De thesis van Aramis.
D’Artagnan had aan Porthos niets van de wonde of van de procureursvrouw
gezegd. Hoe jong ook, was onze Bearnees een zeer wijs jongeling, en hij
had den schijn aangenomen alles te gelooven, wat hem de ijdele musketier
had verhaald, daar hij verzekerd was, dat de vriendschap door een
ontdekt geheim verloren gaat, vooral wanneer door zoodanig geheim de
eigenliefde wordt gekwetst, en men in dat geval een zekere zedelijke
meerderheid verkrijgt op dengene, van wien men het leven kent.
D’Artagnan, die voornemens was zijn toekomstige fortuin door intrigues
te bewerken, en besloten had zijn drie vrienden als de werktuigen
hiertoe te gebruiken, beijverde zich dus om reeds bij voorbaat die
onzichtbare draden in zijn hand te vereenigen, met welke hij zich
voornam hen te leiden.
Intusschen bleef langs den geheelen weg een diepe droefheid zijn hart
beknellen door de gedachte aan die jonge, lieve juffrouw Bonacieux, die
hem den prijs zijner diensttoewijding moest schenken. Doch haasten wij
ons het te zeggen; die droefheid ontsproot bij den jongeling minder uit
leedwezen wegens zijn verloren geluk, dan wel uit de vrees, die hij
koesterde, dat de arme vrouw aan een of ander ongeluk was blootgesteld.
Immers, hij twijfelde er niet aan of zij was het offer der wraak van den
kardinaal geworden, en zooals men weet was de wraak Zijner Eminentie
vreeselijk. Hoe hij nog genade in de oogen van den minister had
gevonden, wist hij zelf niet; maar de heer de Cavois zou hem dit zeker
hebben geopenbaard, indien die kapitein der gardes hem had thuis
gevonden.
Niets doet sneller den tijd voorbijgaan en verkort meer den weg dan een
gedachte, die uitsluitend al de zielsvermogens van hem, die overweegt,
tot zich trekt. Het uitwendige leven gelijkt dan een slaap, van welken
dat denkbeeld de ziel is; door dien invloed heeft de tijd geen maat, de
uitgestrektheid geen afstand meer: men vertrekt van de eene plaats, men
komt aan de andere aan, dat is al. Van de doorgeloopene tusschenruimte
blijft niets in het geheugen over dan een onduidelijke nevel, die
duizend beelden van boomen, bergen en landschappen omhult.
Het was ten prooi aan deze zinsbegoocheling, dat d’Artagnan, zich aan de
bewegingen van zijn paard vrijwillig overgevende, de zes of acht mijlen
aflegde, die _Chantilly_ van _Crèvecoeur_ scheiden, zonder dat hij, in
dat dorp komende, zich iets meer herinnerde van hetgeen hij op zijn weg
ontmoet had. Toen eerst werd het geheugen in hem levendig, hij schudde
het hoofd, bespeurde de herberg, waar hij Aramis had gelaten, en zijn
paard in den draf brengende, hield hij aan de deur stil. Nu was het niet
de herbergier, maar een vrouw, die hem ontving.
D’Artagnan was een gelaatkundige; een blik op het vroolijke gezicht der
dikke meesteres van de herberg geslagen was voldoende om hem te doen
begrijpen, dat hij met haar niet behoefde te veinzen, en hij van een zoo
vergenoegd uiterlijk niets te vreezen had.
„Mijn lieve juffrouw!” vroeg d’Artagnan, „zoudt gij mij kunnen
zeggen, wat er van een mijner vrienden is geworden, dien wij genoodzaakt
waren hier, eenige dagen geleden, achter te laten?”--„Een fraai
jongeling van drie of vier en twintig jaar, zacht van aard,
beminnelijk en welgemaakt?”--„Dezelfde.”--„Daarbij aan den schouder
gewond?”--„Juist.”--„Wel, mijnheer! hij is nog altijd hier.”--„Ha,
_pardieu_! mijn lieve juffrouw!” zeide d’Artagnan, van zijn paard
springende en den toom Planchet op den arm werpende, „gij geeft mij het
leven weder; waar is hij, die waarde Aramis, dat ik hem omhelze, want ik
beken, dat ik met ongeduld verlang hem te zien?”--„Vergeef mij,
mijnheer! maar ik twijfel, of hij u op dit oogenblik wel zal kunnen
ontvangen.”--„Waarom! is er een dame bij hem?”--„Jezus, mijn God! wat
zegt gij daar? De arme jongen! Neen, mijnheer! hij heeft geen dame bij
zich.”--„Wie is er dan bij hem?”--„De pastoor van _Montdidier_ en de
overste der jezuïeten van _Amiëns_.”--„Mijn God!” riep d’Artagnan, „is
het dan erger met den armen jongeling?”--„Neen, mijnheer! integendeel,
maar tengevolge zijner ziekte heeft de genade hem getroffen en hij is
besloten in een geestelijke orde te treden.”--„Het is waar ook,” zeide
d’Artagnan, „ik had vergeten, dat hij slechts musketier _ad interim_
was.”--„Dringt mijnheer er steeds op aan, om hem te spreken?”--„Meer dan
ooit.”--„Welnu, mijnheer! de trap op de plaats aan de rechterzijde
opgaande, komt gij op de tweede verdieping aan No. 5 en dat is zijn
kamer.”
