HOOFDSTUK II.

Kamenier en meesteres.

Intusschen, zooals wij gezegd hebben, werd d’Artagnan, ondanks de stem

van zijn geweten, ondanks den wijzen raad van Athos en de zachte

herinnering aan mejuffrouw Bonacieux, hoe langer hoe meer verliefd op

milady; ook liet hij niet na haar dagelijks het hof te maken, verzekerd,

zooals onze avontuurlijke Gaskonjer was, dat vroeg of laat zij zijn

liefde zoude beantwoorden.

Op zekeren avond, dat hij, met den neus in den wind, licht als iemand,

die een gouden regen verwacht, aankwam, ontmoette hij de kamenier onder

de koetspoort; maar nu bepaalde de lieve Ketty er zich niet toe hem in

het voorbijgaan toe te lachen, maar zij vatte hem zachtjes bij de

hand.--„Goed,” dacht d’Artagnan, „zij is met de een of andere boodschap

voor mij vanwege haar meesteres belast; zij zal mij hier of daar een

samenkomst willen aanwijzen, die zij mij niet zelve heeft durven

mededeelen.”--En hij beschouwde het schoone kind met een van trotschheid

blinkend gelaat.

„Ik wilde u wel een paar woorden zeggen, mijnheer de ridder,” stamelde

de kamenier.--„Spreek, mijn kind! spreek,” zeide d’Artagnan, „ik

luister.”--„Hier! onmogelijk; wat ik u te zeggen heb, vereischt te veel

tijd en evenveel geheimhouding.”--„Welnu, wat wilt gij dan, dat ik

doe?”--„Indien mijnheer de ridder mij wilde volgen,” zeide Ketty

schroomvallig.--„Waar gij wilt, mijn lief kind!”--„Kom dan!”--En Ketty,

die de hand van d’Artagnan niet had losgelaten, trok hem langs een

kleine, donkere wenteltrap voort, en na hem een vijftiental treden te

hebben doen opklimmen, opende zij een deur.--„Ga binnen, mijnheer de

ridder, hier zullen wij alleen zijn en vertrouwelijk kunnen

spreken.”--„En wat is dat voor een kamer, mijn schoon kind?” vroeg

d’Artagnan.--„De mijne, mijnheer de ridder! die door deze deur

gemeenschap heeft met die mijner meesteres. Maar wees gerust, zij kan

niet hooren, wat wij zeggen, daar zij nooit vóór middernacht te bed

gaat.”

D’Artagnan wierp rondom zich een blik. De kleine kamer was bevallig van

smaak en netheid; maar onwillekeurig vestigden zijn oogen zich op die

deur, welke Ketty hem gezegd had die der kamer harer meesteres te

zijn.--Ketty raadde, wat er in de ziel des jongelings omging en slaakte

een zucht.

„Gij bemint dan zoo innig mijn meesteres, mijnheer de ridder?” vroeg

zij.--„Ik weet niet, of ik haar oprecht bemin, maar wat ik weet, is,

dat ik dol verliefd op haar ben.”--Ketty slaakte een tweeden

zucht.--„Helaas, mijnheer! dat is wel jammer!”--„En wat duivel waarom

ziet ge hierin zooveel jammers?”--„Omdat, mijnheer! mijn meesteres u

volstrekt niet bemint.”--„Ei,” liet d’Artagnan hooren, „zij zou u

belast hebben mij dit te zeggen?”--„O neen, mijnheer! maar ik ben het,

die, uit belangstelling voor u, het voornemen heb opgevat het u te

zeggen.”--„Ik dank u, goede Ketty! maar alleen voor de bedoeling;

