HOOFDSTUK VII.

Hoe, zonder eenige moeite te doen, Athos aan zijn uitrusting kwam.

D’Artagnan was zoo ontsteld, dat hij, zonder zich om Ketty te

bekommeren, al loopende, de helft van _Parijs_ doorsnelde, en niet eer

dan voor de deur van Athos bleef staan. De verwarring van zijn geest, de

schrik, die hem voortjoeg, het geschreeuw van eenige patrouilles, die

hem vervolgden, deden hem nog harder loopen. Hij ging de binnenplaats

over, klom de twee verdiepingen hooge trap van Athos op en sloeg op de

deur, alsof hij alles wilde verbrijzelen.

Grimaud deed open met door slaap opgezwollen oogen. D’Artagnan snelde de

voorkamer zoo driftig binnen, dat hij hem bijna omverwierp. Ondanks de

gewone stomheid van Grimaud, kreeg hij nu echter de spraak weder.--Op

het gezicht van den blooten degen, dien d’Artagnan in de hand hield,

meende de knecht, dat hij met een of anderen moordenaar had te doen.

„Help! help!” riep hij.--„Zwijg, ongeluk!” zeide de jongeling,

„ik ben d’Artagnan.... Herkent gij mij niet? Waar is uw meester?”--„Zijt

gij het, mijnheer d’Artagnan?” riep Grimaud verschrikt,

„onmogelijk!”--„Grimaud!” zeide Athos, uit zijn kamer komende, „ik

geloof, dat gij u veroorlooft te spreken?”--„Ach, mijnheer! het is

omdat....”--„Stilte!”

Grimaud bepaalde zich toen er toe, d’Artagnan met den vinger zijn

meester aan te wijzen. Athos, hoe koel ook anders, barstte in een luid

gelach uit, waartoe het ontstelde gezicht van zijn jeugdigen vriend hem

genoeg reden gaf.

„Lach niet, mijn vriend!” zeide d’Artagnan, „bij den hemel, lach niet,

want bij mijn ziel, ik zeg het u, er is geen reden om te lachen.”--En

hij sprak deze woorden op een zoo plechtigen en waarlijk angstigen toon

uit, dat Athos dadelijk zijn handen vatte, uitroepende: „Zijt gij

gekwetst, mijn vriend? gij zijt zeer bleek.”--„Neen, maar er is mij iets

vreeselijks gebeurd. Zijt gij alleen, Athos?”--„_Pardieu_! wie zoudt gij

denken, dat op dit uur bij mij zou kunnen zijn?”--„Goed, goed!”--En

d’Artagnan stormde de kamer van Athos binnen.

„Welnu, spreek!” zeide deze, de deur sluitende en de grendels er op

schuivende, om niet gestoord te worden. „Is de koning dood? Hebt gij den

kardinaal vermoord? Gij zijt geheel ontsteld, kom, spreek, want ik ben

doodelijk ongerust.”

„Athos!” antwoordde d’Artagnan, „bereid u voor een ongelooflijke,

ongehoorde geschiedenis te hooren.”--„Spreek dan,” zeide

Athos.--„Welnu,” ging d’Artagnan voort, het oor van Athos naderende en

hem zacht influisterende: „Milady is met een lelie op den schouder

gebrandmerkt.”--„Ai!” liet de musketier hooren, alsof een kogel hem het

hart had doorboord.

„En nu,” zeide d’Artagnan, „zijt gij wel zeker, dat de andere wezenlijk

dood is?”--„De _andere_!” herhaalde Athos met een gesmoorde stem, zoodat

d’Artagnan hem nauwelijks verstond.--„Ja, die, van wie gij mij op

zekeren dag te _Amiëns_ spraakt.”--Athos slaakte een zucht en liet

zijn hoofd in zijn handen zinken.--„Deze is een vrouw,” vervolgde

d’Artagnan, „van zes- tot acht en twintig jaar.”--„Blond?” vroeg

Athos.--„Ja.”--„Heldere, blauwe oogen, zonderling van helderheid, met

zwarte wenkbrauwen en oogharen?”--„Ja.”--„Groot en welgevormd? haar

ontbreekt een tand naast den linker oogtand?”--„Ja.”--„De lelie is

klein, rosachtig en bijna uitgewischt door lagen van blanketsel,

waarmede zij die dekt?”--„Ja.”--„Gij zegt nochtans, dat de vrouw een

Engelsche is?”--„Men noemt haar milady, maar zij kan desniettemin een

Fransche zijn, lord de Winter is slechts haar schoonbroeder.”

