Kamenier en meesteres.
Intusschen, zooals wij gezegd hebben, werd d’Artagnan, ondanks de stem
van zijn geweten, ondanks den wijzen raad van Athos en de zachte
herinnering aan mejuffrouw Bonacieux, hoe langer hoe meer verliefd op
milady; ook liet hij niet na haar dagelijks het hof te maken, verzekerd,
zooals onze avontuurlijke Gaskonjer was, dat vroeg of laat zij zijn
liefde zoude beantwoorden.
Op zekeren avond, dat hij, met den neus in den wind, licht als iemand,
die een gouden regen verwacht, aankwam, ontmoette hij de kamenier onder
de koetspoort; maar nu bepaalde de lieve Ketty er zich niet toe hem in
het voorbijgaan toe te lachen, maar zij vatte hem zachtjes bij de
hand.--„Goed,” dacht d’Artagnan, „zij is met de een of andere boodschap
voor mij vanwege haar meesteres belast; zij zal mij hier of daar een
samenkomst willen aanwijzen, die zij mij niet zelve heeft durven
mededeelen.”--En hij beschouwde het schoone kind met een van trotschheid
blinkend gelaat.
„Ik wilde u wel een paar woorden zeggen, mijnheer de ridder,” stamelde
de kamenier.--„Spreek, mijn kind! spreek,” zeide d’Artagnan, „ik
luister.”--„Hier! onmogelijk; wat ik u te zeggen heb, vereischt te veel
tijd en evenveel geheimhouding.”--„Welnu, wat wilt gij dan, dat ik
doe?”--„Indien mijnheer de ridder mij wilde volgen,” zeide Ketty
schroomvallig.--„Waar gij wilt, mijn lief kind!”--„Kom dan!”--En Ketty,
die de hand van d’Artagnan niet had losgelaten, trok hem langs een
kleine, donkere wenteltrap voort, en na hem een vijftiental treden te
hebben doen opklimmen, opende zij een deur.--„Ga binnen, mijnheer de
ridder, hier zullen wij alleen zijn en vertrouwelijk kunnen
spreken.”--„En wat is dat voor een kamer, mijn schoon kind?” vroeg
d’Artagnan.--„De mijne, mijnheer de ridder! die door deze deur
gemeenschap heeft met die mijner meesteres. Maar wees gerust, zij kan
niet hooren, wat wij zeggen, daar zij nooit vóór middernacht te bed
gaat.”
D’Artagnan wierp rondom zich een blik. De kleine kamer was bevallig van
smaak en netheid; maar onwillekeurig vestigden zijn oogen zich op die
deur, welke Ketty hem gezegd had die der kamer harer meesteres te
zijn.--Ketty raadde, wat er in de ziel des jongelings omging en slaakte
een zucht.
„Gij bemint dan zoo innig mijn meesteres, mijnheer de ridder?” vroeg
zij.--„Ik weet niet, of ik haar oprecht bemin, maar wat ik weet, is,
dat ik dol verliefd op haar ben.”--Ketty slaakte een tweeden
zucht.--„Helaas, mijnheer! dat is wel jammer!”--„En wat duivel waarom
ziet ge hierin zooveel jammers?”--„Omdat, mijnheer! mijn meesteres u
volstrekt niet bemint.”--„Ei,” liet d’Artagnan hooren, „zij zou u
belast hebben mij dit te zeggen?”--„O neen, mijnheer! maar ik ben het,
die, uit belangstelling voor u, het voornemen heb opgevat het u te
zeggen.”--„Ik dank u, goede Ketty! maar alleen voor de bedoeling;
want die mededeeling, zooals gij moet bekennen, is niet van de
aangenaamste.”--„Dat wil zeggen, dat gij niet gelooft, wat ik u heb
gezegd, niet waar?”--„Men heeft altijd moeite dergelijke dingen te
gelooven, mijn schoon kind! al ware het slechts uit eigenliefde.”--„Dus,
gij gelooft mij niet?”--„Ik beken, dat, zoolang gij mij geen bewijs hebt
gegeven van hetgeen gij voorgeeft....”--„Wat zegt gij van dit?”--En
Ketty haalde uit haar boezem een naamloos briefje.--„Voor mij?” riep
d’Artagnan, haastig het briefje grijpende, en met een even snelle
beweging als de gedachte scheurde hij het open, ondanks den kreet, dien
Ketty slaakte op het zien van hetgeen hij wilde doen, of liever van wat
hij deed.--„Ach, mijn God! mijnheer de ridder! wat doet gij?” riep
zij.--„Wel, _pardieu_!” antwoordde d’Artagnan, „moet ik geen kennis
nemen van hetgeen mij wordt toegezonden?”--En hij las:
„Gij hebt mijn eersten brief niet beantwoord; zijt gij dan
ongesteld, of zoudt gij de lonken hebben vergeten, die gij mij op
het bal van mevrouw de Guise toewierpt? Ziehier wederom een
gelegenheid, graaf! laat u die niet ontglippen.”
