Hoe, zonder eenige moeite te doen, Athos aan zijn uitrusting kwam.
D’Artagnan was zoo ontsteld, dat hij, zonder zich om Ketty te
bekommeren, al loopende, de helft van _Parijs_ doorsnelde, en niet eer
dan voor de deur van Athos bleef staan. De verwarring van zijn geest, de
schrik, die hem voortjoeg, het geschreeuw van eenige patrouilles, die
hem vervolgden, deden hem nog harder loopen. Hij ging de binnenplaats
over, klom de twee verdiepingen hooge trap van Athos op en sloeg op de
deur, alsof hij alles wilde verbrijzelen.
Grimaud deed open met door slaap opgezwollen oogen. D’Artagnan snelde de
voorkamer zoo driftig binnen, dat hij hem bijna omverwierp. Ondanks de
gewone stomheid van Grimaud, kreeg hij nu echter de spraak weder.--Op
het gezicht van den blooten degen, dien d’Artagnan in de hand hield,
meende de knecht, dat hij met een of anderen moordenaar had te doen.
„Help! help!” riep hij.--„Zwijg, ongeluk!” zeide de jongeling,
„ik ben d’Artagnan.... Herkent gij mij niet? Waar is uw meester?”--„Zijt
gij het, mijnheer d’Artagnan?” riep Grimaud verschrikt,
„onmogelijk!”--„Grimaud!” zeide Athos, uit zijn kamer komende, „ik
geloof, dat gij u veroorlooft te spreken?”--„Ach, mijnheer! het is
omdat....”--„Stilte!”
Grimaud bepaalde zich toen er toe, d’Artagnan met den vinger zijn
meester aan te wijzen. Athos, hoe koel ook anders, barstte in een luid
gelach uit, waartoe het ontstelde gezicht van zijn jeugdigen vriend hem
genoeg reden gaf.
„Lach niet, mijn vriend!” zeide d’Artagnan, „bij den hemel, lach niet,
want bij mijn ziel, ik zeg het u, er is geen reden om te lachen.”--En
hij sprak deze woorden op een zoo plechtigen en waarlijk angstigen toon
uit, dat Athos dadelijk zijn handen vatte, uitroepende: „Zijt gij
gekwetst, mijn vriend? gij zijt zeer bleek.”--„Neen, maar er is mij iets
vreeselijks gebeurd. Zijt gij alleen, Athos?”--„_Pardieu_! wie zoudt gij
denken, dat op dit uur bij mij zou kunnen zijn?”--„Goed, goed!”--En
d’Artagnan stormde de kamer van Athos binnen.
„Welnu, spreek!” zeide deze, de deur sluitende en de grendels er op
schuivende, om niet gestoord te worden. „Is de koning dood? Hebt gij den
kardinaal vermoord? Gij zijt geheel ontsteld, kom, spreek, want ik ben
doodelijk ongerust.”
„Athos!” antwoordde d’Artagnan, „bereid u voor een ongelooflijke,
ongehoorde geschiedenis te hooren.”--„Spreek dan,” zeide
Athos.--„Welnu,” ging d’Artagnan voort, het oor van Athos naderende en
hem zacht influisterende: „Milady is met een lelie op den schouder
gebrandmerkt.”--„Ai!” liet de musketier hooren, alsof een kogel hem het
hart had doorboord.
„En nu,” zeide d’Artagnan, „zijt gij wel zeker, dat de andere wezenlijk
dood is?”--„De _andere_!” herhaalde Athos met een gesmoorde stem, zoodat
d’Artagnan hem nauwelijks verstond.--„Ja, die, van wie gij mij op
zekeren dag te _Amiëns_ spraakt.”--Athos slaakte een zucht en liet
zijn hoofd in zijn handen zinken.--„Deze is een vrouw,” vervolgde
d’Artagnan, „van zes- tot acht en twintig jaar.”--„Blond?” vroeg
Athos.--„Ja.”--„Heldere, blauwe oogen, zonderling van helderheid, met
zwarte wenkbrauwen en oogharen?”--„Ja.”--„Groot en welgevormd? haar
ontbreekt een tand naast den linker oogtand?”--„Ja.”--„De lelie is
klein, rosachtig en bijna uitgewischt door lagen van blanketsel,
waarmede zij die dekt?”--„Ja.”--„Gij zegt nochtans, dat de vrouw een
Engelsche is?”--„Men noemt haar milady, maar zij kan desniettemin een
Fransche zijn, lord de Winter is slechts haar schoonbroeder.”