„Ik wil haar zien,” zeide Athos.--„Wees op uw hoede, Athos! wees op uw

hoede, gij hebt haar willen om het leven brengen, en zij is een vrouw om

het u betaald te zetten en niet te falen.”--„Zij zal niets durven

openbaren, want dan maakt zij zich bekend.”--„Zij is tot alles in staat;

hebt gij haar ooit in woede gezien?”--„Neen,” zeide Athos.--„Dan is zij

als een tijger, als een panter. Ach, mijn waarde Athos! ik vrees zeer,

ons beiden een verschrikkelijke wraak op den hals te hebben

gehaald.”--D’Artagnan verhaalde toen alles: de ontembare woede van

milady en haar moordbedreigingen.

„Gij hebt gelijk, mijn leven hangt aan een haar,” zeide Athos. „Gelukkig

verlaten wij overmorgen _Parijs_, volgens alle waarschijnlijkheid gaan

wij naar _la Rochelle_, en eenmaal vertrokken....”--„Zij zal u tot het

einde der wereld vervolgen, Athos! indien zij u herkent. Laat daarom

haar haat zich op mij koelen.”--„Wel, mijn waarde! wat komt het er op

aan, of zij mij om het leven brengt,” zeide Athos. „Zoudt gij u bij

geval verbeelden, dat ik aan het leven ben gehecht?”--„Er schuilt onder

dat alles een vreeselijk geheim, Athos! Die vrouw is een bespiedster in

dienst van den kardinaal, hiervan ben ik zeker.”--„In dat geval, wees op

uw hoede. Indien de kardinaal u al niet bewondert, wegens de zaak van

_Londen_, draagt hij u althans een hevigen haat toe, maar dewijl, bij

slot van rekening, hij u met grond niets kan ten laste leggen, moet de

haat gekoeld worden, vooral die van een kardinaal; wees dus op uw

hoede! Wanneer gij uitgaat, ga dan niet alleen, wanneer gij eet, neem

dan de noodige voorzorgen; hoed u voor alles, zelfs voor uw

schaduw.”--„Gelukkig,” zeide d’Artagnan, „dat wij slechts tot

overmorgenavond vrees behoeven te koesteren, want eenmaal bij het

leger, zullen wij, hoop ik, niets anders dan mannen te vreezen

hebben.”--„Intusschen,” zeide Athos, „zie ik van mijn plan van

opsluiting af en zal u overal vergezellen. Gij moet naar de

Doodgraversstraat terugkeeren. Ik zal u geleiden.”

„Het zij zoo, mijn waarde Athos! maar laat mij u vooraf den ring

teruggeven, dien ik van die vrouw heb gekregen. Die saffier behoort u.

Hebt gij mij niet gezegd, dat dat juweel een familiestuk was?”--„Ja,

mijn vader kocht dien ring voor twee duizend kronen, zooals hij mij

eertijds heeft gezegd; hij maakte een deel uit van den bruidschat, dien

hij mijn moeder ten geschenke gaf; het is een kostbaar voorwerp, mijn

moeder gaf het mij, en ik dwaas, die ik was, in plaats van het als een

heilige reliquie te bewaren, gaf het op mijn beurt aan die

eerlooze.”--„Welnu, neem hem terug, ik begrijp, dat gij er aan gehecht

moet zijn.”--„Ik, dien ring terugnemen, nadat hij in handen dier

eerlooze is geweest, nooit! Die ring is besmet, d’Artagnan!”--„Welnu,

verkoop hem dan, of verpand hem, men zal er u wel duizend kronen op

leenen. Met die som zijt gij volkomen gered; vervolgens kunt gij hem,

zoodra gij weder bij kas zijt, lossen en hem, van zijn besmetting

gezuiverd, terugnemen, nadat hij door de handen der woekeraars zal zijn

gegaan.”

Athos glimlachte.--„Gij zijt een beste jongen, mijn waarde d’Artagnan!

