Wraakzucht.
Des avonds gaf milady het bevel, d’Artagnan onmiddellijk binnen te
geleiden, zoodra hij volgens gewoonte zou gekomen zijn. Maar hij kwam
niet. Den volgenden dag ging Ketty opnieuw den jongeling bezoeken en
verhaalde hem alles, wat er den vorigen avond was voorgevallen.
D’Artagnan glimlachte. Die grimmige jaloerschheid van milady was zijn
wraak. Des avonds was milady nog ongeduldiger dan den vorigen dag. Zij
hernieuwde het bevel nopens den Gaskonjer; maar, zooals den vorigen dag,
wachtte zij hem tevergeefs. Den daarop volgenden dag vertoonde zich
Ketty bij d’Artagnan, niet meer vroolijk en levendig, gelijk de twee
vorige dagen, maar integendeel treurig en neerslachtig als de dood.
D’Artagnan vroeg het arme meisje, wat haar deerde; maar deze, in plaats
van te antwoorden, haalde een brief uit haar zak en stelde hem dien ter
hand. Die brief was door milady eigenhandig geschreven, maar nu was hij
niet aan den heer de Wardes, maar wel degelijk aan d’Artagnan gericht.
Hij opende en las:
„Waarde Heer d’Artagnan!
Het is niet fraai, zijn vrienden zoo te veronachtzamen, vooral op
het oogenblik, dat men hen voor een geruime poos verlaat. Mijn
schoonbroeder en ik hebben gisteren en eergisteren tevergeefs op u
gewacht. Zal het evenzoo van avond wezen?
Uw zeer erkentelijke,
Lady de Winter.”
„Dat is zeer natuurlijk, en ik wachtte zoodanigen brief,” zeide
d’Artagnan; „mijn krediet vermeerdert door de vermindering van dat van
den heer de Wardes.”--„Zult gij gaan?” vroeg Ketty.--„Luister, mijn lief
kind!” zeide de Gaskonjer, die trachtte zich in zijn eigen oogen te
verontschuldigen, dat hij de belofte verbrak, die hij Athos had gedaan;
„gij begrijpt, dat het onstaatkundig zou zijn, een zoo uitdrukkelijk
gedane uitnoodiging niet te beantwoorden; als milady mij niet ziet
terugkeeren, zou zij niet weten, waaraan mijn wegblijven toe te
schrijven; zij zou iets kunnen vermoeden, en wie weet, hoe ver de
wraakzucht eener vrouw van dat karakter gaan zou.”--„Ach, mijn God! gij
weet de dingen op zoodanige wijze voor te stellen, dat gij steeds gelijk
hebt. Gij zult haar weder het hof maken, en indien gij haar nu onder uw
waren naam en met uw wezenlijk gezicht gaat bezoeken, dan zal het nog
erger zijn dan de eerste maal.”--Een inwendige stem deed het arme meisje
een gedeelte van wat er gebeuren zou, raden.
D’Artagnan stelde haar zooveel mogelijk gerust en beloofde haar
ongevoelig te blijven voor de verleidingsmiddelen van milady. Hij
verzocht haar milady te verzekeren, dat hij vol dankbaarheid was voor
haar goedheid en zich aan haar verlangen zou onderwerpen. Hij durfde
niet schrijven, uit vrees van zijn geschrift voor zulke geoefende oogen,
als die van milady, niet genoegzaam te kunnen veranderen.
Toen het negen uur sloeg, was d’Artagnan op het Koningsplein. Het was
blijkbaar, dat de dienaars in de voorkamer verwittigd waren; want zoodra
hij verscheen, en zelfs alvorens gevraagd te hebben of milady te huis
was, diende een hunner hem al aan.
„Laat binnenkomen,” zeide milady kortaf, maar zoo luid, dat d’Artagnan
het in de voorkamer hoorde. Men geleidde hem binnen.--„Ik ben voor
niemand thuis,” zeide milady, „hoort gij? Voor niemand.”--De lakei
vertrok.