D’Artagnan volgde de aangewezen richting en vond een dier uitwendige
trappen, zooals men er nog op de binnenplaatsen der ouderwetsche
herbergen aantreft; maar men naderde zoo gemakkelijk niet den
toekomstigen abt; de toegang tot de kamer van Aramis was niet minder
goed bewaakt dan de tuinen van Armida. Bazijn stond in de gang en
versperde hem den doorgang met te meer kordaatheid, daar Bazijn, na
veeljarigen proeftijd, zich eindelijk nabij het doel waande, waarnaar
hij zoo lang had gestreefd. Immers de droom van den armen Bazijn was
steeds geweest een geestelijke te dienen, en hij wachtte ongeduldig het
oogenblik af, hetwelk hij in de toekomst voorzag, dat Aramis eindelijk
het krijgsmanskleed zou afwerpen om zich in het priestergewaad te
hullen. De dagelijks door den jongeling vernieuwde belofte, dat dit
oogenblik niet ver meer af was, had hem alleen in dienst van een
musketier doen blijven; een dienst, waarin het, naar zijn zeggen, niet
kon missen of hij moest zijn ziel verliezen. Bazijn was dus ten toppunt
van vreugd. Volgens alle waarschijnlijkheid zou voor dezen keer zijn
meester niet meer van besluit veranderen. De vereeniging van
lichamelijke met zielesmart had de zoolang verwachte uitwerking
teweeggebracht.
Aramis, zoowel naar ziel als naar lichaam lijdende, had eindelijk oog en
hart op den godsdienst gericht en als een waarschuwing des hemels het
dubbel ongeluk beschouwd, dat hem was overkomen, namelijk: de
plotselinge verdwijning van zijn minnares en zijn wonde aan den
schouder.
Men begrijpt dat voor Bazijn, in de gesteldheid van geest, waarin hij
zich bevond, niets onaangenamer kon zijn dan de komst van d’Artagnan,
die zijn meester wederom in den maalstroom der wereldsche denkbeelden
kon medesleepen, waarin hij reeds zoo lang zich gewenteld had. Hij
besloot dus de deur standvastig te verdedigen, maar daar de meesteres
der herberg hem verraden had, kon hij niet zeggen, dat Aramis afwezig
was, en hij trachtte nu den pas aangekomene te bewijzen, dat het alle
grenzen van betamelijkheid zou overschrijden, zijn meester in de vrome
samenkomst te storen, waarin hij zich sedert den ochtend bevond en die,
volgens zeggen van Bazijn, niet voor den avond kon geëindigd zijn.
Maar d’Artagnan stoorde zich volstrekt niet aan de welsprekendheid van
meester Bazijn, en daar hij geen de minste neiging gevoelde met den
knecht van zijn vriend in woordenwisseling te treden, duwde hij hem
eenvoudig met de eene hand ter zijde, terwijl hij met de andere den knop
van deur No. 5 omdraaide. De deur ging open en d’Artagnan trad de kamer
binnen.
Aramis, gekleed in een zwarten rok en bedekt met een soort van plat en
rond hoofddeksel, dat veel op een priesterkapje geleek, zat voor een
langwerpig vierkante tafel, die zwichtte onder een aantal rollen papier
en dikke folianten; aan zijn rechterhand zat de overste der jezuïeten en
aan zijn linkerhand de pastoor van _Montdidier_. De gordijnen waren ten
halve neergelaten en lieten slechts een geheimzinnig licht doordringen,
dat voor vrome overwegingen als bestemd scheen.
Al de wereldsche voorwerpen, die het oog boeien, wanneer men de kamer
eens jongelings binnentreedt, en vooral wanneer die jongeling musketier
is, waren als door toovernij verdwenen en ongetwijfeld uit vrees, dat
het zien van den degen, de pistolen, den gevederden hoed en de
borduursels en kanten van allerlei aard en soort zijn meester tot
wereldsche gedachten zou hebben overgehaald, had Bazijn op een en ander
de hand gelegd. Maar in hun plaats meende d’Artagnan in een donkeren
hoek iets naar een roede gelijkende te zien, die aan een spijker tegen
den muur hing.
Op het gerucht, dat d’Artagnan bij het openen der deur maakte, richtte
Aramis het hoofd op en herkende zijn vriend. Maar tot groote
verwondering van d’Artagnan scheen zijn tegenwoordigheid op den
jongeling geen grooten indruk te maken, zoozeer was zijn ziel van het
aardsche ontheven.
„Goeden dag, mijn waarde d’Artagnan!” zeide Aramis, „het is mij
aangenaam u te zien.”--„Mij ook,” zeide d’Artagnan, „ofschoon ik nog
niet zeker ben, dat het Aramis is, tot wien ik spreek.”--„Tot hem
zelven, mijn vriend! tot hem zelven; maar wat heeft u kunnen doen
twijfelen?”--„Ik vreesde mij in de kamer bedrogen te hebben en meende
aanvankelijk in die van een of ander geestelijke binnen te gaan;
vervolgens overviel mij een andere schrik, door u in het gezelschap dier
heeren te zien, namelijk dat gij ernstig ziek waart.”
