Waarin wordt gehandeld over de uitrusting van Aramis en Porthos.
Sedert de vier vrienden, elk voor zich, op hun uitrusting jacht maakten,
bestond er geen bepaalde samenkomst meer tusschen hen: men nam het
middagmaal afzonderlijk, waar men zich bevond, of liever, men ontmoette
elkander, waar men kon. Ook de dienst verslond een gedeelte van den
kostbaren tijd, die zoo spoedig vervloog.
Men had alleen bepaald, eenmaal in de week bij elkander te komen, en wel
te één uur in het huis van Athos, aangezien deze, volgens zijn eed, den
drempel zijner deur niet wilde overschrijden.
Het was juist de dag der samenkomst, dat Ketty bij d’Artagnan was
geweest. Nauwelijks was Ketty vertrokken, of d’Artagnan begaf zich naar
de straat Férou. Hij vond Athos en Aramis philosofeerende; Aramis was
eenigszins geneigd om het priesterkleed weer aan te trekken. Athos,
volgens gewoonte, raadde hem dit niet aan of af. Athos wilde aan
iedereen zijn vrijen wil laten. Hij gaf nooit een raad, dan wanneer men
hem dien vroeg, en dan moest men dit nog wel tweemaal doen.--Gewoonlijk
vraagt men alleen raad om dien niet te volgen, of om, indien men hem
heeft gevolgd, aan iemand te kunnen verwijten, dien te hebben gegeven.
Porthos trad een oogenblik na d’Artagnan binnen. De vier vrienden waren
dus voltallig. De vier gezichten drukten vier verschillende gevoelens
uit: dat van Porthos gerustheid, dat van d’Artagnan hoop, dat van Aramis
bekommering, dat van Athos onverschilligheid.
Nadat het gesprek eenige oogenblikken had geduurd, en Porthos te kennen
had gegeven, dat een hooggeplaatste dame zich wel had willen belasten
hem uit zijn verlegenheid te redden, trad Mousqueton binnen. Hij kwam
Porthos verzoeken naar huis te komen, waar, zeide hij met een
allerbedroefdst gezicht, zijn tegenwoordigheid werd vereischt.
„Is het mijn uitrusting?” vroeg Porthos.--„Ja en neen,” antwoordde
Mousqueton.--„Maar wat wilt gij dan zeggen?”--„Kom, mijnheer!”
Porthos stond op, groette zijn vrienden en volgde Mousqueton.
Een oogenblik later verscheen Bazijn voor de deur.
„Wat wilt gij, mijn vriend?” zeide Aramis op dien zachten toon, welken
hij aannam, telkens wanneer zijn denkbeelden hem tot de kerk
trokken.--„Een man wacht mijnheer te huis,” antwoordde Bazijn.--„Een
man, wat voor een man?”--„Een bedelaar.”--„Geef hem een aalmoes, Bazijn!
en zeg hem, voor een armen zondaar te bidden.”--„Die bedelaar wil u met
alle geweld spreken en gelooft, dat gij zeer verheugd zult zijn hem te
zien.”--„Heeft hij iets bijzonders voor mij?”--„Ja wel: ‚indien de heer
Aramis mocht aarzelen zich bij mij te vervoegen, zult gij hem zeggen,
dat ik van _Tours_ kom.’”--„Van _Tours_? Ik kom!” riep Aramis.
„Duizendmaal verschooning, heeren! maar die man brengt mij ongetwijfeld
het nieuws, waarop ik wacht.”--En opstaande verwijderde hij zich
haastig.
Nu bleven Athos en d’Artagnan alleen.
