HOOFDSTUK VI.

Het geheim van milady.

D’Artagnan had het hotel verlaten zonder zich naar Ketty’s vertrek te

begeven, om er het uur der samenkomst met milady af te wachten, en dat

om twee redenen: de eerste, omdat hij op die wijze de verwijtingen,

smeekingen en tegenwerpingen van het meisje ontweek; de tweede, omdat

het hem niet onaangenaam was, met koelheid de plannen van die vrouw zoo

mogelijk te overwegen en te doorgronden.

Hetgeen hem het duidelijkste in dat alles voorkwam, was, dat hij zich

blootstelde op milady verliefd te worden, terwijl zij hem, integendeel,

in het geheel niet beminde en hem nooit zou beminnen. Een oogenblik

begreep hij, dat het beste, wat hij doen kon, zou zijn, naar huis terug

te keeren en een wijdloopigen brief te schrijven, waarin hij zou

bekennen, dat hij en de Wardes voor haar tot hiertoe dezelfde persoon

was geweest, en hij bijgevolg zich niet kon verbinden een zelfmoord te

begaan, door den heer de Wardes om het leven te brengen, over wien zij

voorgaf zich te beklagen te hebben; maar overtuigd, dat zij hem

verfoeide en hem slechts als een ellendig werktuig harer wraak

beschouwde, hetwelk zij, na er zich van bediend te hebben, zou

wegwerpen, kwam de begeerte naar eigen wraakneming weder in zijn hart te

boven. Hij wilde die vrouw beheerschen, welke hem om den tuin leidde, en

die ook hem in zijn zuivere en reine liefde had gekwetst, door haar

medeplichtigheid in de ontvoering van juffrouw Bonacieux.

Hij liep vijf of zes keeren het Koningsplein rond, gejaagd door al die

tegenstrijdige gedachten, bij elke tien schreden zich omwendende, om het

licht te zien van milady’s vertrek, dat door de zonneschermen scheen;

het was blijkbaar, dat de jonge vrouw nu zoo ongeduldig niet was naar

haar slaapvertrek terug te keeren als den eersten keer. Eindelijk sloeg

het elf uur. Op dat gerucht verdween elke aarzeling uit het hart des

jongelings. Hij herinnerde zich de bijzonderheden der samenkomst, die

hij met milady had gehad, en door een dier veranderlijkheden van

denkwijze in soortgelijke omstandigheden, trad hij met een kloppend hart

en een gloeiend hoofd het hotel binnen en snelde naar de kamer van

Ketty. Het meisje, bleek als de dood, over haar geheele lichaam bevende,

wilde d’Artagnan tegenhouden, maar milady, aandachtig luisterende, had

het gerucht gehoord, dat hij, binnenkomende, maakte en opende.

„Kom,” zeide zij.--D’Artagnan was als zinneloos; hij meende door iets

fantastisch te zijn meegesleept, zooals zulks in den droom plaats heeft,

en hij naderde milady, aan die aantrekkingskracht gehoorzamende, welke

de magneet op het ijzer uitoefent.

Ketty ging luisterend tegen de deur staan. Minnenijd, woede, beleedigde

trots, kortom, al de hartstochten, die elkander het hart eener vrouw

betwisten, noopten haar alles te openbaren; maar zij was verloren,

indien zij bekende de hand in een dergelijke zaak te hebben geleend, en

bovenal was d’Artagnan voor haar verloren. Die laatste liefdesgedachte

deed haar nog tot dat laatste offer besluiten.

Van zijn kant gaf d’Artagnan zich geheel aan de ingeving zijner

ijdelheid over. Hij was niet meer een medeminnaar, dien men in hem

beminde, hij was het in persoon, dien men den schijn aannam te beminnen.

Een geheime stem uit het diepste van zijn hart zeide hem wel, dat men

hem slechts als een wapen gebruikte, dat men streelde totdat het den

dood zou hebben gegeven; maar de ijdelheid, de eigenliefde, de dwaasheid

verstomden deze stem, versmoorden dat gefluister.

