Een vreeselijke gebeurtenis.
Richelieu zette den elleboog op zijn manuscript en liet de wang op zijn
hand rusten, terwijl hij d’Artagnan een oogenblik beschouwde. Geen oog
was doordringender dan dat van den kardinaal, en de jongeling voelde
zijn blik als een koortsachtige rilling door zijn aderen loopen.
Nochtans hield hij zich goed, en met den hoed in de hand wachtte hij,
zonder te veel trotschheid, ook niet met te veel nederigheid, de bevelen
van Zijne Eminentie.
„Mijnheer!” vroeg hem de kardinaal, „zijt gij zekere d’Artagnan, uit
_Bearn_?”--„Ja, Uwe Eminentie.”--„Er zijn verschillende geslachten
van d’Artagnans te _Tarbes_ en in de omstreken; tot welk behoort
gij?”--„Ik ben de zoon van hem, die met den grooten koning Hendrik,
den vader Zijner Genadige Majesteit, de godsdienst-oorlogen heeft
medegemaakt.”--„Dien bedoel ik.... Gij zijt, zeven of acht
maanden geleden, uit uw land vertrokken, om in de hoofdstad fortuin
te zoeken?”--„Ja, Uwe Eminentie!”--„Gij zijt langs _Meung_
gekomen, waar u iets is overkomen; ik weet niet juist wat, maar er
heeft toch iets plaats gehad?”--„Eminentie! zie hier wat mij is
overkomen....”--„Onnoodig, onnoodig!” hernam de kardinaal met een
glimlach, die bewees, dat hem de geschiedenis even goed bekend was als
hem, die ze wilde verhalen. „Gij waart den heer de Tréville aanbevolen,
niet waar?”--„Ja Eminentie! maar juist bij die ongelukkige ontmoeting te
_Meung_....”--„Is de aanbevelingsbrief verloren geraakt,” hernam Zijne
Eminentie; „ja, dat is mij bekend. De heer de Tréville is een goed
gelaatkundige, die de menschen op het eerste gezicht weet te schatten;
hij heeft u in de kompagnie van zijn schoonbroeder, den heer des
Essarts, doen aannemen, u de hoop gevende, vroeg of laat bij de
musketiers te worden ingelijfd?”--„Uwe Eminentie is volkomen goed
onderricht.”--„Sedert dien tijd is u nog al wat gebeurd. Gij zijt op
zekeren dag achter het Karthuiser-klooster gaan wandelen, terwijl het
beter ware geweest elders te zijn; vervolgens hebt gij met uw vrienden
een reisje naar de baden te _Forges_ gedaan. Zij zijn op weg
achtergebleven, maar gij hebt uw reis voortgezet. Dat is zeer
natuurlijk, want gij hadt in _Engeland_ zaken te doen.”--„Eminentie!”
zeide d’Artagnan, geheel ontroerd, „ik ging....”--„naar de jacht te
_Windsor_ of elders, dat raakt niemand. Ik weet het, omdat het mijn
beroep is, alles te weten. Bij uw terugkomst werdt gij door een
doorluchtig persoon ontvangen; en ik zie met genoegen, dat gij het
aandenken, hetwelk zij u heeft gegeven, bewaard hebt.”
D’Artagnan bracht de hand aan den diamant, dien hij van de koningin had
gekregen, en keerde haastig den steen naar binnen; maar het was te laat.
„Den dag daarna hebt gij het bezoek van den heer de Cavois ontvangen,
die u kwam verzoeken, aan het paleis te komen. Aan die uitnoodiging hebt
gij niet beantwoord, en gij hebt niet wel gedaan.”--„Ik vreesde mij het
ongenoegen Uwer Eminentie op den hals te hebben gehaald.”--„En waarom
dat, mijnheer? Omdat gij de bevelen uwer meerderen met meer moed en
beleid hadt uitgevoerd, dan een ander zou hebben gedaan? Mijn ongenade
op den hals halen, wanneer gij lof verdient? Het zijn de lieden, die
niet gehoorzamen, welke ik straf, en niet hen, die, zooals gij, te
goed.... gehoorzamen.... En om u te bewijzen, dat gij niet wel hebt
gedaan, behoeft gij u slechts den dag te herinneren, dat ik u liet
noodigen; herinner u, wat dienzelfden avond is voorgevallen.”