„Ik geloof, dat die snaken hun zaak hebben gevonden.... Wat denkt gij er
van, d’Artagnan?” vroeg Athos.--„Ik weet, dat Porthos op den goeden weg
is,” zeide d’Artagnan, „en wat Aramis betreft, om u de waarheid te
zeggen, ik ben omtrent hem nooit ernstig ongerust geweest. Maar gij,
mijn waarde Athos! gij, die zoo edelmoedig de pistolen van den
Engelschman hebt uitgedeeld, die uw rechtmatig eigendom waren, wat zult
gij doen?”--„Ik ben zeer tevreden dien snaak gedood te hebben, aangezien
hij de dwaze nieuwsgierigheid had, mijn waren naam te willen kennen;
maar indien ik mij van zijn pistolen had meester gemaakt, zouden zij mij
als een wroeging op de ziel drukken.”--„Och kom, mijn waarde Athos! gij
hebt waarlijk een te ver gaande kieschheid.”--„Spreken wij over iets
anders. Wat zeide mijnheer de Tréville, die mij gisteren de eer deed mij
te komen bezoeken, over uw verdachte verkeering met die Engelschen, die
door den kardinaal worden beschermd.”--„Dat is te zeggen, dat ik een
Engelsche vrouw bezoek, dezelfde van wie ik u heb gesproken.”--„O ja,
die blonde vrouw, omtrent welke ik u een raad gegeven heb, dien gij u
natuurlijk wel gewacht zult hebben te volgen.”--„Ik heb u mijn redenen
gezegd. Ik heb de zekerheid verkregen, dat die vrouw betrokken is in de
ontvoering van juffrouw Bonacieux.”--„Ja, ik begrijp, dat gij, om de
eene vrouw terug te vinden, aan de andere het hof maakt. Dat is de
langste maar de vermakelijkste weg.”
Wij zullen de twee vrienden verlaten, die elkander weinig bijzonders
hadden te zeggen, om Aramis te volgen.
Op het bericht, dat de man, die hem wilde spreken, van _Tours_ kwam,
zagen wij, met welke haast de jongeling Bazijn gevolgd, of liever
vooruit was gesneld; hij deed op die wijze slechts één sprong van de
straat Férou in de straat van Vaugirard. Te huis komende, vond hij
werkelijk een man van een kleine gestalte, met geestige oogen, doch
overigens in lompen gekleed.
„Zijt gij het, die naar mij hebt gevraagd?” vroeg de musketier.--„Dat is
te zeggen, dat ik den heer Aramis wensch te spreken; zijt gij het, die
dus heet?”--„Ik zelf, hebt gij mij iets ter hand te stellen?”--„Ja,
indien gij mij zekeren geborduurden zakdoek vertoont.”--„Hier is hij,”
zeide Aramis, een sleutel uit zijn borst halende en daarmede een klein
ebbenhouten, met paarlemoer ingelegd kistje openende. „Hier is hij,
ziedaar.”--„Goed,” zeide de bedelaar, „verwijder uw lakei.”
Want Bazijn, nieuwsgierig te weten wat de bedelaar van zijn meester
verlangde, had zijn schreden naar die van hem geregeld en was bijna even
spoedig als zijn meester aangekomen. Maar deze haast baatte hem niet
veel. Op het verzoek van den bedelaar gaf zijn meester hem een wenk te
vertrekken, en hij was wel genoodzaakt te gehoorzamen.
Toen Bazijn vertrokken was, wierp de bedelaar een snellen blik rondom
zich, ten einde zeker te zijn, dat niemand hem zien of hooren kon, en
toen zijn gescheurd buis openende, dat door een lederen riem kwalijk
werd toegehouden, begon hij het bovenste van zijn gewaad los te tornen,
waaruit hij een brief haalde. Aramis slaakte een kreet van vreugde op
het zien van het zegel, kuste het schrift en met een bijna
godsdienstigen eerbied opende hij den brief, die het volgende behelsde:
„Vriend, het lot wil, dat wij voor een zekeren tijd nog gescheiden
blijven; maar de schoone dagen der jeugd zijn niet voor altijd
verloren.... Doe uw plicht in het leger, ik doe den mijne elders.
Neem, hetgeen brenger dezes u zal ter hand stellen; ga ten oorlog
als een schoon en goed edelman, en denk aan mij. Vaarwel! of liever
tot weerziens.”
De bedelaar bleef steeds voortgaan met zijn buis los te tornen; hij
haalde een voor een uit zijn kleederen honderd vijftig dubbele Spaansche
pistolen, welke hij op tafel telde; vervolgens opende hij de deur,
groette en vertrok, zonder dat de verbaasde jongeling hem een woord had
durven toespreken.--Toen herlas Aramis den brief en bemerkte, dat
dezelve een postscriptum had:
„P.S. Gij kunt den brenger met alle onderscheiding ontvangen; hij
is graaf en grande van _Spanje_.”