want die mededeeling, zooals gij moet bekennen, is niet van de

aangenaamste.”--„Dat wil zeggen, dat gij niet gelooft, wat ik u heb

gezegd, niet waar?”--„Men heeft altijd moeite dergelijke dingen te

gelooven, mijn schoon kind! al ware het slechts uit eigenliefde.”--„Dus,

gij gelooft mij niet?”--„Ik beken, dat, zoolang gij mij geen bewijs hebt

gegeven van hetgeen gij voorgeeft....”--„Wat zegt gij van dit?”--En

Ketty haalde uit haar boezem een naamloos briefje.--„Voor mij?” riep

d’Artagnan, haastig het briefje grijpende, en met een even snelle

beweging als de gedachte scheurde hij het open, ondanks den kreet, dien

Ketty slaakte op het zien van hetgeen hij wilde doen, of liever van wat

hij deed.--„Ach, mijn God! mijnheer de ridder! wat doet gij?” riep

zij.--„Wel, _pardieu_!” antwoordde d’Artagnan, „moet ik geen kennis

nemen van hetgeen mij wordt toegezonden?”--En hij las:

„Gij hebt mijn eersten brief niet beantwoord; zijt gij dan

ongesteld, of zoudt gij de lonken hebben vergeten, die gij mij op

het bal van mevrouw de Guise toewierpt? Ziehier wederom een

gelegenheid, graaf! laat u die niet ontglippen.”

D’Artagnan verbleekte; hij was in zijn eigenliefde gekwetst, hij meende

in zijn liefde gekwetst te zijn.--„Dat briefje is niet voor mij!” riep

hij.--„Neen, het is voor een ander; gij hebt mij den tijd niet gelaten u

zulks te zeggen.”--„Voor een ander? Zijn naam! zijn naam!” riep

d’Artagnan woedend.--„De heer graaf de Wardes!”

De herinnering aan het tooneel van _St. Germain_ vertoonde zich toen

eensklaps voor den geest van den verwaten Gaskonjer, en bevestigde

hetgeen Ketty had geopenbaard.

„Arme, goede mijnheer d’Artagnan!” zeide zij met een stem vol

medelijden, opnieuw de hand van den jongeling drukkende.--„Gij beklaagt

mij, arme kleine!” zeide d’Artagnan.--„O, ja, uit geheel mijn hart; want

ik weet, wat liefde is.”--„Gij weet wat liefde is?” hernam d’Artagnan,

haar voor het eerst met zekere aandacht beschouwende.--„Helaas,

ja!”--„Welnu, in plaats van mij te beklagen, zoudt gij beter doen mij te

helpen op uw meesteres wraak te nemen.”--„En wat soort van wraak zoudt

gij op haar willen nemen?”--„Ik zou in de plaats van mijn medeminnaar

willen treden.”--„Hierin zal ik u nooit behulpzaam zijn, mijnheer de

ridder!” zeide Ketty haastig.--„En waarom niet?” vroeg d’Artagnan.--„Om

twee redenen.”--„Welke?”--„De eerste, omdat mijn meesteres u nooit zal

beminnen.”--„Hoe weet gij dat?”--„Gij hebt haar diep beleedigd.”--„Hoe

kan ik haar hebben beleedigd, ik, die, sinds ik haar ken, aan haar

voeten leef als een slaaf. Spreek, ik bid u.”--„Ik zal dat nooit

bekennen dan aan den man, die in het diepste van mijn hart kan lezen.”

D’Artagnan beschouwde Ketty voor de tweede maal. Het meisje was van een

frischheid en schoonheid, voor welke hertoginnen haar kronen zouden

hebben gegeven.

„Ketty?” zeide hij, „ik zal in het diepst van uw hart lezen, laat u dat

niet weerhouden, mijn lief kind! maar spreek.”--„O, neen!” riep Ketty,

„gij bemint mij niet, gij bemint alleen mijn meesteres, gij zeidet mij

zulks nog zooeven.”--„En belet u dat, mij de tweede reden te

zeggen?”--„De tweede reden, mijnheer de ridder!” hernam Ketty, bemoedigd

door de uitdrukking van des jongelings oogen, „is, dat in de liefde

iedereen voor zich zelven handelt.”

Toen eerst herinnerde zich d’Artagnan de smachtende lonken van Ketty,

haar glimlach en haar gesmoorde zuchten, telkens wanneer zij hem

ontmoette; maar alleen vervuld met de begeerte aan de groote dame te

behagen, had hij de kamenier voorbijgezien: die op den arend jacht

maakt, let niet op de musch.

