De jacht op de krijgsuitrusting.
De meest zorgvolle der vier vrienden was voorzeker d’Artagnan, hoewel
hij, in zijn hoedanigheid van garde, minder onkosten had te maken voor
zijn uitrusting dan de heeren musketiers, die voorname edellieden waren;
maar onze Gaskonjische kadet was, zooals men heeft kunnen opmerken, van
een zeer vooruitzienden aard; bijna gierig, en daarbij, hoe die
tegenstrijdigheid te verklaren, hoogmoedig, zoodat hij in dit opzicht
bijkans voor Porthos niet behoefde onder te doen.
Aan de bezorgdheid, welke hem zijn ijdelheid veroorzaakte, paarde zich
op dit oogenblik een minder baatzuchtige ongerustheid. Welke narichten
hij ook omtrent juffrouw Bonacieux had trachten in te winnen, hij had
van haar niets vernomen. De heer de Tréville had er de koningin over
gesproken, maar de koningin wist niets van het verblijf der jonge vrouw,
doch had beloofd haar te doen zoeken. Echter was deze belofte zeer
onzeker en stelde zij d’Artagnan niet volkomen gerust.
Athos verliet zijn kamer niet; hij had besloten geen voet te verzetten,
om voor zijn uitrusting te zorgen.--„Er blijven ons nog veertien dagen
over,” zeide hij tot zijn vrienden. „Welnu! indien ik na verloop van
veertien dagen niets heb gevonden, of liever, indien niets mij is komen
vinden, zal ik, daar ik een al te goed katholiek ben om mij voor het
hoofd te schieten, met vier gardes van Zijne Excellentie of met acht
Engelschen twist zoeken, en zoo lang strijden, totdat er een is, die mij
neervelt; hetgeen, met het oog op het aantal, niet kan missen. Dan zal
men zeggen, dat ik voor den dienst des konings gesneuveld ben; bijgevolg
zal ik mijn dienst hebben verricht, zonder genoodzaakt te zijn geweest
voor mijn uitrusting te zorgen.”
Porthos ging voort met de handen op den rug heen en weer te loopen, het
hoofd op en neer knikkende en zeggend: „Ik zal mijn denkbeeld ten
uitvoer brengen.”
Aramis, bekommerd en slecht gemutst, zeide niets. Men kan uit deze
heillooze omstandigheden zien, dat de wanhoop in de gemeenschap
heerschte.
Van hun zijde deelden de lakeien, evenals de paarden van Hippolytus, in
de treurige verlegenheid hunner meesters. Mousqueton bracht een voorraad
korsten bij elkander; Bazijn, die steeds tot godsvrucht overhelde,
verliet de kerken niet meer; Planchet keek naar de vliegen en Grimaud,
wien de algemeene nood niet kon bewegen de door zijn meester hem
opgelegde stilzwijgendheid te verbreken, slaakte zuchten in staat
steenen te verteederen.
De drie vrienden, want, zooals wij gezegd hebben, Athos had gezworen
geen stap te doen voor zijn uitrusting, de drie vrienden gingen dus
vroegtijdig uit en kwamen laat weer te huis. Zij zwierven door de
straten, elken straatsteen onderzoekende, om te zien of zij, die hen
waren voorgegaan, hun beurzen er niet op hadden laten liggen. Men zou
gezegd hebben, dat zij het spoor van iets volgden, zoo nauwkeurig
beschouwden zij alles, waar zij langs gingen. Wanneer zij elkander
ontmoetten, zagen zij elkaar met een benauwden blik aan, die beteekende:
Hebt gij ook niets gevonden?
Terwijl intusschen Porthos de eerste was geweest in wien een denkbeeld
was gevaren en die hetzelve met volharding had doordacht, was hij ook de
eerste die handelde. Hij was een man van de daad, die waardige Porthos!
