Milady.
D’Artagnan was milady gevolgd, zonder door haar bemerkt te zijn
geworden; hij zag haar in haar koets stijgen en hoorde haar aan den
koetsier het bevel geven, naar _St. Germain_ te rijden.
Het was onnoodig te beproeven een rijtuig te volgen, dat werd
voortgejaagd door twee sterke paarden.... D’Artagnan keerde dus naar de
straat Férou terug. In de straat de Seine ontmoette hij Planchet, die
voor een pasteibakkerswinkel stond te kijken en in verrukking scheen bij
het beschouwen van een eiergebak, dat er allersmakelijkst uitzag. Hij
beval hem, twee paarden te zadelen in de stallen van den heer de
Tréville, één voor hem, d’Artagnan, en één voor zich zelf, en hem daarna
bij Athos te komen halen.
De heer de Tréville had eens voor altijd zijn stal ter beschikking van
d’Artagnan gesteld. Planchet begaf zich naar de straat du Colombier en
d’Artagnan naar de straat Férou. Athos was te huis, treurig een der
flesschen vermaarden Spaanschen wijn ledigende, welken hij van zijn reis
naar _Picardië_ had medegebracht. Hij gaf Grimaud een teeken, om voor
den heer d’Artagnan een glas te brengen en Grimaud gehoorzaamde, als
naar gewoonte, stilzwijgend.
D’Artagnan verhaalde toen Athos al wat er in de kerk tusschen Porthos en
zijn procureursvrouw was voorgevallen en op wat wijze hun vriend
waarschijnlijk op dit oogenblik bezig was zich een uitrusting te
bezorgen.
„Wat mij betreft,” antwoordde Athos op die mededeeling, „ik ben gerust,
dat het de vrouwen niet zullen zijn, die de kosten van mijn uitrusting
zullen goed maken.”--„En nochtans, schoon, begaafd, een groot heer,
zooals gij zijt, mijn waarde Athos! zijn er geen prinsessen of
koninginnen voor uw liefdepijlen gevrijwaard.”
Op dat oogenblik stak Planchet nederig het hoofd door de half
openstaande deur en berichtte zijn meester, dat de paarden gereed
waren.--„Welke paarden?” vroeg Athos.--„Twee paarden, die de heer de
Tréville mij voor mijn vermaak leent en met welke ik een wandeling naar
_St. Germain_ ga doen.”--„En wat gaat ge te _St. Germain_ doen?” vroeg
Athos.
Toen verhaalde d’Artagnan de ontmoeting, die hij in de kerk had gehad,
en hoe hij de vrouw had wedergevonden, die met den edelman met den
zwarten mantel en het litteeken aan den slaap des hoofds eeuwig in zijn
gedachten was.--„Dat wil zeggen, dat gij op haar verliefd zijt, zooals
op juffrouw Bonacieux,” zeide Athos, verachtelijk de schouders
ophalende, alsof hij medelijden gevoelde voor de menschelijke
zwakheid.--„Ik, in het geheel niet!” riep d’Artagnan. „Ik ben alleen
nieuwsgierig, het geheim te ontdekken, dat haar omhult. Ik weet niet
waarom; maar ik verbeeld mij, dat die vrouw, hoe onbekend zij mij ook
zij, en ik voor haar ben, invloed op mijn leven heeft.”--„Waarlijk, gij
hebt gelijk,” zeide Athos, „ik ken niet een vrouw, die waard is, dat men
haar zoekt, wanneer zij verloren is. Juffrouw Bonacieux is verloren! des
te erger voor haar, laat zij zorgen weer terecht te komen.”--„Neen,
Athos! neen, gij bedriegt u,” zeide d’Artagnan, „ik bemin mijn arme
Constance meer dan ooit, en indien ik wist, waar zij zich bevond, al
ware dit ook aan het andere eind der wereld, dan zou ik vertrekken, om
haar uit de handen harer vijanden te bevrijden; maar het is mij
onbekend, al mijn nasporingen zijn vruchteloos geweest.... Wat wilt gij,
men moet zich wel eenige uitspanning verschaffen.”--„Neem dan uw
uitspanning met milady, mijn waarde d’Artagnan! ik gun het u van harte,
als u dat kan vermaken.”--„Luister, Athos!” zeide d’Artagnan, „in plaats
van te huis te blijven, alsof gij huisarrest hadt, ga te paard zitten en
vergezel mij naar _St. Germain_.”--„Mijn waarde!” zeide Athos, „ik
berijd mijn paarden, wanneer ik er heb, zoo niet, ga ik te
voet.”--„Welnu, ik,” zeide d’Artagnan, over de stekeligheid van Athos
glimlachende, die hem bij een ander zeker zou gekwetst hebben; „ik ben
minder trotsch dan gij, ik berijd de paarden, die ik vind. Dus tot
wederziens, waarde Athos!”--„Tot wederziens,” zeide de musketier,
Grimaud een teeken gevende de flesch open te trekken, die hij gebracht
had.