Gij wekt door uw onveranderlijke vroolijkheid de bedrukten van geest

weder uit hun droefheid op. Welnu, ja, verpanden wij den ring, die mij

behoort, maar op een voorwaarde.”--„Welke?”--„Dat er vijfhonderd kronen

voor mij en vijfhonderd voor u zullen zijn.”--„Wat denkbeeld, Athos! ik

heb het vierde gedeelte van de som niet noodig; dewijl ik bij de gardes

ben, zal ik mij het noodige door het verkoopen van mijn zadel wel

bezorgen. Wat heb ik noodig? Een paard voor Planchet, ziedaar alles.

Vervolgens vergeet gij, dat ook ik een ring bezit.”--„Aan welken gij nog

meer zijt gehecht, meen ik, dan ik aan den mijne, ten minste ik meen het

te zien.”--„Ja, want in een buitengewone omstandigheid kan hij ons niet

alleen uit een groote verlegenheid, maar zelfs uit een groot gevaar

redden. Het is niet alleen een eenvoudige diamant, maar tevens een

toover-, een behoedmiddel.”--„Ik begrijp u niet, maar ik geloof, wat gij

zegt. Keeren wij dus tot onzen ring terug, of liever tot den uwe, gij

zult de helft nemen der som, welke men er ons voor zal geven, of ik werp

hem in de Seine, en ik twijfel er aan, of een of andere visch beleefd

genoeg zal wezen hem ons, zooals aan Polycrates, terug te

bezorgen.”--„Welaan, ik stem er in toe,” zeide d’Artagnan.

Op dat oogenblik trad Grimaud binnen met Planchet, die omtrent zijn

meester ongerust, nieuwsgierig was te weten, wat van hem geworden was.

Athos kleedde zich, en gereed om te vertrekken, gaf hij Grimaud een

teeken, namelijk de beweging makende van iemand, die zijn geweer op iets

aanlegt. Deze nam daarop zijn musket van den wand en maakte zich gereed

zijn meester te vergezellen. D’Artagnan en Athos, door hun lakeien

gevolgd, kwamen zonder eenig ongeval in de Doodgraversstraat.

De heer Bonacieux stond voor de deur, hij bezag d’Artagnan met een

spottend gelaat.--„Wel, mijn beste heer! haast u toch. Er is boven in uw

kamer een schoon meisje, dat u wacht, en de vrouwen, zooals gij weet,

houden er niet van, dat men haar laat wachten.”

„Dat is Ketty!” riep d’Artagnan, de gang insnellende. En waarlijk, op

het portaal zijner kamer, tegen de deur geleund, vond hij het arme kind,

bevende van angst.

Zoodra zij hem ontwaarde, zeide zij: „Gij hebt mij uw bescherming

beloofd, gij hebt mij beloofd, mij voor haar toorn te hoeden, herinner

u, dat gij het zijt, die mij in dezen toestand gebracht hebt.”--„Zeker,”

zeide d’Artagnan, „wees gerust, Ketty! maar wat is er na mijn vertrek

gebeurd?”--„Ik weet het niet,” zeide Ketty. „Op haar geschreeuw zijn de

knechts toegeschoten, zij was in hevigen toorn, en alle mogelijke

vervloekingen heeft zij tegen u uitgebraakt. Toen dacht ik, dat zij zich

zou herinneren, dat het langs mijn kamer was, dat gij in de hare kwaamt,

en derhalve bemerken dat ik uw handlangster was. Ik heb het weinige

geld, dat ik bezit, en mijn beste kleederen genomen en ben

gevlucht.”--„Arm kind! maar wat met u te beginnen? Ik vertrek

overmorgen.”--„Al wat gij wilt, heer ridder! Laat mij _Parijs_, zelfs

_Frankrijk_ verlaten.”--„Ik kan u toch niet naar het beleg van _la

Rochelle_ medenemen,” zeide d’Artagnan.--„Neen, maar gij kunt mij een

dienst in de provincie bij eene of andere dame uwer kennissen bezorgen;

in uw land, bij voorbeeld.”--„Ach, mijn lief kind! in mijn land hebben

de dames geen kameniers.--Maar wacht, ik heb iets gevonden. Planchet! ga

Aramis roepen; verzoek hem dadelijk hier te komen.--Wij hebben hem iets

zeer gewichtigs te zeggen.”