De twee zwarte mannen wierpen op d’Artagnan, wiens bedoeling zij
begrepen, een eenigszins dreigenden blik, maar deze stoorde er zich niet
aan.--„Ik hinder u misschien, waarde Aramis,” ging d’Artagnan voort,
„want naar hetgeen ik zie, moet ik gelooven, dat gij dien heeren uw
biecht zegt.”--Aramis bloosde bijna onmerkbaar.--„Mij hinderen! wel
neen, in het geheel niet, waarde vriend! dat zweer ik u, en ten bewijze
van hetgeen ik u zeg, veroorloof mij vooreerst mij te verblijden u
gezond en ongedeerd terug te zien.”
„Ha! hij komt nader,” dacht d’Artagnan, „dat is gelukkig.”
„Want mijnheer, die mijn vriend is, is aan een groot gevaar ontkomen,”
ging Aramis voort met zalving, d’Artagnan aan beide geestelijken
voorstellende.--„Dank God, mijnheer,” antwoordden deze, zich
gelijktijdig buigende.--„Ik heb het niet verzuimd, eerwaarden!” hernam
de jongeling, hun groet beantwoordende.--„Gij komt juist te stade,
waarde d’Artagnan!” zeide Aramis, „om aan de woordenwisseling deel te
nemen en die met uw oordeel bij te lichten. Mijnheer de overste van
_Amiëns_, mijnheer de pastoor van _Montdidier_ en ik redetwisten over
eenige godgeleerde vraagpunten, wier belangrijkheid ons sedert een
geruime poos bezig houdt; ik zou ook gaarne uw oordeel er over
hooren.”--„Het oordeel van een krijgsman is van zeer weinig gewicht,”
antwoordde d’Artagnan, die ongerust begon te worden over de wending van
het gesprek, „en gij kunt u, geloof mij, aan de kundigheden dier heeren
volkomen onderwerpen.”--Beide zwarte mannen bogen zich.--„Integendeel,”
hernam Aramis, „uw oordeel zal zeer nuttig zijn. Ziehier wat het
betreft: mijnheer de overste meent, dat mijn thesis vooral leerstellig
en onderwijzend moet zijn.”--„Uw thesis! maakt gij dan een
thesis?”--„Zeker,” antwoordde de jezuïet; „voor het examen, dat de
wijding voorafgaat, wordt een thesis volstrekt vereischt.”--„De
wijding!” riep d’Artagnan, die nog niet kon gelooven, wat
achtereenvolgens de meesteres der herberg en Bazijn hem gezegd hadden;
„de wijding!” en hij liet zijn verbaasden blik over de drie personen
weiden, die hij voor zich zag.--„Derhalve,” vervolgde Aramis, op zijn
leuningstoel een bevallige houding aannemende, alsof hij in een _stalle_
had gezeten, en met welgevallen zijn witte en als die eener vrouw zoo
vleezige hand beschouwende, die hij in de hoogte hield om het bloed er
uit te doen zakken; „derhalve, zooals gij hebt gehoord, d’Artagnan!
mijnheer de principaal zou willen, dat mijn thesis leerstellig ware,
terwijl ik tot het denkbeeldige van het onderwerp overhel: het is dan
uit dien hoofde dat mijnheer de overste mij dit onderwerp voorstelde,
hetwelk nog niet is behandeld geworden, en waarin ik genoegzame stof
zie, om het heerlijk te ontwikkelen: _Utramque manem in benedicendo
clericis inferioribus necessariam esse_.”
D’Artagnan, wiens geleerdheid wij kennen, gaf evenmin eenig teeken deze
aanhaling te verstaan, als toen de heer de Tréville er hem eene deed bij
het zien van den ring, welken hij meende, dat d’Artagnan van Buckingham
had ontvangen.--„Hetgeen wil zeggen,” hernam Aramis, om het hem
gemakkelijk te maken, „beide handen zijn onontbeerlijk aan den priester
van minderen rang, wanneer hij den zegen geeft.”--„Een heerlijk
onderwerp!” riep de jezuïet.--„Fraai en leerrijk,” herhaalde de pastoor,
die, bijna even goed het latijn verstaande als d’Artagnan, aandachtig
naar den jezuïet luisterde, om met dezen gelijk te blijven en dan zijn
woorden als een echo herhaalde.--Wat d’Artagnan betreft, deze bleef
geheel koel bij de geestdrift der beide zwarte mannen.--„Ja,
voortreffelijk, _prorsus admirabile_!” vervolgde Aramis, „maar het
vereischt een grondige studie der kerkvaders en der H. Schrift. Ik heb
dan ook, met alle nederigheid, aan die geleerde heeren geestelijken
verklaard, dat de nachtwachten en de dienst des konings mij de studie
een weinig hadden doen verzuimen. Het zou derhalve voor mij
gemakkelijker zijn een onderwerp mijner eigen keuze te bewerken:
_facilius natans_, dat, ten aanzien der moeilijke godgeleerde
vraagpunten, zou wezen hetgeen de zedekunde, ten aanzien van de
bovennatuurkunde, in de wijsbegeerte is.”
D’Artagnan verveelde zich doodelijk; de pastoor ook.
