HOOFDSTUK IX.

Een vreeselijke gebeurtenis.

Richelieu zette den elleboog op zijn manuscript en liet de wang op zijn

hand rusten, terwijl hij d’Artagnan een oogenblik beschouwde. Geen oog

was doordringender dan dat van den kardinaal, en de jongeling voelde

zijn blik als een koortsachtige rilling door zijn aderen loopen.

Nochtans hield hij zich goed, en met den hoed in de hand wachtte hij,

zonder te veel trotschheid, ook niet met te veel nederigheid, de bevelen

van Zijne Eminentie.

„Mijnheer!” vroeg hem de kardinaal, „zijt gij zekere d’Artagnan, uit

_Bearn_?”--„Ja, Uwe Eminentie.”--„Er zijn verschillende geslachten

van d’Artagnans te _Tarbes_ en in de omstreken; tot welk behoort

gij?”--„Ik ben de zoon van hem, die met den grooten koning Hendrik,

den vader Zijner Genadige Majesteit, de godsdienst-oorlogen heeft

medegemaakt.”--„Dien bedoel ik.... Gij zijt, zeven of acht

maanden geleden, uit uw land vertrokken, om in de hoofdstad fortuin

te zoeken?”--„Ja, Uwe Eminentie!”--„Gij zijt langs _Meung_

gekomen, waar u iets is overkomen; ik weet niet juist wat, maar er

heeft toch iets plaats gehad?”--„Eminentie! zie hier wat mij is

overkomen....”--„Onnoodig, onnoodig!” hernam de kardinaal met een

glimlach, die bewees, dat hem de geschiedenis even goed bekend was als

hem, die ze wilde verhalen. „Gij waart den heer de Tréville aanbevolen,

niet waar?”--„Ja Eminentie! maar juist bij die ongelukkige ontmoeting te

_Meung_....”--„Is de aanbevelingsbrief verloren geraakt,” hernam Zijne

Eminentie; „ja, dat is mij bekend. De heer de Tréville is een goed

gelaatkundige, die de menschen op het eerste gezicht weet te schatten;

hij heeft u in de kompagnie van zijn schoonbroeder, den heer des

Essarts, doen aannemen, u de hoop gevende, vroeg of laat bij de

musketiers te worden ingelijfd?”--„Uwe Eminentie is volkomen goed

onderricht.”--„Sedert dien tijd is u nog al wat gebeurd. Gij zijt op

zekeren dag achter het Karthuiser-klooster gaan wandelen, terwijl het

beter ware geweest elders te zijn; vervolgens hebt gij met uw vrienden

een reisje naar de baden te _Forges_ gedaan. Zij zijn op weg

achtergebleven, maar gij hebt uw reis voortgezet. Dat is zeer

natuurlijk, want gij hadt in _Engeland_ zaken te doen.”--„Eminentie!”

zeide d’Artagnan, geheel ontroerd, „ik ging....”--„naar de jacht te

_Windsor_ of elders, dat raakt niemand. Ik weet het, omdat het mijn

beroep is, alles te weten. Bij uw terugkomst werdt gij door een

doorluchtig persoon ontvangen; en ik zie met genoegen, dat gij het

aandenken, hetwelk zij u heeft gegeven, bewaard hebt.”

D’Artagnan bracht de hand aan den diamant, dien hij van de koningin had

gekregen, en keerde haastig den steen naar binnen; maar het was te laat.

„Den dag daarna hebt gij het bezoek van den heer de Cavois ontvangen,

die u kwam verzoeken, aan het paleis te komen. Aan die uitnoodiging hebt

gij niet beantwoord, en gij hebt niet wel gedaan.”--„Ik vreesde mij het

ongenoegen Uwer Eminentie op den hals te hebben gehaald.”--„En waarom

dat, mijnheer? Omdat gij de bevelen uwer meerderen met meer moed en

beleid hadt uitgevoerd, dan een ander zou hebben gedaan? Mijn ongenade

op den hals halen, wanneer gij lof verdient? Het zijn de lieden, die

niet gehoorzamen, welke ik straf, en niet hen, die, zooals gij, te

goed.... gehoorzamen.... En om u te bewijzen, dat gij niet wel hebt

gedaan, behoeft gij u slechts den dag te herinneren, dat ik u liet

noodigen; herinner u, wat dienzelfden avond is voorgevallen.”