D’Artagnan en Planchet stegen te paard en sloegen den weg naar _St.
Germain_ in. Langs den geheelen weg waren des jongelings gedachten
vervuld met hetgeen Athos hem nopens juffrouw Bonacieux had gezegd.
Hoewel d’Artagnan niet zeer sentimenteel van aard was, had echter de
jonge winkeliersvrouw inderdaad veel indruk op zijn hart gemaakt. Zooals
hij had gezegd, was hij gereed naar het andere einde der wereld te gaan,
om haar te zoeken. Maar de wereld heeft zoo vele einden, en wel doordien
zij rond is, dat hij niet wist, welken weg hij zou inslaan.
Intusschen ging hij nu trachten iets omtrent milady te vernemen; milady
had met den zwartmantel gesproken, derhalve kende zij hem. En volgens
d’Artagnan’s denkwijze was het niemand anders dan de zwartmantel, die
juffrouw Bonacieux voor de tweede maal had ontvoerd, zooals hij zulks
den eersten keer had gedaan. D’Artagnan loog dus slechts ten halve,
hetgeen niet zeer veel beteekent, toen hij zeide, dat hij, milady
zoekende, tegelijkertijd Constance zocht.
Aldus in gedachten verzonken, en van tijd tot tijd zijn paard de sporen
gevende, had d’Artagnan den weg afgelegd en was te _St. Germain_
gekomen. Hij was het paviljoen langs gereden, waarin tien jaren later
Lodewijk XIV zou geboren worden. Hij ging een zeer eenzame straat door,
links en rechts ziende, of hij niet een of ander spoor zijner schoone
Engelsche zou ontwaren, toen, voor de benedenvertrekken van een fraai
huis, dat volgens de gewoonte van dien tijd aan de straat geen vensters
had, hij een hem bekend figuur zag verschijnen. Die gestalte wandelde op
een soort van terras, met bloemen beplant. Planchet was de eerste, die
ze herkende.
„Wel, mijnheer!” zeide hij, zich tot d’Artagnan wendende, „herinnert gij
u dat gezicht niet meer, dat daar naar de lucht staat te
gapen?”--„Neen,” zeide d’Artagnan, „en nochtans ben ik zeker, dat het
niet de eerste maal is, dat ik dat gezicht zie.”--„Ik geloof het wel,
_pardieu_!” zeide Planchet; „het is de arme Lubijn, de lakei van den
graaf de Wardes, dien gij zoo fraai hebt toegetakeld, nu een maand
geleden, te _Calais_, op den weg naar het buitenverblijf van den
gouverneur.”--„Ha, ja,” zeide d’Artagnan, „nu herken ik hem eerst.
Gelooft gij, dat hij u zal herkennen, Planchet?”--„Mijn God! mijnheer!
hij was zoo ontsteld, dat ik niet geloof, dat hij een zeer nauwkeurige
gedachtenis van mij heeft bewaard.”--„Welnu, ga dan een praatje met den
jongen maken,” zeide d’Artagnan, „en tracht, al pratende, te vernemen,
of zijn meester gestorven is.”
Planchet klom van het paard, ging recht op Lubijn af, die hem werkelijk
niet herkende, en beide lakeien begonnen het vertrouwelijkste gesprek
van de wereld met elkander, terwijl d’Artagnan beide paarden in een
nauwe steeg leidde en toen, om het huis gaande, het gesprek achter een
hazelnotenboschje ging beluisteren. Na een oogenblik achter de haag een
en ander te hebben gadegeslagen, hoorde hij het gerucht van een naderend
rijtuig, en hij zag voor zich de koets van milady stil houden. Er was
niet aan te twijfelen, milady zat er in. D’Artagnan ging op den hals van
zijn paard liggen, ten einde alles te zien, zonder gezien te worden.
Milady stak haar bekoorlijk blond hoofd buiten het portier en gaf eenige
bevelen aan haar kamenier. Deze laatste, een fraai meisje van 20 tot 22
jaren, vlug en levendig, een echte kamenier eener voorname dame, sprong
de voettrede af, op welke zij volgens de gewoonte van dien tijd gezeten
was, en begaf zich naar het terras, waar d’Artagnan Lubijn had bespeurd.
D’Artagnan volgde de kamerjuffer met de oogen en zag haar naar het
terras gaan. Maar toevallig had, op een bevel van binnen, Lubijn zich
verwijderd, zoodat Planchet alleen was gebleven, naar alle kanten
rondziende langs welken weg d’Artagnan was verdwenen.
