Kapitein der gardes.”
„Duivelsch!” riep Athos uit, „ziedaar een meer verontrustende samenkomst
dan de andere.”--„Ik zal het tweede bezoek doen, na het eerste te hebben
afgelegd,” zeide d’Artagnan; „het eene is te zeven en het andere te acht
uur. Dus wij hebben den tijd voor beide.”--„Hm! ik zou niet gaan,” zeide
Aramis, „een fatsoenlijk ridder kan van een door een vrouw gegeven
samenkomst niet afzien; maar een voorzichtig edelman kan zich
verontschuldigen, zijn opwachting bij Zijne Eminentie te maken, vooral
wanneer hij reden heeft te gelooven, dat het niet is, om er
gelukwenschen te gaan ontvangen.”--„Ik ben van het gevoelen van Aramis,”
zeide Porthos.--„Heeren!” antwoordde d’Artagnan, „ik heb reeds door den
heer de Cavois een dergelijke uitnoodiging van Zijne Eminentie
ontvangen, ik heb daaraan niet voldaan, en den volgenden dag is mij een
groote ramp overkomen. Constance was verdwenen; wat er ook van moge
komen, ik ga.”--„Als gij er toe hebt besloten, doe het dan,” zeide
Athos.--„Maar de Bastille?” riep Aramis.--„Och! daar haalt gij mij wel
uit,” zeide d’Artagnan.--„Zeker,” hernamen Aramis en Porthos met een
bewonderenswaardig zelfvertrouwen en alsof het de eenvoudigste zaak der
wereld was; „zeker zullen wij er u uithalen. Maar intusschen, daar wij
overmorgen moeten vertrekken, zoudt gij beter doen u aan de Bastille
niet te wagen.”
„Laat ons het beter aanleggen,” stelde Athos voor, „verlaten wij hem den
geheelen avond niet meer; elk onzer zal hem aan een der deuren van het
paleis wachten, met drie musketiers achter zich. Zien wij dan een
gesloten koets er uit komen, die ons verdacht voorkomt, dan vallen wij
ze aan. Het is lang geleden, dat wij met de gardes van den kardinaal
niets te vereffenen hebben gehad en de heer de Tréville zal meenen, dat
wij dood zijn.”--„Ongetwijfeld, Athos!” zeide Aramis, „gij zijt
geschapen om veldheer te zijn. Wat zegt gij van het plan,
heeren?”--„Voortreffelijk!” riepen de jongelieden eenparig.--„Welnu,”
zeide Porthos, „dan zal ik naar het hotel ijlen en onze krijgsmakkers
verwittigen zich tegen acht uur gereed te houden; de samenkomst zal op
het plein van het kardinaals-paleis plaats hebben; geef gij intusschen
de lakeien bevel de paarden te zadelen.”--„Ik heb geen paard,” zeide
d’Artagnan; „maar ik zal er een van den heer de Tréville laten halen.”
„Dat is niet noodig,” hernam Aramis, „gij kunt een der mijne
krijgen.”--„Hoeveel hebt gij er dan?” vroeg d’Artagnan.--„Drie,”
antwoordde Aramis glimlachende.--„Mijn waarde!” zeide Athos, „gij zijt
waarschijnlijk de best betaalde dichter van geheel _Frankrijk_ en
_Navarre_. Luister, Aramis! gij weet zeker niet, wat gij met drie
paarden zult uitvoeren, niet waar? Ik begrijp zelfs niet eens om welke
reden gij drie paarden hebt gekocht?”--„Ik heb er slechts twee
gekocht.”--„Is dan het derde uit de wolken gevallen?”--„Neen; het derde
is mij heden morgen gebracht geworden door een knecht zonder livrei, die
mij niet wilde zeggen, van wien het kwam, maar mij verzekerde, het bevel
van zijn meester ontvangen te hebben....”--„Of van zijn meesteres,” viel
d’Artagnan in de rede.--„Dat doet niets ter zake,” zeide Aramis
blozende; „en die mij verzekerde, zeg ik, het bevel van zijn meester of
van zijn meesteres te hebben ontvangen, om dat paard in mijn stal te
brengen, zonder mij te zeggen van wien het kwam.”--„Alleen aan poëten
gebeuren dergelijke zaken,” hernam Athos ernstig.--„Welnu, dan zullen
wij iets beters doen,” zeide d’Artagnan. „Welk der twee paarden wilt gij
berijden? dat, wat gij gekocht, of dat, wat men u gegeven heeft?”--„Wel,
zonder twijfel dat, wat men mij heeft gegeven. Gij begrijpt wel,
d’Artagnan! dat ik zoo onbeleefd niet kan zijn....”--„Jegens den