D’Artagnan zag hem op zekeren dag naar de kerk van Saint-Leu gaan en
volgde hem werktuigelijk. Hij trad de heilige plaats binnen, na zijn
knevel en snorbaard te hebben opgestreken, hetgeen bij hem de
verregaandste zucht tot liefdesveroveringen aanduidde. Daar d’Artagnan
eenige voorzorgen nam om niet gezien te worden, meende Porthos niet
gezien te zijn. D’Artagnan trad achter hem binnen. Porthos ging tegen
een pilaar leunen; d’Artagnan, steeds voor hem onzichtbaar, ging tegen
een anderen pilaar staan. Er werd juist gepreekt, zoodat de kerk zeer
vol was. Porthos maakte van deze gelegenheid gebruik, om de vrouwen toe
te lonken; dank zij de zorg van Mousqueton, deed het uitwendige
volstrekt niet den armzaligen toestand van het inwendige vermoeden: zijn
vilten hoed was wel wat kaal, zijn pluim min of meer verschoten, zijn
borduursels een weinig dof geworden en zijn kanten hier en daar
gescheurd, maar in de schaduw waren al deze kleinigheden niet zichtbaar,
en Porthos was steeds de schoone Porthos.
D’Artagnan bespeurde op de bank het dichtst bij den pilaar, waartegen
Porthos stond, een soort van rijpe schoonheid, wel wat geel en wat
mager, maar die recht en trotsch onder haar zwart hoofddeksel uitkwam.
Porthos liet zijn blik ongemerkt op die dame vallen, doch vervolgens
weer in de ruimte der kerk ronddwalen. Van haar zijde wierp de dame, die
van tijd tot tijd bloosde, een snellen blik op den lichtzinnigen Porthos
en dan begon Porthos weer als razend zijn oogen rond te slaan. Het was
blijkbaar, dat die bewegingen de dame met het zwarte kapsel niet weinig
hinderden; want zij beet zich geweldig op de lippen, krabde haar neus en
bewoog zich ongeduldig op haar zitplaats. Porthos, dit ziende, streek
opnieuw zijn knevel op, streek opnieuw zijn snorbaard neer en lonkte
opnieuw een schoone dame toe, die dicht nabij het koor zat en die niet
alleen een schoone dame, maar daarenboven een voorname dame was; want
achter haar stond een kleine neger, die het kussen had gebracht, waarop
zij neerknielde, terwijl een kamenier een met een geslachtswapen
geborduurden zak droeg, waarin het gebedenboek was geweest, waarin zij
las.
De dame met de zwarte kap volgde al de bewegingen, van Porthos’ blik en
bespeurde, dat hij gevestigd bleef op de dame met het fluweelen kussen,
met den negerjongen en met de kamenier. Intusschen bleef Porthos
krachtig zijn gebarenspel voortzetten, dat bestond in ooglonken, op de
lippen gelegde vingers en kleine, moorddadige lachjes, die inderdaad de
schoone verlatene vermoordden. Ook liet zij, in den vorm van een _mea
culpa_, terwijl zij op de borst sloeg, een zoo krachtig hm! hooren, dat
al de aanwezigen, zelfs de dame met het kussen, zich naar haar zijde
wendden; Porthos bleef onbeweeglijk; hij had nochtans zeer goed
begrepen, maar hij hield zich doof.
De dame met het roode kussen, die zeer schoon was, maakte een geweldigen
indruk op de dame met de zwarte kap, die in haar een groote, degelijk te
vreezen medeminnares zag; en een grooten indruk op Porthos, die haar
veel jonger en veel fraaier vond dan de dame met de zwarte kap; een
grooten indruk ook op d’Artagnan, die de dame van _Meung_, _Calais_ en
_Douvres_ herkende en die door zijn vijand, den man met het litteeken,
met den naam van milady was begroet.
D’Artagnan, zonder de dame van het roode kussen uit het oog te
verliezen, ging voort de bewegingen van Porthos gade te slaan, daar die
hem zeer vermaakten; hij meende zeker te zijn, dat de dame met de zwarte
kap de procureursvrouw der Berenstraat was, te meer dewijl de kerk van
St. Leu niet ver van gezegde straat was gelegen. Hij raadde, door
afleiding, dat Porthos zich trachtte te wreken over zijn nederlaag te
_Chantilly_, toen de procureursvrouw zich zoo weerbarstig had getoond
ten aanzien harer beurs. Maar tevens bespeurde d’Artagnan, dat niet een
enkel gezicht de verliefde lonken van Porthos beantwoordde. Het waren
niets anders dan hersenschimmen en oogverblinding; doch voor een
oprechte liefde, voor een wezenlijken minnenijd bestaat er geen andere
werkelijkheid dan hersenschimmen en begoocheling.
