HOOFDSTUK XXIX.

De jacht op de krijgsuitrusting.

De meest zorgvolle der vier vrienden was voorzeker d’Artagnan, hoewel

hij, in zijn hoedanigheid van garde, minder onkosten had te maken voor

zijn uitrusting dan de heeren musketiers, die voorname edellieden waren;

maar onze Gaskonjische kadet was, zooals men heeft kunnen opmerken, van

een zeer vooruitzienden aard; bijna gierig, en daarbij, hoe die

tegenstrijdigheid te verklaren, hoogmoedig, zoodat hij in dit opzicht

bijkans voor Porthos niet behoefde onder te doen.

Aan de bezorgdheid, welke hem zijn ijdelheid veroorzaakte, paarde zich

op dit oogenblik een minder baatzuchtige ongerustheid. Welke narichten

hij ook omtrent juffrouw Bonacieux had trachten in te winnen, hij had

van haar niets vernomen. De heer de Tréville had er de koningin over

gesproken, maar de koningin wist niets van het verblijf der jonge vrouw,

doch had beloofd haar te doen zoeken. Echter was deze belofte zeer

onzeker en stelde zij d’Artagnan niet volkomen gerust.

Athos verliet zijn kamer niet; hij had besloten geen voet te verzetten,

om voor zijn uitrusting te zorgen.--„Er blijven ons nog veertien dagen

over,” zeide hij tot zijn vrienden. „Welnu! indien ik na verloop van

veertien dagen niets heb gevonden, of liever, indien niets mij is komen

vinden, zal ik, daar ik een al te goed katholiek ben om mij voor het

hoofd te schieten, met vier gardes van Zijne Excellentie of met acht

Engelschen twist zoeken, en zoo lang strijden, totdat er een is, die mij

neervelt; hetgeen, met het oog op het aantal, niet kan missen. Dan zal

men zeggen, dat ik voor den dienst des konings gesneuveld ben; bijgevolg

zal ik mijn dienst hebben verricht, zonder genoodzaakt te zijn geweest

voor mijn uitrusting te zorgen.”

Porthos ging voort met de handen op den rug heen en weer te loopen, het

hoofd op en neer knikkende en zeggend: „Ik zal mijn denkbeeld ten

uitvoer brengen.”

Aramis, bekommerd en slecht gemutst, zeide niets. Men kan uit deze

heillooze omstandigheden zien, dat de wanhoop in de gemeenschap

heerschte.

Van hun zijde deelden de lakeien, evenals de paarden van Hippolytus, in

de treurige verlegenheid hunner meesters. Mousqueton bracht een voorraad

korsten bij elkander; Bazijn, die steeds tot godsvrucht overhelde,

verliet de kerken niet meer; Planchet keek naar de vliegen en Grimaud,

wien de algemeene nood niet kon bewegen de door zijn meester hem

opgelegde stilzwijgendheid te verbreken, slaakte zuchten in staat

steenen te verteederen.

De drie vrienden, want, zooals wij gezegd hebben, Athos had gezworen

geen stap te doen voor zijn uitrusting, de drie vrienden gingen dus

vroegtijdig uit en kwamen laat weer te huis. Zij zwierven door de

straten, elken straatsteen onderzoekende, om te zien of zij, die hen

waren voorgegaan, hun beurzen er niet op hadden laten liggen. Men zou

gezegd hebben, dat zij het spoor van iets volgden, zoo nauwkeurig

beschouwden zij alles, waar zij langs gingen. Wanneer zij elkander

ontmoetten, zagen zij elkaar met een benauwden blik aan, die beteekende:

Hebt gij ook niets gevonden?

Terwijl intusschen Porthos de eerste was geweest in wien een denkbeeld

was gevaren en die hetzelve met volharding had doordacht, was hij ook de

eerste die handelde. Hij was een man van de daad, die waardige Porthos!