Het was op dienzelfden avond, dat juffrouw Bonacieux was ontvoerd
geworden. D’Artagnan beefde, en hij herinnerde zich, dat een half uur te
voren de arme vrouw hem was voorbijgereden, waarschijnlijk nog door
dezelfde macht voortgesleept, die haar had doen verdwijnen.
„Kortom,” ging de kardinaal voort, „dewijl ik sedert eenigen tijd niet
meer van u hoorde spreken, wilde ik weten, wat gij uitvoerdet.
Bovendien, gij zijt mij nog wel eenigen dank verschuldigd; immers, gij
moet gezien hebben, hoe men u bij alle gelegenheden heeft gespaard.”
D’Artagnan maakte een eerbiedige buiging.
„Zulks,” vervolgde de kardinaal, „ontsproot niet alleen uit een gevoel
van billijke rechtvaardigheid, maar nog meer ten gevolge van een plan,
dat ik te uwen aanzien had beraamd.”--D’Artagnan was al meer en meer
verwonderd.--„Ik wilde,” hernam de kardinaal, „u dat plan voorleggen op
den dag, toen gij mijn eerste uitnoodiging ontvingt; maar gij kwaamt
niet. Gelukkig is nog niets door dat uitstel verloren, en heden zult gij
mijn plan vernemen. Ga daar zitten, mijnheer d’Artagnan! gij zijt een te
goed edelman om staande naar mij te luisteren.”
En de kardinaal wees een stoel aan den jongeling, die zoozeer verwonderd
was over hetgeen er voorviel, dat hij, alvorens te gehoorzamen, een
tweeden wenk van Zijne Eminentie wachtte.
„Gij zijt moedig, mijnheer d’Artagnan!” ging de kardinaal voort, „en
daarbij voorzichtig, dat nog beter is. Ik, ik houd veel van stoutmoedige
en verstandige lieden. Wees niet bevreesd,” zeide hij glimlachende,
„onder stoutmoedige mannen versta ik mannen zooals gij; intusschen hebt
gij, hoe jong ook, en hoe kort geleden gij in de wereld verkeert,
vermogende vijanden. Indien gij niet voorzichtig zijt, zullen zij u ten
verderve brengen.”--„Helaas, Uwe Excellentie,” hernam de jongeling, „zij
zullen dit voorwaar gemakkelijk ten uitvoer kunnen brengen; want zij
zijn sterk en goed ondersteund, terwijl ik alleen ben.”--„Dat is waar;
maar alleen hebt gij echter reeds veel verricht, en gij zoudt nog meer
doen, hieraan twijfel ik niet. Echter geloof ik, dat gij een gids noodig
hebt in deze avontuurlijke loopbaan, die gij u gekozen hebt; want,
indien ik mij niet vergis, zijt gij te _Parijs_ gekomen met het
eerzuchtig oogmerk om fortuin te maken.”--„Ik ben in den ouderdom der
dwaze hoop, Excellentie!” zeide d’Artagnan.--„Alleen voor de dwazen
bestaat er een dwaze hoop, mijnheer! en gij zijt verstandig. Wel, wat
zoudt gij zeggen, indien ik u een vaandrigsplaats bij mijn gardes
aanbood, en een kompagnie na den veldtocht?”
„O, Excellentie!”--„Gij neemt aan, niet waar?”--„Eminentie!” hernam
d’Artagnan met een verlegene houding.--„Hoe, gij weigert?” riep de
kardinaal verwonderd.--„Ik behoor bij de gardes Zijner Majesteit,
Eminentie! en heb geen reden ontevreden te zijn.”--„Maar ik meen,” zeide
de kardinaal, „dat mijn garde ook die Zijner Majesteit is, en dat, in
welk corps men diene, men den koning dient.”--„Uwe Eminentie heeft mijn
woorden kwalijk verstaan.”--„Gij verlangt een voorwendsel, niet waar? Ik
begrijp zulks; maar gij hebt een voorwendsel. Het avancement, de
aanstaande veldtocht, de gelegenheid, die ik u aanbied, dat is voldoende
voor het oog der wereld; en wat u betreft, gij hebt een zekere
bescherming noodig. Want gij moet weten, mijnheer d’Artagnan! dat mij
ernstige klachten tegen u zijn ingebracht. Gij wijdt uw dagen en nachten
niet uitsluitend den dienst des konings.”--D’Artagnan bloosde.