Het was op dienzelfden avond, dat juffrouw Bonacieux was ontvoerd

geworden. D’Artagnan beefde, en hij herinnerde zich, dat een half uur te

voren de arme vrouw hem was voorbijgereden, waarschijnlijk nog door

dezelfde macht voortgesleept, die haar had doen verdwijnen.

„Kortom,” ging de kardinaal voort, „dewijl ik sedert eenigen tijd niet

meer van u hoorde spreken, wilde ik weten, wat gij uitvoerdet.

Bovendien, gij zijt mij nog wel eenigen dank verschuldigd; immers, gij

moet gezien hebben, hoe men u bij alle gelegenheden heeft gespaard.”

D’Artagnan maakte een eerbiedige buiging.

„Zulks,” vervolgde de kardinaal, „ontsproot niet alleen uit een gevoel

van billijke rechtvaardigheid, maar nog meer ten gevolge van een plan,

dat ik te uwen aanzien had beraamd.”--D’Artagnan was al meer en meer

verwonderd.--„Ik wilde,” hernam de kardinaal, „u dat plan voorleggen op

den dag, toen gij mijn eerste uitnoodiging ontvingt; maar gij kwaamt

niet. Gelukkig is nog niets door dat uitstel verloren, en heden zult gij

mijn plan vernemen. Ga daar zitten, mijnheer d’Artagnan! gij zijt een te

goed edelman om staande naar mij te luisteren.”

En de kardinaal wees een stoel aan den jongeling, die zoozeer verwonderd

was over hetgeen er voorviel, dat hij, alvorens te gehoorzamen, een

tweeden wenk van Zijne Eminentie wachtte.

„Gij zijt moedig, mijnheer d’Artagnan!” ging de kardinaal voort, „en

daarbij voorzichtig, dat nog beter is. Ik, ik houd veel van stoutmoedige

en verstandige lieden. Wees niet bevreesd,” zeide hij glimlachende,

„onder stoutmoedige mannen versta ik mannen zooals gij; intusschen hebt

gij, hoe jong ook, en hoe kort geleden gij in de wereld verkeert,

vermogende vijanden. Indien gij niet voorzichtig zijt, zullen zij u ten

verderve brengen.”--„Helaas, Uwe Excellentie,” hernam de jongeling, „zij

zullen dit voorwaar gemakkelijk ten uitvoer kunnen brengen; want zij

zijn sterk en goed ondersteund, terwijl ik alleen ben.”--„Dat is waar;

maar alleen hebt gij echter reeds veel verricht, en gij zoudt nog meer

doen, hieraan twijfel ik niet. Echter geloof ik, dat gij een gids noodig

hebt in deze avontuurlijke loopbaan, die gij u gekozen hebt; want,

indien ik mij niet vergis, zijt gij te _Parijs_ gekomen met het

eerzuchtig oogmerk om fortuin te maken.”--„Ik ben in den ouderdom der

dwaze hoop, Excellentie!” zeide d’Artagnan.--„Alleen voor de dwazen

bestaat er een dwaze hoop, mijnheer! en gij zijt verstandig. Wel, wat

zoudt gij zeggen, indien ik u een vaandrigsplaats bij mijn gardes

aanbood, en een kompagnie na den veldtocht?”

„O, Excellentie!”--„Gij neemt aan, niet waar?”--„Eminentie!” hernam

d’Artagnan met een verlegene houding.--„Hoe, gij weigert?” riep de

kardinaal verwonderd.--„Ik behoor bij de gardes Zijner Majesteit,

Eminentie! en heb geen reden ontevreden te zijn.”--„Maar ik meen,” zeide

de kardinaal, „dat mijn garde ook die Zijner Majesteit is, en dat, in

welk corps men diene, men den koning dient.”--„Uwe Eminentie heeft mijn

woorden kwalijk verstaan.”--„Gij verlangt een voorwendsel, niet waar? Ik

begrijp zulks; maar gij hebt een voorwendsel. Het avancement, de

aanstaande veldtocht, de gelegenheid, die ik u aanbied, dat is voldoende

voor het oog der wereld; en wat u betreft, gij hebt een zekere

bescherming noodig. Want gij moet weten, mijnheer d’Artagnan! dat mij

ernstige klachten tegen u zijn ingebracht. Gij wijdt uw dagen en nachten

niet uitsluitend den dienst des konings.”--D’Artagnan bloosde.