De kamenier naderde Planchet, dien zij voor Lubijn aanzag, en stelde hem
een briefje ter hand.--„Voor uw meester,” zeide zij hem.--„Voor mijn
meester?” hernam Planchet verbaasd.--„Ja, er is haast bij, dus neem
aan.”--Daarop vlood zij naar de koets, die naar den kant was omgekeerd
van welken ze gekomen was, sprong op de voettrede en de koets
verwijderde zich.
Planchet keerde het briefje om en om, vervolgens, gewoon aan lijdelijke
gehoorzaamheid, sprong hij van het terras af, ging het steegje in en
ontmoette op twintig schreden afstands d’Artagnan, die, alles gezien
hebbende, hem tegemoet trad.
„Voor u, mijnheer!” zeide Planchet, den jongeling het briefje
aanbiedende.--„Voor mij?” vroeg d’Artagnan, „zijt gij er wel zeker
van?”--„_Pardieu_! of ik er zeker van ben; de kamenier heeft gezegd:
voor uw meester.... Ik heb geen anderen meester dan u, bijgevolg....
Waarachtig een aardige meid, die kamenier!”
D’Artagnan opende het briefje en las:
„Een persoon, die meer belang in u stelt, dan zij u kan zeggen,
wenschte te weten, welken dag gij in staat zult zijn in het woud
een wandeling te doen; morgen zal aan het hotel _du Champ du drap
d’or_ een zwarte en roode lakei uw antwoord wachten.”
„Ha, ha!” dacht d’Artagnan, „dat is vrij haastig. Het schijnt, dat
milady en ik nopens de gezondheid van denzelfden persoon tamelijk
nieuwsgierig zijn. Welnu, Planchet! hoe vaart de heer de Wardes? hij is
dus niet dood.”--„Neen, mijnheer! hij is zoo wel als men wezen kan, met
vier degensteken in het lijf, want gij hebt dien waarden edelman er wel
degelijk vier toegebracht, maar hij is nog zeer zwak, daar hij bijna al
zijn bloed heeft verloren. Zooals ik aan mijnheer gezegd heb, Lubijn
heeft mij niet herkend en mij geheel en al ons avontuur
verhaald.”--„Zeer goed, Planchet! gij zijt de koning der lakeien; maar
klim thans te paard en laat ons trachten de koets te bereiken.”
Dit duurde niet lang; na verloop van vijf minuten bespeurde men de
koets, die bezijden den weg stilstond: een rijk gekleed ruiter stond aan
het portier. Het gesprek van milady en den ruiter was zoo levendig, dat
d’Artagnan aan de andere zijde der koets bleef stilstaan, zonder dat
iemand anders dan de lieve kamenier zijn tegenwoordigheid bespeurde.
Het gesprek werd in het Engelsch gevoerd, een taal die d’Artagnan niet
verstond; maar aan den klank der stem meende de jongeling te kunnen
raden, dat de schoone Engelsche in hevigen toorn was. Zij eindigde met
een gebaar, dat hem geen twijfel liet omtrent den aard van dat gesprek;
namelijk: een slag met den waaier, zoo hevig toegebracht, dat het klein
vrouwelijk meubelstuk in duizend stukken vloog. De ruiter barstte uit in
een schaterenden lach, wat de lady buiten zich zelve van kwaadheid
maakte.
Toen meende d’Artagnan, dat het tijd was tusschenbeide te komen; hij
naderde het andere portier, en eerbiedig den hoed afnemende, zeide hij:
„Mevrouw! veroorloof mij u mijn diensten aan te bieden; het schijnt dat
die heer u vertoornd heeft. Een woord, mevrouw! en ik belast mij, hem
voor zijn onbeleefdheid te straffen.”--„Mijnheer! volgaarne zou ik mij
onder uw bescherming stellen, indien de persoon, met wien ik in twist
ben, mijn broeder niet ware.”--„O, vergeef mij dan,” zeide d’Artagnan,
„gij begrijpt, dat mij zulks onbekend was, mevrouw!”--„Waarmede bemoeit
zich toch die wildzang!” riep, zich tot op de hoogte van het portier
bukkende, de kavalier, dien milady als haar broeder had opgegeven, „en
waarom vervolgt hij zijn weg niet?”--„Gij zelf zijt een wildzang,” zeide
d’Artagnan, zich op zijn beurt over den hals van zijn paard buigende,
ook door het portier antwoordende: „ik vervolg mijn weg niet, omdat het
mij behaagt hier te blijven staan.”--De ruiter sprak eenige Engelsche
woorden tot zijn zuster.--„Ik spreek Fransch tot u,” zeide d’Artagnan;
„doe mij dus het genoegen mij in dezelfde taal te antwoorden. Gij zijt
de broeder van mevrouw, het zij zoo, maar gelukkig zijt gij de mijne
niet.”