D’Artagnan verbleekte; hij was in zijn eigenliefde gekwetst, hij meende
in zijn liefde gekwetst te zijn.--„Dat briefje is niet voor mij!” riep
hij.--„Neen, het is voor een ander; gij hebt mij den tijd niet gelaten u
zulks te zeggen.”--„Voor een ander? Zijn naam! zijn naam!” riep
d’Artagnan woedend.--„De heer graaf de Wardes!”
De herinnering aan het tooneel van _St. Germain_ vertoonde zich toen
eensklaps voor den geest van den verwaten Gaskonjer, en bevestigde
hetgeen Ketty had geopenbaard.
„Arme, goede mijnheer d’Artagnan!” zeide zij met een stem vol
medelijden, opnieuw de hand van den jongeling drukkende.--„Gij beklaagt
mij, arme kleine!” zeide d’Artagnan.--„O, ja, uit geheel mijn hart; want
ik weet, wat liefde is.”--„Gij weet wat liefde is?” hernam d’Artagnan,
haar voor het eerst met zekere aandacht beschouwende.--„Helaas,
ja!”--„Welnu, in plaats van mij te beklagen, zoudt gij beter doen mij te
helpen op uw meesteres wraak te nemen.”--„En wat soort van wraak zoudt
gij op haar willen nemen?”--„Ik zou in de plaats van mijn medeminnaar
willen treden.”--„Hierin zal ik u nooit behulpzaam zijn, mijnheer de
ridder!” zeide Ketty haastig.--„En waarom niet?” vroeg d’Artagnan.--„Om
twee redenen.”--„Welke?”--„De eerste, omdat mijn meesteres u nooit zal
beminnen.”--„Hoe weet gij dat?”--„Gij hebt haar diep beleedigd.”--„Hoe
kan ik haar hebben beleedigd, ik, die, sinds ik haar ken, aan haar
voeten leef als een slaaf. Spreek, ik bid u.”--„Ik zal dat nooit
bekennen dan aan den man, die in het diepste van mijn hart kan lezen.”
D’Artagnan beschouwde Ketty voor de tweede maal. Het meisje was van een
frischheid en schoonheid, voor welke hertoginnen haar kronen zouden
hebben gegeven.
„Ketty?” zeide hij, „ik zal in het diepst van uw hart lezen, laat u dat
niet weerhouden, mijn lief kind! maar spreek.”--„O, neen!” riep Ketty,
„gij bemint mij niet, gij bemint alleen mijn meesteres, gij zeidet mij
zulks nog zooeven.”--„En belet u dat, mij de tweede reden te
zeggen?”--„De tweede reden, mijnheer de ridder!” hernam Ketty, bemoedigd
door de uitdrukking van des jongelings oogen, „is, dat in de liefde
iedereen voor zich zelven handelt.”
Toen eerst herinnerde zich d’Artagnan de smachtende lonken van Ketty,
haar glimlach en haar gesmoorde zuchten, telkens wanneer zij hem
ontmoette; maar alleen vervuld met de begeerte aan de groote dame te
behagen, had hij de kamenier voorbijgezien: die op den arend jacht
maakt, let niet op de musch.