„O, gouden droomen!” riep Aramis, „o, wat heerlijk leven. Ja, wij zijn
nog jong! Ja, wij zullen nog gelukkige dagen genieten.... O, voor u!
voor u mijn liefde, mijn bloed, mijn leven! Alles, alles, alles voor
mijn schoone minnares!”--En hij kuste den brief hartstochtelijk, zonder
zelfs eens naar het goud te zien, dat op tafel blonk.
Bazijn krabde aan de deur; Aramis had geen reden meer hem op een afstand
te houden, hij veroorloofde hem dus binnen te komen. Bazijn ontstelde op
het gezicht van al dat goud en vergat, dat hij d’Artagnan moest
aandienen, die, nieuwsgierig te weten wie de bedelaar was, na Athos
verlaten te hebben, naar Aramis was gegaan. En dewijl d’Artagnan geen
plichtplegingen met Aramis maakte, diende hij zich zelven aan, daar
Bazijn zulks scheen te vergeten.
„Wel duivelsch, mijn waarde Aramis!” zeide d’Artagnan, „indien dat de
pruimen zijn, die men u van _Tours_ zendt, moet gij den tuinier, die ze
plukt, mijn compliment maken.”--„Gij bedriegt u, mijn waarde!” zeide
Aramis, steeds even geheimhoudend, „ze zijn van mijn boekverkooper, die
mij den prijs zendt van dat éénlettergrepig dichtstuk, dat ik ginds
begonnen was.”--„Waarlijk?” zeide d’Artagnan, „inderdaad, uw
boekverkooper is gul, mijn waarde Aramis! dat is al wat ik u kan
zeggen.”
„Hoe is het mogelijk, heeren!” riep Bazijn, „brengt een dichtstuk
zooveel geld op! Ach, mijnheer! gij doet al wat gij wilt; gij zult de
heeren Voiture en de Benserade op zijde streven.... O, ik houd veel van
dichtkunde. Een dichter is bijna een priester.... Ach, mijnheer Aramis!
wordt toch poëet, ik bid u.”--„Bazijn, mijn vriend, ik geloof, dat gij u
in het gesprek mengt.”--Bazijn begreep, dat hij ongelijk had, hij boog
het hoofd en vertrok.
„Zoo,” zeide d’Artagnan, „het schijnt dat gij uw voortbrengselen tegen
hun gewicht aan goud verkoopt? Gij zijt wel gelukkig, mijn vriend! maar
wees voorzichtig, gij zult den brief verliezen, die uit uw buis steekt
en die zeker ook van uw boekverkooper is.”
Aramis bloosde tot in het wit der oogen, stak den brief dieper in zijn
buis en knoopte het dicht.
„Mijn waarde d’Artagnan!” zeide hij. „Als gij wilt, zullen wij onze
vrienden gaan bezoeken, en dewijl ik rijk ben, zullen wij, heden te
beginnen, weer samen het middagmaal nemen, in afwachting dat gij op uw
beurt rijk zult worden.”--„Waarlijk,” zeide d’Artagnan, „dat is niet te
weigeren. Het is lang geleden, dat wij een behoorlijk middagmaal hebben
genoten, en daar ik heden avond een min of meer gewaagde onderneming
moet ten uitvoer brengen, zou het mij niet onaangenaam zijn, dat beken
ik, mij met eenige flesschen ouden Bourgogne het hoofd wat op te
winden.”--„Goed, het zal oude Bourgogne zijn, ik verfoei ze ook niet,”
zeide Aramis, die, op het gezicht van goud, elke gedachte aan
afzondering liet varen. En na drie of vier dubbele pistolen in zijn zak
te hebben gestoken, om in de dadelijke behoeften te voorzien, sloot hij
de overige in het met paarlemoer ingelegde ebbenhouten kistje, waarin
reeds de bewuste zakdoek lag, die hem tot talisman had gediend.