„Overigens,” vervolgde de kardinaal, de hand op een pak papieren
leggende, „hier heb ik een verzameling van stukken, u betreffende. Maar
alvorens ze te lezen, heb ik met u eens willen praten. Ik weet, dat gij
iemand van een vasten wil zijt, terwijl uw diensten, goed geleid, u, in
plaats van tot nadeel, tot groot voordeel zouden strekken. Kom! overweeg
en neem een besluit.”--„Uw goedheid, Excellentie! maakt mij beschaamd,”
antwoordde d’Artagnan, „en ik erken in Uwe Eminentie een grootheid van
ziel, die mij als een aardworm zoo klein maakt; maar dewijl Uwe
Eminentie mij in ieder geval veroorlooft mij rondborstig te
verklaren....”--D’Artagnan zweeg.
„Ja, spreek!”--„Welnu, dan moet ik aan Uwe Eminentie zeggen, dat al mijn
vrienden tot de musketiers en de garde des konings behooren, en mijn
vijanden, door een onbegrijpelijke noodlottigheid, in den dienst Uwer
Eminentie zijn.... Ik zou dus hier zeer slecht ontvangen worden, indien
ik het aanbod Uwer Eminentie aannam.”--„Zoudt gij u reeds trotschelijk
verbeelden, dat ik u niet aanbied, wat gij waard zijt, mijnheer?” vroeg
de kardinaal met een verachtelijken glimlach.--„Uwe Eminentie is
honderdmaal te goed jegens mij, en integendeel, ik geloof nog niet
genoeg gedaan te hebben, om die goedheid te verdienen. Het beleg van _la
Rochelle_ is aanstaande, Excellentie! ik zal onder uw oogen dienen, en
indien ik het geluk heb, mij bij dat beleg derwijze te gedragen, van
door u te worden onderscheiden, welnu, dan zal ik ten minste de een of
andere kloekmoedige daad hebben verricht, de bescherming waardig,
waarmede gij mij wel wilt vereeren. Alles heeft zijn tijd. Later zal ik
misschien het recht hebben mij te geven, terwijl ik op dit oogenblik den
indruk zou wekken mij te verkoopen.”--„Hetgeen wil zeggen, dat gij
weigert in mijn dienst te gaan, mijnheer!” zeide de kardinaal spijtig,
hoewel eenig blijk van achting in zijn woorden doorstraalde. „Blijf dan
vrij, en getrouw aan uw haat en uw vriendschap.”--„Eminentie!....”--„Het
is wel,” zeide de kardinaal, „ik ben u niet vijandig, maar gij begrijpt:
men heeft genoeg te doen met zijn vrienden te verdedigen en te beloonen;
en aan zijn vijanden is men niets verschuldigd. En nochtans wil ik u een
raad geven: wees op uw hoede, d’Artagnan! want van het oogenblik, dat ik
mijn hand van u heb afgetrokken, geef ik geen oortje meer voor uw
leven.”--„Ik zal trachten, Eminentie!” antwoordde de Gaskonjer met
nederig zelfvertrouwen.--„Herinner u later, en op zeker oogenblik,
indien u een ongeluk mocht overkomen,” zeide Richelieu met opzet, „dat
ik het ben geweest, die u heb doen halen, en dat ik al het mogelijke heb
gedaan, om u voor dat ongeluk te behoeden.”--„Ik zal, wat er ook
gebeure,” zeide d’Artagnan, de hand op zijn hart leggende en zich
buigende, „steeds een eeuwige dankbaarheid voor Uwe Eminentie bewaren,
voor hetgeen zij op dit oogenblik wel jegens mij wil doen.”--„Welnu,
zooals gezegd is, wij zullen ons na den veldtocht weer ontmoeten. Mijn
blik zal op u gevestigd zijn, want ook ik zal daar wezen,” vervolgde de
kardinaal, terwijl hij met zijn vinger aan d’Artagnan een prachtige
wapenrusting toonde, die voor hem was bestemd. „En na onze
terugkomst, welnu, dan zullen wij afrekenen.”--„Ach, Eminentie!”