D’Artagnan zag hem op zekeren dag naar de kerk van Saint-Leu gaan en

volgde hem werktuigelijk. Hij trad de heilige plaats binnen, na zijn

knevel en snorbaard te hebben opgestreken, hetgeen bij hem de

verregaandste zucht tot liefdesveroveringen aanduidde. Daar d’Artagnan

eenige voorzorgen nam om niet gezien te worden, meende Porthos niet

gezien te zijn. D’Artagnan trad achter hem binnen. Porthos ging tegen

een pilaar leunen; d’Artagnan, steeds voor hem onzichtbaar, ging tegen

een anderen pilaar staan. Er werd juist gepreekt, zoodat de kerk zeer

vol was. Porthos maakte van deze gelegenheid gebruik, om de vrouwen toe

te lonken; dank zij de zorg van Mousqueton, deed het uitwendige

volstrekt niet den armzaligen toestand van het inwendige vermoeden: zijn

vilten hoed was wel wat kaal, zijn pluim min of meer verschoten, zijn

borduursels een weinig dof geworden en zijn kanten hier en daar

gescheurd, maar in de schaduw waren al deze kleinigheden niet zichtbaar,

en Porthos was steeds de schoone Porthos.

D’Artagnan bespeurde op de bank het dichtst bij den pilaar, waartegen

Porthos stond, een soort van rijpe schoonheid, wel wat geel en wat

mager, maar die recht en trotsch onder haar zwart hoofddeksel uitkwam.

Porthos liet zijn blik ongemerkt op die dame vallen, doch vervolgens

weer in de ruimte der kerk ronddwalen. Van haar zijde wierp de dame, die

van tijd tot tijd bloosde, een snellen blik op den lichtzinnigen Porthos

en dan begon Porthos weer als razend zijn oogen rond te slaan. Het was

blijkbaar, dat die bewegingen de dame met het zwarte kapsel niet weinig

hinderden; want zij beet zich geweldig op de lippen, krabde haar neus en

bewoog zich ongeduldig op haar zitplaats. Porthos, dit ziende, streek

opnieuw zijn knevel op, streek opnieuw zijn snorbaard neer en lonkte

opnieuw een schoone dame toe, die dicht nabij het koor zat en die niet

alleen een schoone dame, maar daarenboven een voorname dame was; want

achter haar stond een kleine neger, die het kussen had gebracht, waarop

zij neerknielde, terwijl een kamenier een met een geslachtswapen

geborduurden zak droeg, waarin het gebedenboek was geweest, waarin zij

las.

De dame met de zwarte kap volgde al de bewegingen, van Porthos’ blik en

bespeurde, dat hij gevestigd bleef op de dame met het fluweelen kussen,

met den negerjongen en met de kamenier. Intusschen bleef Porthos

krachtig zijn gebarenspel voortzetten, dat bestond in ooglonken, op de

lippen gelegde vingers en kleine, moorddadige lachjes, die inderdaad de

schoone verlatene vermoordden. Ook liet zij, in den vorm van een _mea

culpa_, terwijl zij op de borst sloeg, een zoo krachtig hm! hooren, dat

al de aanwezigen, zelfs de dame met het kussen, zich naar haar zijde

wendden; Porthos bleef onbeweeglijk; hij had nochtans zeer goed

begrepen, maar hij hield zich doof.

De dame met het roode kussen, die zeer schoon was, maakte een geweldigen

indruk op de dame met de zwarte kap, die in haar een groote, degelijk te

vreezen medeminnares zag; en een grooten indruk op Porthos, die haar

veel jonger en veel fraaier vond dan de dame met de zwarte kap; een

grooten indruk ook op d’Artagnan, die de dame van _Meung_, _Calais_ en

_Douvres_ herkende en die door zijn vijand, den man met het litteeken,

met den naam van milady was begroet.

D’Artagnan, zonder de dame van het roode kussen uit het oog te

verliezen, ging voort de bewegingen van Porthos gade te slaan, daar die

hem zeer vermaakten; hij meende zeker te zijn, dat de dame met de zwarte

kap de procureursvrouw der Berenstraat was, te meer dewijl de kerk van

St. Leu niet ver van gezegde straat was gelegen. Hij raadde, door

afleiding, dat Porthos zich trachtte te wreken over zijn nederlaag te

_Chantilly_, toen de procureursvrouw zich zoo weerbarstig had getoond

ten aanzien harer beurs. Maar tevens bespeurde d’Artagnan, dat niet een

enkel gezicht de verliefde lonken van Porthos beantwoordde. Het waren

niets anders dan hersenschimmen en oogverblinding; doch voor een

oprechte liefde, voor een wezenlijken minnenijd bestaat er geen andere

werkelijkheid dan hersenschimmen en begoocheling.