Maar nu bemerkte de Gaskonjer in één oogopslag al de voordeelen, die hij

uit een liefde kon trekken, welke Ketty hem zoo onnoozel had te kennen

gegeven: onderschepping der brieven voor den graaf de Wardes bestemd;

bekendheid in de vesting; en alle oogenblikken vrijen toegang in de

kamer van Ketty, welke aan die van haar meesteres grensde. De

valschaard, zooals men ziet, offerde reeds bij zich zelven het arme,

jonge meisje aan de groote dame op.

Het sloeg middernacht, en men hoorde bijna tegelijkertijd de schel in de

kamer van milady klinken.--„Groote God!” riep Ketty, „het is mijn

meesteres, die mij roept; vertrek, vertrek spoedig!”

D’Artagnan stond op, nam zijn hoed, alsof hij voornemens was te

gehoorzamen; vervolgens haastig de deur van een groote kast openende,

verborg hij er zich in achter de kleederen en ochtendjaponnen van

milady.

„Wat doet gij toch?” riep Ketty.--D’Artagnan, die vooraf den sleutel had

genomen, sloot zich in de kast zonder te antwoorden.--„Hoe is het?” riep

milady met scherpe stem; „slaapt gij, dat gij niet komt, wanneer ik

schel?”--En d’Artagnan hoorde met hevigheid de gemeenschapsdeur

openen.--„Hier ben ik, milady, hier ben ik!” riep Ketty, haar meesteres

tegemoet ijlende. Beiden traden de slaapkamer binnen, en daar de deur

open bleef, kon d’Artagnan nog gedurende eenigen tijd milady haar

kamenier hooren beknorren; eindelijk bedaarde zij, en het gesprek viel

op hem, terwijl Ketty haar meesteres uitkleedde.

„Welzoo!” zeide milady, „ik heb onzen Gaskonjer heden avond niet

gezien.”--„Hoe, mevrouw!” zeide Ketty, „is hij niet hier geweest? Zou

hij reeds veranderlijk zijn geworden, alvorens gelukkig te zijn

gemaakt?”--„Och, neen! hij zal door den heer de Tréville of den heer des

Essarts verhinderd zijn geworden. Ik ken ze, Ketty, en dezen heb ik

beet.”--„Wat zal mevrouw er mede beginnen?”--„Wat ik met hem zal doen?

wees gerust, Ketty! er is tusschen dien man en mij iets, dat hij niet

weet. Hij heeft mij bijna mijn krediet bij Zijne Eminentie doen

verliezen. O! ik zal mij wreken.”--„Ik dacht, dat mevrouw hem

beminde?”--„Ik hem beminnen! ik verfoei hem. Een ezel, die het leven van

lord de Winter in zijn handen heeft en het hem niet ontneemt en mij

driemaal honderd duizend pond rente doet verliezen.”--„Dat is waar,”

zeide Ketty, „uw zoon is de eenige erfgenaam van zijn oom, en tot zijn

meerderjarigheid zoudt gij de vruchten van zijn vermogen hebben

genoten.”

D’Artagnan rilde tot in het merg van zijn gebeente, toen hij dat

heerlijke schepsel hem hoorde verwijten, met die snijdende stem, welke

zij zooveel moeite had in het gemeenzaam verkeer te verbergen, een man

niet om het leven te hebben gebracht, dien hij haar met zooveel

vriendschap had zien behandelen.

„Ook,” ging milady voort, „zou ik mij reeds op hem gewroken hebben,

indien, ik weet niet waarom, de kardinaal mij niet had aanbevolen hem te

sparen.”--„O, ja! maar mevrouw heeft dat jonge vrouwtje niet gespaard,

welke hij beminde.”--„O, de winkeliersvrouw der Doodgraversstraat. Heeft

hij niet reeds vergeten, dat zij bestaat? waarlijk een fraaie wraak!”

Een koud zweet besproeide het voorhoofd van d’Artagnan. Die vrouw was

dus een monster?--Hij maakte zich weder gereed om te luisteren, maar

ongelukkiglijk was het toilet geëindigd.