Beide vrienden begaven zich eerst naar Athos, die, getrouw aan zijn eed
van niet uit te gaan, zich belastte ten zijnent het middagmaal te doen
bezorgen. Daar hij zich wonderwel verstond op het aanrechten van een
gastmaal, maakten d’Artagnan en Aramis geen de minste moeilijkheid, om
hem dien gewichtigen last op te dragen. Vervolgens begaven zij zich naar
Porthos, toen zij aan den hoek der straat du Bac Mousqueton ontmoetten,
die in bedroefde houding een muilezel en een paard voor zich uitdreef.
D’Artagnan slaakte een kreet van verwondering, waaraan eenig gevoel van
blijdschap niet te miskennen was.--„Wel, daar is mijn geel paard!” riep
hij, „bezie eens dat paard.”--„O, wat leelijke vos!” zeide
Aramis.--„Welnu, mijn waarde!” hernam d’Artagnan, „dat is het paard,
waarop ik te _Parijs_ ben gekomen.”--„Wat, kent mijnheer dat paard?”
vroeg Mousqueton.--„Het heeft al een zeer vreemde kleur,” zeide Aramis;
„van mijn leven heb ik zulk haar niet gezien.”--„Dat geloof ik wel,”
zeide d’Artagnan; „ik heb er daarom ook drie kronen voor gekregen, en
zulks moet wel voor het haar geweest zijn, want het rif is waarachtig
geen achttien franken waard. Maar hoe komt dat paard in uw bezit,
Mousqueton?”--„Ach!” zeide de knecht, „spreek er mij niet van, mijnheer!
dat is een afschuwelijke trek van den man onzer hertogin.”--„Hoe dat,
Mousqueton?”--„Wel ja, een zeer voorname dame, de hertogin, heeft op ons
een zeer goed oog.... maar ik vraag u om verschooning; mijn meester
heeft mij geheimhouding bevolen. Zij had ons gedwongen, een kleine
gedachtenis aan te nemen: een voortreffelijken Spaanschen hengst en een
Andalusischen muilezel; wonderen om te zien. Maar de echtgenoot is er
achter gekomen; hij heeft in het voorbijgaan de beide heerlijke dieren,
die men ons zond, in beslag genomen, en in de plaats er van die
afschuwelijke dieren gegeven.”--„Die gij hem terugbrengt?” vroeg
d’Artagnan.--„Ja,” antwoordde Mousqueton. „Gij begrijpt, dat we
dergelijke dieren niet kunnen aannemen voor die, welke men ons beloofd
heeft.”--„Volstrekt niet. _Pardieu_! hoewel ik gaarne Porthos op mijn
geel paard had gezien. Dat zou mij een denkbeeld hebben gegeven, hoe ik,
te _Parijs_ komende, er uitzag. Maar houden wij u niet op, Mousqueton!
ga de boodschap uws meesters doen, ga. Is hij te huis?”--„Ja, mijnheer!”
zeide Mousqueton, „maar ik verzeker u, hij is in een zeer slechte luim.”
En hij vervolgde zijn weg in de richting der kade van de Grands
Augustins, terwijl beide vrienden aan de deur van den rampzaligen
Porthos schelden. Deze had hen de plaats zien overgaan, maar hij wachtte
er zich wel voor, hun te openen. Zij schelden dus tevergeefs.
Intusschen vervolgde Mousqueton zijn weg; de Pont Neuf overgaande en
steeds de twee bonken voor zich uitdrijvende, bereikte hij de
Berenstraat. Daar gekomen bond hij, ingevolge het bevel zijns meesters,
het paard en den muilezel aan den klopper der deur van den procureur;
vervolgens, zonder zich over hun toekomstig lot te bekreunen, keerde hij
naar Porthos terug en gaf dezen kennis van de volvoering zijner
opdracht.
Na verloop van eenigen tijd begonnen de twee ongelukkige dieren, die
sedert des ochtends niet meer hadden gegeten, een zoo verschrikkelijk
geweld te maken, door den klopper op te heffen en dan weer te laten
vallen, dat de procureur aan zijn loopjongen het bevel gaf, in de buurt
te gaan onderzoeken, aan wien dat paard en die muilezel behoorden.