onbekenden gever,” hernam d’Artagnan.--„Of jegens de geheimzinnige
geefster,” zeide Athos.--„Dat wat gij hebt gekocht wordt u dus tot
last?”--„Ten naasten bij.”--„Gij hebt het zelf gekozen?”--„En met de
meeste zorg; want gij weet, de zekerheid van den ruiter hangt bijna
altijd van zijn paard af.”--„Welnu, sta het mij dan af voor den prijs,
dien het u kost.”--„Ik wilde het u juist aanbieden, mijn waarde
d’Artagnan! u al den tijd latende, dien gij mocht noodig hebben, om mij
die kleinigheid terug te geven.”--„En hoeveel kost het u?”--„Achthonderd
franken.”--„Ziedaar veertig dubbele pistolen, mijn waarde vriend!” zeide
d’Artagnan, die som uit zijn zak halende; „ik weet, dat het de munt is,
waarmede men u uw dichtwerken betaalt.”--„Gij hebt dus geld?” vroeg
Aramis.--„Rijk, schatrijk, beste vriend!”--En d’Artagnan liet het
overschot van het geld in zijn zak klinken.--„Zend uw zadel naar het
hotel der musketiers, en men zal u uw paard met de onze hier
brengen.”--„Best, maar het is dra vijf uur.”--„Haasten wij ons.”
Een kwartieruurs later verscheen Porthos aan het einde der straat Férou
op een prachtigen hengst. Mousqueton volgde hem op een Auvergneesch
paard, klein, maar sterk. Porthos blonk van vreugd.
Tegelijkertijd verscheen Aramis aan het andere einde der straat op een
kostelijk Engelsch paard. Bazijn volgde hem op een Rouaansch paard en
hield bij den toom een sterken Mecklenburger, die voor d’Artagnan was
bestemd. Beide musketiers ontmoetten elkander voor de deur. Athos en
d’Artagnan zagen hen van uit het venster.
„Duivelsch!” zeide Aramis, „gij hebt daar een prachtig paard, mijn
waarde.”--„Ja,” antwoordde Porthos, „dat is dat, wat men mij dadelijk
had moeten zenden. Een ellendige grap van den echtgenoot had het andere
er voor in de plaats gesteld; maar de echtgenoot is er voor gestraft; ik
heb een volkomen genoegdoening verkregen.”
Nu verscheen Grimaud, bij den toom het paard van zijn meester leidende;
d’Artagnan en Athos gingen naar beneden, sprongen in den zadel, en de
vier vrienden begaven zich naar de kade; Athos op het paard, dat hij aan
zijn vrouw had te danken; Aramis op het paard, dat hij van zijn minnares
had ontvangen; Porthos op het paard, dat hij van de procureursvrouw had
gekregen; en d’Artagnan op het paard, dat hem zijn fortuin had bezorgd,
de beste van alle minnaressen. De lakeien volgden.
Zooals Porthos had gedacht, maakte de stoet een grootsche vertooning, en
indien mevrouw Coquenard op den weg van Porthos ware geweest, dan zou
zij hebben kunnen zien, hoe trotsch hij op zijn heerlijken Spaanschen
hengst zat, en zich niet hebben beklaagd over de bres in de geldkist van
haar man gemaakt.
Nabij het Louvre ontmoetten de vier vrienden den heer de Tréville, die
van _St. Germain_ terugkwam; hij hield hen staande, om hen over hun
uitrusting zijn kompliment te maken, hetgeen in een oogenblik eenige
honderden ledigloopers rondom hen lokte. D’Artagnan nam deze gelegenheid
waar, om den heer de Tréville over den brief met het roode hertogelijke
zegel te spreken. Het spreekt vanzelf, dat hij van het briefje niet
repte.
De heer de Tréville keurde het door hem genomen besluit goed en
verzekerde hem dat, indien hij den volgenden morgen niet zou zijn
teruggekomen, hij hem wel zou vinden, waar hij ook mocht wezen. Op dit
oogenblik sloeg het uurwerk der Samaritaine zes uur. De vier vrienden
verontschuldigden zich wegens een af te leggen bezoek en namen van den
heer de Tréville afscheid.
Een korte galop bracht hen op den weg van _Chaillot_. De avond begon te
vallen en rijtuigen reden heen en weer. D’Artagnan, op eenigen afstand
van zijn vrienden en door deze bewaakt, wierp zijn blikken in de
koetsen, maar bespeurde daarin niet één gezicht, dat hij kende.