Vervolgens vergeleek onze Gaskonjer, met de dosis zelfvertrouwen die hij

bezat, zich met de Wardes, en vroeg zich af, waarom men hem eigenlijk

niet voor zich zelven zou beminnen. Dank zij de begoocheling zijner

denkbeelden, was milady voor hem niet meer de vrouw met die noodlottige

voornemens, welke hem een oogenblik te voren beangstigde. Zij was nu

voor hem een bekoorlijke vrouw, die beloofde dezelfde liefde te zullen

gevoelen, welke zij inboezemde.

Intusschen trok milady, die dezelfde reden niet had als d’Artagnan om te

vergeten, hem weldra uit zijn mijmering en herinnerde hem aan het

werkelijk doel dezer samenkomst; zij vroeg hem, of de maatregelen, die

voor de ontmoeting den volgenden dag tusschen hem en de Wardes moesten

genomen worden, reeds behoorlijk bij hem waren overlegd. Maar

d’Artagnan, wiens denkbeelden een geheel andere richting hadden genomen,

vergat zich als een dwaas en antwoordde op verliefden toon, dat hij in

haar tegenwoordigheid, wanneer hij geheel was overgegeven aan het geluk

van haar te zien en te hooren, zich met geen tweegevechten en

degenstooten kon bezig houden.

Die onverschilligheid voor de eenige belangen, die haar vervulden,

verontrustte milady, wier vragen meer dringend werden. Toen wilde

d’Artagnan, die nooit ernstig aan dat onmogelijk tweegevecht had

gedacht, aan het gesprek een andere wending geven; maar dat gelukte hem

niet. Milady deed het gesprek in den kring blijven, dien zij te voren

met haar onwrikbaren, ijzersterken wil had bepaald.

D’Artagnan meende nu zeer geestig te zijn door aan milady den raad te

geven, van haar woedende voornemens af te zien en aan de Wardes

vergiffenis te schenken. Maar bij de eerste woorden, die hij sprak, nam

het gezicht der jonge vrouw een onheilspellende uitdrukking aan.

„Zoudt gij bang worden, mijn goede heer d’Artagnan!” riep zij op

scherpen en spottenden toon, die zonderling in de ooren van den

jongeling klonk.--„Gij gelooft zulks toch niet, mijn teergeliefde?”

antwoordde d’Artagnan, „maar als die graaf de Wardes eindelijk eens

minder schuldig ware, dan gij u verbeeldt.”--„In alle geval,” zeide

milady ernstig, „hij heeft mij bedrogen, en van het oogenblik, dat hij

mij heeft bedrogen, heeft hij den dood verdiend.”--„Hij zal dan sterven,

dewijl gij hem veroordeelt,” zeide d’Artagnan, op een zoo vasten toon,

dat het voor milady de uitdrukking eener beproefde verknochtheid

was.--Dadelijk glimlachte zij hem opnieuw toe.

„Ja,” zeide d’Artagnan, in onwillekeurige geestvervoering

gerakende, „ik ben gereed; maar vooreerst wilde ik omtrent iets zeker

zijn.”--„Waaromtrent?” vroeg milady.--„Dat gij mij bemint.”--„Uw

tegenwoordigheid hier schijnt mij hiervan wel het bewijs,” antwoordde

zij, eenige verlegenheid veinzende.--„Ja, ik behoor u met lichaam en

ziel; gij kunt over mijn arm beschikken.”--„Ik dank u, mijn moedige

beschermer! en, zooals ik u mijn liefde bewijs door u hier te ontvangen,

zult gij op uw beurt mij van de uwe overtuigen, niet waar?”--„Zeker.

Maar indien gij mij bemint, zooals gij mij zegt,” hernam d’Artagnan,

„vreest gij dan niet min of meer voor mij?”--„Wat heb ik te

vreezen?”--„Wel, dat ik gevaarlijk gekwetst, of zelfs gedood

word.”--„Onmogelijk!” zeide milady, „gij zijt zoo moedig en een zoo

behendig strijder!”--„Gij zoudt dan niet liever een middel aanwenden,”

zeide d’Artagnan, „dat u eveneens zou wreken en elk gevecht nutteloos

maken?”

