Een procureurs middagmaal.
Intusschen had het duel, waarin Porthos een zoo luisterrijke rol had
gespeeld, hem het middagmaal niet doen vergeten, waarop de
procureursvrouw hem had genoodigd. Den volgenden dag te één uur liet hij
zich voor de laatste maal door Mousqueton afschuieren, en begaf zich
naar de Berenstraat.
Zijn hart klopte, maar niet, als dat van d’Artagnan, van jeugdige,
ongeduldige liefde. Neen, een meer lichamelijk gevoel dreef hem voort,
hij zou eindelijk dien geheimzinnigen drempel gaan overschrijden, die
onbekende trap gaan bestijgen, waarlangs een voor een de oude kronen van
meester Coquenard in huis waren gebracht. Hij ging nu inderdaad de
bewuste kast beschouwen, waarvan het beeld hem zoo dikwijls in zijn
droomen was verschenen; de langwerpige, diepe, met sloten voorziene,
verroeste en aan den vloer geklonken kast; de kast, van welke hij zoo
dikwerf had hooren spreken, en die de hand van den procureur voor zijn
opgetogen blik zou gaan openen. En vervolgens zou hij, de zwerveling op
aarde, de man zonder fortuin, zonder bloedverwanten, de soldaat in
herbergen, kroegen en posada’s verkeerende, de lekkerbek, meerendeels
genoodzaakt zich met eenige toevallig opgedane maaltijden te
vergenoegen, nu aan een huiselijken disch aanzitten, het genot van een
huiselijk verkeer smaken.
In hoedanigheid van neef alle dagen aan een goed voorziene tafel te
zitten, het geel en gerimpeld voorhoofd van den ouden procureur op te
vroolijken, een weinig de jonge klerken te plukken, door hun
verschillende kaartspelen en het lanskenet in hun fijnste fijnheden te
leeren, en van hen, bij wijze eener fatsoenlijke belooning voor de
lessen, die hij hun zou geven, in den tijd van één uur het door hen
gespaarde geld van een maand te winnen; dat alles was volstrekt volgens
de zeden van dien tijd en lachte Porthos ontzaglijk toe.
De musketier stelde zich wel voor den geest de hier en daar verspreide
geruchten nopens de procureurs, hun vrekkigheid, geldzucht en
vastendagen; maar dewijl, alles wel beschouwd, behalve eenige
oogenblikken van spaarzaamheid, die Porthos steeds zeer ontijdig vond,
hij de procureursvrouw dikwijls tamelijk gul had gezien, wel te verstaan
voor een procureursvrouw, hoopte hij derhalve een op een goeden voet
ingericht huis te vinden.
Voor de deur echter begon de musketier eenigen twijfel te voeden; de
toegang was niet geschikt om de lieden aan te moedigen; het was een
vuile, donkere gang, waarvan de trap ternauwernood verlicht werd door
het grijskleurig daglicht van een nabijzijnde binnenplaats, dat door
traliën binnenviel.
Porthos klopte aan een voordeur, laag en met ijzeren spijkers beslagen,
zooals de groote deur van het _grand Châtelet_;[10] een groote, bleeke
klerk, met een bos ongekamde haren op het hoofd, kwam de deur openen en
groette als iemand, die gedwongen is een anderen te eerbiedigen, zoowel
uit hoofde der groote gestalte, die kracht aanduidt, het krijgsgewaad,
dat den staat doet kennen, als der blozende kleur, die de gewoonte van
een goed leven te leiden aanduidt. Achter dezen klerk zag hij een
tweeden, die kleiner was, daar achter een derden, van grooter afmeting,
en een loopjongen van twaalf jaar achter den derden. In alles drie en
een halve klerk, hetgeen in dien tijd een zeer beklant kantoor
aanduidde.
[10] Het hoogste gerechtshof toen ter tijd te Parijs.
Hoewel de musketier eerst te één uur moest komen, had echter de
procureursvrouw een waakzaam oog gehouden en op het hart, en misschien
ook wel op de maag van haar aanbidder gerekend, dat hij er voor het
bepaalde uur zou wezen. Mevrouw Coquenard naderde dan door de deur van
het vertrek, terwijl tegelijkertijd haar gast de deur van de trap
binnentrad; de verschijning der waardige dame redde Porthos uit een
groote verlegenheid; de klerken beschouwden hem met een nieuwsgierig
oog, en hij, niet wetende wat tot die opklimmende klerkenrij te zeggen,
bleef sprakeloos.