Toen het sermoen geëindigd was, naderde de procureursvrouw het
wijwatersvat: Porthos kwam haar voor, en in plaats van er een vinger in
te steken, doopte hij er de geheele hand in. De procureursvrouw
glimlachte, in de meening dat het voor haar was, dat Porthos zich die
moeite gaf; maar zij werd spoedig en bitter in haar meening bedrogen;
want toen zij slechts drie schreden van hem af was, draaide hij het
hoofd om en vestigde strak zijn oogen op de dame van het roode kussen,
die was opgestaan en, gevolgd door haar negerjongen en kamenier, nader
trad.
Toen de dame van het roode kussen nabij Porthos was, haalde deze zijn
druipende hand uit het wijwatersvat; de schoone godvruchtige raakte met
haar langwerpige, kleine hand de groote hand van Porthos, maakte al
glimlachende het teeken des kruises en verliet de kerk.
Dat was te veel voor de procureursvrouw, zij twijfelde er nu niet meer
aan, of die dame en Porthos stonden met elkander in liefdesbetrekking.
Indien zij een groote dame ware geweest, zou zij in onmacht zijn
gevallen, maar wijl zij slechts een procureursvrouw was, bepaalde zij
zich er toe den musketier met bedwongen woede toe te voegen: „Welzoo,
mijnheer Porthos, biedt gij mij geen wijwater aan?”
Porthos sprong op het geluid dezer stem op als iemand, die, na honderd
jaren geslapen te hebben, plotseling ontwaakt.
„Me.... mevrouw!” riep hij, „zijt gij het? Hoe vaart mijnheer uw
echtgenoot, die waardige heer Coquenard? Is hij altijd nog even vrekkig?
Waar heb ik mijn oogen toch gehad, dat ik u niet eens heb bespeurd
gedurende de twee uren, dat de preek heeft geduurd!”--„Ik zat twee
schreden van u af, mijnheer!” antwoordde de procureursvrouw; „maar gij
hebt mij niet gezien, omdat gij voor niemand anders oogen hadt dan voor
die schoone dame, aan wie gij wijwater hebt aangeboden.”
Porthos hield zich verlegen.--„Ha, gij hebt opgemerkt?”--„Men had blind
moeten zijn geweest, om het niet te zien.”--„Ja,” zeide Porthos losweg,
„het was een hertogin, een mijner vriendinnen, die ik moeite heb te
ontmoeten, uit hoofde van de jaloezie van haar echtgenoot; maar die mij
had laten weten, dat zij heden in deze ellendige kerk dezer afgelegen
wijk zou komen, alleen om mij te zien.”--„Mijnheer Porthos,” zeide de
procureursvrouw, „zoudt gij zoo goed willen zijn mij een oogenblik den
arm te geven? Ik zou gaarne met u eens spreken.”--„Hoe! mevrouw!” zeide
Porthos, met zijn oogen knippende, als een speler, die met dengenen
lacht, die zijn offer gaat worden.
Op dat oogenblik kwam d’Artagnan voorbij, die milady volgde; hij wierp
van ter zijde een blik op Porthos en zag diens zegevierende
houding.--„Ei, ei,” zei hij tot zich zelven, redeneerende in den zin van
de in dien tijd zoo zonderling gemakkelijke zedenleer, „ziedaar iemand,
die wel vóór het vereischte tijdstip geheel zijn uitrusting kan hebben.”
Porthos, aan de drukking van den arm der procureursvrouw zich
overgevende gelijk een schip aan het roer, naderde het klooster St.
Magloire, een weinig bezochte doorgang, die aan beide einden door een
draaiboom gesloten was. Men zag er overdag niets dan etende bedelaars en
spelende kinderen.
„Ach, mijnheer Porthos!” riep de procureursvrouw, toen zij zich had
verzekerd, dat geen aan de gewone bezoekers dier plaats vreemde personen
haar konden hooren noch zien; „ach, mijnheer Porthos, gij zijt een groot
overwinnaar, naar het schijnt.”--„Ik, mevrouw!” zeide Porthos, de borst
vooruitstekende, „en waarom, dat?”--„En die lonken en dat wijwater van
zooeven? Wel! het was niet minder dan een prinses, die dame met haar
negerjongen en haar kamenier.”--„Gij bedriegt u. Mijn God! neen, zij is
niet meer dan hertogin.”--„En die looper, die voor de deur wachtte en
die koets, met den koetsier in groote livrei, die op den bok zat?”
Porthos had noch looper noch koets gezien; maar met haar jaloerschen
blik had mevrouw Coquenard alles gezien. Het deed Porthos leed, niet al
dadelijk de dame met het roode kussen tot een prinses te hebben
verheven.
