Engelschen en Franschen.
Op het bepaalde uur begaven de vrienden zich met hun vier lakeien achter
het _Luxembourg_, in een omheind veld, waar geiten graasden. Athos gaf
eenig geld aan den herder, opdat deze zich zou verwijderen. De lakeien
werden op schildwacht gesteld. Dra naderde een zwijgende troep hetzelfde
veld, trad de omheining binnen en voegde zich bij de musketiers;
vervolgens hadden, naar overzeesch gebruik, de voorstellingen plaats....
De Engelschen waren allen lieden van den hoogsten rang; de zonderlinge
namen der drie vrienden waren alzoo voor hen niet alleen een voorwerp
van verwondering, maar van bekommering.
„Met dat alles,” zeide lord de Winter, toen de drie vrienden waren
genoemd geworden, „weten wij nog niet, wie gij eigenlijk zijt, en wij
willen niet met zoodanig genoemden een gevecht aangaan. Dat zijn
herdersnamen, die namen.”--„Gij begrijpt wel, mylord!” zeide Athos, „dat
het valsche namen zijn.”--„Hetgeen ons te meer doet verlangen de ware
namen te vernemen,” antwoordde de Engelschman.--„Gij hebt wel met ons
gespeeld zonder ze te kennen,” zeide Athos, „en derwijze, dat gij van
ons twee paarden hebt gewonnen.”--„Dat is waar, maar toen waagden wij
slechts ons geld, terwijl wij nu ons bloed wagen. Men speelt met de
geheele wereld; men vecht slechts met zijns gelijken.”--„Dat is waar,”
zeide Athos. En hij nam een der vier Engelschen, met wien hij zou
strijden, ter zijde en fluisterde dezen zijn naam in het oor. Porthos en
Aramis deden van hun zijde hetzelfde.
„Is dat u genoeg?” vroeg Athos aan zijn tegenpartij, „en beschouwt gij
mij als genoegzaam edelman, om mij de eer te bewijzen den degen met mij
te kruisen?”--„Ja, mijnheer!” antwoordde de Engelschman
groetende.--„Welnu, wilt gij thans, dat ik u wat zegge?” hernam Athos
koel.--„Wat?” vroeg de Engelschman.--„Dat gij beter hadt gedaan niet te
eischen, dat ik mij bekend maakte.”--„Waarom dat?”--„Omdat men mij
overleden waant, en omdat ik reden heb te wenschen, dat men niet
verneemt, dat ik nog in leven ben, en mij dus genoodzaakt vind u te
dooden, ten einde te voorkomen, dat mijn geheim ontdekt wordt.”--De
Engelschman beschouwde Athos, zich verbeeldende dat deze schertste; maar
Athos schertste in het geheel niet.--„Mijne heeren!” zeide Athos, zich
tot zijn vrienden en vijanden wendende, „zijn wij gereed?”--„Ja,”
antwoordden eenparig Engelschen en Franschen.--„Welaan, verdedigt u
dan!” riep Athos.
En tegelijkertijd blonken acht degens in de stralen der ondergaande zon,
en het gevecht begon met een woede, die zeer natuurlijk was tusschen
lieden, welke elkander op twee wijzen vijandig waren. Athos schermde met
evenveel bedaardheid en nauwkeurigheid, alsof het in een schermzaal ware
geweest. Porthos, waarschijnlijk van zijn te groot vertrouwen genezen
door zijn ontmoeting te _Chantilly_, speelde een spel vol slimheid en
voorzichtigheid. Aramis, die den derden zang van zijn gedicht moest
eindigen, haastte zich als iemand, die geen tijd heeft te verliezen.
Athos was de eerste, die zijn vijand doodde. Hij had hem slechts één
stoot toegebracht, maar zooals hij hem had gewaarschuwd, was de stoot
doodelijk geweest, daar de degen het hart had doorboord. Porthos was de
tweede, die zijn vijand op het gras uitstrekte; hij had hem de dij
doorstoken. Toen nam Porthos den Engelschman, die hem zijn degen had
overgegeven, in zijn armen en geleidde hem naar zijn koets. Aramis drong
op den zijnen zoo hevig aan, dat, na hem slechts een vijftigtal schreden
te hebben doen wijken, hij hem buiten gevecht stelde. Wat d’Artagnan
betreft, deze had slechts eenvoudig verdedigenderwijze gehandeld;
vervolgens, toen hij zijn vijand zeer vermoeid vond, deed hij hem door
een geweldigen slag den degen uit de hand vliegen. De baron, zich
ontwapend ziende, deed twee of drie schreden achteruit; maar bij die
beweging gleed zijn voet uit en hij viel achterover. D’Artagnan was in
één sprong op hem: „Mijnheer, ik zou u kunnen dooden, want gij zijt in
mijn macht; maar ik schenk u, uit liefde voor uw zuster, het leven.”