„Ik wil haar zien,” zeide Athos.--„Wees op uw hoede, Athos! wees op uw
hoede, gij hebt haar willen om het leven brengen, en zij is een vrouw om
het u betaald te zetten en niet te falen.”--„Zij zal niets durven
openbaren, want dan maakt zij zich bekend.”--„Zij is tot alles in staat;
hebt gij haar ooit in woede gezien?”--„Neen,” zeide Athos.--„Dan is zij
als een tijger, als een panter. Ach, mijn waarde Athos! ik vrees zeer,
ons beiden een verschrikkelijke wraak op den hals te hebben
gehaald.”--D’Artagnan verhaalde toen alles: de ontembare woede van
milady en haar moordbedreigingen.
„Gij hebt gelijk, mijn leven hangt aan een haar,” zeide Athos. „Gelukkig
verlaten wij overmorgen _Parijs_, volgens alle waarschijnlijkheid gaan
wij naar _la Rochelle_, en eenmaal vertrokken....”--„Zij zal u tot het
einde der wereld vervolgen, Athos! indien zij u herkent. Laat daarom
haar haat zich op mij koelen.”--„Wel, mijn waarde! wat komt het er op
aan, of zij mij om het leven brengt,” zeide Athos. „Zoudt gij u bij
geval verbeelden, dat ik aan het leven ben gehecht?”--„Er schuilt onder
dat alles een vreeselijk geheim, Athos! Die vrouw is een bespiedster in
dienst van den kardinaal, hiervan ben ik zeker.”--„In dat geval, wees op
uw hoede. Indien de kardinaal u al niet bewondert, wegens de zaak van
_Londen_, draagt hij u althans een hevigen haat toe, maar dewijl, bij
slot van rekening, hij u met grond niets kan ten laste leggen, moet de
haat gekoeld worden, vooral die van een kardinaal; wees dus op uw
hoede! Wanneer gij uitgaat, ga dan niet alleen, wanneer gij eet, neem
dan de noodige voorzorgen; hoed u voor alles, zelfs voor uw
schaduw.”--„Gelukkig,” zeide d’Artagnan, „dat wij slechts tot
overmorgenavond vrees behoeven te koesteren, want eenmaal bij het
leger, zullen wij, hoop ik, niets anders dan mannen te vreezen
hebben.”--„Intusschen,” zeide Athos, „zie ik van mijn plan van
opsluiting af en zal u overal vergezellen. Gij moet naar de
Doodgraversstraat terugkeeren. Ik zal u geleiden.”
„Het zij zoo, mijn waarde Athos! maar laat mij u vooraf den ring
teruggeven, dien ik van die vrouw heb gekregen. Die saffier behoort u.
Hebt gij mij niet gezegd, dat dat juweel een familiestuk was?”--„Ja,
mijn vader kocht dien ring voor twee duizend kronen, zooals hij mij
eertijds heeft gezegd; hij maakte een deel uit van den bruidschat, dien
hij mijn moeder ten geschenke gaf; het is een kostbaar voorwerp, mijn
moeder gaf het mij, en ik dwaas, die ik was, in plaats van het als een
heilige reliquie te bewaren, gaf het op mijn beurt aan die
eerlooze.”--„Welnu, neem hem terug, ik begrijp, dat gij er aan gehecht
moet zijn.”--„Ik, dien ring terugnemen, nadat hij in handen dier
eerlooze is geweest, nooit! Die ring is besmet, d’Artagnan!”--„Welnu,
verkoop hem dan, of verpand hem, men zal er u wel duizend kronen op
leenen. Met die som zijt gij volkomen gered; vervolgens kunt gij hem,
zoodra gij weder bij kas zijt, lossen en hem, van zijn besmetting
gezuiverd, terugnemen, nadat hij door de handen der woekeraars zal zijn
gegaan.”
Athos glimlachte.--„Gij zijt een beste jongen, mijn waarde d’Artagnan!