„Overigens,” vervolgde de kardinaal, de hand op een pak papieren

leggende, „hier heb ik een verzameling van stukken, u betreffende. Maar

alvorens ze te lezen, heb ik met u eens willen praten. Ik weet, dat gij

iemand van een vasten wil zijt, terwijl uw diensten, goed geleid, u, in

plaats van tot nadeel, tot groot voordeel zouden strekken. Kom! overweeg

en neem een besluit.”--„Uw goedheid, Excellentie! maakt mij beschaamd,”

antwoordde d’Artagnan, „en ik erken in Uwe Eminentie een grootheid van

ziel, die mij als een aardworm zoo klein maakt; maar dewijl Uwe

Eminentie mij in ieder geval veroorlooft mij rondborstig te

verklaren....”--D’Artagnan zweeg.

„Ja, spreek!”--„Welnu, dan moet ik aan Uwe Eminentie zeggen, dat al mijn

vrienden tot de musketiers en de garde des konings behooren, en mijn

vijanden, door een onbegrijpelijke noodlottigheid, in den dienst Uwer

Eminentie zijn.... Ik zou dus hier zeer slecht ontvangen worden, indien

ik het aanbod Uwer Eminentie aannam.”--„Zoudt gij u reeds trotschelijk

verbeelden, dat ik u niet aanbied, wat gij waard zijt, mijnheer?” vroeg

de kardinaal met een verachtelijken glimlach.--„Uwe Eminentie is

honderdmaal te goed jegens mij, en integendeel, ik geloof nog niet

genoeg gedaan te hebben, om die goedheid te verdienen. Het beleg van _la

Rochelle_ is aanstaande, Excellentie! ik zal onder uw oogen dienen, en

indien ik het geluk heb, mij bij dat beleg derwijze te gedragen, van

door u te worden onderscheiden, welnu, dan zal ik ten minste de een of

andere kloekmoedige daad hebben verricht, de bescherming waardig,

waarmede gij mij wel wilt vereeren. Alles heeft zijn tijd. Later zal ik

misschien het recht hebben mij te geven, terwijl ik op dit oogenblik den

indruk zou wekken mij te verkoopen.”--„Hetgeen wil zeggen, dat gij

weigert in mijn dienst te gaan, mijnheer!” zeide de kardinaal spijtig,

hoewel eenig blijk van achting in zijn woorden doorstraalde. „Blijf dan

vrij, en getrouw aan uw haat en uw vriendschap.”--„Eminentie!....”--„Het

is wel,” zeide de kardinaal, „ik ben u niet vijandig, maar gij begrijpt:

men heeft genoeg te doen met zijn vrienden te verdedigen en te beloonen;

en aan zijn vijanden is men niets verschuldigd. En nochtans wil ik u een

raad geven: wees op uw hoede, d’Artagnan! want van het oogenblik, dat ik

mijn hand van u heb afgetrokken, geef ik geen oortje meer voor uw

leven.”--„Ik zal trachten, Eminentie!” antwoordde de Gaskonjer met

nederig zelfvertrouwen.--„Herinner u later, en op zeker oogenblik,

indien u een ongeluk mocht overkomen,” zeide Richelieu met opzet, „dat

ik het ben geweest, die u heb doen halen, en dat ik al het mogelijke heb

gedaan, om u voor dat ongeluk te behoeden.”--„Ik zal, wat er ook

gebeure,” zeide d’Artagnan, de hand op zijn hart leggende en zich

buigende, „steeds een eeuwige dankbaarheid voor Uwe Eminentie bewaren,

voor hetgeen zij op dit oogenblik wel jegens mij wil doen.”--„Welnu,

zooals gezegd is, wij zullen ons na den veldtocht weer ontmoeten. Mijn

blik zal op u gevestigd zijn, want ook ik zal daar wezen,” vervolgde de

kardinaal, terwijl hij met zijn vinger aan d’Artagnan een prachtige

wapenrusting toonde, die voor hem was bestemd. „En na onze

terugkomst, welnu, dan zullen wij afrekenen.”--„Ach, Eminentie!”