Toen het sermoen geëindigd was, naderde de procureursvrouw het

wijwatersvat: Porthos kwam haar voor, en in plaats van er een vinger in

te steken, doopte hij er de geheele hand in. De procureursvrouw

glimlachte, in de meening dat het voor haar was, dat Porthos zich die

moeite gaf; maar zij werd spoedig en bitter in haar meening bedrogen;

want toen zij slechts drie schreden van hem af was, draaide hij het

hoofd om en vestigde strak zijn oogen op de dame van het roode kussen,

die was opgestaan en, gevolgd door haar negerjongen en kamenier, nader

trad.

Toen de dame van het roode kussen nabij Porthos was, haalde deze zijn

druipende hand uit het wijwatersvat; de schoone godvruchtige raakte met

haar langwerpige, kleine hand de groote hand van Porthos, maakte al

glimlachende het teeken des kruises en verliet de kerk.

Dat was te veel voor de procureursvrouw, zij twijfelde er nu niet meer

aan, of die dame en Porthos stonden met elkander in liefdesbetrekking.

Indien zij een groote dame ware geweest, zou zij in onmacht zijn

gevallen, maar wijl zij slechts een procureursvrouw was, bepaalde zij

zich er toe den musketier met bedwongen woede toe te voegen: „Welzoo,

mijnheer Porthos, biedt gij mij geen wijwater aan?”

Porthos sprong op het geluid dezer stem op als iemand, die, na honderd

jaren geslapen te hebben, plotseling ontwaakt.

„Me.... mevrouw!” riep hij, „zijt gij het? Hoe vaart mijnheer uw

echtgenoot, die waardige heer Coquenard? Is hij altijd nog even vrekkig?

Waar heb ik mijn oogen toch gehad, dat ik u niet eens heb bespeurd

gedurende de twee uren, dat de preek heeft geduurd!”--„Ik zat twee

schreden van u af, mijnheer!” antwoordde de procureursvrouw; „maar gij

hebt mij niet gezien, omdat gij voor niemand anders oogen hadt dan voor

die schoone dame, aan wie gij wijwater hebt aangeboden.”

Porthos hield zich verlegen.--„Ha, gij hebt opgemerkt?”--„Men had blind

moeten zijn geweest, om het niet te zien.”--„Ja,” zeide Porthos losweg,

„het was een hertogin, een mijner vriendinnen, die ik moeite heb te

ontmoeten, uit hoofde van de jaloezie van haar echtgenoot; maar die mij

had laten weten, dat zij heden in deze ellendige kerk dezer afgelegen

wijk zou komen, alleen om mij te zien.”--„Mijnheer Porthos,” zeide de

procureursvrouw, „zoudt gij zoo goed willen zijn mij een oogenblik den

arm te geven? Ik zou gaarne met u eens spreken.”--„Hoe! mevrouw!” zeide

Porthos, met zijn oogen knippende, als een speler, die met dengenen

lacht, die zijn offer gaat worden.

Op dat oogenblik kwam d’Artagnan voorbij, die milady volgde; hij wierp

van ter zijde een blik op Porthos en zag diens zegevierende

houding.--„Ei, ei,” zei hij tot zich zelven, redeneerende in den zin van

de in dien tijd zoo zonderling gemakkelijke zedenleer, „ziedaar iemand,

die wel vóór het vereischte tijdstip geheel zijn uitrusting kan hebben.”

Porthos, aan de drukking van den arm der procureursvrouw zich

overgevende gelijk een schip aan het roer, naderde het klooster St.

Magloire, een weinig bezochte doorgang, die aan beide einden door een

draaiboom gesloten was. Men zag er overdag niets dan etende bedelaars en

spelende kinderen.

„Ach, mijnheer Porthos!” riep de procureursvrouw, toen zij zich had

verzekerd, dat geen aan de gewone bezoekers dier plaats vreemde personen

haar konden hooren noch zien; „ach, mijnheer Porthos, gij zijt een groot

overwinnaar, naar het schijnt.”--„Ik, mevrouw!” zeide Porthos, de borst

vooruitstekende, „en waarom, dat?”--„En die lonken en dat wijwater van

zooeven? Wel! het was niet minder dan een prinses, die dame met haar

negerjongen en haar kamenier.”--„Gij bedriegt u. Mijn God! neen, zij is

niet meer dan hertogin.”--„En die looper, die voor de deur wachtte en

die koets, met den koetsier in groote livrei, die op den bok zat?”

Porthos had noch looper noch koets gezien; maar met haar jaloerschen

blik had mevrouw Coquenard alles gezien. Het deed Porthos leed, niet al

dadelijk de dame met het roode kussen tot een prinses te hebben

verheven.