Maar nu bemerkte de Gaskonjer in één oogopslag al de voordeelen, die hij
uit een liefde kon trekken, welke Ketty hem zoo onnoozel had te kennen
gegeven: onderschepping der brieven voor den graaf de Wardes bestemd;
bekendheid in de vesting; en alle oogenblikken vrijen toegang in de
kamer van Ketty, welke aan die van haar meesteres grensde. De
valschaard, zooals men ziet, offerde reeds bij zich zelven het arme,
jonge meisje aan de groote dame op.
Het sloeg middernacht, en men hoorde bijna tegelijkertijd de schel in de
kamer van milady klinken.--„Groote God!” riep Ketty, „het is mijn
meesteres, die mij roept; vertrek, vertrek spoedig!”
D’Artagnan stond op, nam zijn hoed, alsof hij voornemens was te
gehoorzamen; vervolgens haastig de deur van een groote kast openende,
verborg hij er zich in achter de kleederen en ochtendjaponnen van
milady.
„Wat doet gij toch?” riep Ketty.--D’Artagnan, die vooraf den sleutel had
genomen, sloot zich in de kast zonder te antwoorden.--„Hoe is het?” riep
milady met scherpe stem; „slaapt gij, dat gij niet komt, wanneer ik
schel?”--En d’Artagnan hoorde met hevigheid de gemeenschapsdeur
openen.--„Hier ben ik, milady, hier ben ik!” riep Ketty, haar meesteres
tegemoet ijlende. Beiden traden de slaapkamer binnen, en daar de deur
open bleef, kon d’Artagnan nog gedurende eenigen tijd milady haar
kamenier hooren beknorren; eindelijk bedaarde zij, en het gesprek viel
op hem, terwijl Ketty haar meesteres uitkleedde.
„Welzoo!” zeide milady, „ik heb onzen Gaskonjer heden avond niet
gezien.”--„Hoe, mevrouw!” zeide Ketty, „is hij niet hier geweest? Zou
hij reeds veranderlijk zijn geworden, alvorens gelukkig te zijn
gemaakt?”--„Och, neen! hij zal door den heer de Tréville of den heer des
Essarts verhinderd zijn geworden. Ik ken ze, Ketty, en dezen heb ik
beet.”--„Wat zal mevrouw er mede beginnen?”--„Wat ik met hem zal doen?
wees gerust, Ketty! er is tusschen dien man en mij iets, dat hij niet
weet. Hij heeft mij bijna mijn krediet bij Zijne Eminentie doen
verliezen. O! ik zal mij wreken.”--„Ik dacht, dat mevrouw hem
beminde?”--„Ik hem beminnen! ik verfoei hem. Een ezel, die het leven van
lord de Winter in zijn handen heeft en het hem niet ontneemt en mij
driemaal honderd duizend pond rente doet verliezen.”--„Dat is waar,”
zeide Ketty, „uw zoon is de eenige erfgenaam van zijn oom, en tot zijn
meerderjarigheid zoudt gij de vruchten van zijn vermogen hebben
genoten.”
D’Artagnan rilde tot in het merg van zijn gebeente, toen hij dat
heerlijke schepsel hem hoorde verwijten, met die snijdende stem, welke
zij zooveel moeite had in het gemeenzaam verkeer te verbergen, een man
niet om het leven te hebben gebracht, dien hij haar met zooveel
vriendschap had zien behandelen.
„Ook,” ging milady voort, „zou ik mij reeds op hem gewroken hebben,
indien, ik weet niet waarom, de kardinaal mij niet had aanbevolen hem te
sparen.”--„O, ja! maar mevrouw heeft dat jonge vrouwtje niet gespaard,
welke hij beminde.”--„O, de winkeliersvrouw der Doodgraversstraat. Heeft
hij niet reeds vergeten, dat zij bestaat? waarlijk een fraaie wraak!”
Een koud zweet besproeide het voorhoofd van d’Artagnan. Die vrouw was
dus een monster?--Hij maakte zich weder gereed om te luisteren, maar
ongelukkiglijk was het toilet geëindigd.