riep d’Artagnan, „spaar mij voor het gewicht uwer ongenade, blijf

onpartijdig, Uwe Excellentie! indien gij ziet, dat ik als een edelman

handel.”--„Jongeling!” zeide Richelieu, „indien ik u nogmaals datgene

kan zeggen, wat ik u heden zeide, dan beloof ik u zulks te doen.”

Die laatste woorden van Richelieu drukten een vreeselijken twijfel uit;

zij verschrikten d’Artagnan meer dan een bedreiging had kunnen doen,

want zij bevatten een waarschuwing. De kardinaal trachtte hem dus voor

een ongeluk te behoeden, dat hem bedreigde? Hij opende den mond, om te

antwoorden, maar met een trotschen wenk gaf de kardinaal hem zijn

afscheid.

D’Artagnan vertrok, maar aan de deur begon zijn moed hem te verlaten, en

hij was gereed naar binnen terug te keeren. Onderwijl verscheen hem het

ernstige en strenge gelaat van Athos voor den geest. Indien hij met den

kardinaal het verbond aanging, dat deze hem voorstelde, zou Athos hem de

hand niet meer toereiken, Athos zou hem als zijn vriend verloochenen.

Deze vrees weerhield hem. Zoo vermogend is de invloed van een waarlijk

groot karakter op alles, wat het omringt.

D’Artagnan ging dezelfde trap af, langs welke hij was opgekomen; voor de

deur vond hij Athos en de vier musketiers, die zijn terugkomst wachtten

en ongerust begonnen te worden. Met een enkel woord stelde d’Artagnan

hen gerust, terwijl Planchet de anderen ging berichten, dat het niet

meer noodig was langer de wacht te houden, daar zijn meester gezond en

wel uit het kardinaals-paleis was teruggekomen.

Bij Athos teruggekeerd, vroegen Aramis en Porthos naar de reden van die

zonderlinge uitnoodiging; maar d’Artagnan bepaalde zich er toe hun te

zeggen, dat Richelieu hem ontboden en hem een vaandrigsplaats in zijn

garde had willen geven, maar dat hij had geweigerd.

„En gij hebt gelijk!” riepen eenparig Porthos en Aramis.

Athos verzonk in een diepe mijmering en antwoordde niet. Maar toen hij

alleen met d’Artagnan was, zeide hij hem: „Gij hebt gedaan, wat gij

moest doen; doch wellicht hebt ge ongelijk gehad.”

D’Artagnan slaakte een zucht; want die stem paarde zich aan een geheime

stem zijner ziel, die hem toefluisterde, dat hij aan groote ongelukken

was blootgesteld.... De volgende dag ging voorbij in het maken van

toebereidselen voor het vertrek. D’Artagnan ging naar den heer de

Tréville, om afscheid te nemen. Op dat oogenblik meende men nog, dat de

scheiding der gardes en der musketiers slechts kortstondig zou zijn,

daar de koning denzelfden dag het parlement zou voorzitten en den

volgenden dag vertrekken. De heer de Tréville bepaalde zich dus, aan

d’Artagnan te vragen, of hij hem ook van dienst kon zijn; maar

d’Artagnan antwoordde fier, dat hij van alles was voorzien, wat hij

noodig had. Des nachts vereenigden zich al de krijgsmakkers van de

kompagnie der gardes van den heer des Essarts, en der kompagnie

musketiers van den heer de Tréville, die met elkander vriendschap

hielden. Men verliet elkander tot weerziens, wanneer en als het Gode

behaagde.

Het was dan ook, zooals men kan denken, een vrij ruwe nacht; want in

dergelijke omstandigheden kan men slechts de uiterste bezorgdheid door

een uiterste onverschilligheid verdringen. Den volgenden dag verlieten

de vrienden elkander op het eerste trompetgeschal; de musketiers begaven

zich naar het hotel van den heer de Tréville; de gardes naar dat van den

heer des Essarts. Elk der kapiteins voerde onmiddellijk hierop zijn

kompagnie naar het Louvre, waar de koning hen in oogenschouw zou nemen.