„Oh! gij zijt het beminde kind der schoonen, mijnheer Porthos!” hernam

zuchtend de procureursvrouw.--„Maar gij begrijpt,” hernam Porthos, „dat,

met een voorkomen als dat, waarmede de natuur mij heeft begiftigd, ik

geen gebrek aan fortuintjes heb.”--„Mijn God! wat zijn de mannen

lichtzinnig!” riep de procureursvrouw, de oogen ten hemel

slaande.--„Niet zoo erg als de vrouwen, geloof ik,” antwoordde Porthos;

„want inderdaad kan ik zeggen, mevrouw! dat ik uw offer ben geweest,

toen, gekwetst, stervende, ik mij door de geneesheeren verlaten zag; ik,

de telg van een doorluchtig geslacht, die zich aan uw vriendschap had

vertrouwd, ik was op het punt, vooreerst ten gevolge mijner wonden en

ten tweede door den honger, in een gemeene herberg te _Chantilly_ te

bezwijken, zonder dat gij u eens verwaardigdet één enkelen mijner vurige

brieven te beantwoorden.”--„Maar, mijnheer Porthos!” lispte de

procureursvrouw, die voelde dat zij, te oordeelen naar de handelwijze

der groote dames van dien tijd, ongelijk had.--„Ik, die voor u de gravin

de Penaflor heb verlaten....”--„Dat weet ik.”--„De barones

van....”--„Mijnheer Porthos! ik smeek u.”--„De gravin de....”--„Porthos,

wees edelmoedig.”--„Gij hebt gelijk, mevrouw! ik zal niet verder

gaan.”--„Maar mijn man wil van geen geldschieten hooren.”--„Mevrouw

Coquenard!” zeide Porthos, „herinner u den eersten brief, dien gij mij

hebt geschreven en welken ik in mijn hart heb gegrift.”--„Maar

daarenboven, de som, die gij mij ter leen vraagdet, was wel wat hoog.

Gij zeidet mij duizend franken noodig te hebben.”--„Mevrouw Coquenard!

ik gaf u de voorkeur; ik behoefde slechts aan de hertogin de.... te

schrijven. Ik wil u haar naam niet noemen; want ik weet niet wat het is,

een vrouw publiek te maken; maar wat ik weet, is, dat ik haar slechts

behoefde te schrijven, om er van haar vijftienhonderd te ontvangen.”

De procureursvrouw liet een traan ontglippen.--„Mijnheer Porthos!” zeide

zij, „ik zweer u, dat gij mij streng hebt gestraft en dat, indien gij

voortaan u in een dergelijken toestand mocht bevinden, gij u slechts tot

mij hebt te wenden.”--„Foei, mevrouw!” zeide Porthos als verstoord,

„spreken wij over geen geld, dat vernedert mij.”--„Dus, gij bemint mij

niet meer?” zeide langzaam en treurig de procureursvrouw.--Porthos bleef

een majestueus zwijgen bewaren.--„Is dat uw antwoord? Helaas! ik

begrijp....”--„Herinner u de beleediging, welke gij mij hebt aangedaan,

mevrouw! hier heeft zij mij gekwetst,” zeide Porthos, de hand op het

hart leggende en ze er hard op drukkende.--„Ik zal die herstellen; toe,

mijn waarde Porthos!”--„Buitendien, wat vroeg ik u,” hernam Porthos, met

een goedige beweging der schouders, „mij iets te leenen, anders niet. In

allen gevalle, ik ben geen onredelijk man. Ik weet, dat gij niet rijk

zijt, mevrouw Coquenard! en dat uw man genoodzaakt is de arme pleiters

uit te zuigen, om van hen eenige ellendige kronen te trekken. O! indien

gij gravin, markiezin of hertogin waart, dan ware het iets anders en gij

zoudt onverschoonbaar zijn.”

De procureursvrouw was geraakt.--„Weet, Porthos!” zeide zij, „dat

mijn geldkist, al behoort die aan een procureursvrouw, misschien

beter voorzien is, dan die van al uw verarmde nuffen.”--„Dan is

het een dubbele beleediging, die gij mij aandoet,” zeide Porthos,

den arm der procureursvrouw uit den zijne los makende; „want indien

gij rijk zijt, mevrouw Coquenard! dan is uw weigering niet te

verontschuldigen.”--„Wanneer ik rijk zeg,” hernam de procureursvrouw,

die zag, dat zij te ver was gegaan, „dan moet men zulks niet naar den

letter opnemen. Ik ben juist niet rijk, maar ik kan leven.”

