De Anjou-wijn.
Na eenige zeer verontrustende tijdingen nopens de gezondheid des
konings, begon eindelijk het gerucht zijner beterschap zich in het
legerkamp te verspreiden, en daar hij zeer ongeduldig was het beleg bij
te wonen, zeide men, dat, zoodra hij te paard kon stijgen, hij de reis
zou aanvaarden. Onderwijl voerde _Monsieur_, die wist, dat hij alle
oogenblikken in zijn bevelhebberschap zou kunnen vervangen worden,
hetzij door den hertog van Angoulême, hetzij door Bassompierre of
Schomberg, die het elkander betwistten, weinig of niets uit en verloor
den tijd in verkenningen, niet een enkele groote onderneming durvende
wagen, om de Engelschen van het eiland _Ré_, uit hetwelk zij de citadel
_St. Martijn_ bestookten, en uit het fort _de la Prée_ te verjagen,
terwijl de Franschen van hun kant _la Rochelle_ belegerden. D’Artagnan,
zooals wij zeiden, was geruster geworden, zooals steeds het geval is,
wanneer men een gevaar ontsnapt, en dat gevaar schijnt verdwenen te
zijn.
Er bleef hem slechts een bekommering over, namelijk die, hoegenaamd geen
tijding van zijn vrienden te ontvangen. Maar op zekeren ochtend werd hem
alles opgehelderd door den volgenden brief, gedagteekend uit _Villeroy_.
„Mijnheer d’Artagnan!
De heeren Athos, Porthos en Aramis, na een groot feest bij mij
gegeven en zich zeer vermaakt te hebben, zijn echter zoo
luidruchtig geweest, dat de provoost van het kasteel, een zeer
streng man, hen voor eenige dagen huis-arrest heeft gegeven. Ik
vervul de bevelen, die zij mij hebben opgedragen, u een dozijn
flesschen van mijn wijn van _Anjou_ te zenden, waarvan zij groote
liefhebbers schijnen te zijn; zij verlangen, dat gij hun
geliefkoosden wijn op hun gezondheid drinkt.
Ik ben, mijnheer! met diepen eerbied, Uw zeer onderdanige en zeer
gehoorzame dienaar,
Godeau,
Kastelein der H.H. Musketiers.”
„Bravo!” riep d’Artagnan, „zij herinneren zich mijner in hun vermaken,
zooals ik aan hen in mijn verdriet denk; welzeker zal ik op hun
gezondheid drinken, met veel pleizier, maar niet alleen.”--En d’Artagnan
begaf zich tot twee gardes, met wie hij meer vriendschap dan met de
overige onderhield, om hen uit te noodigen bij hem den heerlijken wijn
van _Anjou_ te komen drinken, dien hij van _Villeroy_ had ontvangen.
Een der gardes was voor dienzelfden avond elders genoodigd, en de andere
voor den volgenden dag, de samenkomst werd dus op twee dagen later
bepaald.
D’Artagnan zond zijn twaalf flesschen naar de gelagkamer der gardes, met
aanbeveling er goede zorg voor te dragen. Vervolgens, toen de dag van
het feest dáár was, terwijl het maal tegen twaalf uur des middags was
bepaald, zond d’Artagnan reeds te negen uur Planchet, om alles in orde
te brengen.
Planchet, trotsch tot de waardigheid van hofmeester te zijn verheven,
peinsde er over, hoe zijn last op een waardige wijze te vervullen. Tot
dat einde vereenigde hij zich met den knecht van een der genoodigden
zijns meesters, Fourreau genaamd, en ook met Brisemont, dien gewaanden
soldaat, welke onzen held had willen vermoorden, maar die, tot geen
corps behoorende, in dienst van d’Artagnan was gegaan, of liever in dien
van Planchet, sedert d’Artagnan hem het leven had gered.
Toen het uur van den maaltijd had geslagen, verschenen beide
genoodigden, die plaats namen, terwijl de gerechten op tafel werden
gerangschikt; Planchet bediende, met het servet onder den arm, Fourreau
trok de flesschen open, en Brisemont, bijna hersteld, goot in kristallen
karaffen den wijn over, die, naar het scheen, door het hotsen op den weg
troebel was geworden. Uit de eerste flesch van dien wijn goot Brisemont
het bezinksel in een glas, hetwelk d’Artagnan hem veroorloofde te
ledigen, want de arme duivel had al zijn krachten nog niet terug.