D’Artagnan was ten toppunt van vreugd; hij had het plan verwezenlijkt,
dat hij te voren had beraamd, en dat, bij het ontluiken, op zijn gelaat
den glimlach deed ontstaan, van welken wij gesproken hebben.
De Engelschman, verheugd met een edelman van zooveel inschikkelijkheid
te doen te hebben, klemde d’Artagnan in zijn armen, bewees den drie
musketiers duizend beleefdheden, en daar de tegenstander van Porthos
zich reeds in het rijtuig bevond, en die van Aramis het op een loopen
had gezet, dacht men aan niets anders dan aan den overledene.
Terwijl Porthos en Aramis hem ontkleedden, in de hoop dat zijn wond niet
doodelijk mocht zijn, viel een zware beurs van tusschen zijn gordelriem.
D’Artagnan raapte die op en reikte haar aan lord de Winter over.
„En wat duivel! wilt gij, dat ik hiermede uitvoer!” vroeg de
Engelschman.--„Gij kunt die aan zijn familie teruggeven,” zeide
d’Artagnan.--„Zijn familie bekommert zich wat over dat bagatel; zij erft
vijftien duizend louis d’or rente.... Geef die beurs aan uw lakeien.”
Onderwijl was Athos d’Artagnan genaderd.
„Ja,” zeide hij, „geef die beurs niet aan onze, maar aan de Engelsche
lakeien.”--Athos nam de beurs en wierp die den koetsier toe: „Voor u en
uw makkers.”
Deze onbaatzuchtige handelwijze in een volkomen geldeloozen man trof
zelfs Porthos, en deze Fransche edelmoedigheid, overal door lord de
Winter en zijn vriend verhaald, verwierf algemeene goedkeuring, behalve
bij de heeren Grimaud, Mousqueton, Planchet en Bazijn.
„En thans, mijn jonge vriend, want ik hoop, dat gij mij veroorlooft u
dien naam te geven,” zeide lord de Winter, „nog heden avond zal ik u,
indien gij zulks verkiest, aan mijn zuster, lady Clarick, voorstellen,
want ik wil, dat zij u op haar beurt vriendschap toedrage; en daar zij
niet geheel en al met het hof onbekend is, zal misschien één woord, in
het vervolg ten uwen voordeele gezegd, niet vruchteloos zijn.”
D’Artagnan bloosde van blijdschap en boog ten teeken van goedkeuring.
Lord de Winter gaf d’Artagnan, hem verlatende, het adres zijner zuster;
zij woonde op het Koningsplein No. 6, destijds de meest voorname wijk.
Bovendien verbond hij zich, om hem aan haar voor te stellen.
D’Artagnan bepaalde de samenkomst bij Athos te acht uur. Deze
voorstelling aan milady vervulde niet weinig het hoofd van onzen
Gaskonjer. Hij herinnerde zich de zonderlinge wijze, op welke die vrouw
tot hiertoe zijn levenspad gekruist had. Volgens zijn overtuiging was
het een dienares des kardinaals, en nochtans voelde hij zich
onweerstaanbaar tot haar aangetrokken door een dier gevoelens, waarvan
men zich geen rekenschap kan geven: zijn eenige vrees was, dat milady in
hem den man van _Meung_ en _Douvres_ mocht herkennen, want dan zou zij
weten, dat hij tot de vrienden van den heer de Tréville behoorde, en
bijgevolg met ziel en lichaam den koning was toegedaan, hetgeen hem in
dat geval een gedeelte zijner voordeelen zou doen verliezen, daar hij,
aan milady bekend zijnde, zooals hij haar kende, met haar gelijk spel
zou spelen.
Wat dat begin van liefdehandel met den graaf de Wardes betrof, hierover
bekreunde zich onze verwaten jongeling weinig, ofschoon de graaf jong,
schoon, rijk en zeer in de gunst van den kardinaal was. Het is niet voor
niets, dat men twintig jaar oud en te _Tarbes_ geboren is.
D’Artagnan begon met zich naar huis te begeven en aldaar zich op
schitterende wijze te kleeden; vervolgens ging hij naar Athos, en naar
gewoonte verhaalde hij dezen alles. Athos luisterde naar zijn plannen,
schudde het hoofd en beval hem, met min of meer smart, voorzichtigheid
aan.