Gij wekt door uw onveranderlijke vroolijkheid de bedrukten van geest
weder uit hun droefheid op. Welnu, ja, verpanden wij den ring, die mij
behoort, maar op een voorwaarde.”--„Welke?”--„Dat er vijfhonderd kronen
voor mij en vijfhonderd voor u zullen zijn.”--„Wat denkbeeld, Athos! ik
heb het vierde gedeelte van de som niet noodig; dewijl ik bij de gardes
ben, zal ik mij het noodige door het verkoopen van mijn zadel wel
bezorgen. Wat heb ik noodig? Een paard voor Planchet, ziedaar alles.
Vervolgens vergeet gij, dat ook ik een ring bezit.”--„Aan welken gij nog
meer zijt gehecht, meen ik, dan ik aan den mijne, ten minste ik meen het
te zien.”--„Ja, want in een buitengewone omstandigheid kan hij ons niet
alleen uit een groote verlegenheid, maar zelfs uit een groot gevaar
redden. Het is niet alleen een eenvoudige diamant, maar tevens een
toover-, een behoedmiddel.”--„Ik begrijp u niet, maar ik geloof, wat gij
zegt. Keeren wij dus tot onzen ring terug, of liever tot den uwe, gij
zult de helft nemen der som, welke men er ons voor zal geven, of ik werp
hem in de Seine, en ik twijfel er aan, of een of andere visch beleefd
genoeg zal wezen hem ons, zooals aan Polycrates, terug te
bezorgen.”--„Welaan, ik stem er in toe,” zeide d’Artagnan.
Op dat oogenblik trad Grimaud binnen met Planchet, die omtrent zijn
meester ongerust, nieuwsgierig was te weten, wat van hem geworden was.
Athos kleedde zich, en gereed om te vertrekken, gaf hij Grimaud een
teeken, namelijk de beweging makende van iemand, die zijn geweer op iets
aanlegt. Deze nam daarop zijn musket van den wand en maakte zich gereed
zijn meester te vergezellen. D’Artagnan en Athos, door hun lakeien
gevolgd, kwamen zonder eenig ongeval in de Doodgraversstraat.
De heer Bonacieux stond voor de deur, hij bezag d’Artagnan met een
spottend gelaat.--„Wel, mijn beste heer! haast u toch. Er is boven in uw
kamer een schoon meisje, dat u wacht, en de vrouwen, zooals gij weet,
houden er niet van, dat men haar laat wachten.”
„Dat is Ketty!” riep d’Artagnan, de gang insnellende. En waarlijk, op
het portaal zijner kamer, tegen de deur geleund, vond hij het arme kind,
bevende van angst.
Zoodra zij hem ontwaarde, zeide zij: „Gij hebt mij uw bescherming
beloofd, gij hebt mij beloofd, mij voor haar toorn te hoeden, herinner
u, dat gij het zijt, die mij in dezen toestand gebracht hebt.”--„Zeker,”
zeide d’Artagnan, „wees gerust, Ketty! maar wat is er na mijn vertrek
gebeurd?”--„Ik weet het niet,” zeide Ketty. „Op haar geschreeuw zijn de
knechts toegeschoten, zij was in hevigen toorn, en alle mogelijke
vervloekingen heeft zij tegen u uitgebraakt. Toen dacht ik, dat zij zich
zou herinneren, dat het langs mijn kamer was, dat gij in de hare kwaamt,
en derhalve bemerken dat ik uw handlangster was. Ik heb het weinige
geld, dat ik bezit, en mijn beste kleederen genomen en ben
gevlucht.”--„Arm kind! maar wat met u te beginnen? Ik vertrek
overmorgen.”--„Al wat gij wilt, heer ridder! Laat mij _Parijs_, zelfs
_Frankrijk_ verlaten.”--„Ik kan u toch niet naar het beleg van _la
Rochelle_ medenemen,” zeide d’Artagnan.--„Neen, maar gij kunt mij een
dienst in de provincie bij eene of andere dame uwer kennissen bezorgen;
in uw land, bij voorbeeld.”--„Ach, mijn lief kind! in mijn land hebben
de dames geen kameniers.--Maar wacht, ik heb iets gevonden. Planchet! ga
Aramis roepen; verzoek hem dadelijk hier te komen.--Wij hebben hem iets
zeer gewichtigs te zeggen.”