Na de soep te hebben gebruikt, wilden de genoodigden het eerste glas
wijn aan hun lippen zetten, toen eensklaps kanonschoten van het fort
Louis en het nieuwe fort weergalmden. Onmiddellijk grepen de gardes,
meenende dat het een onverwachte aanval der belegerden of der Engelschen
betrof, hun degens; d’Artagnan deed evenzoo, en alle drie verwijderden
zich al loopende, om zich op hun posten te begeven. Maar nauwelijks
waren zij uit de gelagkamer, of zij vernamen de oorzaak van dat gerucht.
Het geroep „leve de koning! leve de kardinaal!” weergalmde van alle
zijden, en de trommels roffelden in alle richtingen. En inderdaad, in
zijn ongeduld had de koning twee pleisterplaatsen overgeslagen en kwam
op dat oogenblik met geheel zijn huis en een versterking van tien
duizend man aan.
Zijn musketiers gingen hem voor en volgden hem. D’Artagnan, met zijn
kompagnie langs den weg geschaard, groette met een uitdrukkelijk gebaar
zijn vrienden en den heer de Tréville, dien hij dadelijk ontwaarde.
Nadat de plechtigheid der ontvangst afgeloopen was, waren de vier
vrienden spoedig vereenigd.
„_Pardieu_!” riep d’Artagnan, „gij kondt op geen beter oogenblik gekomen
zijn, en het eten heeft den tijd nog niet gehad, koud te worden. Niet
waar, heeren!” voegde de jongeling er bij, zich tot de beide gardes
wendende, die hij aan zijn vrienden voorstelde.--„Ha! ha! het schijnt
dat wij smullen,” zeide Porthos.--„Ik hoop,” zeide Aramis, „dat er geen
vrouw aan tafel is?”--„Is er gebottelde wijn in uw kroeg?” vroeg
Athos.--„Wel, de uwe, _pardieu_! beste vriend!” antwoordde
d’Artagnan.--„Onze wijn?” liet Athos verwonderd hooren.--„Ja, dien gij
mij gezonden hebt.”--„Hebben wij u wijn gezonden?”--„Wel ja, gij weet
immers wel, dien lichten wijn van _Anjou_?”--„Ja, ik ken den wijn heel
wel, dien gij bedoelt.”--„Het is die wijn, van welken gij zooveel
houdt.”--„Zeker, als ik geen Chambertin of Champagne heb.”--„Welnu, bij
gebrek aan Chambertin of Champagne zult gij u met dezen moeten tevreden
stellen.”--„Gij hebt dus wijn van _Anjou_ laten komen, gij lekkerbek?”
vroeg Porthos.--„Wel neen, het is de wijn, die mij van uwentwege is
gezonden.”--„Van onzentwege?” riepen de musketiers.--„Zijt gij het,
Aramis,” vroeg Athos, „die wijn hebt gezonden?”--„Neen.”--„Indien gij
het niet zijt, dan is het uw kastelein,” zeide d’Artagnan.--„Onze
kastelein?”--„Wel zeker, uw kastelein: Godeau, kastelein der
musketiers.”--„Zoo! laat hij zijn van wien hij wil, het doet er niet
toe,” zeide Porthos, „proeven wij hem, en als hij goed is, laat ons hem
drinken.”--„Neen,” zeide Athos, „drinken wij geen wijn van welken wij
den oorsprong niet kennen.”--„Gij hebt gelijk, Athos,” zeide d’Artagnan.
„Heeft niemand uwer den kastelein Godeau gelast mij wijn te
zenden?”--„Neen, en heeft hij u nochtans uit onzen naam
gezonden?”--„Ziehier den brief,” zeide d’Artagnan, en hij toonde het
biljet aan zijn vrienden.--„Dat is zijn schrift niet,” zeide Athos. „Ik
ken het, want ik ben het geweest, die voor ons vertrek de rekening der
gemeenschappelijke vertering met hem heb vereffend.”--„Het is een
valsche brief,” zeide Porthos, „wij hebben geen huis-arrest
gehad.”--„D’Artagnan!” zeide Aramis op berispenden toon, „hoe hebt gij
kunnen gelooven, dat wij gerucht zouden hebben gemaakt?”
D’Artagnan verbleekte, een stuipachtige beving schudde al zijn
leden.--„Gij verschrikt mij,” zeide Athos, „wat is u toch
gebeurd?”--„Haasten wij ons, mijn vrienden!” riep d’Artagnan, „een
vreeselijk vermoeden verheft zich in mijn ziel; zou het wederom de wraak
dier vrouw zijn?”--Nu verbleekte Athos op zijn beurt.
D’Artagnan snelde naar de gelagkamer, de drie musketiers en de twee
gardes volgden hem. Het eerste voorwerp, dat den blik van d’Artagnan
trof, toen hij de eetzaal binnentrad, was Brisemont, die zich in
vreeselijke stuiptrekkingen op den grond wentelde. Planchet en Fourreau,
bleek als lijken, waren bezig hem hulp te verleenen, maar het was
blijkbaar, dat alle hulp vruchteloos was, het aangezicht van den
stervende was door den doodsstrijd akelig misvormd.