„Wat,” zeide hij hem, „gij hebt nauwelijks een minnares verloren, die
gij goed, bekoorlijk, volmaakt vondt, en zie, daar loopt gij weder een
andere na.”--D’Artagnan gevoelde de waarheid van dat verwijt.--„Ik bemin
juffrouw Bonacieux met mijn hart, terwijl ik milady met mijn hoofd
bemin,” zeide hij, „en door mij aan haar te doen voorstellen, tracht ik
er achter te komen, welke rol zij aan het hof speelt.”--„De rol, die zij
speelt, _pardieu_! het is niet moeilijk die te raden, na al hetgeen gij
mij hebt gezegd. Zij is de een of andere zendelinge des kardinaals, een
vrouw die u in een valstrik zal lokken, waarin gij niets minder dan uw
hoofd zult laten.”--„Duivelsch! mijn waarde Athos! gij beschouwt de
zaken van een zeer donkere zijde, dunkt mij.”--„Mijn waarde! ik wantrouw
de vrouwen. Wat wilt gij? ik heb er reden voor, en vooral de blonde
vrouwen. Milady is immers blond, hebt gij mij gezegd?”--„Zij heeft
hoofdhaar van de allerfraaiste blonde kleur, die men kan zien.”--„Ach!
mijn arme d’Artagnan!” zuchtte Athos.--„Luister! ik wil inlichtingen
nemen, en dan, wanneer ik weet, wat ik wensch te weten, verwijder ik
mij.”--„Doe dat,” zeide Athos koel.
Lord de Winter kwam op het bepaalde uur; maar Athos, te voren
gewaarschuwd, begaf zich in het naaste vertrek. Hij vond dus d’Artagnan
alleen, en daar het bij achten was, nam hij den jongeling met zich mede.
Een fraaie koets, met twee heerlijke paarden bespannen, stond voor de
deur, zoodat zij in één oogenblik op het Koningsplein waren.
Milady de Winter ontving d’Artagnan met veel bevalligheid. Haar hotel
was buitengewoon prachtig, en hoewel de meeste Engelschen, door den
oorlog verjaagd, _Frankrijk_ verlieten, of gereed waren het te verlaten,
had milady aan haar huis nieuwe onkosten gemaakt, hetgeen bewees, dat de
algemeene maatregel, die de Engelschen deed vertrekken, haar niet
aanging.
„Gij ziet,” zeide lord de Winter, d’Artagnan aan zijn zuster
voorstellende, „een jongeling, die mijn leven in zijn macht heeft gehad
en van zijn voordeel geen misbruik heeft willen maken, hoewel wij, om
twee oorzaken, vijanden waren, daar ik hem had beleedigd en Engelschman
ben. Bedank hem dus, mevrouw! indien gij mij eenige vriendschap
toedraagt.”
Milady fronste even de wenkbrauwen; een nauwelijks zichtbare nevel
betrok haar voorhoofd, en een zoo zonderlinge glimlach zweefde op haar
lippen, dat den jongeling, die deze drievoudige gelaatsvertrekking
beschouwde, een rilling overviel.
De broeder zag niets, hij had zich omgekeerd, om met den geliefkoosden
aap van milady te spelen, die hem bij zijn rok had getrokken.
„Wees welkom, mijnheer!” zeide milady met een stem, wier zonderlinge
zachtheid zeer afstak bij de kenteekenen van kwade luim, welke
d’Artagnan had opgemerkt; „want gij hebt heden een eeuwig recht op mijn
erkentelijkheid verkregen.”
De Engelschman keerde zich toen om en verhaalde de bijzonderheden van
het tweegevecht, zonder iets te vergeten. Milady luisterde naar hem met
de grootste aandacht; intusschen kon men gemakkelijk zien, dat, welke
poging zij ook deed om haar gewaarwordingen te verbergen, dit verhaal
haar niet aangenaam was: het bloed steeg haar naar het hoofd en haar
kleine voet stampte onder haar rok. Lord de Winter bemerkte niets; maar
toen hij geëindigd had, naderde hij een tafel, waarop een flesch
Spaansche wijn stond, vulde twee glazen en met een wenk verzocht hij
d’Artagnan te drinken.
Deze wist, dat het een Engelschman onaangenaam was, indien men dit
weigerde; hij naderde dus de tafel en nam het tweede glas. Hij had
milady niet uit het oog verloren, en in den spiegel bespeurde hij de
verandering, welke er op haar gelaat had plaats gegrepen. Thans, nu zij
meende niet meer te worden gadegeslagen, vertrok een gewaarwording,
welke naar wreedheid geleek, haar gezicht. Zij beet met woede op haar
zakdoek.