„Ha, neef!” riep de procureursvrouw, „kom toch binnen, kom toch binnen,
mijnheer Porthos!”--De naam Porthos deed op de klerken zijn uitwerking,
en zij begonnen te lachen; doch Porthos keerde zich om en alle gezichten
hernamen hun ernst.
Men trad het kabinet van den procureur binnen, na de voorkamer, waar de
klerken waren, en het kantoor, waar zij behoorden, te zijn doorgegaan.
Het laatste was een donkere kamer, opgevuld met papieren. Het kantoor
uitkomende, liet men de keuken rechts liggen, en men trad de
gezelschapszaal binnen. Al de vertrekken, welke aan elkander verbonden
waren, boezemden Porthos niet veel vertrouwen in. De gesprekken moesten
van verre door al die opene deuren verstaan worden; bovendien had hij in
het voorbijgaan een snellen, onderzoekenden blik in de keuken geworpen,
en hij bekende het zich, tot schande zijner procureursvrouw en tot zijn
innig leedwezen, dat hij dat vuur, de levendigheid, die beweging niet
had gezien, die eenige oogenblikken vóór een goeden maaltijd gewoonlijk
in het heiligdom der lekkerbekken heerscht.
De procureur was ongetwijfeld van dat bezoek verwittigd geworden, want
hij toonde niet de minste verwondering op het zien van Porthos, die hem
tamelijk ongedwongen naderde en hem beleefd groette.
„Wij zijn, naar het schijnt, neven, mijnheer Porthos!” zeide de
procureur, zich met alle kracht zijner armen van zijn van rotting
gevlochten leuningstoel opheffende.
De grijsaard, in een wijden, zwarten kamerrok gewikkeld, waarin zijn
uitgemergeld lichaam als verloren was, zag er nog krachtig, maar droog
uit; zijn kleine, grijze oogen schitterden als karbonkels en schenen,
met zijn krampachtig bewogen mond, het eenige gedeelte van zijn gezicht,
waarin het leven was gebleven. Ongelukkig weigerden de beenen hun dienst
aan dat knokachtige werktuig; sedert vijf of zes maanden, dat deze
verzwakking zich had doen gevoelen, was van lieverlede de waardige
procureur de slaaf zijner vrouw geworden.
De neef werd met onderwerping aangenomen, en dat was alles. Meester
Coquenard, indien hij nog vlug ter been ware geweest, zou alle
bloedverwantschap met den heer Porthos hebben verloochend.
„Ja, mijnheer! wij zijn bloedverwanten,” zeide Porthos, die trouwens
nooit op een hartelijk onthaal van den echtgenoot had gerekend, zonder
de minste verlegenheid.--„Door de vrouwen, geloof ik?” zeide de
procureur boosaardig.
Porthos begreep die scherts niet en hield ze voor eenvoudigheid, over
welke hij in zijn vuistje lachte. Mevrouw Coquenard, die wist, dat een
onnoozele procureur een zeldzaamheid in zijn soort was, glimlachte een
weinig maar bloosde sterk.
De heer Coquenard had, sedert de komst van Porthos, de oogen ongerust op
een groote kast geworpen, die over zijn eikenhouten schrijftafel stond.
Porthos begreep, dat die kast, hoewel niet in vorm met die van zijn
droomen overeenkomende, de heilrijke schatkist moest zijn, en hij
verheugde zich, dat zij werkelijk zes voet hooger dan die van zijn droom
was.
Meester Coquenard dreef niet verder zijn genealogisch onderzoek door;
maar zijn onrustigen blik van de kast op Porthos werpende, bepaalde hij
zich te zeggen: „Mijnheer uw neef zal, alvorens te vertrekken, ons het
genoegen wel willen doen ten eten te blijven, niet waar mevrouw
Coquenard?”--Nu ontving Porthos den stoot in de volle borst en voelde
dien; het schijnt dat van haar kant mevrouw Coquenard er ook niet
ongevoelig voor was, want zij voegde er bij: „Mijn neef zal niet
terugkeeren, indien hij vindt, dat wij hem niet wel behandelen; doch het
tegenovergestelde is waar, en wijl zijn verblijf te _Parijs_ van korten
duur is, zou het ons zeer aangenaam zijn, indien hij ons al die
oogenblikken wilde schenken, over welke hij tot aan zijn vertrek kan
beschikken.”--„O, mijn arme beenen! mijn arme beenen!” mompelde de heer
Coquenard, en hij trachtte te glimlachen. De hulp, welke Porthos te
beurt viel, in hetzelfde oogenblik dat hij in zijn hoop een goed
middagmaal te doen werd aangevallen, boezemde den musketier voor de
procureursvrouw veel erkentelijkheid in.