„Zie eens wat _exordium_!” riep de jezuïet.--„_Exordium_!” herhaalde de
pastoor, om ook iets te zeggen.--„_Quem ad modum inter coelorum
immensitatem._”--Aramis wierp een schuinschen blik op d’Artagnan en hij
zag, dat zijn vriend geeuwde als om zijn kaakbeenderen te
ontwrichten.--„Laat ons Fransch spreken, eerwaarde vader!” zeide hij tot
den jezuïet, „de heer d’Artagnan zal des te meer van onze woorden vrucht
hebben.”--„Ja, ik ben vermoeid van de reis,” zeide d’Artagnan, „en al
dat latijn ontgaat mij.”
„Vooreerst,” zeide de jezuïet met zekere teleurstelling, terwijl de
vergenoegde pastoor oogen vol dankbaarheid op d’Artagnan sloeg: „zie het
voordeel, dat er uit deze verklaring te trekken is. Mozes, Gods dienaar,
hij is niets meer als dienaar, verstaat gij? Mozes geeft met de handen
den zegen; hij laat zich beide armen ondersteunen, terwijl de Hebreërs
hun vijanden verslaan; bijgevolg zegent hij met beide handen. Bovendien,
wat zegt het Evangelie? _Imposuite manus_ en niet _manum_, leg de handen
op en niet de hand.”--„Leg de handen op,” herhaalde de pastoor, die
beweging makende.--„Tot den heiligen Petrus integendeel, van wien de
pausen de opvolgers zijn,” ging de jezuïet voort: „_Porrige digitos_,
hef de vingers op; begrijpt gij het nu?”--„Zeker,” antwoordde Aramis met
zekere zelfvoldoening, „maar het is iets zeer scherpzinnigs.”--„De
vingers,” hernam de jezuïet, „de heilige Petrus zegent met de vingers,
de paus geeft dus ook zijn zegen met de vingers. En met hoeveel vingers
geeft hij dien? met drie vingers, één voor den Vader, één voor den Zoon
en één voor den Heiligen Geest.”--Alle aanwezigen kruisten zich;
d’Artagnan meende dit voorbeeld te moeten volgen.--„De paus is de
opvolger van den heiligen Petrus en vertegenwoordigt de drie Goddelijke
machten; de overige _ordines inferiores_[5] der kerkelijke hiërarchie
zegenen door den naam der heilige aartsengelen en engelen. De minste
klerken, zooals onze diakens en kosters, zegenen met den wijwaterskwast,
die een oneindig getal zegenende vingers voorstelt. Ziedaar het
onderwerp vereenvoudigd: _Argumentum omni denudatum ornamento_. Ik zou
hierover twee boekdeelen van de dikte als dit kunnen schrijven,”
eindigde de jezuïet, en in zijn geestverrukking sloeg hij op den H.
Chrysostomus in folio, dat de tafel onder dat gewicht boog.--D’Artagnan
rilde.
[5] De lagere graden.
--„Het is waar,” zeide Aramis, „ik ben overtuigd van de schoonheden
dezer thesis; maar tegelijk moet ik bekennen, dat ze voor mij te zwaar
is. Ik had dezen tekst gekozen: zeg mij eens, waarde d’Artagnan, of hij
niet naar uw zin is? _Non inutile est desiderium in oblatione_, of
liever: Een weinig leedwezen misvoegt niet bij een offerande aan den
Heere.”--„Ho!” riep de jezuïet, „die tekst riekt naar den brandstapel;
een dergelijk voorstel vindt men in den Augustinus van den ketter
Jansenius, wiens boek vroeg of laat door de handen des beuls zal
worden verbrand. Wees op uw hoede, mijn jonge vriend! gij helt
over tot valsche grondstellingen; gij zult verloren gaan, mijn
jonge vriend!”--„Gij zult verloren gaan,” herhaalde de pastoor,
smartelijk het hoofd schuddende.--„Gij raakt die vermaarde
leerstelling aangaande den vrijen wil, die doodelijke klip. Gij geeft
u onbesuisd over aan de overtuigingsmiddelen der Pelasgisten en der
half-Pelasgisten.”--„Volstrekt niet, eerwaarde!” hernam Aramis, min of
meer onthutst door de hagelbui van tegenwerpingen, die op hem
neervielen.--„Hoe zult gij bewijzen,” vervolgde de jezuïet, zonder hem
den tijd te laten één woord te spreken, „dat men de wereld moet
betreuren, wanneer men zich Gode toewijdt. Luister naar deze tweeledige
bewijsrede: God is God en de wereld is de duivel. De wereld betreuren is
den duivel betreuren; ziedaar mijn denkwijze.”--„Dat is ook de mijne,”
zeide de pastoor.--„Maar een oogenblikje,” hernam Aramis.--„_Desideras
diabolum_,[6] rampzalige!” riep de jezuïet.--„Betreurt hij den duivel?
Ach! mijn jonge vriend!” hernam de pastoor zuchtende: „betreur den
duivel niet, ik smeek het u.”
[6] Gij begeert den duivel terug.
D’Artagnan begon half mal te worden; hij meende in een gekkenhuis te
zijn en even gek te worden als degenen, die hij zag. Maar hij was
genoodzaakt te zwijgen, volstrekt de taal niet verstaande, welke in zijn
tegenwoordigheid gesproken werd.
