.
De hulpmiddelen van zijn veelomvattenden geest waren dan ook dag en
nacht werkzaam, en hij luisterde met inspanning naar de minste beweging,
welke zich in een of ander der groote rijken van _Europa_ verhief. De
kardinaal kende de bedrijvigheid en den haat van Buckingham: indien het
bondgenootschap, dat _Frankrijk_ bedreigde, zegevierde, was Richelieu’s
invloed vernietigd.
De Spaansche en Oostenrijksche staatkunde had haar vertegenwoordigers in
het kabinet van het Louvre, waar zij tot hiertoe slechts partijgangers
had gehad. Hij, Richelieu, de Fransche, de bij uitnemendheid nationale
minister, was verloren; de koning, die, hem als een kind gehoorzamende,
hem als een kind dat zijn meester verfoeit haatte, gaf hem aan de
dubbele wraak van _Monsieur_ en de koningin over. Hij was verloren, en
misschien _Frankrijk_ met hem; en dat alles moest worden voorkomen.
Men zag dan ook de koeriers alle oogenblikken talrijker worden en
elkander dag en nacht in dat kleine huis aan de brug _de la Pierre_,
waar de kardinaal zijn kwartier had gevestigd, opvolgen. Nu eens waren
het monniken, die hun pij zoo slecht droegen, dat men gemakkelijk kon
zien, dat zij vooral tot de _strijdende kerk_ behoorden; dan weder
vrouwen, min of meer gedwongen haar pagegewaad dragende, van hetwelk de
breede poffen niet volkomen de fraaie ronding harer gestalte konden
verbergen; eindelijk boeren met vuile handen, maar met welgevormde
beenen, waaraan men den edelman op een uur afstands kon herkennen.
Vervolgens nog andere, minder aangename bezoekers; want twee of drie
malen verspreidde zich het gerucht, dat de kardinaal op het punt was
geweest vermoord te worden. Het is waar, de vijanden Zijner Eminentie
zeiden, dat de kardinaal op zich zelven onhandige moordenaars afzond,
ten einde bij voorkomende gelegenheid het recht van wedervergelding te
kunnen uitoefenen; maar men moet geen geloof slaan noch aan de gezegden
der ministers, noch aan hetgeen hun vijanden zeggen.
Dit alles echter belette den kardinaal niet, aan wien zijn hevigste
tegenstanders nooit persoonlijken moed hebben kunnen betwisten,
nachtelijke tochten te doen; nu eens om den hertog van Angoulême
gewichtige bevelen over te brengen, dan weder om zich met den koning te
verstaan, een andermaal om zich met een of anderen bode, dien hij niet
verkoos bij zich te ontvangen, te onderhouden.
Van hun kant leidden de musketiers, die bij de belegering niet veel te
doen hadden en aan geen strenge krijgstucht onderworpen waren, een
vroolijk leven. Dat was vooral voor onze drie vrienden des te
gemakkelijker, daar zij, tot de vrienden van den heer de Tréville
behoorende, zonder veel moeite van hem de vergunning verkregen, om na
het sluiten van het legerkamp met bijzondere verlofpassen uit te
blijven.
Op zekeren avond, dat d’Artagnan, die de wacht bij de loopgraven had,
hen niet had kunnen vergezellen, kwamen Athos, Porthos en Aramis, op hun
strijdpaarden gezeten en in hun krijgsmantels gewikkeld, een hand op den
knop van hun pistool latende rusten, van een herberg terug, die Athos
een paar dagen te voren had ontdekt op den weg van _la Jarrie_ en die
_de Roode Duiventoren_ heette. Zij volgden den weg naar het legerkamp,
zooals wij zeiden, met behoedzaamheid voortrijdende, uit vrees in een
hinderlaag te vallen, toen zij op ongeveer een kwartieruurs afstands van
het dorp _Boisneau_ paardengetrappel hoorden, dat hen naderde. Dadelijk
bleven alle drie, zich naast elkander scharende, op het midden van den
weg staan. Na eenige oogenblikken, terwijl de maan van achter een wolk
te voorschijn kwam, zagen zij om den hoek van een weg twee ruiters
verschijnen, die, hen ontwarende, op hun beurt bleven staan en met
elkander schenen te raadplegen, of zij hun weg zouden vervolgen of
terugkeeren. Die aarzeling deed de drie vrienden iets kwaads vermoeden,
en Athos, eenige schreden vooruitgaande, riep met vaste stem:
„Werda!”--„Werda? vragen wij u,” antwoordde een der twee ruiters.--„Dat
is geen antwoord,” hernam Athos. „Werda! antwoord, of wij vallen
aan!”--„Wees er op bedacht wat gij wilt doen, mijne heeren!” zeide
daarop een helderklinkende stem, die gewoon scheen het commando te
voeren.
„Het is een of ander hoofdofficier, die zijn nachtronde doet,” zeide
Athos, tot zijn vrienden terugkeerende. „Wat wilt gij doen, heeren?”