Mevrouw Coquenard herkende haar geschenk, begreep aanvankelijk niets van
deze terugbezorging; maar dra verklaarde het bezoek van Porthos haar
zulks. De gramschap, die in de oogen des musketiers blonk, ondanks de
moeite die hij deed zich in te houden, beangstigde de gevoelige
minnares. En inderdaad, Mousqueton had zijn meester niet verheeld, dat
hij d’Artagnan en Aramis had ontmoet, en dat d’Artagnan in het gele
paard den Bearneeschen hit had herkend, op welken hij te _Parijs_ was
gekomen, en dien hij voor drie kronen had verkocht.
Porthos vertrok, na met de procureursvrouw een samenkomst in het
klooster van St. Magloire te hebben afgesproken. De procureur, ziende
dat Porthos zich verwijderde, verzocht hem ten eten, welke uitnoodiging
Porthos met een majestueuze houding van de hand wees.
Mevrouw Coquenard begaf zich bevende naar het klooster St. Magloire,
want zij voorzag de verwijtingen, die haar wachtten; maar zij was als
betooverd door de goede manieren van Porthos. Al wat een in zijn
eigenliefde gekwetste man van vervloekingen en verwijtingen op het hoofd
eener vrouw kan doen neervallen, liet Porthos op het gebogen hoofd der
procureursvrouw neerkomen.--„Helaas!” zeide zij, „ik heb ten beste
gehandeld. Een onzer klanten is paardenkooper; hij was aan het kantoor
geld schuldig, maar toonde zich onwillig; ik heb toen dat paard en dien
muilezel genomen voor hetgeen hij ons schuldig was. Hij had mij twee
koninklijke dieren beloofd.”--„Welnu, mevrouw!” zeide Porthos, „indien
hij u meer dan vijf kronen schuldig was, dan is uw paardenkoopman een
dief.”--„Het is niet verboden, zoo goedkoop mogelijk te koopen,
mijnheer Porthos!” zeide de procureursvrouw, zich trachtende te
verontschuldigen.--„Neen, mevrouw! maar zij, die zoo goedkoop trachten
te koopen, moeten anderen veroorloven, edelmoediger vrienden te
zoeken.”--En Porthos, zich op zijn hiel omdraaiende, deed een stap om
zich te verwijderen.
„Mijnheer Porthos! mijnheer Porthos!” riep de procureursvrouw, „ik heb
ongelijk, ik beken het: ik had niet moeten dingen, waar het de
uitrusting van een edelman zooals gij zijt gold.”
Porthos, zonder te antwoorden, deed een tweeden stap. De procureursvrouw
verbeeldde zich hem te zien in een schitterende wolk, omringd van
hertoginnen en markiezinnen, die zakken vol goud voor zijn voeten
wierpen.
„Wacht toch in ’s hemels naam, mijnheer Porthos?” riep zij, „wacht toch,
en spreken wij eerst te zamen.”--„Met u te spreken brengt mij ongeluk
aan.” zeide Porthos.--„Maar zeg mij dan, wat verlangt gij?”--„Niets;
want dat is hetzelfde, alsof ik u om iets vraag.”
De procureursvrouw hing aan den arm van Porthos, en in de hevigheid
harer smart riep zij: „Mijnheer Porthos! ik weet volstrekt niets van het
gebeurde; weet ik iets van het paard! heb ik kennis van het tuig!”--„Gij
moest het aan mij hebben overgelaten, die er mede bekend ben, mevrouw!
maar gij hebt willen bezuinigen en derhalve op woekerwinst willen
leenen.”--„Hierin heb ik ongelijk gehad, mijnheer Porthos! maar ik zal
het herstellen, op mijn woord van eer.”--„En op wat wijze?” vroeg de
musketier.--„Luister! heden avond gaat mijnheer Coquenard den hertog de
Chanlais spreken, die hem heeft doen roepen. Die samenkomst zal ten
minste twee uur duren; kom dus, wij zullen alleen zijn en kunnen dan
onze rekening opmaken.”--„Zoo is het goed, dat heet ik spreken, mijn
lieve.”--„Zult gij mij vergiffenis schenken?”--„Wij zullen zien,”
antwoordde Porthos majestueus.--En scheidende herhaalden beiden: „Tot
van avond?”
„Duivelsch!” dacht Porthos, zich verwijderende, „het schijnt, dat ik de
geldkist van den heer Coquenard begin te naderen.”