Milady beschouwde zwijgend den jongeling; haar oogen hadden een

zonderling onheilspellende uitdrukking.--„Waarlijk,” zeide zij, „ik

geloof, dat gij opnieuw aarzelt!”--„Neen, ik aarzel niet; maar

inderdaad, voor den armen de Wardes gevoel ik waarlijk medelijden,

sedert gij hem niet meer bemint, en het schijnt mij, dat een man reeds

gruwelijk moet zijn gestraft alleen door het verlies uwer liefde,

zoodat hij geen andere bestraffing behoeft.”--„Wie zegt u, dat ik

hem heb bemind?” vroeg milady.--„Ten minste kan ik thans zonder

te veel verwaandheid gelooven, dat gij een anderen bemint,” zeide

de jongeling op beminnelijken toon; „en ik herhaal het u, ik stel

in den graaf belang.”--„Gij?” vroeg milady.--„Ja, ik.”--„En

waarom?”--„Omdat ik alleen weet....”--„Wat?”--„Dat hij er verre af

is, of liever, zoo schuldig jegens u niet is geweest, als gij het u

verbeeldt.”--„Waarlijk,” zeide milady ongerust, „verklaar u; want ik

weet inderdaad niet, wat gij wilt zeggen.”--En zij beschouwde d’Artagnan

met oogen, die van lieverlede een onheilspellend vuur schoten.

„Luister; ik ben een fatsoenlijk man,” zeide d’Artagnan, besloten er een

einde aan te maken, „en sedert gij mij uw liefde hebt bekend en ik zeker

ben, die te bezitten; want ik bezit ze, niet waar?”--„Volkomen, ga

voort.”--„Welnu, ik voel mij nu als herschapen; een bekentenis drukt

mij.”--„Een bekentenis?”--„Indien ik aan uw liefde twijfelde, zou ik ze

niet doen, maar gij bemint mij, niet waar, gij bemint mij?”--„Zonder

twijfel!”--„Indien ik mij nu eens, door een al te groote liefde

jegens u, schuldig had gemaakt, zoudt gij mij dan vergiffenis

schenken?”--„Misschien; maar die bekentenis,” zeide zij verbleekende,

„wat is dat voor een bekentenis?”--„Gij hadt met den heer de Wardes

verleden Donderdag een samenkomst bepaald, in deze kamer, niet

waar?”--„Wel neen, dat is niet waar!” zeide milady, met een zoo strak

gelaat, dat, indien d’Artagnan niet van zijn zaak ware zeker geweest,

hij zou getwijfeld hebben.--„Lieg niet, mijn schoone engelin!” zeide

d’Artagnan, met geweld pogende te glimlachen, „dat zou onnoodig

zijn.”--„Hoedat? Spreek toch, gij doet mij sterven.”--„Ik, ik ben het,

die dien ring bezit. De de Wardes van Donderdag en de d’Artagnan van

heden zijn dezelfde persoon.”

De onvoorzichtige verwachtte eenige verbazing, met schaamte vermengd,

een kleine onweersbui, die in een tranenvloed zich zou oplossen; maar

hij bedroog zich aardig, en zijn vergissing was niet van langen duur.

Bleek en vreeselijk richtte milady zich overeind, en d’Artagnan, die

naast haar zat, van zich afstootende, door hem geweldig tegen de borst

te duwen, wilde zij hem ontvlieden. D’Artagnan hield haar bij haar kleed

vast, om haar vergiffenis af te smeeken; maar met een geweldige

krachtsinspanning en vastbesloten trachtte zij te ontvluchten. Toen

scheurde het keurs van haar kleed, en d’Artagnan bespeurde, met een

onbeschrijfelijke hartsbeklemming, de lelie op een der fraaie schouders,

die bloot was geraakt; dat onuitwischbaar merk, door de schendende hand

des beuls ingedrukt.

„Groote God!” riep hij, het kleed loslatende; en hij bleef stom,

onbeweeglijk en als versteend op zijn plaats zitten.