„Het is wel,” zeide milady, „ga naar uw kamer en tracht morgen een

antwoord te krijgen op den brief, dien ik u heb gegeven.”--„Voor den

heer de Wardes?” vroeg Ketty.--„Zeker, voor den heer de Wardes.”--„Dat

is iemand, die er mij geheel anders uitziet, dan die arme

d’Artagnan.”--„Vertrek, juffer!” zeide milady, „ik houd niet van

aanmerkingen.”

D’Artagnan hoorde de deur sluiten, vervolgens de twee grendels, die

milady er op schoof, ten einde niet gestoord te worden. Van haar kant,

maar zoo zachtjes mogelijk, draaide Ketty de deur op het nachtslot. Toen

opende d’Artagnan de deur der kast.

„Ach, mijn God!” zeide Ketty zacht, „wat deert u? hoe bleek zijt

gij?”--„Dat afschuwelijk schepsel!” mompelde d’Artagnan.--„Stil, stil,

vertrek!” zeide Ketty: „één enkel beschot scheidt slechts mijn kamer van

die mijner meesteres; men hoort van de eene, al wat er in de andere

gesproken wordt.”--„Om het even; maar ik wil niet vertrekken, alvorens

gij mij zult gezegd hebben, wat er van juffrouw Bonacieux is geworden.”

Het arme meisje zwoer op het kruisbeeld aan d’Artagnan, dat zij er

volstrekt niets van wist, daar haar meesteres nooit, dan ten halve, haar

geheimen liet doorgronden. Alleen meende zij te kunnen verzekeren, dat

zij nog in leven was.

Wat de oorzaak betrof, die aan milady haar krediet bij den kardinaal

bijna had doen verliezen, hiervan wist Ketty nog minder. Maar omtrent

deze aangelegenheid was d’Artagnan beter op de hoogte dan zij; daar hij

milady op een der schepen had gezien, welke de haven niet mochten

verlaten op het oogenblik, dat hij _Engeland_ verliet, twijfelde hij er

niet aan, of het betrof de diamanten haken. Het duidelijkste in dat

alles was, dat de wezenlijke haat, de diepe, ingekankerde haat van

milady voor hem daaruit voortsproot, dat hij haar schoonbroeder niet had

gedood.

D’Artagnan keerde den volgenden dag naar milady terug. Zij was in een

zeer kwade luim; d’Artagnan begreep, dat het niet antwoorden des heeren

de Wardes haar zoo boos maakte. Ketty trad binnen; maar milady ontving

haar zeer ruw. Een blik, dien zij op d’Artagnan sloeg, wilde zeggen:

„Gij ziet, wat ik om uwentwil lijd.”

Intusschen bedaarde de schoone leeuwin tegen het einde des avonds; zij

luisterde glimlachend naar het zoet gekout van d’Artagnan; zij gaf hem

zelfs haar hand te kussen.

D’Artagnan vertrok, niet meer wetende wat te denken; maar een Gaskonjer

zijnde, dien men niet gemakkelijk het hoofd deed verliezen, had hij bij

zich zelven een zeker plan gevormd. Hij vond Ketty aan de deur, en

gelijk den vorigen avond, begaf hij zich in haar kamer, om iets nieuws

te vernemen. Ketty was erg beknord en van onoplettendheden beschuldigd

geworden. Milady begreep niets van het zwijgen van graaf de Wardes; zij

had Ketty bevolen zich te negen uur den volgenden ochtend te vertoonen,

ten einde haar bevelen te ontvangen.

D’Artagnan deed aan Ketty beloven, den volgenden morgen bij hem te

komen, om hem van den aard dier bevelen kennis te geven. Het arme meisje

beloofde d’Artagnan alles, wat hij wilde: zij was verliefd!

Te elf uur zag hij Ketty naderen; zij had wederom een briefje van milady

in de hand. Nu trachtte het arme kind niet eens het aan d’Artagnan te

betwisten, zij liet hem begaan; want zij behoorde met ziel en lichaam

aan haar schoonen soldaat.