„Ha!” riep hij, toen hij d’Artagnan bespeurde, „ha! dat is afgrijselijk,
gij houdt u, alsof gij mij vergiffenis schenkt, en gij vergiftigt
mij!”--„Ik?” riep d’Artagnan, „ik, rampzalige! maar wat durft gij
zeggen?”--„Ik zeg, dat gij het zijt, die mij hebt gezegd, dien te willen
drinken; ik zeg, dat gij u op mij hebt willen wreken; ik zeg, dat het
afgrijselijk is.”--„Geloof dat niet, Brisemont!” zeide d’Artagnan.
„Geloof het niet, ik bezweer u.”--„O! maar God is daar! God zal u
straffen! Mijn God! dat hij eenmaal lijde, wat ik lijd.”--„Op het
evangelie zweer ik u!” riep d’Artagnan, zich naast den stervende
werpende, „dat ik niet wist, dat die wijn vergiftigd was, en ik zooals
gij hem zou gedronken hebben.”--„Ik geloof u niet,” zeide de soldaat, en
hij gaf den geest in een nieuwen, meer hevigen aanval van
smarten.--„IJselijk! ijselijk!” mompelde Athos, terwijl Porthos de
flesschen verbrak en Aramis, hoewel wat laat, het bevel gaf een
biechtvader te gaan halen.
„Ach, mijn vrienden,” zeide d’Artagnan, „gij hebt mij wederom het leven
gered; niet alleen het mijne, maar ook dat van die heeren. Mijne
heeren!” ging hij voort, zich tot de gardes wendende, „ik verzoek u
geheimhouding over het gebeurde: groote personages mochten in hetgeen
gij hebt gezien betrokken zijn, en de kwade gevolgen er van zouden op
ons neerkomen.”--„Ach, mijnheer!” stamelde Planchet, meer dood dan
levend, „ach, mijnheer! wat ben ik het aardig ontsnapt.”--„Ha, knaap!”
riep d’Artagnan, „gij wildet dus van mijn wijn drinken!”--„Op de
gezondheid van den koning, mijnheer! was ik gereed een glas te ledigen,
indien Fourreau mij niet had gezegd, dat ik geroepen werd.”--„Helaas!”
zeide Fourreau, die van angst klappertandde, „ik wilde hem verwijderen
om alleen te drinken.”--„Mijne heeren!” zeide d’Artagnan, zich tot de
gardes wendende, „gij begrijpt, dat een dergelijk feestmaal, na hetgeen
er gebeurd is, niet dan zeer treurig kan zijn, ik verzoek u dus mijn
verontschuldigingen wel te willen aannemen, en bid u de partij tot een
anderen dag uit te stellen.”
De twee gardes namen beleefdelijk deze verontschuldiging aan, en
begrijpende dat de vier vrienden wenschten alleen te blijven, vertrokken
zij.
Toen de jonge garde en de drie musketiers zonder getuigen waren,
beschouwden zij elkander met een gebaar, dat te kennen gaf, dat zij het
gevaarlijke van hun toestand beseften.
„Vooreerst,” zeide Athos, „verlaten wij dit vertrek, het gezelschap van
een lijk is niet zeer aangenaam.”--„Planchet!” zeide d’Artagnan, „ik
gelast u het lijk van dien armen duivel te bewaken en te zorgen, dat hij
in gewijde aarde begraven wordt. Het is waar, hij heeft een misdaad
bedreven, maar hij heeft er berouw over getoond.”--En de vier vrienden
verlieten de kamer, Planchet en Fourreau de zorg overlatende aan
Brisemont de laatste eer te bewijzen.
De kastelein gaf hun een andere kamer, waar men hun eieren in den dop
voorzette, en bronwater, dat Athos in persoon ging putten. Eenige
woorden waren genoeg om Porthos en Aramis met de gesteldheid van zaken
bekend te maken.
„Ziet gij wel,” zeide d’Artagnan tot Athos, „mijn waarde vriend! dat het
een strijd op leven en dood is.”--Athos schudde het hoofd.--„Ja, ik zie
het wel, maar gelooft gij dat zij het is?”--„Ik ben er zeker van.”--„Ik
moet u echter bekennen, dat ik nog twijfel.”--„Maar die lelie op den
schouder?”--„Zij zal een Engelsche wezen, die men in Frankrijk wegens
een door haar gepleegde misdaad zal hebben gebrandmerkt.”--„Athos! het
is uw vrouw, zeg ik u,” antwoordde d’Artagnan, „herinnert gij u dan
niet, hoe beide signalementen overeenkomen?”--„Ik meende echter, dat de
andere dood was; ik had haar zoo goed opgehangen.”