Maar milady gevoelde zich, reeds alleen door de ontsteltenis van

d’Artagnan, verraden. Hij had ongetwijfeld alles gezien; nu kende de

jongeling haar geheim, dat vreeselijk geheim, hetwelk niemand kende

behalve hij. Zij wendde zich om, niet als een woedende vrouw, maar als

een gekwetste panter.

„O, ellendeling!” riep zij, „gij hebt mij lafhartig bedrogen, en

daarenboven, gij bezit mijn geheim, gij zult sterven!” En zij snelde

naar een met fraaie houtsoorten ingelegd kistje, dat op haar kaptafel

stond, opende het met een koortsachtig bevende hand, haalde er een

kleinen, scherpen dolk met gouden heft uit en vloog in een sprong op

d’Artagnan toe, die was blijven zitten.

Hoewel dapper, zooals men weet, schrikte d’Artagnan voor dat vertrokken

gezicht, voor die vreeselijk uitpuilende oogen, voor die bleeke wangen,

die bloedende lippen. Hij stond op en deinsde achteruit, zooals hij zou

gedaan hebben bij de nadering van een op hem afkomende slang, en

werktuigelijk zijn met zweet bevochtigde hand aan de greep van zijn

degen slaande, trok hij dien uit de scheede. Doch zonder voor den

blooten degen te schromen, ging milady voort hem te naderen, om hem te

treffen, en zij bleef niet eer staan, dan toen zij de punt des degens op

haar borst voelde. Daarop trachtte zij den degen in haar handen te

grijpen, maar d’Artagnan weerde haar omstrengelingen steeds af en bood

haar zijn zwaard, nu voor de oogen, dan op de borst, zonder haar te

kwetsen, terwijl hij bleef achteruittreden, de deur der kamer van Ketty

zoekende, om er door te ontsnappen.

Onderwijl bleef milady, in vreeselijke driftvervoering en afgrijselijk

schreeuwende, op hem aandringen. Intusschen, daar zulks eenigszins

op een tweegevecht begon te gelijken, herstelde d’Artagnan zich

van lieverlede.--„Mooi, schoone dame! mooi!” zeide hij, „maar

bij God! bedaar, of ik teeken een tweede lelie op den anderen

schouder.”--„Eerlooze! eerlooze!” brulde milady.

Maar d’Artagnan, steeds de deur zoekende, bleef zich verdedigen. Op het

gerucht der omvallende meubels, die beiden, zij om hem te naderen, en

hij om er zich achter te verschansen, omverwierpen, opende Ketty de

deur.

D’Artagnan, die steeds zijn bewegingen had ingericht om de deur te

naderen, was er niet verder dan drie schreden meer van af. In één sprong

was hij uit de kamer van milady in die van Ketty en met bliksemsnelheid

sloot hij de deur, tegen welke hij met al zijn krachten zich staande

hield, terwijl Ketty de grendels er op schoof. Milady trachtte toen dien

zuilenboog, die haar in haar kamer hield opgesloten, met meer dan

vrouwelijke kracht omver te werpen, maar voelende dat zulks haar

onmogelijk was, doorstak zij de deur met een aantal dolksteken, van

welke eenige de dikte van het hout doordrongen. Elke stoot ging

vergezeld van een vreeselijke vervloeking.

„Gauw! gauw!” zeide d’Artagnan halfluid, toen de grendels waren

opgeschoven, „laat mij het hotel uit, want geven wij haar den tijd om

zich te bedenken, dan zal zij mij door haar lakeien doen vermoorden.

Haasten wij ons, begrijpt gij, het geldt hier leven of dood.”

Ketty begreep maar al te wel. Zij trok hem in de duisternis langs de

trap voort. Het was tijd. Milady had reeds gescheld en bracht het

geheele hotel in opschudding; de portier had de deur, op de stem van

Ketty, reeds geopend op hetzelfde oogenblik dat milady uit het venster

riep: „Doe niet open!”

De jongeling vlood, terwijl zij hem nog een onmachtige bedreiging

toewierp. Op het oogenblik, dat ze hem uit het gezicht verloor, viel zij

in onmacht in haar kamer neer.

De Drie Musketiers dl. I en II · 第 55 / 93 题