Op dat oogenblik trad de lieve, kleine kamenier binnen, die door
d’Artagnan reeds was opgemerkt. Zij zeide tot lord de Winter eenige
woorden in het Engelsch, die onmiddellijk daarop d’Artagnan verlof vroeg
zich te mogen verwijderen, ter verontschuldiging aanvoerende het gewicht
der zaak, die hem riep, en zijn zuster belastende voor hem verschooning
te verkrijgen.
D’Artagnan wisselde een handdruk met lord de Winter en keerde tot milady
terug. Het gezicht dier vrouw had met een verwonderlijke beweegbaarheid
deszelfs bevallige uitdrukking hernomen; alleen duidden eenige kleine,
op haar zakdoek verspreide bloedvlekjes aan, dat zij tot bloedens toe op
haar lippen had gebeten. Die lippen waren zeer fraai; men zou ze voor
koraal hebben aangezien.
Het gesprek nam een aangename wending. Milady scheen zich volkomen
hersteld te hebben. Zij verhaalde, dat lord de Winter slechts haar
schoonbroeder en niet haar eigen broeder was; zij was met een jongeren
broeder van hem gehuwd geweest, die haar weduwe met een kind had
gelaten. Dat kind was de eenige erfgenaam van lord de Winter, wanneer
deze zich niet in het huwelijk zou begeven.
Dit alles deed d’Artagnan een sluier vermoeden, maar hij kon nog niet
onderscheiden, wat er onder dien sluier verborgen was.--Trouwens, na
verloop van een half uur, dat het gesprek had geduurd, was d’Artagnan
overtuigd, dat milady zijn landgenoote was; zij sprak zoo zuiver Fransch
en met zooveel smaak, dat hieromtrent bij hem niet de minste twijfel
overbleef.
D’Artagnan was onuitputtelijk in verliefde spreekwijzen en betuigingen
van toewijding. Al de beuzelarijen, die onze Gaskonjer zich liet
ontvallen, beantwoordde milady met een bevalligen glimlach. Eindelijk
was het oogenblik daar; d’Artagnan, de gelukkigste der menschen, nam
afscheid van milady en verliet de zaal.
Op de trap ontmoette hij de lieve kamenier, die in het voorbijgaan hem
zacht aanraakte, tot aan de oogen rood wordende hem daarvoor
verschooning verzocht met een zoo zachte stem, dat haar onmiddellijk
vergiffenis werd geschonken.
D’Artagnan kwam den volgenden dag terug en werd nog beter dan den
vorigen dag ontvangen. Lord de Winter was niet tegenwoordig, en milady
hield dien avond de eer van het bezoek op. Zij scheen een groot belang
in hem te stellen, vroeg hem van waar hij kwam, wie zijn vrienden waren,
en of hij niet wel eens had gedacht in dienst van den kardinaal te gaan.
D’Artagnan, die, zooals men weet, voor een jongeling van twintig jaren
zeer voorzichtig was, herinnerde zich toen de vermoedens, die hij nopens
milady koesterde. Hij hield een groote lofrede op Zijne Eminentie, zeide
haar, dat hij zeker zich bij de gardes van den kardinaal zou hebben doen
inlijven, in plaats van bij de garde des konings, indien hij
bijvoorbeeld den heer de Cavois in plaats van den heer de Tréville
gekend had.
Milady veranderde met de meeste gemakkelijkheid van gesprek en vroeg
d’Artagnan, op de meest losse wijze der wereld, of hij nooit in
_Engeland_ was geweest. D’Artagnan antwoordde, dat hij er door den heer
de Tréville gezonden was geworden, om over een remonte van paarden te
onderhandelen, en hij er zelfs vier tot proeve had medegebracht.
Milady beet zich gedurende het gesprek drie of vier malen op de lippen;
zij had met een jongeling te doen, die ondoorgrondelijk was.
Op hetzelfde uur als van den vorigen dag vertrok d’Artagnan. Op de trap
ontmoette hij wederom de lieve Ketty (dit was de naam der kamenier).
Deze beschouwde hem met een uitdrukking van geheimzinnige
welwillendheid. Maar d’Artagnan was zoo vervuld met haar meesteres, dat
hij voor niets anders oogen had dan voor hetgeen van deze kwam.
D’Artagnan keerde den volgenden dag en den daarop volgenden dag weder
tot milady terug, en telkens ontving hem milady even vriendelijk.--Ook
ontmoette hij elken avond de schoone kamenier, hetzij in de voorkamer,
in de gang of op de trap.
Maar, zooals wij hebben gezegd, sloeg d’Artagnan volstrekt geen acht op
de zonderlinge volharding der arme Ketty.