HOOFDSTUK XI.

De Anjou-wijn.

Na eenige zeer verontrustende tijdingen nopens de gezondheid des

konings, begon eindelijk het gerucht zijner beterschap zich in het

legerkamp te verspreiden, en daar hij zeer ongeduldig was het beleg bij

te wonen, zeide men, dat, zoodra hij te paard kon stijgen, hij de reis

zou aanvaarden. Onderwijl voerde _Monsieur_, die wist, dat hij alle

oogenblikken in zijn bevelhebberschap zou kunnen vervangen worden,

hetzij door den hertog van Angoulême, hetzij door Bassompierre of

Schomberg, die het elkander betwistten, weinig of niets uit en verloor

den tijd in verkenningen, niet een enkele groote onderneming durvende

wagen, om de Engelschen van het eiland _Ré_, uit hetwelk zij de citadel

_St. Martijn_ bestookten, en uit het fort _de la Prée_ te verjagen,

terwijl de Franschen van hun kant _la Rochelle_ belegerden. D’Artagnan,

zooals wij zeiden, was geruster geworden, zooals steeds het geval is,

wanneer men een gevaar ontsnapt, en dat gevaar schijnt verdwenen te

zijn.

Er bleef hem slechts een bekommering over, namelijk die, hoegenaamd geen

tijding van zijn vrienden te ontvangen. Maar op zekeren ochtend werd hem

alles opgehelderd door den volgenden brief, gedagteekend uit _Villeroy_.

„Mijnheer d’Artagnan!

De heeren Athos, Porthos en Aramis, na een groot feest bij mij

gegeven en zich zeer vermaakt te hebben, zijn echter zoo

luidruchtig geweest, dat de provoost van het kasteel, een zeer

streng man, hen voor eenige dagen huis-arrest heeft gegeven. Ik

vervul de bevelen, die zij mij hebben opgedragen, u een dozijn

flesschen van mijn wijn van _Anjou_ te zenden, waarvan zij groote

liefhebbers schijnen te zijn; zij verlangen, dat gij hun

geliefkoosden wijn op hun gezondheid drinkt.

Ik ben, mijnheer! met diepen eerbied, Uw zeer onderdanige en zeer

gehoorzame dienaar,

Godeau,

Kastelein der H.H. Musketiers.”

„Bravo!” riep d’Artagnan, „zij herinneren zich mijner in hun vermaken,

zooals ik aan hen in mijn verdriet denk; welzeker zal ik op hun

gezondheid drinken, met veel pleizier, maar niet alleen.”--En d’Artagnan

begaf zich tot twee gardes, met wie hij meer vriendschap dan met de

overige onderhield, om hen uit te noodigen bij hem den heerlijken wijn

van _Anjou_ te komen drinken, dien hij van _Villeroy_ had ontvangen.

Een der gardes was voor dienzelfden avond elders genoodigd, en de andere

voor den volgenden dag, de samenkomst werd dus op twee dagen later

bepaald.

D’Artagnan zond zijn twaalf flesschen naar de gelagkamer der gardes, met

aanbeveling er goede zorg voor te dragen. Vervolgens, toen de dag van

het feest dáár was, terwijl het maal tegen twaalf uur des middags was

bepaald, zond d’Artagnan reeds te negen uur Planchet, om alles in orde

te brengen.

Planchet, trotsch tot de waardigheid van hofmeester te zijn verheven,

peinsde er over, hoe zijn last op een waardige wijze te vervullen. Tot

dat einde vereenigde hij zich met den knecht van een der genoodigden

zijns meesters, Fourreau genaamd, en ook met Brisemont, dien gewaanden

soldaat, welke onzen held had willen vermoorden, maar die, tot geen

corps behoorende, in dienst van d’Artagnan was gegaan, of liever in dien

van Planchet, sedert d’Artagnan hem het leven had gered.

Toen het uur van den maaltijd had geslagen, verschenen beide

genoodigden, die plaats namen, terwijl de gerechten op tafel werden

gerangschikt; Planchet bediende, met het servet onder den arm, Fourreau

trok de flesschen open, en Brisemont, bijna hersteld, goot in kristallen

karaffen den wijn over, die, naar het scheen, door het hotsen op den weg

troebel was geworden. Uit de eerste flesch van dien wijn goot Brisemont

het bezinksel in een glas, hetwelk d’Artagnan hem veroorloofde te

ledigen, want de arme duivel had al zijn krachten nog niet terug.