riep d’Artagnan, „spaar mij voor het gewicht uwer ongenade, blijf
onpartijdig, Uwe Excellentie! indien gij ziet, dat ik als een edelman
handel.”--„Jongeling!” zeide Richelieu, „indien ik u nogmaals datgene
kan zeggen, wat ik u heden zeide, dan beloof ik u zulks te doen.”
Die laatste woorden van Richelieu drukten een vreeselijken twijfel uit;
zij verschrikten d’Artagnan meer dan een bedreiging had kunnen doen,
want zij bevatten een waarschuwing. De kardinaal trachtte hem dus voor
een ongeluk te behoeden, dat hem bedreigde? Hij opende den mond, om te
antwoorden, maar met een trotschen wenk gaf de kardinaal hem zijn
afscheid.
D’Artagnan vertrok, maar aan de deur begon zijn moed hem te verlaten, en
hij was gereed naar binnen terug te keeren. Onderwijl verscheen hem het
ernstige en strenge gelaat van Athos voor den geest. Indien hij met den
kardinaal het verbond aanging, dat deze hem voorstelde, zou Athos hem de
hand niet meer toereiken, Athos zou hem als zijn vriend verloochenen.
Deze vrees weerhield hem. Zoo vermogend is de invloed van een waarlijk
groot karakter op alles, wat het omringt.
D’Artagnan ging dezelfde trap af, langs welke hij was opgekomen; voor de
deur vond hij Athos en de vier musketiers, die zijn terugkomst wachtten
en ongerust begonnen te worden. Met een enkel woord stelde d’Artagnan
hen gerust, terwijl Planchet de anderen ging berichten, dat het niet
meer noodig was langer de wacht te houden, daar zijn meester gezond en
wel uit het kardinaals-paleis was teruggekomen.
Bij Athos teruggekeerd, vroegen Aramis en Porthos naar de reden van die
zonderlinge uitnoodiging; maar d’Artagnan bepaalde zich er toe hun te
zeggen, dat Richelieu hem ontboden en hem een vaandrigsplaats in zijn
garde had willen geven, maar dat hij had geweigerd.
„En gij hebt gelijk!” riepen eenparig Porthos en Aramis.
Athos verzonk in een diepe mijmering en antwoordde niet. Maar toen hij
alleen met d’Artagnan was, zeide hij hem: „Gij hebt gedaan, wat gij
moest doen; doch wellicht hebt ge ongelijk gehad.”
D’Artagnan slaakte een zucht; want die stem paarde zich aan een geheime
stem zijner ziel, die hem toefluisterde, dat hij aan groote ongelukken
was blootgesteld.... De volgende dag ging voorbij in het maken van
toebereidselen voor het vertrek. D’Artagnan ging naar den heer de
Tréville, om afscheid te nemen. Op dat oogenblik meende men nog, dat de
scheiding der gardes en der musketiers slechts kortstondig zou zijn,
daar de koning denzelfden dag het parlement zou voorzitten en den
volgenden dag vertrekken. De heer de Tréville bepaalde zich dus, aan
d’Artagnan te vragen, of hij hem ook van dienst kon zijn; maar
d’Artagnan antwoordde fier, dat hij van alles was voorzien, wat hij
noodig had. Des nachts vereenigden zich al de krijgsmakkers van de
kompagnie der gardes van den heer des Essarts, en der kompagnie
musketiers van den heer de Tréville, die met elkander vriendschap
hielden. Men verliet elkander tot weerziens, wanneer en als het Gode
behaagde.
Het was dan ook, zooals men kan denken, een vrij ruwe nacht; want in
dergelijke omstandigheden kan men slechts de uiterste bezorgdheid door
een uiterste onverschilligheid verdringen. Den volgenden dag verlieten
de vrienden elkander op het eerste trompetgeschal; de musketiers begaven
zich naar het hotel van den heer de Tréville; de gardes naar dat van den
heer des Essarts. Elk der kapiteins voerde onmiddellijk hierop zijn
kompagnie naar het Louvre, waar de koning hen in oogenschouw zou nemen.