„Oh! gij zijt het beminde kind der schoonen, mijnheer Porthos!” hernam
zuchtend de procureursvrouw.--„Maar gij begrijpt,” hernam Porthos, „dat,
met een voorkomen als dat, waarmede de natuur mij heeft begiftigd, ik
geen gebrek aan fortuintjes heb.”--„Mijn God! wat zijn de mannen
lichtzinnig!” riep de procureursvrouw, de oogen ten hemel
slaande.--„Niet zoo erg als de vrouwen, geloof ik,” antwoordde Porthos;
„want inderdaad kan ik zeggen, mevrouw! dat ik uw offer ben geweest,
toen, gekwetst, stervende, ik mij door de geneesheeren verlaten zag; ik,
de telg van een doorluchtig geslacht, die zich aan uw vriendschap had
vertrouwd, ik was op het punt, vooreerst ten gevolge mijner wonden en
ten tweede door den honger, in een gemeene herberg te _Chantilly_ te
bezwijken, zonder dat gij u eens verwaardigdet één enkelen mijner vurige
brieven te beantwoorden.”--„Maar, mijnheer Porthos!” lispte de
procureursvrouw, die voelde dat zij, te oordeelen naar de handelwijze
der groote dames van dien tijd, ongelijk had.--„Ik, die voor u de gravin
de Penaflor heb verlaten....”--„Dat weet ik.”--„De barones
van....”--„Mijnheer Porthos! ik smeek u.”--„De gravin de....”--„Porthos,
wees edelmoedig.”--„Gij hebt gelijk, mevrouw! ik zal niet verder
gaan.”--„Maar mijn man wil van geen geldschieten hooren.”--„Mevrouw
Coquenard!” zeide Porthos, „herinner u den eersten brief, dien gij mij
hebt geschreven en welken ik in mijn hart heb gegrift.”--„Maar
daarenboven, de som, die gij mij ter leen vraagdet, was wel wat hoog.
Gij zeidet mij duizend franken noodig te hebben.”--„Mevrouw Coquenard!
ik gaf u de voorkeur; ik behoefde slechts aan de hertogin de.... te
schrijven. Ik wil u haar naam niet noemen; want ik weet niet wat het is,
een vrouw publiek te maken; maar wat ik weet, is, dat ik haar slechts
behoefde te schrijven, om er van haar vijftienhonderd te ontvangen.”
De procureursvrouw liet een traan ontglippen.--„Mijnheer Porthos!” zeide
zij, „ik zweer u, dat gij mij streng hebt gestraft en dat, indien gij
voortaan u in een dergelijken toestand mocht bevinden, gij u slechts tot
mij hebt te wenden.”--„Foei, mevrouw!” zeide Porthos als verstoord,
„spreken wij over geen geld, dat vernedert mij.”--„Dus, gij bemint mij
niet meer?” zeide langzaam en treurig de procureursvrouw.--Porthos bleef
een majestueus zwijgen bewaren.--„Is dat uw antwoord? Helaas! ik
begrijp....”--„Herinner u de beleediging, welke gij mij hebt aangedaan,
mevrouw! hier heeft zij mij gekwetst,” zeide Porthos, de hand op het
hart leggende en ze er hard op drukkende.--„Ik zal die herstellen; toe,
mijn waarde Porthos!”--„Buitendien, wat vroeg ik u,” hernam Porthos, met
een goedige beweging der schouders, „mij iets te leenen, anders niet. In
allen gevalle, ik ben geen onredelijk man. Ik weet, dat gij niet rijk
zijt, mevrouw Coquenard! en dat uw man genoodzaakt is de arme pleiters
uit te zuigen, om van hen eenige ellendige kronen te trekken. O! indien
gij gravin, markiezin of hertogin waart, dan ware het iets anders en gij
zoudt onverschoonbaar zijn.”
De procureursvrouw was geraakt.--„Weet, Porthos!” zeide zij, „dat
mijn geldkist, al behoort die aan een procureursvrouw, misschien
beter voorzien is, dan die van al uw verarmde nuffen.”--„Dan is
het een dubbele beleediging, die gij mij aandoet,” zeide Porthos,
den arm der procureursvrouw uit den zijne los makende; „want indien
gij rijk zijt, mevrouw Coquenard! dan is uw weigering niet te
verontschuldigen.”--„Wanneer ik rijk zeg,” hernam de procureursvrouw,
die zag, dat zij te ver was gegaan, „dan moet men zulks niet naar den
letter opnemen. Ik ben juist niet rijk, maar ik kan leven.”