Eindelijk, na een kwartieruurs wachten, en terwijl de avondschemering al
meer en meer zich uitbreidde, naderde een rijtuig in vollen galop, op
den weg van _Sèvres_. Een voorgevoel fluisterde d’Artagnan dadelijk in,
dat dit het rijtuig was, hetwelk de persoon bevatte, die hem een
samenkomst had bepaald. De jongeling verwonderde zich over het hevig
kloppen van zijn hart. Bijna onmiddellijk stak een vrouw het hoofd uit
het portier en legde twee vingers op haar mond, als om voorzichtigheid
aan te bevelen en tevens een kus te zenden.
D’Artagnan slaakte een flauwen vreugdekreet. Die vrouw, of liever die
verschijning,--want het rijtuig vloog als een schaduw voorbij,--was
juffrouw Bonacieux....
Door een onwillekeurige beweging en ondanks de hem gedane aanbeveling,
zette d’Artagnan zijn paard in galop, en in weinig sprongen bereikte hij
het rijtuig; maar de opening van het portier was geheel gesloten en de
verschijning verdwenen.
Toen eerst herinnerde zich d’Artagnan die aanbeveling: „Indien gij uw
leven en dat van hen, die u beminnen, liefhebt, blijf dan onbeweeglijk
alsof gij niets gezien hadt.” Hij bleef dus staan, bevende, niet voor
zich zelven, maar voor de arme vrouw, die blijkbaar aan een groot gevaar
was blootgesteld, door met hem een samenkomst af te spreken. Het rijtuig
vervolgde zijn weg met dezelfde snelheid, reed _Parijs_ in en verdween.
D’Artagnan was als vastgenageld op dezelfde plaats blijven staan, niet
wetende wat te denken. Indien het juffrouw Bonacieux was geweest en zij
naar _Parijs_ terugkeerde, waartoe dan die vluchtige samenkomst, die
eenvoudige oogwenk, die verloren kus? Indien, van den anderen kant, zij
het niet was geweest,--hetgeen ook mogelijk kon zijn, want de
avondschemering maakte een vergissing gemakkelijk;--indien zij het niet
was geweest, zou het dan niet het begin van een aanslag op zijn persoon
kunnen zijn, door de vrouw, voor welke men zijn liefde kende, als een
lokaas te doen dienen?
De drie vrienden naderden hem. Alle drie hadden duidelijk een
vrouwenhoofd door het portier zien verschijnen, maar geen hunner,
behalve Athos, kende juffrouw Bonacieux. De meening van Athos was
trouwens, dat zij het was geweest; maar minder dan d’Artagnan door dat
fraaie gezicht afgetrokken, had hij zich verbeeld een tweede hoofd, een
mannenhoofd in het rijtuig te zien.
„Als dat zoo is,” zeide d’Artagnan, „dan voeren zij haar van de eene
naar de andere gevangenis. Maar wat wil men dan toch van dat ongelukkige
schepsel, en hoe zal ik ooit mij met haar kunnen vereenigen?”--„Vriend!”
zeide Athos ernstig, „herinner u, dat de dooden de eenigen zijn, die men
niet is blootgesteld op aarde te ontmoeten. Gij weet hiervan zoowel als
ik te spreken, niet waar? Derhalve, is uw minnares niet dood, en is zij
het geweest, die wij hebben gezien, dan zult gij haar den een of anderen
dag wedervinden. En misschien, mijn God!” voegde hij er bij op dien
menschenhatenden toon, die hem eigen was, „misschien eer dan het u lief
is.”
Het sloeg half acht; ingevolge de afspraak had het rijtuig nu reeds een
twintigtal minuten daar moeten zijn. D’Artagnan’s vrienden herinnerden
hem, dat hij nog een bezoek had af te leggen, hem tevens doende
opmerken, dat het nog tijd was er van af te zien. Maar d’Artagnan was
stijfhoofdig en nieuwsgierig. Hij had eenmaal besloten, dat hij naar het
kardinaals-paleis zou gaan en weten, wat Zijne Eminentie hem te zeggen
had. Niets kon hem van besluit doen veranderen.
Men bereikte de straat St. Honoré en het kardinaals-paleis; men vond
daar de twaalf genoodigde musketiers die, al wandelende, hun
krijgsmakkers verbeidden. Slechts dáár gaf men hun kennis van hetgeen er
te doen was.