De koning was droefgeestig en scheen ongesteld te zijn, hetgeen hem in

gestalte kleiner deed schijnen. En inderdaad, den vorigen dag was hem de

koorts, te midden der zitting van het parlement dat hij voorzat,

overvallen. Hij had desniettemin besloten dienzelfden avond te

vertrekken, en ondanks de aanmerkingen, welke men had gedaan, had hij

het leger willen in oogenschouw nemen, in de hoop door een dadelijke

krachtsontwikkeling de ziekte te overwinnen, die zich van hem meester

maakte.

Toen de revue geëindigd was, namen de gardes alleen den tocht aan, daar

de musketiers met den koning zouden vertrekken, hetgeen Porthos

veroorloofde in zijn schitterende uitrusting een wandeling te paard naar

de Berenstraat te doen.

De procureursvrouw zag hem voorbijrijden in zijn nieuwe uniform en op

zijn fraai paard gezeten. Zij beminde Porthos te veel, om hem zóó te

laten vertrekken, en wenkte hem af te stijgen en in huis te komen.

Porthos was prachtig: zijn sporen klonken, zijn harnas blonk, en zijn

zwaard sloeg kletterend tegen zijn beenen. Nu hadden de klerken niet den

minsten lachlust, zoozeer zag Porthos er als een koppenhakker uit.

De musketier werd bij den heer Coquenard binnengeleid, wiens kleine

oogen van woede fonkelden, zijn gewaanden neef zoo blinkend te zien;

echter troostte hem iets inwendigs: immers men zeide algemeen, dat de

veldtocht ruw zou zijn, hij hoopte derhalve van harte, dat Porthos mocht

sneuvelen.

Porthos maakte meester Coquenard zijn kompliment en nam van hem

afscheid. Meester Coquenard wenschte hem allerlei soort van voorspoed.

Wat mevrouw Coquenard betrof, deze kon haar tranen niet weerhouden, maar

men gaf niet de minste kwade uitlegging aan haar smart, men wist, dat

zij aan haar bloedverwanten zeer was gehecht, welke teergevoeligheid de

aanleiding was tot voortdurenden twist met haar echtgenoot. Zoo lang de

procureursvrouw haar schoonen neef met haar oogen kon volgen, wuifde zij

met een zakdoek, zich uit het venster zoover voorover buigende, dat zij

gevaar liep er uit te vallen. Porthos ontving al haar bewijzen van

teederheid als iemand, die aan dergelijke betuigingen gewoon is. Alleen

toen hij om den hoek der straat verdween, lichtte hij den hoed op en

wuifde er mede ten teeken van afscheid.

Aramis schreef een langen brief. Aan wien? Niemand wist het. In de

aangrenzende kamer wachtte Ketty, die nog dienzelfden dag naar _Tours_

moest vertrekken, op dien geheimzinnigen brief. Athos dronk met kleine

teugen de laatste flesch van zijn Spaanschen wijn.

Onderwijl toog d’Artagnan met zijn kompagnie voort. In de voorstad

_Saint Antoine_ gekomen, wendde hij het hoofd om, lachend de Bastille

beschouwende, die hij tot hiertoe ontkomen was. Daar het alleen de

Bastille was, waarop hij zijn oog vestigde, zag hij milady niet, die, op

een Isabelkleurig paard gezeten, hem aan twee mannen van een zeer slecht

voorkomen aanwees, welke mannen onmiddellijk de gelederen naderden, om

hem van dichtbij te zien. Op een vragenden blik, dien zij op milady

wierpen, antwoordde deze met een bevestigend knikje, dat hij het was.

Toen, verzekerd dat er geen vergissing in de uitvoering harer bevelen

kon plaats hebben, reed zij spoorslags heen.

Beide mannen volgden toen de kompagnie, en de voorstad _St. Antoine_

verlatende, sprongen zij op twee gezadelde paarden, welke een hen

wachtende knecht zonder livrei bij den toom hield.

De Drie Musketiers dl. I en II · 第 59 / 93 题