„Luister, mevrouw!” zeide Porthos, „spreken wij hierover niet meer, dat
verzoek ik u. Gij hebt mij miskend: alle vriendschap is tusschen ons
afgebroken.”--„Ondankbare, die gij zijt!”--„Gij moet u nog beklagen, dat
raad ik u,” zeide Porthos.--„Welnu! ga dan met uw hertogin, ik weerhoud
u niet langer.”--„O! zij is nog niet genoeg getroffen, naar ik
zie.”--„Welaan, mijnheer Porthos! nog éénmaal voor het laatst: Bemint
gij mij nog?”--„Helaas! mevrouw!” zeide Porthos, op den droefgeestigsten
toon, dien hij kon aannemen; „wanneer wij een veldtocht gaan openen, een
veldtocht, waarin ik, mijn voorgevoelen zegt het mij, den dood zal
vinden....”--„O! spreek zoo niet!” riep de procureursvrouw, in snikken
uitbarstende.--„Er is iets, dat mij zulks voorzegt,” vervolgde Porthos,
al meer en meer droefgeestig wordende.--„Zeg liever, dat gij een nieuwen
liefdehandel hebt aangeknoopt.”--„Neen, neen, ik spreek openhartig. Geen
nieuw voorwerp heeft mij geraakt en zelfs voel ik hier, hier in het
diepste van mijn hart, iets, dat voor u klopt. Maar binnen veertien
dagen, zooals gij weet of niet weet, wordt de veldtocht geopend; ik zal
het verschrikkelijk druk met mijn uitrusting hebben.... Vervolgens ga ik
een reis doen naar mijn bloedverwanten in _Bretagne_, om de som, noodig
tot mijn vertrek, bij elkander te brengen.”
Porthos bespeurde een laatsten strijd tusschen de liefde en de
geldzucht.--„En dewijl,” ging hij voort, „de landgoederen der hertogin,
die gij in de kerk hebt gezien, in de nabijheid der mijne liggen, zullen
wij te zamen reizen. Het reizen, zooals gij weet, schijnt van korter
duur te zijn, wanneer men in gezelschap reist.”--„Hebt gij dan geen
vrienden te _Parijs_, mijnheer Porthos?” vroeg de procureursvrouw.--„Ik
meende er te hebben,” zeide Porthos, opnieuw zijn droefgeestige houding
aannemende; „maar ik heb wel gezien, dat ik mij bedroog.”--„Gij hebt er,
mijnheer Porthos! gij hebt er!” hernam de procureursvrouw, met een
overijling, die haar zelve bevreemdde. „Kom morgen aan huis. Gij zijt de
zoon mijner tante, bijgevolg mijn neef; gij komt van _Noyon_ in
_Picardië_; gij hebt een menigte processen te _Parijs_ en geen
procureur. Zult gij dit alles kunnen onthouden?”--„Volkomen,
mevrouw!”--„Kom tegen het uur van het middagmaal.”--„Zeer goed.”--„En
houd u goed in tegenwoordigheid van mijn man, die, ondanks zijn zes en
zeventig jaren, zeer slim en doortrapt is.”--„Zes en zeventig jaren!
duivelsch! dat is een fraaie ouderdom!” riep Porthos.--„Een hooge
ouderdom, wilt gij zeggen, mijnheer Porthos! Ook kan de arme, brave man
mij alle oogenblikken weduwe maken,” ging zij voort, een
veelbeteekenenden blik op Porthos werpende. „Gelukkig, dat wij een
huwelijkscontract hebben gemaakt, waarbij alles aan den langstlevende
behoort.”--„Alles!” riep Porthos uit.--„Alles.”
„Gij zijt een zeer zorgvuldige vrouw, zie ik, mijn lieve mevrouw
Coquenard!” zeide Porthos, teederlijk de hand der procureursvrouw
drukkende.--„Wij zijn dus verzoend, waarde heer Porthos?” vroeg zij
vleiend.--„Voor het leven!” hernam Porthos op denzelfden toon.--„Tot
wederziens dan, verrader!”--„Tot wederziens, vergeetachtige!”--„Tot
morgen, mijn engel!”--„Tot morgen, vlam mijns levens!”