„Wie zijt gij?” vroeg dezelfde stem op denzelfden gebiedenden toon;
„antwoord op uw beurt, of uw ongehoorzaamheid zou u kwalijk kunnen
bekomen.”--„Musketiers des konings!” riep Athos, meer en meer
overtuigd dat hij, die hem dit vroeg, er recht toe had.--„Welke
kompagnie?”--„Kompagnie van Tréville.”--„Treedt voorwaarts en geeft
rekenschap van wat gij hier ter plaatse zoo laat doet.”
De drie musketiers naderden, nu een weinig ootmoediger, want zij waren
nu alle drie overtuigd, dat zij met machtiger dan zij waren te doen
hadden. Men liet overigens aan Athos het woord over. Een der twee
ruiters, hij die na den eersten het woord had opgenomen, was ongeveer
tien schreden van zijn tochtgenoot verwijderd. Athos gaf aan Porthos en
Aramis een teeken om ook achter te blijven en naderde alleen.
„Verontschuldig mij, mijn officier!” zeide Athos, „wij wisten niet met
wien wij te doen hadden, en gij kunt zien, dat wij waakzaam zijn.”--„Uw
naam!” zeide de officier, die met zijn mantel een gedeelte van zijn
aangezicht bedekte.--„Maar, mijnheer!” hernam Athos, die zich tegen die
soort van inquisitoriale ondervraging begon te verzetten, „ik verzoek
eerst mij het bewijs te geven, dat gij het recht hebt mij te
ondervragen.”--„Uw naam!” hernam voor de tweede, maal de ruiter, terwijl
hij zijn mantel liet vallen, waardoor zijn gelaat werd ontbloot.--„Zijne
Eminentie de kardinaal!” riep de musketier ontsteld.--„Uw naam!”
herhaalde voor de derde maal Zijne Eminentie.--„Athos,” antwoordde de
musketier.
De kardinaal wenkte zijn stalmeester, die nader trad.--„Die drie
musketiers zullen ons volgen,” zeide hij zacht tot hem, „ik wil niet,
dat men wete, dat ik het legerkamp heb verlaten, en ons volgende, zijn
wij zeker dat zij het aan niemand zullen zeggen.”
„Wij zijn edellieden, Uwe Eminentie!” zeide Athos, „eisch dus ons woord
van eer, en verontrust u over niets. Goddank! wij weten een geheim te
bewaren.”
De kardinaal vestigde zijn doordringenden blik op den stoutmoedigen
spreker.--„Gij hebt een scherp gehoor, mijnheer Athos!” zeide de
kardinaal, „maar luister, het is niet uit wantrouwen, dat ik u verzoek
mij te volgen, het is voor mijn zekerheid; zonder twijfel zijn uw twee
gezellen de heeren Porthos en Aramis?”--„Ja, Uwe Eminentie!” zeide
Athos, terwijl de twee musketiers, die waren achtergebleven, met den
hoed in de hand naderden.--„Ik ken u, heeren! ik ken u! ik weet wel, dat
gij juist niet tot mijn vrienden behoort, en dat doet mij leed; doch ik
weet, dat gij moedige, trouwe edellieden zijt, en men zijn vertrouwen in
u kan stellen. Mijnheer Athos! bewijs mij dus de eer mij te vergezellen,
gij en uw twee vrienden, en ik zal een geleide hebben, waarop Zijne
Majesteit zou afgunstig zijn, indien wij hem mochten ontmoeten.”
De drie musketiers bogen tot op den hals van hun paarden.--„Op mijn
eer,” zeide Athos, „Uwe Eminentie heeft gelijk ons mede te nemen: wij
hebben op den weg al zeer afzichtelijke lieden ontmoet, en zelfs met
vier er van in _de Roode Duiventoren_ twist gehad.”--„Twist! en waarom,
mijne heeren?” zeide de kardinaal, „gij weet wel, dat ik van geen
twistzoeken houd.”--„Het is juist uit dien hoofde dat ik de eer heb Uwe
Eminentie van het gebeurde kennis te geven, want zij zou het door
anderen dan door ons kunnen vernemen, en tengevolge van een kwalijk
overgebracht verslag ons als de schuldigen beschouwen.”--„En wat zijn de
gevolgen van dezen twist geweest?” vroeg de kardinaal, de wenkbrauwen
fronsende.--„Wel, mijn vriend Aramis, die hier is, heeft een lichten
degensteek in den arm ontvangen, hetgeen hem niet zal beletten, zooals
Uwe Eminentie zal zien, morgen bij de bestorming tegenwoordig te zijn,
indien Uwe Eminentie dit beveelt.”--„Maar gij zijt niet van die lieden,
welke zich zoo gemakkelijk degensteken laten toebrengen,” zeide de
kardinaal. „Spreekt! weest oprecht, heeren! gij hebt er wel eenige
teruggegeven; biecht op, gij weet, dat ik de macht heb absolutie te
geven.”
„Ik, Uwe Eminentie!” zeide Athos, „heb niet eens den degen in de hand
gehad, maar hem, met wien ik te doen had, in mijn armen genomen en uit
het venster geworpen; hij schijnt in zijn val,” ging Athos met eenige
aarzeling voort, „het dijbeen te hebben gebroken.”--„Zoo, zoo!” riep de
kardinaal, „en gij, mijnheer Porthos?”