„Maar luister dan toch,” hernam Aramis met een beleefdheid, onder welke
men een weinig ongeduld bemerkte, „ik zeg niet dat ik betreur; neen,
nooit zal ik dat woord uitspreken, dat niet rechtzinnig is.”--De jezuïet
hief de handen ten hemel; de pastoor deed evenzoo.--„Neen, maar ik
beken, dat het niet fraai is, den Heere datgene aan te bieden, waarvan
men volkomen afkeerig is geworden. Heb ik gelijk, d’Artagnan?”--„Ik
geloof het wel, _pardieu_!” riep deze.--De pastoor en de jezuïet deden
een sprong op hun stoelen.--„Ziehier van waar ik uitga; het is een
sluitrede; der wereld ontbreekt het niet aan bekoorlijkheden: ik verlaat
de wereld, derhalve offer ik iets op; en de H. Schrift zegt
uitdrukkelijk: Offert den Heere!”--„Dat is waar,” zeiden de
tegenstrevers.--„En vervolgens,” ging Aramis voort, zijn oor knijpende
om het rood te doen worden, zooals hij zijn handen bewoog om ze wit te
doen blijven; „en vervolgens heb ik een _rondeau_[7] hierop gemaakt, dat
ik verleden jaar aan den heer Voiture heb laten lezen, en waarmee die
groote man mij heeft geluk gewenscht.”--„Een _rondeau_!” zeide de
pastoor werktuigelijk.--„Zeg op, zeg op!” riep d’Artagnan, „dat zal min
of meer het gesprek veranderen.”--„Neen, want het is godsdienstig,”
antwoordde Aramis; „het is berijmde godgeleerdheid.”--„Duivelsch!” liet
d’Artagnan hooren.--„Hier is het,” zeide Aramis, op min of meer
nederigen toon, die echter niet vrij was van huichelarij:
„Gij! die beweent een vreugdevol verleden,
In treurigheid uw dagen thans verslijt;
Van uwe ramp zult gij dra zijn bevrijd,
Indien gij Gode wijdt uw tranen en gebeden.
Gij! die beweent enz.”
[7] Oud soort van vers, waarvan de eerste en de vierde regel
rijmen, zoo ook de tweede en de derde, de vijfde bestaat uit de
eerste helft van den eerste.
D’Artagnan en de pastoor schenen tevreden. De jezuïet bleef in zijn
denkwijze volharden.--„Hoed u voor een ongewijden stijl in godgeleerde
voorstellingen. Wat zegt dan ook de H. Augustinus? _Severus sit
clericorum sermo._”[8]--„Ja, dat het _Sermoen_ duidelijk zij,” zeide de
pastoor.--„Derhalve,” haastte zich de jezuïet hierop in te vallen,
ziende dat zijn helper in de war was; „derhalve zal uw thesis aan
niemand dan aan de dames behagen, zij zal geschat worden als een
pleidooi van meester Patru.”--„Dat geve God!” riep Aramis
verheugd.--„Gij ziet,” riep de jezuïet, „de wereld verheft in u nog
luide haar stem: _Altissima voce_. Gij volgt de wereld, mijn jonge
vriend! en ik vrees, dat de genade niet krachtig genoeg zij.”--„Stel u
gerust, eerwaarde heer! ik stel mij zelven verantwoordelijk.”--„Dat is
wereldsche verwatenheid.”--„Ik ken mij zelven, eerwaarde vader! mijn
besluit is onherroepelijk.”--„Dan wilt gij volstrekt die thesis
uitwerken?”--„Ik voel mij geroepen die te behandelen, en morgen hoop ik,
dat gij zult tevreden zijn over de verbeteringen, die ik er op uw raad
in heb gemaakt.”--„Werk langzaam,” zeide de pastoor; „wij verlaten u in
de heerlijkste gesteldheid.”--„Ja, de grond is reeds genoeg bezaaid,”
zeide de jezuïet, „en wij behoeven niet te vreezen, dat een gedeelte van
het zaad op de rots is gevallen, het andere langs den weg verloren gaat
en dat de vogels des hemels het overige hebben verslonden. _Aves coeli
comoederunt illam._”--„Dat de pest u verstikke met uw latijn,” dacht
d’Artagnan, wiens geduld ten einde raakte.--„Vaarwel, mijn zoon! tot
morgen.”--„Vaarwel, jonge roekelooze!” zeide de jezuïet; „gij belooft
een der lichten van de kerk te worden; de hemel geve, dat dit licht geen
verslindend vuur worde!”--D’Artagnan, die gedurende een uur zijn nagels
van ongeduld had afgeknaagd, was aan het vleesch begonnen.
[8] De priesters moeten een deftige taal voeren.
De beide zwarte mannen stonden op, groetten Aramis en d’Artagnan en
naderden de deur. Bazijn, die er voor was blijven staan en die dezen
godgeleerden twist in vrome verheffing des harten had aangehoord, ijlde
naar hen toe, nam den pastoor het getijdeboek en den jezuïet het misboek
af, waarop hij, eerbiedig vooruit gaande, hun den weg baande. Aramis
vergezelde hen tot beneden aan de trap en keerde toen dadelijk naar
d’Artagnan terug, die nog in zijn overwegingen verzonken was.