Nu was het d’Artagnan, die op zijn beurt het hoofd schudde.--„Maar wat
zullen wij eigenlijk beginnen?” vroeg hij.--„Inderdaad, wij kunnen niet
eeuwig met het zwaard boven ons hoofd blijven,” zeide Athos, „wij moeten
uit dien toestand zien te geraken. Maar hoe?”
„Luister,” antwoordde d’Artagnan, „tracht haar te ontmoeten, om een
verklaring met haar te hebben. Zeg haar: ‚Oorlog of vrede. Ik geef u
mijn woord van eer, nooit over u te spreken, nooit iets tegen u te doen.
Zweer mij van uw kant plechtig, onzijdig jegens mij te blijven; zoo
niet, dan vervoeg ik mij tot den kanselier, ik wend mij tot den koning,
ik ga den beul een bezoek brengen; ik zal het hof tegen u ophitsen en u
als een gebrandmerkte tentoonstellen; ik zal u doen veroordeelen; en
mocht men u vrijspreken, dan, dat zweer ik u op mijn woord van edelman,
dan zal ik u, achter den een of anderen straatpaal, als een razenden
hond doodschieten.’”
„Dat middel bevalt mij tamelijk wel, maar hoe haar te ontmoeten?”--„De
tijd, mijn waarde vriend, zal de gelegenheid medebrengen; de gelegenheid
is het geluk van den speler, hoe meer men heeft verloren, des te meer
wint men, wanneer men weet te wachten, omringd van moordenaars en
giftmengers....”--„Och!” zeide Athos, „God heeft ons tot heden behoed,
God zal ons nog langer behoeden.”--„Ja, wij, wij zijn in elk geval
mannen, en alles wel beschouwd, is het ons beroep ons leven te wagen;
maar zij....” voegde hij er half luid bij.--„Wie zij?” vroeg
Athos.--„Constance.”--„Juffrouw Bonacieux? O! het is waar ook,” zeide
Athos. „Arme vriend! ik vergat, dat gij verliefd zijt.”
„Wel, vrienden!” zeide Aramis; „hebt gij dan niet in den brief, die bij
den gesneuvelden ellendeling is gevonden, gezien, dat zij zich in een
klooster bevond? Men is zeer goed in een klooster, en zoodra het beleg
van _la Rochelle_ zal geëindigd zijn, beloof ik u, wat mij
betreft....”--„Goed,” zeide Athos, „goed. Ja, wij weten, goede Aramis!
wij weten, dat uw begeerten naar het godsdienstige haken.”--„Ik ben
slechts musketier _ad interim_,” zeide Aramis nederig.--„Het schijnt,
dat hij in langen tijd geen tijding van zijn minnares heeft ontvangen,”
zeide Athos zacht; „maar let er niet op, wij kennen dat.”--„Welnu,”
zeide Porthos, „ik geloof, dat er een zeer eenvoudig middel
is.”--„Welk?” vroeg d’Artagnan.--„Zij is in een klooster, zooals gij
zegt?” hernam Porthos.--„Ja.”--„Welnu, zoodra het beleg zal geëindigd
zijn, zullen wij haar uit dat klooster ontvoeren.”--„Maar men moet eerst
weten in welk klooster zij is.”--„Dat is waar,” zeide Porthos.--„Maar ik
herinner mij,” zeide Athos, „meent gij niet, waarde d’Artagnan, dat het
de koningin is, die dat klooster voor haar heeft gekozen?”--„Ja, ik
geloof het althans.”--„Wel, dan zal Porthos ons hierin kunnen
helpen.”--„Hoe dat, als ik u mag verzoeken?”--„Wel, door uw markiezin,
uw hertogin, uw prinses; deze moet lange armen hebben.”--„Stil!” zeide
Porthos, den vinger op zijn mond leggende; „ik geloof, dat zij
kardinaalsgezind is, zij mag niets weten.”--„Dan,” zeide Aramis, „belast
ik mij haar te vinden.”--„Gij, Aramis!” riepen de drie vrienden, „gij,
en hoe dat?”--„Door den aalmoezenier der koningin, van wien ik een zeer
goed vriend ben,” zeide Aramis blozende.
En op die verzekering scheidden de vier vrienden, die, na hun soberen
maaltijd geëindigd te hebben, afspraken elkander denzelfden avond weer
te zien. D’Artagnan keerde naar het Minderbroederklooster terug, en de
drie musketiers naar het hoofdkwartier des konings, waar zij hun
kwartieren hadden doen gereed maken.