„Ik vat het nu,” zeide Athos; „maar waarom niet Porthos? Ik geloof, dat

zijn markiezin....”--„De markiezin van Porthos zou zich liever door de

klerken van haar man laten kleeden, dan een kamenier nemen,” hernam

d’Artagnan glimlachende.... „Bovendien, Ketty zou in de Berenstraat niet

willen wonen, niet waar, Ketty?”--„Ik zal gaan waar men wil,” antwoordde

Ketty, „als ik maar goed verborgen ben, en men niet weet, waar ik mij

bevind.”--„Thans, Ketty! nu wij scheiden, en gij bijgevolg niet meer op

mij jaloersch behoeft te zijn....”--„Mijnheer de ridder, van verre of

nabij, ik zal u steeds blijven beminnen,” zeide Ketty.

„Waar duivel nestelt zich de trouw!” mompelde Athos.

„Ik ook,” zeide d’Artagnan, „ik ook zal u steeds beminnen, wees er van

verzekerd. Maar zeg mij eens, ik hecht veel gewicht aan het antwoord,

dat gij mij zult geven. Hebt ge nooit van een jonge vrouw hooren

spreken, die men, gedurende zekeren nacht, heeft ontvoerd?”--„Wacht....

maar ach, mijn God! mijnheer de ridder! bemint gij die vrouw

nog?”--„Neen, het is een mijner vrienden, die haar bemint, Athos, dien

gij ziet.”--„Ik?” riep Athos, op een toon, als van iemand, die gevaar

loopt van op een ratelslang te trappen.--„Wel zeker, gij!” hernam

d’Artagnan, de hand van Athos drukkende. „Gij weet wel, welk belang wij

allen in die kleine, arme juffrouw Bonacieux stellen. Bovendien, Ketty

zal niets doen blijken, niet waar Ketty? Gij begrijpt, mijn kind!” ging

d’Artagnan voort, „zij is de vrouw van dien leelijken aap, dien gij,

hier binnenkomende, voor de deur hebt gezien.”--„Ach, mijn God!” riep

Ketty, „gij maakt mij opnieuw angstig; als hij mij maar niet herkend

heeft.”--„Hoe! herkend? Hebt gij dien man nog meer gezien?”--„Hij is

twee malen bij milady geweest.”--„Ei! wanneer ongeveer?”--„Wel, veertien

of achttien dagen geleden.”--„Juist.”--„En gisteren avond is hij

teruggekomen.”--„Gisteren avond?”--„Ja, een oogenblik vóór dat gij

kwaamt.”--„Mijn waarde Athos, wij zijn in een net van bespieders

verward! En gij gelooft, dat hij u herkend zou hebben, Ketty?”--„Ik heb

mijn kap laten vallen, toen ik hem bespeurde, maar misschien was zulks

reeds te laat.”--„Ga naar beneden, Athos! men wantrouwt u minder dan

mij, en zie eens, of hij nog altijd voor de deur staat.”

Athos ging naar beneden, maar kwam dadelijk weer boven.--„Hij is

vertrokken en het huis is gesloten.”--„Hij is zijn verslag gaan doen en

zeggen, dat de duiven op dit oogenblik in de duiventil bij elkander

zijn.”--„Welnu! vliegen wij dan weg,” zeide Athos, „en laat Planchet

hier blijven om ons het nieuws te berichten.”--„Een oogenblik! En

Aramis, dien wij hebben laten roepen?”--„Dat is waar ook,” zeide Athos,

„wachten wij Aramis.”

Op hetzelfde oogenblik trad Aramis binnen. Men gaf hem kennis van de

zaak, terwijl men hem de noodzakelijkheid deed inzien, om bij zijn

aanzienlijke vrienden een plaats voor Ketty te vinden. Aramis overwoog

een oogenblik en zeide blozende: „Zou ik u hiermede inderdaad van dienst

kunnen zijn, d’Artagnan?”--„Ik zal er u geheel mijn leven voor

erkentelijk zijn.”--„Welnu! mevrouw de Bois-Tracy heeft mij voor een

harer vriendinnen, die, geloof ik, op het land woont, een vertrouwde

kamenier gevraagd, en wanneer gij, d’Artagnan! verantwoordelijk voor

mejuffrouw blijft?”--„Ach, mijnheer!” riep Ketty, „wees verzekerd van

mijn onkreukbare trouw voor den persoon, die mij de middelen zal

verschaffen _Parijs_ te verlaten.”--„Dan,” hernam Aramis, „schikt alles

zich ten beste.”

Hij zette zich aan een tafel en schreef een paar regels, die hij met een

ring verzegelde, en gaf het briefje aan Ketty.