„Ik vat het nu,” zeide Athos; „maar waarom niet Porthos? Ik geloof, dat
zijn markiezin....”--„De markiezin van Porthos zou zich liever door de
klerken van haar man laten kleeden, dan een kamenier nemen,” hernam
d’Artagnan glimlachende.... „Bovendien, Ketty zou in de Berenstraat niet
willen wonen, niet waar, Ketty?”--„Ik zal gaan waar men wil,” antwoordde
Ketty, „als ik maar goed verborgen ben, en men niet weet, waar ik mij
bevind.”--„Thans, Ketty! nu wij scheiden, en gij bijgevolg niet meer op
mij jaloersch behoeft te zijn....”--„Mijnheer de ridder, van verre of
nabij, ik zal u steeds blijven beminnen,” zeide Ketty.
„Waar duivel nestelt zich de trouw!” mompelde Athos.
„Ik ook,” zeide d’Artagnan, „ik ook zal u steeds beminnen, wees er van
verzekerd. Maar zeg mij eens, ik hecht veel gewicht aan het antwoord,
dat gij mij zult geven. Hebt ge nooit van een jonge vrouw hooren
spreken, die men, gedurende zekeren nacht, heeft ontvoerd?”--„Wacht....
maar ach, mijn God! mijnheer de ridder! bemint gij die vrouw
nog?”--„Neen, het is een mijner vrienden, die haar bemint, Athos, dien
gij ziet.”--„Ik?” riep Athos, op een toon, als van iemand, die gevaar
loopt van op een ratelslang te trappen.--„Wel zeker, gij!” hernam
d’Artagnan, de hand van Athos drukkende. „Gij weet wel, welk belang wij
allen in die kleine, arme juffrouw Bonacieux stellen. Bovendien, Ketty
zal niets doen blijken, niet waar Ketty? Gij begrijpt, mijn kind!” ging
d’Artagnan voort, „zij is de vrouw van dien leelijken aap, dien gij,
hier binnenkomende, voor de deur hebt gezien.”--„Ach, mijn God!” riep
Ketty, „gij maakt mij opnieuw angstig; als hij mij maar niet herkend
heeft.”--„Hoe! herkend? Hebt gij dien man nog meer gezien?”--„Hij is
twee malen bij milady geweest.”--„Ei! wanneer ongeveer?”--„Wel, veertien
of achttien dagen geleden.”--„Juist.”--„En gisteren avond is hij
teruggekomen.”--„Gisteren avond?”--„Ja, een oogenblik vóór dat gij
kwaamt.”--„Mijn waarde Athos, wij zijn in een net van bespieders
verward! En gij gelooft, dat hij u herkend zou hebben, Ketty?”--„Ik heb
mijn kap laten vallen, toen ik hem bespeurde, maar misschien was zulks
reeds te laat.”--„Ga naar beneden, Athos! men wantrouwt u minder dan
mij, en zie eens, of hij nog altijd voor de deur staat.”
Athos ging naar beneden, maar kwam dadelijk weer boven.--„Hij is
vertrokken en het huis is gesloten.”--„Hij is zijn verslag gaan doen en
zeggen, dat de duiven op dit oogenblik in de duiventil bij elkander
zijn.”--„Welnu! vliegen wij dan weg,” zeide Athos, „en laat Planchet
hier blijven om ons het nieuws te berichten.”--„Een oogenblik! En
Aramis, dien wij hebben laten roepen?”--„Dat is waar ook,” zeide Athos,
„wachten wij Aramis.”
Op hetzelfde oogenblik trad Aramis binnen. Men gaf hem kennis van de
zaak, terwijl men hem de noodzakelijkheid deed inzien, om bij zijn
aanzienlijke vrienden een plaats voor Ketty te vinden. Aramis overwoog
een oogenblik en zeide blozende: „Zou ik u hiermede inderdaad van dienst
kunnen zijn, d’Artagnan?”--„Ik zal er u geheel mijn leven voor
erkentelijk zijn.”--„Welnu! mevrouw de Bois-Tracy heeft mij voor een
harer vriendinnen, die, geloof ik, op het land woont, een vertrouwde
kamenier gevraagd, en wanneer gij, d’Artagnan! verantwoordelijk voor
mejuffrouw blijft?”--„Ach, mijnheer!” riep Ketty, „wees verzekerd van
mijn onkreukbare trouw voor den persoon, die mij de middelen zal
verschaffen _Parijs_ te verlaten.”--„Dan,” hernam Aramis, „schikt alles
zich ten beste.”