Nu alleen zijnde, bewaarden beide vrienden aanvankelijk een onaangename
stilte; echter moest een van beiden die het eerst verbreken, en daar
d’Artagnan scheen besloten te hebben die eer aan zijn vriend te laten,
zeide Aramis:
„Zooals gij ziet, mijn vriend! ik ben weder tot mijn oorspronkelijke
denkbeelden teruggekomen.”--„Ja, de uitwerkende genade heeft u
getroffen, zooals die heer van daareven zeide.”--„Ach! dat voornemen,
mij der wereld ontrukken, heeft reeds sedert lang vastgestaan en gij
hebt er mij reeds van hooren spreken, niet waar mijn vriend?”--„Zonder
twijfel; maar ik beken, ik meende, dat gij schertstet.”--„Met die soort
van zaken? O, d’Artagnan!”--„Wat duivel! men schertst wel met den
dood.”--„En men doet niet wel, d’Artagnan! want de dood is immers de
poort, welke tot de verdoemenis of tot de zaligheid leidt?”--„Dat stem
ik toe; maar, als het u belieft, spreken wij over geen godgeleerdheid,
Aramis! gij moet er voor den geheelen dag van verzadigd zijn; wat mij
betreft, ik heb bijna het weinige latijn vergeten, dat ik trouwens nooit
gekend heb; vervolgens moet ik u bekennen, dat ik sedert heden ochtend
niet gegeten en een duivelschen honger heb.”--„Wij zullen zoo aanstonds
samen het middagmaal nemen, waarde vriend! maar herinner u, dat het
heden vrijdag is; bijgevolg kan ik op zoodanigen dag noch vleesch eten
noch het zien eten. Wilt gij u met mijn maal vergenoegen, dan krijgt gij
_tetragones_ en vruchten.”--„Wat verstaat gij onder _tetragones_?” vroeg
d’Artagnan ongerust.--„Hieronder versta ik spinazie,” hernam Aramis,
„maar ik zal er voor u eieren bij laten voegen, hoewel dit een geweldige
inbreuk op de voorschriften is; want eieren is vleesch, omdat zij het
hoen voortbrengen.”--„Dat maal is niet zeer smakelijk; maar om bij u te
blijven, zal ik mij er aan onderwerpen.”--„Ik ben u voor de opoffering
erkentelijk,” zeide Aramis; „en mocht het u al niet lichamelijk tot nut
zijn, het zal echter, dit verzeker ik u, uw ziel voordeelig zijn.”
„Dus hebt gij waarlijk besloten, Aramis! tot den geestelijken stand over
te gaan? Wat zullen onze vrienden zeggen! wat zal de heer de Tréville
denken! zij zullen u als een deserteur behandelen, dat verzeker ik
u.”--„Ik ga niet tot den geestelijken stand over, ik keer er toe terug.
Het was de kerk, die ik voor de wereld verliet, want gij weet, dat ik
mij geweld heb aangedaan, om mij in het musketiersgewaad te
steken.”--„Ik! ik weet er niets van.”--„Weet gij niet, waarom ik het
seminarie heb verlaten?”--„Volstrekt niet.”--„Nu, luister dan; de H.
Schrift zegt: Belijdt u aan elkander, en ik belijd mij aan u,
d’Artagnan!”--„En ik geef u vooraf de absolutie; gij weet, ik ben een
goede jongen.”--„Spot niet met de heilige zaken, mijn vriend!”--„Nu,
verhaal dan, ik luister.”
„Ik was dan van af mijn negende jaar in het seminarie en een en twintig
jaar oud; nog drie dagen en ik zou tot priester worden gewijd, en alles
ware gedaan geweest. Op zekeren avond, dat ik mij volgens gewoonte naar
een huis begaf, waar ik mij steeds naar genoegen bevond--men is jong,
wat zal ik zeggen, men is zwak--trad een officier, die mij met een
afgunstig oog het leven der Heiligen aan de meesteres des huizes zag
voorlezen, eensklaps en zonder aangediend te zijn binnen. Juist had ik
dien avond de episode van Judith in verzen overgebracht en herhaalde ze
aan de dame, die mij allerhande soort van komplimenten maakte en op mijn
arm geleund ze met mij opnieuw overlas. De houding, die, ik beken het,
wel wat los was, kwetste dien officier; hij zeide niets, maar toen ik
heenging, volgde hij mij en sprak mij aan:
„‚Mijnheer de abt! houdt gij van rottingolie?’--‚Ik kan het u niet
zeggen, mijnheer!’ antwoordde ik, ‚want niemand heeft mij die ooit
durven geven.’--‚Welnu, luister dan, mijnheer de abt, indien gij in het
huis terugkeert, waar ik u heden avond heb ontmoet, dan zal ik het
durven.’
„Ik geloof, dat ik bevreesd werd; ik werd zeer bleek, ik voelde mijn
knieën knikken; ik trachtte een antwoord te geven, dat ik niet vond en
zweeg. De officier wachtte een antwoord, maar ziende dat het weg bleef,
lachte hij mij uit, keerde mij den rug toe en trad het huis weder
binnen. Ik keerde naar het seminarie terug.