Na de soep te hebben gebruikt, wilden de genoodigden het eerste glas

wijn aan hun lippen zetten, toen eensklaps kanonschoten van het fort

Louis en het nieuwe fort weergalmden. Onmiddellijk grepen de gardes,

meenende dat het een onverwachte aanval der belegerden of der Engelschen

betrof, hun degens; d’Artagnan deed evenzoo, en alle drie verwijderden

zich al loopende, om zich op hun posten te begeven. Maar nauwelijks

waren zij uit de gelagkamer, of zij vernamen de oorzaak van dat gerucht.

Het geroep „leve de koning! leve de kardinaal!” weergalmde van alle

zijden, en de trommels roffelden in alle richtingen. En inderdaad, in

zijn ongeduld had de koning twee pleisterplaatsen overgeslagen en kwam

op dat oogenblik met geheel zijn huis en een versterking van tien

duizend man aan.

Zijn musketiers gingen hem voor en volgden hem. D’Artagnan, met zijn

kompagnie langs den weg geschaard, groette met een uitdrukkelijk gebaar

zijn vrienden en den heer de Tréville, dien hij dadelijk ontwaarde.

Nadat de plechtigheid der ontvangst afgeloopen was, waren de vier

vrienden spoedig vereenigd.

„_Pardieu_!” riep d’Artagnan, „gij kondt op geen beter oogenblik gekomen

zijn, en het eten heeft den tijd nog niet gehad, koud te worden. Niet

waar, heeren!” voegde de jongeling er bij, zich tot de beide gardes

wendende, die hij aan zijn vrienden voorstelde.--„Ha! ha! het schijnt

dat wij smullen,” zeide Porthos.--„Ik hoop,” zeide Aramis, „dat er geen

vrouw aan tafel is?”--„Is er gebottelde wijn in uw kroeg?” vroeg

Athos.--„Wel, de uwe, _pardieu_! beste vriend!” antwoordde

d’Artagnan.--„Onze wijn?” liet Athos verwonderd hooren.--„Ja, dien gij

mij gezonden hebt.”--„Hebben wij u wijn gezonden?”--„Wel ja, gij weet

immers wel, dien lichten wijn van _Anjou_?”--„Ja, ik ken den wijn heel

wel, dien gij bedoelt.”--„Het is die wijn, van welken gij zooveel

houdt.”--„Zeker, als ik geen Chambertin of Champagne heb.”--„Welnu, bij

gebrek aan Chambertin of Champagne zult gij u met dezen moeten tevreden

stellen.”--„Gij hebt dus wijn van _Anjou_ laten komen, gij lekkerbek?”

vroeg Porthos.--„Wel neen, het is de wijn, die mij van uwentwege is

gezonden.”--„Van onzentwege?” riepen de musketiers.--„Zijt gij het,

Aramis,” vroeg Athos, „die wijn hebt gezonden?”--„Neen.”--„Indien gij

het niet zijt, dan is het uw kastelein,” zeide d’Artagnan.--„Onze

kastelein?”--„Wel zeker, uw kastelein: Godeau, kastelein der

musketiers.”--„Zoo! laat hij zijn van wien hij wil, het doet er niet

toe,” zeide Porthos, „proeven wij hem, en als hij goed is, laat ons hem

drinken.”--„Neen,” zeide Athos, „drinken wij geen wijn van welken wij

den oorsprong niet kennen.”--„Gij hebt gelijk, Athos,” zeide d’Artagnan.

„Heeft niemand uwer den kastelein Godeau gelast mij wijn te

zenden?”--„Neen, en heeft hij u nochtans uit onzen naam

gezonden?”--„Ziehier den brief,” zeide d’Artagnan, en hij toonde het

biljet aan zijn vrienden.--„Dat is zijn schrift niet,” zeide Athos. „Ik

ken het, want ik ben het geweest, die voor ons vertrek de rekening der

gemeenschappelijke vertering met hem heb vereffend.”--„Het is een

valsche brief,” zeide Porthos, „wij hebben geen huis-arrest

gehad.”--„D’Artagnan!” zeide Aramis op berispenden toon, „hoe hebt gij

kunnen gelooven, dat wij gerucht zouden hebben gemaakt?”

D’Artagnan verbleekte, een stuipachtige beving schudde al zijn

leden.--„Gij verschrikt mij,” zeide Athos, „wat is u toch

gebeurd?”--„Haasten wij ons, mijn vrienden!” riep d’Artagnan, „een

vreeselijk vermoeden verheft zich in mijn ziel; zou het wederom de wraak

dier vrouw zijn?”--Nu verbleekte Athos op zijn beurt.

D’Artagnan snelde naar de gelagkamer, de drie musketiers en de twee

gardes volgden hem. Het eerste voorwerp, dat den blik van d’Artagnan

trof, toen hij de eetzaal binnentrad, was Brisemont, die zich in

vreeselijke stuiptrekkingen op den grond wentelde. Planchet en Fourreau,

bleek als lijken, waren bezig hem hulp te verleenen, maar het was

blijkbaar, dat alle hulp vruchteloos was, het aangezicht van den

stervende was door den doodsstrijd akelig misvormd.