Hij zette zich aan een tafel en schreef een paar regels, die hij met een
ring verzegelde, en gaf het briefje aan Ketty.
„Thans, mijn kind!” zeide d’Artagnan, „weet gij, dat het voor ons hier
evenmin raadzaam is om te blijven als voor u. Dus scheiden wij. Wij
zullen elkander in gelukkiger dagen wederzien.”--„En wanneer het
gebeuren zal, dat wij elkander weerzien,” zeide Ketty, „zult gij mij
terugvinden met dezelfde liefde voor u vervuld, als die ik u nu
toedraag.”--„Een dronkenmans eed,” zeide Athos, terwijl d’Artagnan Ketty
de trap afbracht.
Een oogenblik later scheidden de drie jongelieden, hun samenkomst bij
Athos bepalende en Planchet achterlatende, om het huis te bewaken.
Aramis keerde naar zijn kamers terug, en Athos en d’Artagnan gingen zich
met de verpanding van den saffier bezig houden.
Zooals onze Gaskonjer had voorzien, vond men gemakkelijk een Jood, die
driehonderd pistolen op den ring wilde geven. En wat meer is, de Jood
verklaarde, dat, indien men hem dien wilde verkoopen, hij er vijfhonderd
pistolen voor zou geven, aangezien het juweel, met een dergelijk dat hij
bezat, voor een paar oorringen bijzonder geschikt scheen.
Athos en d’Artagnan, met de bedrijvigheid van twee krijgs- en de kunde
van twee kooplieden, hadden in minder dan drie uren tijds zich de
benoodigde uitrusting eens musketiers aangeschaft. Daarenboven had Athos
een goeden smaak, en was hij een groot heer tot in de toppen der
vingers. Telkens, wanneer iets hem behaagde, betaalde hij den daarvoor
gevraagden prijs, zonder zelfs te beproeven iets er op af te dingen.
D’Artagnan wilde hem deswege wel eenige aanmerkingen maken; maar Athos
legde hem dan glimlachend de hand op den schouder, en d’Artagnan begreep
hieruit, dat zoodanige handelwijze goed was voor een geringen
Gaskonjischen edelman, zooals hij, maar niet voor iemand, die zich het
aanzien van een prins gaf.
De musketier vond een voortreffelijk Andalusisch gitzwart paard met
vurige neusgaten, fijne, sierlijke beenen, en nog geen zes jaar oud. Hij
onderzocht het en bevond het zonder gebreken. Men vroeg hem duizend
livres. Misschien had hij het voor iets minder gekregen; maar, terwijl
d’Artagnan over den prijs met den paardenkooper handelde, telde Athos
reeds de honderd pistolen op tafel.
Grimaud kreeg een Picardisch, ineengedrongen sterk paard, dat
driehonderd franken kostte. Zoodat, na het koopen van den zadel voor het
laatste paard en de wapens van Grimaud, aan Athos geen stuiver meer van
de honderd vijftig pistolen overbleef.
D’Artagnan bood zijn vriend een gedeelte van hetgeen hem toekwam, om,
desverkiezende, hem het geleende later terug te geven. Maar Athos
antwoordde alleen door zijn schouders op te halen.
„Voor hoeveel wilde de Jood den saffier koopen?” vroeg hij.--„Voor
vijfhonderd pistolen.”--„Dat is tweehonderd pistolen meer; dus honderd
pistolen voor elk. Wel, dat is waarachtig een fortuintje, mijn waarde
vriend! Keer tot den Jood terug.”--„Hoe! gij wilt?”--„Waarlijk, die ring
zou in mij te wreede herinneringen opwekken; daarenboven, wij zullen den
Jood nooit die driehonderd pistolen kunnen teruggeven, zoodat wij bij
dien handel duizend franken zouden verliezen. Ga hem zeggen, dat hij den
ring kan behouden, d’Artagnan! en keer met tweehonderd pistolen
terug.”--„Overweeg, Athos!”--„Geld is tegenwoordig duur, en men moet in
zekere omstandigheden zich een opoffering weten te getroosten. Ga,
d’Artagnan, Grimaud zal u met zijn musket vergezellen.”
Een half uur later kwam d’Artagnan met twee duizend franken terug zonder
dat hem eenig ongeval bejegend was.
Op die wijze vond Athos, te huis blijvende, een uitkomst, die hij in het
minste niet had verwacht.