Weldra sloeg het etensuur. Men trad de eetzaal binnen: een groote,
donkere kamer tegenover de keuken. De klerken, die, naar het schijnt, in
huis ongewone geuren hadden geroken, waren van een militaire
nauwgezetheid en hielden hun tabouretten gereed om neer te zetten; men
zag hen bij voorbaat reeds de kinnebakken met een verschrikkelijken
eetlust bewegen.
„_Tudieu_!” dacht Porthos, op de drie uitgehongerden een blik werpende;
want de loopjongen, zooals men kan denken, deelde niet in de eer aan des
meesters tafel te zitten. „_Tudieu_! als ik in de plaats van mijn neef
was, dan zou ik zulke gulzigaards niet willen behouden. Zij schijnen
schipbreukelingen, die in geen zes weken gegeten hebben.”
De heer Coquenard kwam binnen, in zijn stoel voortgerold door mevrouw
Coquenard, die Porthos op zijn beurt te hulp kwam, om haar echtgenoot
voor de tafel te brengen. Nauwelijks binnengekomen, bewoog hij neus en
kinnebakken naar het voorbeeld zijner klerken.--„O, o!” zeide hij,
„ziedaar een soep, die er smakelijk uitziet.”
„Wat duivel! zien zij toch zoo buitengewoon smakelijks aan deze soep?”
vroeg Porthos zich zelven, op het zien van een groote hoeveelheid
lichtkleurig vleeschnat, waarop geen enkel vet oog zichtbaar was, en op
hetwelk eenige weinige broodkorsten dreven, als eilandjes in den
Archipel. Mevrouw Coquenard glimlachte, en op een wenk van haar zetten
allen zich overhaast aan tafel.
De heer Coquenard werd het eerst bediend, vervolgens Porthos; daarna
vulde mevrouw Coquenard haar bord en deelde de korsten, zonder het
vleeschnat, aan de overige hongerigen uit. Op dat oogenblik ging de deur
der eetkamer al knarsende open, en Porthos bespeurde, door de kier, den
kleinen loopjongen, die, aan het feestmaal geen deel mogende nemen, zijn
brood at, onderwijl de beide geuren opsnuivende, die uit de keuken en de
eetkamer opstegen. Na de soep bracht de dienstmaagd een gekookt hoen,
een lekkernij, die de oogen der aanzittenden derwijze deed uitpuilen,
dat zij bijna uit hun holten sprongen.
„Men ziet, dat gij uw bloedverwanten liefhebt, mevrouw Coquenard!” zeide
de procureur met een bijna tragischen glimlach: „Ziedaar zeker een
verrassing, die gij voor uw neef hebt bereid.”
Het arme hoen was doodmager en omhuld met dat dik stekelig vel, dat de
beenderen, ondanks hun pogingen, nooit kunnen doorboren; men had het
lang moeten zoeken, alvorens het in het hoenderhok te vinden, waar het
in een hoek was gekropen, om van ouderdom te sterven.
„Duivelsch!” dacht Porthos, „dat ziet er treurig uit; ik eerbiedig den
ouderdom, maar ik acht hem niet veel gekookt of gebraden.”
Hij zag rondom zich, of zijn gevoelen gedeeld werd, maar integendeel,
hij bespeurde niets dan gloeiende blikken, die bij voorbaat dat edel
hoen, het voorwerp zijner verachting, verslonden. Mevrouw Coquenard trok
den schotel tot zich, maakte behendig de twee groote, zwarte pooten los,
die zij op het bord van haar man legde, sneed den vleugel voor Porthos
af en gaf den schotel terug aan de dienstmaagd, die het dier had
gebracht; deze nam het bijna geheel mede en was verdwenen, alvorens de
musketier den tijd had gehad de veranderingen te zien, welke de
teleurstelling op de aangezichten bracht, naar het karakter en den aard
dergenen, die ze ondervonden.