„Thans, mijn kind!” zeide d’Artagnan, „weet gij, dat het voor ons hier

evenmin raadzaam is om te blijven als voor u. Dus scheiden wij. Wij

zullen elkander in gelukkiger dagen wederzien.”--„En wanneer het

gebeuren zal, dat wij elkander weerzien,” zeide Ketty, „zult gij mij

terugvinden met dezelfde liefde voor u vervuld, als die ik u nu

toedraag.”--„Een dronkenmans eed,” zeide Athos, terwijl d’Artagnan Ketty

de trap afbracht.

Een oogenblik later scheidden de drie jongelieden, hun samenkomst bij

Athos bepalende en Planchet achterlatende, om het huis te bewaken.

Aramis keerde naar zijn kamers terug, en Athos en d’Artagnan gingen zich

met de verpanding van den saffier bezig houden.

Zooals onze Gaskonjer had voorzien, vond men gemakkelijk een Jood, die

driehonderd pistolen op den ring wilde geven. En wat meer is, de Jood

verklaarde, dat, indien men hem dien wilde verkoopen, hij er vijfhonderd

pistolen voor zou geven, aangezien het juweel, met een dergelijk dat hij

bezat, voor een paar oorringen bijzonder geschikt scheen.

Athos en d’Artagnan, met de bedrijvigheid van twee krijgs- en de kunde

van twee kooplieden, hadden in minder dan drie uren tijds zich de

benoodigde uitrusting eens musketiers aangeschaft. Daarenboven had Athos

een goeden smaak, en was hij een groot heer tot in de toppen der

vingers. Telkens, wanneer iets hem behaagde, betaalde hij den daarvoor

gevraagden prijs, zonder zelfs te beproeven iets er op af te dingen.

D’Artagnan wilde hem deswege wel eenige aanmerkingen maken; maar Athos

legde hem dan glimlachend de hand op den schouder, en d’Artagnan begreep

hieruit, dat zoodanige handelwijze goed was voor een geringen

Gaskonjischen edelman, zooals hij, maar niet voor iemand, die zich het

aanzien van een prins gaf.

De musketier vond een voortreffelijk Andalusisch gitzwart paard met

vurige neusgaten, fijne, sierlijke beenen, en nog geen zes jaar oud. Hij

onderzocht het en bevond het zonder gebreken. Men vroeg hem duizend

livres. Misschien had hij het voor iets minder gekregen; maar, terwijl

d’Artagnan over den prijs met den paardenkooper handelde, telde Athos

reeds de honderd pistolen op tafel.

Grimaud kreeg een Picardisch, ineengedrongen sterk paard, dat

driehonderd franken kostte. Zoodat, na het koopen van den zadel voor het

laatste paard en de wapens van Grimaud, aan Athos geen stuiver meer van

de honderd vijftig pistolen overbleef.

D’Artagnan bood zijn vriend een gedeelte van hetgeen hem toekwam, om,

desverkiezende, hem het geleende later terug te geven. Maar Athos

antwoordde alleen door zijn schouders op te halen.

„Voor hoeveel wilde de Jood den saffier koopen?” vroeg hij.--„Voor

vijfhonderd pistolen.”--„Dat is tweehonderd pistolen meer; dus honderd

pistolen voor elk. Wel, dat is waarachtig een fortuintje, mijn waarde

vriend! Keer tot den Jood terug.”--„Hoe! gij wilt?”--„Waarlijk, die ring

zou in mij te wreede herinneringen opwekken; daarenboven, wij zullen den

Jood nooit die driehonderd pistolen kunnen teruggeven, zoodat wij bij

dien handel duizend franken zouden verliezen. Ga hem zeggen, dat hij den

ring kan behouden, d’Artagnan! en keer met tweehonderd pistolen

terug.”--„Overweeg, Athos!”--„Geld is tegenwoordig duur, en men moet in

zekere omstandigheden zich een opoffering weten te getroosten. Ga,

d’Artagnan, Grimaud zal u met zijn musket vergezellen.”

Een half uur later kwam d’Artagnan met twee duizend franken terug zonder

dat hem eenig ongeval bejegend was.

Op die wijze vond Athos, te huis blijvende, een uitkomst, die hij in het

minste niet had verwacht.

De Drie Musketiers dl. I en II · 第 56 / 93 题