„Ha!” riep hij, toen hij d’Artagnan bespeurde, „ha! dat is afgrijselijk,

gij houdt u, alsof gij mij vergiffenis schenkt, en gij vergiftigt

mij!”--„Ik?” riep d’Artagnan, „ik, rampzalige! maar wat durft gij

zeggen?”--„Ik zeg, dat gij het zijt, die mij hebt gezegd, dien te willen

drinken; ik zeg, dat gij u op mij hebt willen wreken; ik zeg, dat het

afgrijselijk is.”--„Geloof dat niet, Brisemont!” zeide d’Artagnan.

„Geloof het niet, ik bezweer u.”--„O! maar God is daar! God zal u

straffen! Mijn God! dat hij eenmaal lijde, wat ik lijd.”--„Op het

evangelie zweer ik u!” riep d’Artagnan, zich naast den stervende

werpende, „dat ik niet wist, dat die wijn vergiftigd was, en ik zooals

gij hem zou gedronken hebben.”--„Ik geloof u niet,” zeide de soldaat, en

hij gaf den geest in een nieuwen, meer hevigen aanval van

smarten.--„IJselijk! ijselijk!” mompelde Athos, terwijl Porthos de

flesschen verbrak en Aramis, hoewel wat laat, het bevel gaf een

biechtvader te gaan halen.

„Ach, mijn vrienden,” zeide d’Artagnan, „gij hebt mij wederom het leven

gered; niet alleen het mijne, maar ook dat van die heeren. Mijne

heeren!” ging hij voort, zich tot de gardes wendende, „ik verzoek u

geheimhouding over het gebeurde: groote personages mochten in hetgeen

gij hebt gezien betrokken zijn, en de kwade gevolgen er van zouden op

ons neerkomen.”--„Ach, mijnheer!” stamelde Planchet, meer dood dan

levend, „ach, mijnheer! wat ben ik het aardig ontsnapt.”--„Ha, knaap!”

riep d’Artagnan, „gij wildet dus van mijn wijn drinken!”--„Op de

gezondheid van den koning, mijnheer! was ik gereed een glas te ledigen,

indien Fourreau mij niet had gezegd, dat ik geroepen werd.”--„Helaas!”

zeide Fourreau, die van angst klappertandde, „ik wilde hem verwijderen

om alleen te drinken.”--„Mijne heeren!” zeide d’Artagnan, zich tot de

gardes wendende, „gij begrijpt, dat een dergelijk feestmaal, na hetgeen

er gebeurd is, niet dan zeer treurig kan zijn, ik verzoek u dus mijn

verontschuldigingen wel te willen aannemen, en bid u de partij tot een

anderen dag uit te stellen.”

De twee gardes namen beleefdelijk deze verontschuldiging aan, en

begrijpende dat de vier vrienden wenschten alleen te blijven, vertrokken

zij.

Toen de jonge garde en de drie musketiers zonder getuigen waren,

beschouwden zij elkander met een gebaar, dat te kennen gaf, dat zij het

gevaarlijke van hun toestand beseften.

„Vooreerst,” zeide Athos, „verlaten wij dit vertrek, het gezelschap van

een lijk is niet zeer aangenaam.”--„Planchet!” zeide d’Artagnan, „ik

gelast u het lijk van dien armen duivel te bewaken en te zorgen, dat hij

in gewijde aarde begraven wordt. Het is waar, hij heeft een misdaad

bedreven, maar hij heeft er berouw over getoond.”--En de vier vrienden

verlieten de kamer, Planchet en Fourreau de zorg overlatende aan

Brisemont de laatste eer te bewijzen.

De kastelein gaf hun een andere kamer, waar men hun eieren in den dop

voorzette, en bronwater, dat Athos in persoon ging putten. Eenige

woorden waren genoeg om Porthos en Aramis met de gesteldheid van zaken

bekend te maken.

„Ziet gij wel,” zeide d’Artagnan tot Athos, „mijn waarde vriend! dat het

een strijd op leven en dood is.”--Athos schudde het hoofd.--„Ja, ik zie

het wel, maar gelooft gij dat zij het is?”--„Ik ben er zeker van.”--„Ik

moet u echter bekennen, dat ik nog twijfel.”--„Maar die lelie op den

schouder?”--„Zij zal een Engelsche wezen, die men in Frankrijk wegens

een door haar gepleegde misdaad zal hebben gebrandmerkt.”--„Athos! het

is uw vrouw, zeg ik u,” antwoordde d’Artagnan, „herinnert gij u dan

niet, hoe beide signalementen overeenkomen?”--„Ik meende echter, dat de

andere dood was; ik had haar zoo goed opgehangen.”