D’Artagnan wierp een nieuwsgierigen blik op milady; zij was bleek en
haar oogen waren vermoeid, hetzij van tranen te storten, of van niet
geslapen te hebben. Men had met opzet het gewone getal lichten
verminderd, en toch vermocht de jonge vrouw niet de kenteekenen der
koorts te verbergen, die haar sedert twee dagen verteerde.
D’Artagnan naderde haar met zijn gewone beleefdheid. Zij deed een
geweldige poging om hem te ontvangen, maar nooit loochende een meer
ontsteld gelaat een meer bevalligen glimlach. Op de vragen, die
d’Artagnan haar nopens haar gezondheid deed, antwoordde zij: „Slecht,
zeer slecht!”--„Maar dan,” zeide d’Artagnan, „kom ik op een zeer
ongelegen uur, en ik ga mij verwijderen, daar gij rust noodig
hebt.”--„Neen, neen,” zeide milady, „integendeel, blijf, mijnheer
d’Artagnan! uw aangenaam gezelschap zal mij verzetten.”
„Zij is nooit zoo bekoorlijk geweest,” dacht d’Artagnan; „laat ik op
mijn hoede zijn.”
Milady nam de bevalligste houding aan, die zij kon en gaf de meeste
bekoorlijkheid aan haar gesprek. Tegelijkertijd kwam de koorts, die haar
voor een oogenblik had verlaten, den glans aan haar oogen, de kleur aan
haar wangen, het karmijn aan haar lippen teruggeven. D’Artagnan hervond
weer die _Circé_, welke hem reeds met haar betooveringen had omgeven.
Milady glimlachte, en d’Artagnan voelde, dat hij zich door zoo een
glimlach der verdoemenis zou wijden. Een oogenblik voelde hij iets als
een wroeging, wegens hetgeen hij jegens haar had misdreven.
Van lieverlede werd milady spraakzamer.... Zij vroeg d’Artagnan, of hij
in zijn hart een liefde had.--„Helaas!” zeide d’Artagnan, op de
sentimenteelste wijze, die hem mogelijk was, „kunt gij week genoeg zijn,
mij een dergelijke vraag te doen, aan mij, die, sinds ik u zag, slechts
voor u en door u adem en zucht.”
Milady glimlachte op een zonderlinge wijze.--„Dus gij bemint mij?” vroeg
zij.--„Moet ik het u zeggen, en hebt gij het niet reeds bespeurd?”--„Ja
wel; maar gij weet, hoe fierder harten, hoe moeilijker te
overwinnen.”--„O, de moeilijkheden schrikken mij niet af,” zeide
d’Artagnan, „alleen de onmogelijkheid zou mij vrees aanjagen.”--„Niets
is voor een oprechte liefde onmogelijk.”--„Niets, mevrouw?”--„Niets,”
herhaalde milady.
„Duivelsch!” dacht d’Artagnan, „de toon is veranderd. Zou zij, de
wispelturige, op mij bij toeval verliefd zijn geworden en genegen zijn
mij een anderen saffier te geven, gelijk aan dien, welken zij aan mij
voor de Wardes gaf?”
„Laat hooren,” hernam milady; „wat zoudt gij doen, om die liefde te
bewijzen, van welke gij spreekt?”--„Al wat men van mij zou verlangen. Op
een bevel ben ik gereed.”--„Tot alles?”--„Tot alles!” riep d’Artagnan,
die van te voren wist, dat hij niet veel waagde zich derwijze te
verbinden.--„Welnu, praten wij dan eens,” zeide milady, haar
leuningstoel nader bij dien van d’Artagnan schuivende.--„Ik luister,
mevrouw!” zeide deze.