De koning was droefgeestig en scheen ongesteld te zijn, hetgeen hem in
gestalte kleiner deed schijnen. En inderdaad, den vorigen dag was hem de
koorts, te midden der zitting van het parlement dat hij voorzat,
overvallen. Hij had desniettemin besloten dienzelfden avond te
vertrekken, en ondanks de aanmerkingen, welke men had gedaan, had hij
het leger willen in oogenschouw nemen, in de hoop door een dadelijke
krachtsontwikkeling de ziekte te overwinnen, die zich van hem meester
maakte.
Toen de revue geëindigd was, namen de gardes alleen den tocht aan, daar
de musketiers met den koning zouden vertrekken, hetgeen Porthos
veroorloofde in zijn schitterende uitrusting een wandeling te paard naar
de Berenstraat te doen.
De procureursvrouw zag hem voorbijrijden in zijn nieuwe uniform en op
zijn fraai paard gezeten. Zij beminde Porthos te veel, om hem zóó te
laten vertrekken, en wenkte hem af te stijgen en in huis te komen.
Porthos was prachtig: zijn sporen klonken, zijn harnas blonk, en zijn
zwaard sloeg kletterend tegen zijn beenen. Nu hadden de klerken niet den
minsten lachlust, zoozeer zag Porthos er als een koppenhakker uit.
De musketier werd bij den heer Coquenard binnengeleid, wiens kleine
oogen van woede fonkelden, zijn gewaanden neef zoo blinkend te zien;
echter troostte hem iets inwendigs: immers men zeide algemeen, dat de
veldtocht ruw zou zijn, hij hoopte derhalve van harte, dat Porthos mocht
sneuvelen.
Porthos maakte meester Coquenard zijn kompliment en nam van hem
afscheid. Meester Coquenard wenschte hem allerlei soort van voorspoed.
Wat mevrouw Coquenard betrof, deze kon haar tranen niet weerhouden, maar
men gaf niet de minste kwade uitlegging aan haar smart, men wist, dat
zij aan haar bloedverwanten zeer was gehecht, welke teergevoeligheid de
aanleiding was tot voortdurenden twist met haar echtgenoot. Zoo lang de
procureursvrouw haar schoonen neef met haar oogen kon volgen, wuifde zij
met een zakdoek, zich uit het venster zoover voorover buigende, dat zij
gevaar liep er uit te vallen. Porthos ontving al haar bewijzen van
teederheid als iemand, die aan dergelijke betuigingen gewoon is. Alleen
toen hij om den hoek der straat verdween, lichtte hij den hoed op en
wuifde er mede ten teeken van afscheid.
Aramis schreef een langen brief. Aan wien? Niemand wist het. In de
aangrenzende kamer wachtte Ketty, die nog dienzelfden dag naar _Tours_
moest vertrekken, op dien geheimzinnigen brief. Athos dronk met kleine
teugen de laatste flesch van zijn Spaanschen wijn.
Onderwijl toog d’Artagnan met zijn kompagnie voort. In de voorstad
_Saint Antoine_ gekomen, wendde hij het hoofd om, lachend de Bastille
beschouwende, die hij tot hiertoe ontkomen was. Daar het alleen de
Bastille was, waarop hij zijn oog vestigde, zag hij milady niet, die, op
een Isabelkleurig paard gezeten, hem aan twee mannen van een zeer slecht
voorkomen aanwees, welke mannen onmiddellijk de gelederen naderden, om
hem van dichtbij te zien. Op een vragenden blik, dien zij op milady
wierpen, antwoordde deze met een bevestigend knikje, dat hij het was.
Toen, verzekerd dat er geen vergissing in de uitvoering harer bevelen
kon plaats hebben, reed zij spoorslags heen.
Beide mannen volgden toen de kompagnie, en de voorstad _St. Antoine_
verlatende, sprongen zij op twee gezadelde paarden, welke een hen
wachtende knecht zonder livrei bij den toom hield.