„Het is wel,” zeide milady, „ga naar uw kamer en tracht morgen een
antwoord te krijgen op den brief, dien ik u heb gegeven.”--„Voor den
heer de Wardes?” vroeg Ketty.--„Zeker, voor den heer de Wardes.”--„Dat
is iemand, die er mij geheel anders uitziet, dan die arme
d’Artagnan.”--„Vertrek, juffer!” zeide milady, „ik houd niet van
aanmerkingen.”
D’Artagnan hoorde de deur sluiten, vervolgens de twee grendels, die
milady er op schoof, ten einde niet gestoord te worden. Van haar kant,
maar zoo zachtjes mogelijk, draaide Ketty de deur op het nachtslot. Toen
opende d’Artagnan de deur der kast.
„Ach, mijn God!” zeide Ketty zacht, „wat deert u? hoe bleek zijt
gij?”--„Dat afschuwelijk schepsel!” mompelde d’Artagnan.--„Stil, stil,
vertrek!” zeide Ketty: „één enkel beschot scheidt slechts mijn kamer van
die mijner meesteres; men hoort van de eene, al wat er in de andere
gesproken wordt.”--„Om het even; maar ik wil niet vertrekken, alvorens
gij mij zult gezegd hebben, wat er van juffrouw Bonacieux is geworden.”
Het arme meisje zwoer op het kruisbeeld aan d’Artagnan, dat zij er
volstrekt niets van wist, daar haar meesteres nooit, dan ten halve, haar
geheimen liet doorgronden. Alleen meende zij te kunnen verzekeren, dat
zij nog in leven was.
Wat de oorzaak betrof, die aan milady haar krediet bij den kardinaal
bijna had doen verliezen, hiervan wist Ketty nog minder. Maar omtrent
deze aangelegenheid was d’Artagnan beter op de hoogte dan zij; daar hij
milady op een der schepen had gezien, welke de haven niet mochten
verlaten op het oogenblik, dat hij _Engeland_ verliet, twijfelde hij er
niet aan, of het betrof de diamanten haken. Het duidelijkste in dat
alles was, dat de wezenlijke haat, de diepe, ingekankerde haat van
milady voor hem daaruit voortsproot, dat hij haar schoonbroeder niet had
gedood.
D’Artagnan keerde den volgenden dag naar milady terug. Zij was in een
zeer kwade luim; d’Artagnan begreep, dat het niet antwoorden des heeren
de Wardes haar zoo boos maakte. Ketty trad binnen; maar milady ontving
haar zeer ruw. Een blik, dien zij op d’Artagnan sloeg, wilde zeggen:
„Gij ziet, wat ik om uwentwil lijd.”
Intusschen bedaarde de schoone leeuwin tegen het einde des avonds; zij
luisterde glimlachend naar het zoet gekout van d’Artagnan; zij gaf hem
zelfs haar hand te kussen.
D’Artagnan vertrok, niet meer wetende wat te denken; maar een Gaskonjer
zijnde, dien men niet gemakkelijk het hoofd deed verliezen, had hij bij
zich zelven een zeker plan gevormd. Hij vond Ketty aan de deur, en
gelijk den vorigen avond, begaf hij zich in haar kamer, om iets nieuws
te vernemen. Ketty was erg beknord en van onoplettendheden beschuldigd
geworden. Milady begreep niets van het zwijgen van graaf de Wardes; zij
had Ketty bevolen zich te negen uur den volgenden ochtend te vertoonen,
ten einde haar bevelen te ontvangen.
D’Artagnan deed aan Ketty beloven, den volgenden morgen bij hem te
komen, om hem van den aard dier bevelen kennis te geven. Het arme meisje
beloofde d’Artagnan alles, wat hij wilde: zij was verliefd!
Te elf uur zag hij Ketty naderen; zij had wederom een briefje van milady
in de hand. Nu trachtte het arme kind niet eens het aan d’Artagnan te
betwisten, zij liet hem begaan; want zij behoorde met ziel en lichaam
aan haar schoonen soldaat.