Milady bleef een oogenblik in gepeins verzonken en als besluiteloos;
vervolgens een besluit genomen hebbende, zeide zij: „Ik heb een
vijand.”--„Gij, mevrouw?” riep d’Artagnan, verwondering veinzende. „Is
het mogelijk, mijn God! goed en schoon als gij zijt!”--„Een
doodsvijand.”--„Waarlijk?”--„Een vijand, die mij heeft beleedigd, zoo
gruwelijk beleedigd, dat er tusschen mij en hem een strijd op leven en
dood is. Kan ik op u, als op een bondgenoot, rekenen?”--D’Artagnan
begreep dadelijk het doel van het wraakzuchtig schepsel.--„Gij kunt het,
mevrouw!” antwoordde hij met geestdrift. „Mijn arm en mijn leven
behooren u, zoowel als mijn liefde.”--„Dan,” zeide milady, „dewijl gij
even edelmoedig als beminnelijk zijt....”--„Welnu?” vroeg
d’Artagnan.--„Welnu,” hernam milady na een oogenblik zwijgens, „spreek
van nu aan van geen onmogelijkheid meer.”--„Verplet mij niet onder mijn
geluk!” riep d’Artagnan, zich op de knieën werpende en met kussen de
hand bedekkende, die hem werd overgelaten.
--„Wreek mij op den schandelijken de Wardes,” dacht milady, „en ik zal
mij later van u ontslaan, dubbele dwaas! levende degenkling!”--
--„Ja, zeg nu maar, dat gij mij bemint, na mij schandelijk bedrogen te
hebben, huichelares en gevaarlijke vrouw!” dacht d’Artagnan van zijn
kant, „en daarna zal ik met hem, dien gij door mijn hand wilt straffen,
u uitlachen.”--
D’Artagnan hief het hoofd op.--„Ik ben gereed,” zeide hij.--„Gij hebt
mij dan begrepen, waarde heer d’Artagnan!” zeide milady.--„Eén blik is
voor mij genoeg, om uw bedoelingen te raden.”--„Dus wilt gij uw arm, die
zich reeds zooveel roem heeft verworven, ten mijnen dienste
stellen?”--„Oogenblikkelijk.”--„En,” vroeg milady, „hoe zal ik ooit een
dergelijken dienst kunnen beloonen?”--„Uw liefde is de eenige belooning,
die ik begeer,” zeide d’Artagnan, „de eenige, die u en mij waardig
is.”--„Baatzuchtige!” zeide zij glimlachende.--„Ach!” riep d’Artagnan,
een oogenblik vervoerd door den hartstocht, welken die vrouw de gave had
in zijn hart te doen ontbranden; „ach! maar uw liefde voor mij schijnt
niet mogelijk, en vreezende ze als een droom te doen vervliegen, ben ik
ongeduldig er de verzekering van uit uw mond te hooren.”--„Verdient gij
dan reeds een dergelijke bekentenis?”--„Ik wacht uw bevelen,” zeide
d’Artagnan.--„Oprecht?” vroeg milady, nog twijfelende.--„Noem mij den
eerlooze, die uw schoone oogen heeft doen schreien.”--„Wie zegt u, dat
ik geweend heb?” riep zij.--„Ik dacht....”--„Vrouwen, zooals ik, weenen
niet,” hernam milady.--„Des te beter. Welaan, zeg mij hoe hij
heet?”--„Bedenk, dat in zijn naam geheel mijn geheim ligt.”--„Ik moet
nochtans zijn naam kennen?”--„Ja, dat moet gij: zie eens, of ik in u ook
vertrouwen stel.”--„Gij vervult mij met vreugd. Hoe heet hij?”--„Gij
kent hem.”--„Inderdaad?”--„Ja.”--„Hij is niet een mijner vrienden?”
hernam d’Artagnan, eenige aarzeling veinzende, om aan zijn onwetendheid
te doen gelooven.--„Indien het een uwer vrienden ware, zoudt gij dan
aarzelen!” riep milady, en een dreigende bliksem schoot uit haar
oogen.--„Neen, al ware het mijn broeder!” riep d’Artagnan in
geestvervoering. Onze Gaskonjer ging verder, zonder iets te wagen, want
hij wist waar hij ging.--„Ik zie uw diensttoewijding met vreugd,” zeide
milady.--„Helaas! bemint gij slechts dat in mij?” zeide d’Artagnan.--„Ik
zal u dat een andermaal zeggen,” antwoordde zij, hem bij de hand
nemende. En die handdruk deed d’Artagnan rillen, alsof door die
aanraking de koorts, die in milady gloeide, hem zelven overviel.--„Gij,
gij zult mij eenmaal beminnen!” riep hij. „O, indien zulks waar mocht
zijn, ik zou er krankzinnig door worden.”