Men zou verwacht hebben, dat milady, vreesachtig als een vrouw, in dit
begin eener uitdaging zich als middelaarster zou gesteld hebben, ten
einde te beletten, dat de twist ernstiger gevolgen had; maar
integendeel, zij wierp zich achterover in haar koets en riep den
koetsier koel toe: „Naar het hotel!” De lieve kamenier wierp een
onrustvollen blik op d’Artagnan, wiens fraaie gestalte op haar indruk
scheen te maken. De koets vertrok en liet beide mannen tegenover
elkander staan.
Geen stoffelijk voorwerp scheidde hen meer. De ruiter maakte een
beweging om het rijtuig te volgen; maar d’Artagnan, wiens toorn reeds
kookte, werd nog kwaadaardiger, toen hij in hem den Engelschman
herkende, die te _Amiëns_ zijn paard had gewonnen; hij reed op hem toe
en vatte den toom van zijn paard.--„Hier, mijnheer! gij schijnt nog
grooter wildzang te zijn dan ik, want gij vergeet, dat er tusschen ons
een kleine twist moet worden beslecht.”--„Ha! ha!” zeide de Engelschman,
„gij zijt het, meester! Gij moet dan altijd het een of ander spel
spelen.”--„Ja, en dat herinnert mij, dat ik _revanche_ moet nemen. Wij
zullen eens zien, mijnheer! of gij even handig met den degen zijt als
met de dobbelsteenen.”--„Gij ziet wel, dat ik geen degen heb: of wilt
gij tegenover een ongewapende den dappere vertoonen?”--„Ik hoop toch,
dat gij er een thuis zult hebben. In alle geval, ik heb er twee, en als
gij wilt, waag ik er een.”--„Dat is niet noodig,” zeide de Engelschman,
„ik ben ruim voorzien van die soort van gereedschappen.”--„Welnu dan,
achtbare heer!” hernam d’Artagnan, „kies dan den langsten en vertoon mij
dien eens van avond.”--„Waar dat, als het u belieft?”--„Achter het
Luxembourg, dat is een allerliefste plek voor wandelingen als die, welke
ik u voorstel.”--„Het is goed, men zal er wezen.”--„Hoe laat?”--„Te zes
uur.”--„_A propos_! gij hebt zeker een of twee vrienden?”--„Wel, ik heb
er drie, die zich zeer vereerd zullen vinden, dezelfde partij met mij te
spelen.”--„Drie, dat kan niet beter,” zeide d’Artagnan, „dat is juist
wat ik verlangde.”--„Maar zeg mij nu eens wie gij zijt?” vroeg de
Engelschman.--„Ik ben de heer d’Artagnan, Gaskonjisch edelman, in dienst
der gardes, bij de compagnie van den heer des Essarts. En gij?”--„Ik ben
lord de Winter, baron van Sheffield.”--„Welnu, dan ben ik uw dienaar,
mijnheer de baron!” zeide d’Artagnan, „hoewel uw namen vrij moeilijk te
onthouden zijn.”--En zijn paard de sporen gevende, zette hij het in
galop en sloeg den weg naar _Parijs_ in.
Zooals hij in dergelijke omstandigheden gewoon was, begaf d’Artagnan
zich rechtstreeks naar Athos. Hij vond dezen op een groote canapé
liggen, waar hij, zooals hij gezegd had, wachtte totdat zijn uitrusting
hem zou tegemoet komen. D’Artagnan verhaalde aan Athos al het
voorgevallene, behalve datgene wat den brief aan den heer de Wardes
betrof. Athos was blijde te vernemen, dat hij tegen een Engelschman ging
strijden. Wij meenen gezegd te hebben, dat het zijn gewone droom was.
Men liet onmiddellijk Porthos en Aramis door de lakeien roepen en men
maakte hen met de gesteldheid der zaken bekend. Porthos trok zijn degen
uit de scheede en begon tegen den muur te schermen, van tijd tot tijd
achteruit gaande en als een danser de beenen buigende. Aramis, die
steeds aan zijn gedicht werkte, sloot zich in het kabinet van Athos op
en verzocht, dat men hem niet zou storen voor het oogenblik, waarop het
gevecht zou beginnen. Athos vroeg met een wenk aan Grimaud een andere
flesch. Wat d’Artagnan betreft, deze beraamde bij zich zelven een klein
plan, waarvan wij later de uitvoering zullen zien en dat hem zeker een
vermakelijk avontuur beloofde, zooals men kon opmaken uit de lachjes,
die van tijd tot tijd op zijn gezicht zweefden en de droomerige
uitdrukking er van verhelderden.