Na dat hoen werd er een schotel met boonen opgebracht, een ontzaglijk
groote schotel, waarop eenige schapenbeenderen, waaraan men bij den
eersten aanblik eenig vleesch meende gehecht te zien, hier en daar
uitkwamen. Maar de klerken lieten zich door dat schijnbedrog niet
misleiden, en de akelige gezichten veranderden in onderworpen gezichten.
Mevrouw Coquenard verdeelde dat gerecht onder de jongelieden met de
zuinigheid eener goede huismoeder.
Nu was de beurt aan den wijn gekomen. De heer Coquenard schonk uit een
steenen, zeer kleine flesch het derde van een glas voor elk der
jongelieden, schonk er zich zelven een in, bijna in gelijke
evenredigheid en de flesch ging toen onmiddellijk over naar den kant van
Porthos en mevrouw Coquenard. De jongelieden vermengden dat derde
gedeelte wijn met water; vervolgens, toen zij gedronken hadden, deden
zij er opnieuw water bij, en bleven aldus voortgaan, zoodat zij bij het
einde van den maaltijd een drank dronken, die van de robijnkleur tot een
gele topaaskleur was overgegaan.
Porthos at schroomvallig zijn hoendervleugel en dronk ook een half glas
van den zoo zuinig bedeelden wijn, dien hij voor Montreuil[11] herkende.
Meester Coquenard zag hem den onvermengden wijn inzwelgen en zuchtte.
[11] Een goedkoope landwijn.
„Zult gij nog van die boonen eten, neef Porthos?” vroeg mevrouw
Coquenard op een toon, die wilde zeggen: „Geloof mij, eet er niet
van.”--„Ik dank u, nicht, ik heb geen honger meer.”
Er heerschte een stilte. Porthos wist niet, hoe zich te houden. De
procureur herhaalde eenige malen: „O, mevrouw Coquenard! ik maak u mijn
compliment, uw diner was waarlijk een feestmaal!”--Porthos verbeeldde
zich, dat men hem voor den gek hield, en begon zijn knevel op te krullen
en zijn wenkbrauwen te fronsen; maar een blik van mevrouw Coquenard
raadde hem geduldig te zijn.
Op dat oogenblik stonden de klerken, op een wenk des procureurs,
langzaam van tafel op, vouwden nog langzamer hun servetten, vervolgens
groetten zij en vertrokken.--„Gaat, jongelui, gaat de spijsvertering
door werkzaamheid bevorderen,” zeide de procureur ernstig.
Toen de klerken zich hadden verwijderd, stond mevrouw Coquenard op en
haalde uit een spijskast een stuk kaas, wat geconfijte kweeën en een
koek, welken zij eigenhandig van amandelen en honing had bereid. De heer
Coquenard fronste de wenkbrauwen op het zien van zooveel
gerechten.--„Inderdaad, een feestmaal!” riep hij, zich op zijn stoel
bewegende, „een waarachtig feestmaal! _Epuloe Epulorum_: Lucullus is te
eten bij Lucullus!”
Porthos beschouwde de flesch, die voor hem stond, en hij hoopte met
wijn, brood en kaas zijn middagmaal te doen; maar de wijn ontbrak dra,
de flesch was ledig; mijnheer en mevrouw Coquenard gaven geen blijk
zulks te bemerken.--„Het is wel,” dacht Porthos, „dat strekt mij tot
waarschuwing.”
Hij liet zijn tong over een klein lepeltje met confituren gaan en bleef
met zijn tanden in het door mevrouw Coquenard bereide kleverige deeg
zitten.--„Nu,” zeide hij, „is het offer volbracht.”
Meester Coquenard gevoelde, na het genot van een dergelijk maal, hetwelk
hij een buitensporigheid noemde, behoefte aan een middagslaapje. Porthos
hoopte, dat zulks onmiddellijk en in de kamer, waar men zich bevond, zou
plaats hebben; maar hiernaar had de procureur geen ooren; hij moest in
zijn vertrek worden teruggerold en hij bleef zoolang schreeuwen, totdat
hij voor zijn kast zat, op de kanten van welke hij uit meer voorzorg de
voeten zette.