D’Artagnan opende het tweede briefje, dat evenmin naam of opschrift
droeg, en las het volgende:
„Ziedaar de derde maal dat ik u schrijf, om u te zeggen, dat ik u
bemin; zorg, dat ik u niet voor de vierde maal schrijve, om u te
zeggen, dat ik u verfoei.”
D’Artagnan werd beurtelings rood en bleek, terwijl hij het briefje
las.--„O, gij bemint haar steeds?” zeide Ketty, die geen oogenblik haar
blik van het gelaat des jongelings had afgewend.--„Neen, Ketty! gij
bedriegt u, ik bemin haar niet meer, maar ik wil mij over haar
verachting wreken.”
Ketty zuchtte.--D’Artagnan nam een pen en schreef:
„Mevrouw! tot hiertoe twijfelde ik, of het wel aan mij was, dat uw
beide briefjes gericht waren, daar ik mij voor een dergelijke eer
onwaardig vond. Maar thans moet ik wel aan de grootheid uwer gunst
gelooven, omdat niet alleen uw brief maar ook uw kamenier mij
bevestigen, dat ik het geluk heb door u bemind te worden. Ik zal
mijn vergiffenis te elf uur heden avond komen afsmeeken.... Dit nog
één dag uit te stellen zou in mijn oogen zijn u een nieuwe
beleediging doen.--Hij, dien gij den gelukkigsten der menschen
maakt.”
Dat briefje was geen werkelijke valschheid. D’Artagnan teekende het
niet; maar het was een onkieschheid, en zelfs lijnrecht in strijd met de
hedendaagsche zeden; het was iets, dat naar het schandelijke zweemde;
doch men spaarde elkander in dien tijd minder dan men heden doet.
Bovendien wist d’Artagnan, door haar eigen bekentenis, dat zij zich aan
hoogverraad had schuldig gemaakt, terwijl hij voor haar slechts zeer
weinig achting koesterde. Eindelijk wilde hij haar, wegens haar
koketterie jegens hem, en haar gedrag ten aanzien van juffrouw
Bonacieux, straffen.
Het plan van d’Artagnan was zeer eenvoudig: uit de kamer van Ketty kwam
hij in het vertrek harer meesteres; hij zou de trouwelooze beschaamd
maken, hij zou haar dreigen ruchtbaarheid aan de zaak te geven, om van
haar, door vreesaanjaging, al datgene te vernemen, wat betrekking op het
lot van juffrouw Bonacieux had. Misschien zou wellicht de vrijheid der
lieve winkeliersvrouw de uitslag dezer samenkomst zijn.
„Ziedaar,” zeide de jongeling, aan Ketty het briefje verzegeld ter hand
stellende, „geef dien brief aan milady; het is het antwoord van den heer
de Wardes.”
De arme Ketty werd bleek als een doode; zij raadde den inhoud van het
briefje.--„Luister, mijn lief kind!” zeide haar d’Artagnan, „gij
begrijpt, dat dit op de eene of andere wijze een einde moet nemen:
milady kan ontdekken, dat gij het eerste briefje aan mijn knecht hebt
gegeven in plaats van aan den knecht van den graaf; dat ik het andere
heb geopend, dat de heer de Wardes had moeten openen. Dan zal zij u
wegjagen, en gij kent haar, het is geen vrouw, om daarbij haar wraak te
laten.”--„Helaas!” zuchtte Ketty, „waarom mij aan dat alles
blootgesteld?”--„Voor mij, dat weet ik wel, mijn allerschoonste!” zeide
de jongeling, „ik ben u daarom zeer dankbaar, dat zweer ik u.”--„Maar
wat behelst uw briefje eigenlijk?”--„Milady zal het u zeggen.”--„Ach,
gij bemint mij niet!” riep Ketty, „en ik ben wel ongelukkig.”
Ketty weende lang, alvorens te kunnen besluiten den brief aan milady te
brengen; maar eindelijk gaf zij, uit vriendschap voor den jongeling,
toe: dit was alles, wat d’Artagnan begeerde.