D’Artagnan opende het tweede briefje, dat evenmin naam of opschrift

droeg, en las het volgende:

„Ziedaar de derde maal dat ik u schrijf, om u te zeggen, dat ik u

bemin; zorg, dat ik u niet voor de vierde maal schrijve, om u te

zeggen, dat ik u verfoei.”

D’Artagnan werd beurtelings rood en bleek, terwijl hij het briefje

las.--„O, gij bemint haar steeds?” zeide Ketty, die geen oogenblik haar

blik van het gelaat des jongelings had afgewend.--„Neen, Ketty! gij

bedriegt u, ik bemin haar niet meer, maar ik wil mij over haar

verachting wreken.”

Ketty zuchtte.--D’Artagnan nam een pen en schreef:

„Mevrouw! tot hiertoe twijfelde ik, of het wel aan mij was, dat uw

beide briefjes gericht waren, daar ik mij voor een dergelijke eer

onwaardig vond. Maar thans moet ik wel aan de grootheid uwer gunst

gelooven, omdat niet alleen uw brief maar ook uw kamenier mij

bevestigen, dat ik het geluk heb door u bemind te worden. Ik zal

mijn vergiffenis te elf uur heden avond komen afsmeeken.... Dit nog

één dag uit te stellen zou in mijn oogen zijn u een nieuwe

beleediging doen.--Hij, dien gij den gelukkigsten der menschen

maakt.”

Dat briefje was geen werkelijke valschheid. D’Artagnan teekende het

niet; maar het was een onkieschheid, en zelfs lijnrecht in strijd met de

hedendaagsche zeden; het was iets, dat naar het schandelijke zweemde;

doch men spaarde elkander in dien tijd minder dan men heden doet.

Bovendien wist d’Artagnan, door haar eigen bekentenis, dat zij zich aan

hoogverraad had schuldig gemaakt, terwijl hij voor haar slechts zeer

weinig achting koesterde. Eindelijk wilde hij haar, wegens haar

koketterie jegens hem, en haar gedrag ten aanzien van juffrouw

Bonacieux, straffen.

Het plan van d’Artagnan was zeer eenvoudig: uit de kamer van Ketty kwam

hij in het vertrek harer meesteres; hij zou de trouwelooze beschaamd

maken, hij zou haar dreigen ruchtbaarheid aan de zaak te geven, om van

haar, door vreesaanjaging, al datgene te vernemen, wat betrekking op het

lot van juffrouw Bonacieux had. Misschien zou wellicht de vrijheid der

lieve winkeliersvrouw de uitslag dezer samenkomst zijn.

„Ziedaar,” zeide de jongeling, aan Ketty het briefje verzegeld ter hand

stellende, „geef dien brief aan milady; het is het antwoord van den heer

de Wardes.”

De arme Ketty werd bleek als een doode; zij raadde den inhoud van het

briefje.--„Luister, mijn lief kind!” zeide haar d’Artagnan, „gij

begrijpt, dat dit op de eene of andere wijze een einde moet nemen:

milady kan ontdekken, dat gij het eerste briefje aan mijn knecht hebt

gegeven in plaats van aan den knecht van den graaf; dat ik het andere

heb geopend, dat de heer de Wardes had moeten openen. Dan zal zij u

wegjagen, en gij kent haar, het is geen vrouw, om daarbij haar wraak te

laten.”--„Helaas!” zuchtte Ketty, „waarom mij aan dat alles

blootgesteld?”--„Voor mij, dat weet ik wel, mijn allerschoonste!” zeide

de jongeling, „ik ben u daarom zeer dankbaar, dat zweer ik u.”--„Maar

wat behelst uw briefje eigenlijk?”--„Milady zal het u zeggen.”--„Ach,

gij bemint mij niet!” riep Ketty, „en ik ben wel ongelukkig.”

Ketty weende lang, alvorens te kunnen besluiten den brief aan milady te

brengen; maar eindelijk gaf zij, uit vriendschap voor den jongeling,

toe: dit was alles, wat d’Artagnan begeerde.

De Drie Musketiers dl. I en II · 第 51 / 93 题