„Ik ben een echt edelman, zooals gij hebt kunnen bemerken en heb
tamelijk driftig bloed, mijn waarde d’Artagnan. De beleediging was
vreeselijk, en hoewel ze volstrekt der wereld onbekend was gebleven,
voelde ik ze als leven en diep in mijn hart zich bewegen. Ik verklaarde
aan mijn oversten, dat ik mij niet genoegzaam voorbereid vond om de
wijding te ontvangen, en op mijn verzoek stelde men de plechtigheid een
jaar uit. Ik ging den behendigsten schermmeester van _Parijs_ bezoeken
en trof met hem een overeenkomst, dat hij mij dagelijks een les zoude
geven, en alle dagen, gedurende een jaar, nam ik die. Vervolgens hing
ik, juist op den verjaardag dat ik beleedigd was geworden, mijn
geestelijk gewaad aan een spijker, kleedde mij volkomen in een edelmans
kleeding en begaf mij naar een bal, dat een dame mijner kennis gaf, waar
ik wist, dat mijn man zich zou bevinden. Het was in de straat der Trouwe
Burgers, dicht bij het slot _la Force_. Mijn officier was er werkelijk;
ik naderde hem op het oogenblik dat hij een minnelied zong, terwijl hij
teederlijk een vrouw toelonkte; ik sprak hem aan te midden van het
tweede couplet.
„‚Mijnheer!’ zeide ik hem, ‚mishaagt het u steeds, dat ik in zeker huis
in de straat Payenne ga en wilt gij mij nog rottingolie geven, indien ik
er toe overga u ongehoorzaam te zijn?’--De officier beschouwde mij met
verwondering en zeide: ‚Wat wilt gij, mijnheer? ik ken u niet!’--‚Ik
ben,’ antwoordde ik, ‚de jonge geestelijke, die het leven der heiligen
voorleest en Judith in verzen overbrengt.’--‚Ha! nu herinner ik mij,’
zeide de officier op spottenden toon, ‚wat wilt gij?’--‚Ik wenschte, dat
gij zoo vriendelijk wildet wezen een kleine wandeling met mij te
doen.’--‚Morgen ochtend, als het u belieft en dan met het grootste
vermaak.’--‚Neen, neen, niet morgen ochtend, oogenblikkelijk.’--‚Als gij
het volstrekt begeert?’--‚Wel ja, ik begeer het.’--‚Welaan dan, dames!’
zeide de officier, ‚een oogenblikje; alleen den tijd om mijnheer naar de
andere wereld te zenden; en ik kom het tweede couplet eindigen.’
„Wij vertrokken. Ik bracht hem in de straat Payenne, juist op de plek,
waar hij, een jaar te voren, op hetzelfde uur, mij het kompliment had
gemaakt, dat ik u heb medegedeeld.... Het was een heerlijke maneschijn.
Wij stonden met den degen tegenover elkander, en bij den eersten uitval
stak ik hem dood.”
„Duivelsch!” zeide d’Artagnan.
„En,” ging Aramis voort, „daar de dames hun zanger niet zagen
terugkeeren, en men hem in de straat Payenne vond, met een degensteek in
het lijf, geloofde men, dat ik het was, die hem dus had toegetakeld, en
de zaak werd ruchtbaar. Ik was dus genoodzaakt voor zekeren tijd den
geestelijken stand vaarwel te zeggen.... Athos, met wien ik omstreeks
dien tijd in kennis kwam, en Porthos, die mij buiten mijn schermlessen
met eenige aardige stooten had bekend gemaakt, haalden mij over een
plaats bij de musketiers te verzoeken. De koning was mijn vader, die
gedurende het beleg van _Arras_ sneuvelde, zeer genegen geweest, en men
stond mij mijn verzoek toe.... Gij begrijpt dus wel, dat het oogenblik
voor mij nu is gekomen, om in den schoot der kerk terug te keeren?”
„En waarom liever nu dan gisteren of morgen? Wat is u dan toch gebeurd,
om zulke akelige denkbeelden te koesteren?”
„Die verwonding, mijn waarde d’Artagnan! is voor mij een waarschuwing
des hemels geweest.”--„Die verwonding, och! ze is bijna genezen, en ik
ben zeker, dat het deze niet is, die u thans het meest doet
lijden.”--„En welke dan?” vroeg Aramis blozende.--„Gij lijdt aan een
hartwonde, die pijnlijker, bloediger is, en u door een vrouw is
toegebracht.”--Het oog van Aramis schitterde ondanks hem zelven.--„Och,”
zeide hij, zijn ontroering onder een schijnbare onverschilligheid
verbergende, „spreek mij van die zaken niet; zou ik hierover denken! zou
ik liefdesmart gevoelen, _vanitas vanitatum_, zou ik, volgens uw
gevoelen, mij het hoofd hebben op hol gemaakt, en voor wie? voor een of
ander naaistertje, voor de kamenier van dezen of genen kanunnik, aan
welke ik in een of ander garnizoen het hof zou hebben gemaakt?
foei!”--„Vergeef mij, mijn waarde Aramis! maar ik dacht, dat gij uw oog
op iets hoogers had gevestigd?”--„Op iets hoogers? En wat ben ik, om
zooveel eerzucht te koesteren?.... Een arme musketier, van duistere,
onbeduidende afkomst, die voor dienstbaarheid een afschuw heeft en in de
groote wereld volstrekt niet op zijn plaats is.”--„Aramis! Aramis!” riep
d’Artagnan, zijn vriend twijfelachtig aanziende.