De vrouw van den procureur geleidde Porthos in een andere kamer.--„Gij
kunt driemaal in de week ten eten komen,” zeide mevrouw Coquenard.--„Ik
dank u,” antwoordde Porthos, „ik houd niet van iemand overlast aan te
doen. Daarenboven, ik moet aan mijn uitrusting denken.”--„Dat is waar
ook,” zeide de procureursvrouw zuchtende; „die ongelukkige uitrusting,
niet waar?”--„Helaas ja!” hernam Porthos, „dat is waar.”--„Maar waarin
bestaat dan toch de uitrusting van uw kompagnie, mijnheer Porthos?”--„O!
in velerhande zaken,” antwoordde Porthos; „de musketiers, zooals gij
weet, vormen een keurbende en zij hebben een aantal dingen noodig, die
de Gardes en Zwitsers kunnen ontberen.”--„Maar noem mij die dan
eens.”--„Wel, dat kan zoowat beloopen....” zeide Porthos, die liever
over het geheel dan over gedeelten wilde onderhandelen.--De
procureursvrouw luisterde angstig.--„Hoeveel?” vroeg zij; „ik hoop, dat
het niet meer zal bedragen....”--Zij zweeg, zij had geen woorden
meer.--„Och, neen,” zeide Porthos, „het zal niet meer wezen dan vijf en
twintig honderd livres. Ik geloof zelfs, dat, met eenige zuinigheid, ik
mij met twee duizend zou kunnen redden.”--„Goede God! twee duizend
franken! maar dat is al wat ik bezit, en nooit zal mijn man er in
toestemmen een dergelijke som te leenen.”
Porthos maakte een veelbeteekenend gebaar. Mevrouw Coquenard begreep
het.--„Ik vroeg u naar de voorwerpen, dewijl, daar ik bloedverwanten en
klanten heb, die veel handel drijven, ik bijna zeker ben een en ander
honderd percent beneden den prijs te verkrijgen, dien gij zoudt moeten
betalen.”--„O! als het dat is, wat gij wildet zeggen.”--„Ja, waarde heer
Porthos! Moet gij ook niet vooral een paard hebben?”--„Wel zeker.”--„Nu,
ik heb juist iets, dat u lijkt....”--„Ha!” riep Porthos, blinkend van
vreugd, „ziedaar dus de zaak, wat mijn paard betreft, geschikt;
vervolgens moet ik een paard voor mijn knecht en een valies hebben. Wat
mijn wapens betreft, hierover behoeft gij u niet te bekommeren, die heb
ik.”--„Een paard voor uw lakei,” hernam aarzelende de procureursvrouw;
„maar dat is op een zoo hoogen voet, mijn vriend!”--„Wel, mevrouw!”
zeide Porthos trotsch, „ben ik bij toeval een gemeene kerel?”--„Neen, ik
wilde u alleen zeggen, dat een muilezel soms even goede vertooning maakt
als een paard, en dat ik meende, door uw knecht Mousqueton een fraaien
muilezel te bezorgen....”--„Nu, laat het een fraaie muilezel zijn,”
zeide Porthos; „gij hebt gelijk; ik heb zeer voorname Spaansche
edellieden gezien, wier gevolg allen op muilezels zaten. Maar dat
begrijpt gij wel, mevrouw Coquenard, dat het een muilezel moet zijn met
pluimen en bellen.”--„Wees gerust,” zeide de procureursvrouw.--„Nu
blijft het valies nog over,” hernam Porthos.--„O! wees hierover niet
ongerust,” riep mevrouw Coquenard, „mijn man heeft vijf of zes valiezen,
gij kunt het beste kiezen: hij heeft er vooral een, dat hij het liefst
op reis medenam, en hetwelk zoo groot is, dat men er de wereld in zou
kunnen stoppen.”--„Is uw valies dan ledig?” vroeg Porthos.--„Zeker is
het ledig,” antwoordde de procureursvrouw.--„O! maar het valies, dat ik
noodig heb,” riep Porthos, „moet een goed gevuld valies zijn, mijn
lieve!”
Mevrouw Coquenard slaakte nieuwe zuchten. Molière had zijn tooneelstuk
van den Vrek nog niet geschreven; mevrouw Coquenard was dus Harpagon
vóór. Kortom, het overige der uitrusting werd achtereenvolgens op
dezelfde wijze betwist, en de uitslag der zitting was, dat de
procureursvrouw haar man een som van achthonderd franken in specie ter
leen zou vragen en het paard en den muilezel leveren, die de eer zouden
hebben, Porthos en Mousqueton dáárheen te dragen, waar de roem hen
wachtte.
Nadat de voorwaarden vastgesteld waren en de interest bepaald was,
zoowel als de tijd der terugbetaling, nam Porthos afscheid van mevrouw
Coquenard en keerde naar huis terug met een zeer kwaadaardigen honger.