D’Artagnan was zeer goed bekend in het eervol korps van ’s konings
musketiers, waarin men wist, dat hij eenmaal een plaats zou vervullen,
zoodat men hem reeds als een kameraad beschouwde. Hiervan was het
gevolg, dat allen volkomen bereid waren den last te vervullen, waartoe
zij waren uitgenoodigd. Buitendien, het betrof, volgens alle
waarschijnlijkheid, den kardinaal en den zijnen een leelijken trek te
spelen, en voor dergelijke ondernemingen waren die waardige edellieden
steeds gereed.
Athos verdeelde hen in drie troepen, nam het bevel van den eenen troep
op zich en stelde Aramis en Porthos aan het hoofd van de beide andere,
en elke troep stelde zich in hinderlaag voor een der uitgangen.
D’Artagnan trad van zijn kant moedig den hoofdingang binnen.
Hoewel hij op de krachtdadige ondersteuning zijner vrienden vertrouwde,
was de jongeling echter niet zonder bekommering, toen hij voet voor voet
de breede trap opging. Zijn gedrag jegens milady had wel iets van
verraad, en hij geloofde bijna met zekerheid aan een staatkundige
gemeenzaamheid tusschen die vrouw en den kardinaal; te meer, de Wardes,
dien hij zoo deerlijk had gewond, was een der vertrouwelingen van den
kardinaal, en d’Artagnan wist dat, indien Zijne Eminentie vreeselijk
voor haar vijanden was, zij zeer aan haar vrienden was gehecht.
„Indien de Wardes de geheele toedracht onzer ontmoeting aan den
kardinaal heeft verhaald, waaraan niet te twijfelen is, en hij mij
herkend heeft, hetgeen waarschijnlijk is, moet ik mij zoo goed als voor
veroordeeld beschouwen,” zeide d’Artagnan bij zich zelven, het hoofd
schuddende. „Maar waarom heeft hij tot vandaag gewacht? Wel, dat is zeer
eenvoudig: milady zal zich over mij hebben beklaagd met die
huichelachtige smart, die haar zoo belangwekkend maakt, en die laatste
misdaad zal den kelk hebben doen overloopen. Gelukkig zijn mijn goede
vrienden waakzaam, en deze zullen niet, zonder mij te hulp te komen, mij
gevankelijk laten wegvoeren. Maar de kompagnie der musketiers van den
heer de Tréville kan niet alleen den oorlog tegen den kardinaal
volhouden, die over al de machten van _Frankrijk_ beschikt en voor wien
de koningin zonder macht, de koning zonder wil is. D’Artagnan! mijn
vriend! gij zijt dapper, gij zijt voorzichtig, gij bezit voortreffelijke
hoedanigheden, maar de vrouwen zullen u ten verderve strekken!”
Hij kwam tot dat treurig besluit, toen hij de voorkamer binnentrad.
Hij stelde zijn brief den dienstdoenden kamerbewaarder ter hand, die hem
in de receptiezaal geleidde en toen dieper het paleis binnenging. In de
zaal bevonden zich vijf of zes gardes van den kardinaal, die, d’Artagnan
herkennende en wetende dat hij het was, die Jussac had gekwetst, hem met
een zonderlingen glimlach beschouwden. Die glimlach was voor d’Artagnan
een slecht voorteeken; maar dewijl onzen Gaskonjer niet gemakkelijk
vrees aan te jagen was, of liever, dewijl hij, dank zij den nationalen
hoogmoed, zoo eigen aan zijn landslieden, niet spoedig liet zien wat er
in zijn ziel omging, vooral wanneer zulks naar vrees zweemde, bleef hij
trotsch voor de heeren gardes staan en wachtte met de hand op de heup en
in een houding, die van fierheid niet was ontbloot.
De kamerdienaar kwam weder binnen en wenkte d’Artagnan hem te volgen. De
jongeling meende, dat de gardes, toen zij hem zagen vertrekken, onder
elkander fluisterden. Hij ging door een gang, trad een zaal en
vervolgens de bibliotheek binnen, waar hij voor zich een man zag, die
aan een tafel zat te schrijven. De kamerbewaarder leidde hem binnen en
verwijderde zich zonder één woord te spreken.
D’Artagnan bleef staan en beschouwde dien man. Hij meende aanvankelijk
in hem een rechter te zien, die processtukken onderzocht; maar hij
bespeurde dra, dat de man schreef, of liever, regels van verschillende
lengte verbeterde, terwijl hij lettergrepen op zijn vingers telde; nu
zag hij, dat hij zich in de tegenwoordigheid eens dichters bevond.
Na verloop van een oogenblik sloeg de poëet zijn manuscript, op welks
omslag MIRAME, _Treurspel in vijf bedrijven_, stond geschreven, toe en
richtte het hoofd op.
D’Artagnan herkende den kardinaal.