D’Artagnan was inderdaad dronken van blijdschap, en in zijn waanzin
geloofde hij bijna aan de misdaad van de Wardes. Indien de Wardes op dat
oogenblik onder zijn bereik ware geweest, zou hij hem gedood hebben.
Milady maakte van de gelegenheid gebruik.--„Hij heet....” zeide zij op
haar beurt.--„De Wardes, ik weet het,” viel d’Artagnan haar in de
rede.--„En hoe weet gij dat?” vroeg milady, zijn beide handen vattende
en door zijn oogen in het diepste van zijn ziel trachtende te lezen.
D’Artagnan begreep, dat hij zich overijld en een misslag begaan had.
„Spreek, spreek! maar spreek dan toch,” herhaalde milady. „Hoe weet gij
het?”--„Hoe ik het weet? omdat gisteren de Wardes in een gezelschap,
waar ik was, een ring toonde, dien hij zeide van u te hebben
ontvangen.”--„De ellendeling,” riep milady.--Die scheldnaam vond, zooals
men wel kan begrijpen, weerklank in het diepste van d’Artagnan’s
hart.--„Welnu,” vervolgde zij.--„Welnu, ik zal u wreken, op.... dien
ellendeling,” hernam d’Artagnan, zich aanstellende als _Don Japhet van
Armenië_.--„Ik dank u, mijn dappere vriend!” riep milady. „En wanneer
zal ik gewroken zijn?”--„Morgen, onmiddellijk, wanneer gij wilt.”
Milady was gereed uit te roepen: „Onmiddellijk!” Maar zij overwoog, dat
een dergelijke overhaasting d’Artagnan niet zeer gevallig zou zijn.
Bovendien moest zij duizenderlei voorzorgen nemen, duizenderlei
raadgevingen aan haar verdediger geven, om te voorkomen, dat hij, in
tegenwoordigheid van getuigen, in eenige verklaring met den graaf zou
treden.
„Morgen,” hernam d’Artagnan, „zult gij gewroken of ik dood
zijn.”--„Neen,” zeide zij, „gij zult mij wreken, maar niet sterven. Ik
weet dit zeker.”--„En hoe weet gij dat?”--„Wel, het schijnt, dat gij in
den strijd met hem u niet over de fortuin te beklagen hebt gehad.”--„De
fortuin is een wispelturige: gisteren mij gunstig, kan zij mij morgen
verraden.”--„Hetgeen wil zeggen, dat gij nu aarzelt?”--„Neen, ik aarzel
niet, God beware mij, maar....”--„Stil!” viel zij hem in de rede, „ik
hoor mijn broeder; het is niet noodig, dat hij u hier vindt.”
Zij schelde. Ketty trad binnen.--„Ga deze deur uit,” zeide zij tot
d’Artagnan, een kleine verborgene deur openende, „en keer te elf uur
terug, dan zullen wij ons gesprek voortzetten. Ketty zal u bij mij
binnenleiden.”--Het arme kind meende omver te vallen op het hooren dier
woorden.--„Wel, wat doet gij daar, juffer! gij blijft daar staan als een
beeld. Welaan, doe den ridder uitgeleide, en hedenavond te elf uur....
gij hebt het gehoord?”
„Het schijnt, dat haar samenkomsten steeds te elf uur plaats hebben,”
dacht d’Artagnan, „dat is zeker een gewoonte.”--Milady reikte hem haar
hand, die hij teederlijk kuste.
„Welaan,” dacht hij, zich verwijderende en nauwelijks op de verwijtingen
van Ketty antwoordende, „welaan, laat ons niet dwaas zijn; het is
uitgemaakt, die vrouw is een groote misdadigster. Laat ons op onze hoede
zijn.”