„Luister, mevrouw!” zeide Porthos, „spreken wij hierover niet meer, dat

verzoek ik u. Gij hebt mij miskend: alle vriendschap is tusschen ons

afgebroken.”--„Ondankbare, die gij zijt!”--„Gij moet u nog beklagen, dat

raad ik u,” zeide Porthos.--„Welnu! ga dan met uw hertogin, ik weerhoud

u niet langer.”--„O! zij is nog niet genoeg getroffen, naar ik

zie.”--„Welaan, mijnheer Porthos! nog éénmaal voor het laatst: Bemint

gij mij nog?”--„Helaas! mevrouw!” zeide Porthos, op den droefgeestigsten

toon, dien hij kon aannemen; „wanneer wij een veldtocht gaan openen, een

veldtocht, waarin ik, mijn voorgevoelen zegt het mij, den dood zal

vinden....”--„O! spreek zoo niet!” riep de procureursvrouw, in snikken

uitbarstende.--„Er is iets, dat mij zulks voorzegt,” vervolgde Porthos,

al meer en meer droefgeestig wordende.--„Zeg liever, dat gij een nieuwen

liefdehandel hebt aangeknoopt.”--„Neen, neen, ik spreek openhartig. Geen

nieuw voorwerp heeft mij geraakt en zelfs voel ik hier, hier in het

diepste van mijn hart, iets, dat voor u klopt. Maar binnen veertien

dagen, zooals gij weet of niet weet, wordt de veldtocht geopend; ik zal

het verschrikkelijk druk met mijn uitrusting hebben.... Vervolgens ga ik

een reis doen naar mijn bloedverwanten in _Bretagne_, om de som, noodig

tot mijn vertrek, bij elkander te brengen.”

Porthos bespeurde een laatsten strijd tusschen de liefde en de

geldzucht.--„En dewijl,” ging hij voort, „de landgoederen der hertogin,

die gij in de kerk hebt gezien, in de nabijheid der mijne liggen, zullen

wij te zamen reizen. Het reizen, zooals gij weet, schijnt van korter

duur te zijn, wanneer men in gezelschap reist.”--„Hebt gij dan geen

vrienden te _Parijs_, mijnheer Porthos?” vroeg de procureursvrouw.--„Ik

meende er te hebben,” zeide Porthos, opnieuw zijn droefgeestige houding

aannemende; „maar ik heb wel gezien, dat ik mij bedroog.”--„Gij hebt er,

mijnheer Porthos! gij hebt er!” hernam de procureursvrouw, met een

overijling, die haar zelve bevreemdde. „Kom morgen aan huis. Gij zijt de

zoon mijner tante, bijgevolg mijn neef; gij komt van _Noyon_ in

_Picardië_; gij hebt een menigte processen te _Parijs_ en geen

procureur. Zult gij dit alles kunnen onthouden?”--„Volkomen,

mevrouw!”--„Kom tegen het uur van het middagmaal.”--„Zeer goed.”--„En

houd u goed in tegenwoordigheid van mijn man, die, ondanks zijn zes en

zeventig jaren, zeer slim en doortrapt is.”--„Zes en zeventig jaren!

duivelsch! dat is een fraaie ouderdom!” riep Porthos.--„Een hooge

ouderdom, wilt gij zeggen, mijnheer Porthos! Ook kan de arme, brave man

mij alle oogenblikken weduwe maken,” ging zij voort, een

veelbeteekenenden blik op Porthos werpende. „Gelukkig, dat wij een

huwelijkscontract hebben gemaakt, waarbij alles aan den langstlevende

behoort.”--„Alles!” riep Porthos uit.--„Alles.”

„Gij zijt een zeer zorgvuldige vrouw, zie ik, mijn lieve mevrouw

Coquenard!” zeide Porthos, teederlijk de hand der procureursvrouw

drukkende.--„Wij zijn dus verzoend, waarde heer Porthos?” vroeg zij

vleiend.--„Voor het leven!” hernam Porthos op denzelfden toon.--„Tot

wederziens dan, verrader!”--„Tot wederziens, vergeetachtige!”--„Tot

morgen, mijn engel!”--„Tot morgen, vlam mijns levens!”

De Drie Musketiers dl. I en II · 第 38 / 93 题