Een bekoorlijke verschijning.
Op het bepaalde uur waren de vier vrienden bij Athos vereenigd. De zorg
over hun uitrusting was geheel verdwenen, geen gelaat droeg er meer de
kenteekenen van, doch slechts die van eigene en verborgene onrust;
immers onder elke vreugd is vrees voor de toekomst verborgen.
Eensklaps trad Planchet binnen, twee brieven voor d’Artagnan
medebrengende. De eene was een klein, net, langwerpig briefje verzegeld
met groen zegellak, waarop een duif met een olijftak stond geprent. De
andere was een groote vierkante brief, met het schitterende wapen van
den hertog-kardinaal verzegeld.
Op het zien van het kleine briefje sprong het hart van d’Artagnan in
zijn boezem op, want hij meende het schrift te kennen, en hoewel hij dat
schrift slechts eens had gezien, was de herinnering er van diep in zijn
hart gebleven. Hij nam het briefje en opende het haastig.
„Ga aanstaanden Woensdag,” behelsde het, „van zeven tot acht uur
des avonds, een wandeling langs den weg van _Chaillot_ doen, en zie
nauwkeurig in de koetsen, die u voorbij zullen rijden. Maar als gij
op uw eigen leven en op dat van hen, die u liefhebben, gesteld
zijt, maak dan niet de minste beweging, welke zou kunnen doen
gelooven, dat gij haar hebt herkend, die zich aan alles blootstelt
om u een oogenblik te zien.”
Geen handteekening.
„Dat is een valstrik, d’Artagnan,” zeide Athos, „ga niet.”--„Echter,”
zeide d’Artagnan, „meen ik het schrift te herkennen.”--„Dat kan
nagemaakt zijn,” hernam Athos; „te zeven of acht uur is thans de weg
naar _Chaillot_ volkomen eenzaam. Gij zoudt even verstandig doen in het
woud van _Bondy_ te gaan wandelen.”--„Maar indien wij allen gingen,”
merkte d’Artagnan op, „wat duivel! men zal ons vieren zoo gemakkelijk
niet verslinden, en dan nog vier lakeien, de paarden en de wapens; het
zou hen al te slecht bekomen.”--„Bovendien is het een gelegenheid om
onze uitrusting te vertoonen,” merkte Porthos op.--„En indien het een
vrouw is, die schrijft,” zeide Aramis, „en deze vrouw niet begeerde
gezien te worden, wees dan voorzichtig, d’Artagnan! haar in
ongelegenheid te brengen, hetgeen een edelman niet fraai zou
staan.”--„Wij zullen ons achteraf houden,” zeide Porthos, „en hij alleen
zal voorgaan.”--„Goed,” verklaarde Athos, „maar een pistoolschot is
spoedig gelost uit een koets, die snel voorbijrijdt.”--„Och,” zeide
d’Artagnan, „men zal mij niet treffen, en dan zullen wij de koets
aanvallen en hen, die er in zijn, verdelgen. Dat zal dan altijd zooveel
vijanden minder wezen.”--„Hij heeft gelijk,” riep Porthos uit, „welaan,
een gevecht; wij moeten buitendien onze wapens nog beproeven.”--„Wel ja,
laten wij ons dat pretje gunnen,” zeide Aramis op zachten en lossen
toon.--„Zooals gij wilt,” hernam Athos, „heeren, het is nu half vijf, en
nauwelijks kunnen wij tijdig genoeg op den weg van _Chaillot_
zijn.”--„Ook indien wij te laat vertrekken,” zeide Porthos, „zal men ons
niet zien, wat wel jammer zou zijn. Maken wij ons dus gereed, heeren!”
„Maar gij vergeet dien tweeden brief,” zeide Athos. „Ik meen echter, dat
het zegel genoeg aanduidt, dat hij wel verdient te worden opengebroken.
Wat mij betreft, ik verklaar, mijn waarde d’Artagnan, dat ik er meer aan
hecht, dan aan dat kleine reepje papier, hetwelk gij op uw hart drukt.”
D’Artagnan bloosde.--„Welnu, heeren!” zeide de jongeling, „zien wij
eens, wat Zijne Eminentie van ons begeert.”
D’Artagnan verbrak het zegel en las den brief:
„De heer d’Artagnan, garde des konings, bij de kompagnie des
Essarts, wordt heden avond te acht uur in het paleis verwacht.