Nu was het d’Artagnan, die op zijn beurt het hoofd schudde.--„Maar wat

zullen wij eigenlijk beginnen?” vroeg hij.--„Inderdaad, wij kunnen niet

eeuwig met het zwaard boven ons hoofd blijven,” zeide Athos, „wij moeten

uit dien toestand zien te geraken. Maar hoe?”

„Luister,” antwoordde d’Artagnan, „tracht haar te ontmoeten, om een

verklaring met haar te hebben. Zeg haar: ‚Oorlog of vrede. Ik geef u

mijn woord van eer, nooit over u te spreken, nooit iets tegen u te doen.

Zweer mij van uw kant plechtig, onzijdig jegens mij te blijven; zoo

niet, dan vervoeg ik mij tot den kanselier, ik wend mij tot den koning,

ik ga den beul een bezoek brengen; ik zal het hof tegen u ophitsen en u

als een gebrandmerkte tentoonstellen; ik zal u doen veroordeelen; en

mocht men u vrijspreken, dan, dat zweer ik u op mijn woord van edelman,

dan zal ik u, achter den een of anderen straatpaal, als een razenden

hond doodschieten.’”

„Dat middel bevalt mij tamelijk wel, maar hoe haar te ontmoeten?”--„De

tijd, mijn waarde vriend, zal de gelegenheid medebrengen; de gelegenheid

is het geluk van den speler, hoe meer men heeft verloren, des te meer

wint men, wanneer men weet te wachten, omringd van moordenaars en

giftmengers....”--„Och!” zeide Athos, „God heeft ons tot heden behoed,

God zal ons nog langer behoeden.”--„Ja, wij, wij zijn in elk geval

mannen, en alles wel beschouwd, is het ons beroep ons leven te wagen;

maar zij....” voegde hij er half luid bij.--„Wie zij?” vroeg

Athos.--„Constance.”--„Juffrouw Bonacieux? O! het is waar ook,” zeide

Athos. „Arme vriend! ik vergat, dat gij verliefd zijt.”

„Wel, vrienden!” zeide Aramis; „hebt gij dan niet in den brief, die bij

den gesneuvelden ellendeling is gevonden, gezien, dat zij zich in een

klooster bevond? Men is zeer goed in een klooster, en zoodra het beleg

van _la Rochelle_ zal geëindigd zijn, beloof ik u, wat mij

betreft....”--„Goed,” zeide Athos, „goed. Ja, wij weten, goede Aramis!

wij weten, dat uw begeerten naar het godsdienstige haken.”--„Ik ben

slechts musketier _ad interim_,” zeide Aramis nederig.--„Het schijnt,

dat hij in langen tijd geen tijding van zijn minnares heeft ontvangen,”

zeide Athos zacht; „maar let er niet op, wij kennen dat.”--„Welnu,”

zeide Porthos, „ik geloof, dat er een zeer eenvoudig middel

is.”--„Welk?” vroeg d’Artagnan.--„Zij is in een klooster, zooals gij

zegt?” hernam Porthos.--„Ja.”--„Welnu, zoodra het beleg zal geëindigd

zijn, zullen wij haar uit dat klooster ontvoeren.”--„Maar men moet eerst

weten in welk klooster zij is.”--„Dat is waar,” zeide Porthos.--„Maar ik

herinner mij,” zeide Athos, „meent gij niet, waarde d’Artagnan, dat het

de koningin is, die dat klooster voor haar heeft gekozen?”--„Ja, ik

geloof het althans.”--„Wel, dan zal Porthos ons hierin kunnen

helpen.”--„Hoe dat, als ik u mag verzoeken?”--„Wel, door uw markiezin,

uw hertogin, uw prinses; deze moet lange armen hebben.”--„Stil!” zeide

Porthos, den vinger op zijn mond leggende; „ik geloof, dat zij

kardinaalsgezind is, zij mag niets weten.”--„Dan,” zeide Aramis, „belast

ik mij haar te vinden.”--„Gij, Aramis!” riepen de drie vrienden, „gij,

en hoe dat?”--„Door den aalmoezenier der koningin, van wien ik een zeer

goed vriend ben,” zeide Aramis blozende.

En op die verzekering scheidden de vier vrienden, die, na hun soberen

maaltijd geëindigd te hebben, afspraken elkander denzelfden avond weer

te zien. D’Artagnan keerde naar het Minderbroederklooster terug, en de

drie musketiers naar het hoofdkwartier des konings, waar zij hun

kwartieren hadden doen gereed maken.

De Drie Musketiers dl. I en II · 第 61 / 93 题