„Als stof,” ging Aramis voort, „keer ik tot stof terug.... Het leven is
vol vernedering en smarten,” vervolgde hij, al meer en meer somber
wordende; „al de draden, die het aan het geluk hechten, verbreken alras
in de hand des menschen, vooral de gouden draden.... Ach, mijn waarde
d’Artagnan!” hernam Aramis met een zweem van smart, „geloof mij,
verberg wel uw wonden, wanneer gij gekwetst mocht zijn. De stilte is
de laatste vreugd der ongelukkigen; wacht u iemand, wie het ook zij,
op het spoor uwer smarten te brengen: de nieuwsgierigen zuigen onze
tranen op, als de vliegen het bloed van een gewonde hinde.”--„Welaan,
mijn waarde Aramis!” zeide d’Artagnan, op zijn beurt een diepen
zucht slakende, „dat is mijn eigen geschiedenis, die gij daar
verhaalt.”--„Hoezoo?”--„Ja, een vrouw, die ik beminde, die ik aanbad,
is mij gewelddadig ontrukt geworden. Ik weet niet waar zij is, en
werwaarts men haar heeft gevoerd; misschien is zij in de gevangenis,
misschien is zij dood.”--„Maar gij hebt ten minste den troost te kunnen
zeggen, dat zij u niet vrijwillig heeft verlaten; dat, indien gij geen
tijding van haar ontvangt, zulks ontstaat, doordien elke gemeenschap
met u voor haar is afgebroken, terwijl....”--„Terwijl?”--„Niets, niets,”
antwoordde Aramis.--„Dus gij hebt besloten volkomen afstand van de
wereld te doen, dat besluit is onherroepelijk vastgesteld?”--„Voor
altijd. Heden zijt gij nog mijn vriend, morgen zult gij voor mij niets
meer zijn dan een schaduw, of liever, gij zult voor mij niet meer
bestaan.... Wat de wereld betreft, deze is een graf, anders
niets.”--„Duivelsch! hetgeen gij mij zegt, is zeer treurig.”--„Wat zal
ik u zeggen, mijn roeping drijft mij.”
D’Artagnan glimlachte en antwoordde niet.--Aramis vervolgde: „En echter,
zoolang ik nog tot de wereld behoor, wil ik u over u, over onze vrienden
spreken.”--„En ik,” zeide d’Artagnan, „ik wilde over u zelven spreken;
maar ik zie u van alles vervreemd: de liefde verfoeit gij, uw vrienden
zijn schimmen, de wereld is een graf.”--„Helaas!” zeide Aramis met een
zucht, „gij zult het bij u zelven ondervinden.”--„Spreken wij er dan
niet meer van,” hernam d’Artagnan, „laten wij dien brief verbranden, die
u zeker de een of andere getrouwheid van uw naaistertje of uw kamenier
bericht.”--„Welken brief?” vroeg Aramis haastig.--„Een brief, die in uw
afwezigheid is bezorgd geworden en dien men aan mij heeft ter hand
gesteld.”--„Maar van wien is die brief?”--„Och! van de een of andere
beproefde gezelschapsjuffer, van een wanhopende naaister, misschien wel
van de kamenier van mevrouw de Chevreuse, die genoodzaakt zal zijn
geweest met haar meesteres naar _Tours_ terug te keeren en die, om eens
fraai voor den dag te komen, welriekend papier genomen en haar brief met
een hertogelijke kroon zal hebben verzegeld.”--„Wat zegt gij daar?”
„Zie, ik geloof hem verloren te hebben,” zeide d’Artagnan, zich houdende
alsof hij dien zocht. „Gelukkig, dat de wereld een graf, dat de menschen
en bijgevolg ook de vrouwen schimmen zijn en de liefde een gevoel is,
dat gij verafschuwt.”--„O, d’Artagnan! d’Artagnan! gij doet mij
sterven.”--„Eindelijk heb ik hem,” zeide d’Artagnan en haalde den brief
uit zijn zak.
Aramis sprong toe, greep den brief, las of liever verslond dien, terwijl
een glans op zijn gelaat verscheen.
„Het schijnt, dat de kamenier een fraaien stijl heeft,” zeide de
boodschapper onverschillig.--„Ik dank u, d’Artagnan!” riep Aramis in
vervoering. „Zij is genoodzaakt geworden naar _Tours_ terug te keeren;
zij is mij niet ontrouw en bemint mij steeds. Kom, mijn vriend, kom,
laat ik u omhelzen. Het geluk benauwt mij.”--En beide vrienden begonnen
rondom den foliant van den H. Chrysostomus te dansen, terwijl zij aardig
de bladen der thesis vertrapten, die op den grond gevallen waren.
Op dat oogenblik trad Bazijn met de spinazie en de eierstruif
binnen.--„Verwijder u, ongelukkige!” riep Aramis, hem zijn priesterkapje
in het gezicht werpende, „keer terug vanwaar gij komt; neem die
afschuwelijke groente en dien ellendigen koek mede. Vraag een
gelardeerden haas, een vetten kapoen, een schapenbout en vier flesschen
oude Bourgonje.”
Bazijn, die zijn meester aanzag en niets van die verandering begreep,
liet treurig de eierstruif en de spinazie op den grond vallen.
„Ziedaar nu het oogenblik, om uw leven aan den Koning der Koningen te
wijden,” zeide d’Artagnan, „indien gij er op gesteld zijt, Hem een
beleefdheid te doen, _non inutile desiderium in oblatione_.”--„Ga naar
den duivel met uw latijn, mijn waarde d’Artagnan! laat ons drinken,
_morbleu_! laat ons drinken; en vertel mij eens, wat er ginds zoo al is
voorgevallen.”