„Ik, Uwe Eminentie! wetende dat het tweegevecht verboden is, heb een
bank opgenomen en een dier bandieten daarmede een slag gegeven, die hem,
geloof ik, den schouder heeft verbrijzeld.”--„Fraai!” zeide de
kardinaal, „en gij, mijnheer Aramis?”
„Ik, Uwe Eminentie, die van een zeer vredelievenden en zachten aard ben,
en bovendien, hetgeen Uwe Eminentie misschien niet weet, op het punt sta
tot den geestelijken stand over te gaan, ik wilde mijn vrienden van die
ellendelingen scheiden, toen een hunner mij verraderlijk in den
linkerarm een degensteek toebracht; toen was mijn geduld ten einde en ik
trok op mijn beurt den degen, en daar hij opnieuw mij aanviel, meende ik
te voelen, dat hij zich zelven aan mijn degen reeg, alleen weet ik zeer
goed dat hij gevallen is en men hem met zijn makkers heeft weggedragen.”
„Duivelsch, mijne heeren!” zeide de kardinaal, „drie mannen in een
herbergtwist neervellen! dat is de handen roeren. Maar uit wat oorzaak
ontstond die twist?”--„Die ellendelingen waren dronken,” zeide Athos....
„bekend met de aankomst eener vrouw in die herberg, wilden zij de deuren
openbreken.”--„En was die jonge vrouw jong en fraai?” vroeg de kardinaal
met zekere ongerustheid.--„Wij hebben haar niet gezien, Uwe Eminentie!”
antwoordde Athos.--„Hebt gij haar niet gezien? Ha! zeer goed!” hernam de
kardinaal levendig; „gij hebt wèl gedaan de eer eener vrouw te
verdedigen, en dewijl het naar _de Roode Duiventoren_ is, dat ik mij
begeef, zal ik dra weten of gij mij de waarheid hebt gezegd.”
„Mijnheer!” antwoordde Athos trotsch, „wij zijn edellieden, en al konden
wij er ons hoofd door redden, zouden wij niet liegen.”--„Ook twijfel ik
geen oogenblik aan hetgeen ge zegt, mijnheer Athos! geen oogenblik,
maar,” ging hij voort, aan het gesprek een andere wending gevende, „was
die dame dan alleen?”--„Die dame had zich met een cavalier in haar kamer
opgesloten, maar dewijl die cavalier, ondanks het geweld, niet te
voorschijn kwam, is het te veronderstellen dat hij een lafaard
is.”--„Oordeel niet vermetel, zegt het Evangelie,” hernam de
kardinaal.--Aramis boog het hoofd.--„En thans, mijne heeren, is het wel,
ik weet, wat ik verlangde te weten,” ging Zijne Eminentie voort, „volgt
mij nu.”
De drie musketiers plaatsten zich achter den kardinaal, die opnieuw zijn
aangezicht met den mantel bedekte en zijn paard aansporende, acht of
tien schreden voor zijn vier geleiders voortreed.
Men bereikte spoedig de stille, eenzame herberg. Zonder twijfel wist de
kastelein, welken doorluchtigen bezoeker hij zoude ontvangen; bijgevolg
had hij de nieuwsgierigen verwijderd. Op drie schreden van de deur gaf
de kardinaal aan zijn stalmeester en aan de drie musketiers een wenk te
blijven staan. Een gezadeld paard was aan den ring van een vensterluik
vastgemaakt; de kardinaal klopte drie malen op een bijzondere wijze. Een
man in een mantel gewikkeld kwam onmiddellijk buiten en wisselde haastig
eenige woorden met den kardinaal, waarna hij te paard steeg en in de
richting van _Surgères_ op den weg naar _Parijs_ verdween.
„Nadert, heeren!” riep de kardinaal. „Gij hebt de waarheid gezegd,
edellieden!” zeide hij, zich tot de drie musketiers wendende, „en het
zal aan mij niet liggen, dat onze ontmoeting van heden u niet tot
voordeel strekke.... Intusschen volgt mij.”
De kardinaal steeg af, de drie musketiers deden evenzoo, toen wierp de
kardinaal den toom van zijn paard aan zijn stalmeester toe, terwijl de
drie musketiers hun paarden aan de vensterluiken vastmaakten.
De kastelein bleef voor de deur staan, voor hem was de kardinaal niets
meer dan een officier, die een dame kwam bezoeken.
„Hebt gij ook een benedenkamer, waar de heeren mij bij een goed vuur
kunnen wachten?” vroeg de kardinaal.--De kastelein opende de deur van
een groot vertrek, in hetwelk men juist een slechte kachel door een
grooten flinken schoorsteen had vervangen.--„Deze is beschikbaar.”--„Dat
is goed,” zeide de kardinaal. „Gaat daar binnen, heeren, en wacht mij,
ik zal niet langer dan een half uurtje wegblijven.”
En terwijl de drie musketiers het benedenvertrek binnentraden, ging de
kardinaal, zonder iets verder te vragen, de trap op, als iemand dien men
den weg niet behoeft te wijzen.