HOOFDSTUK XXVI.

De thesis van Aramis.

D’Artagnan had aan Porthos niets van de wonde of van de procureursvrouw

gezegd. Hoe jong ook, was onze Bearnees een zeer wijs jongeling, en hij

had den schijn aangenomen alles te gelooven, wat hem de ijdele musketier

had verhaald, daar hij verzekerd was, dat de vriendschap door een

ontdekt geheim verloren gaat, vooral wanneer door zoodanig geheim de

eigenliefde wordt gekwetst, en men in dat geval een zekere zedelijke

meerderheid verkrijgt op dengene, van wien men het leven kent.

D’Artagnan, die voornemens was zijn toekomstige fortuin door intrigues

te bewerken, en besloten had zijn drie vrienden als de werktuigen

hiertoe te gebruiken, beijverde zich dus om reeds bij voorbaat die

onzichtbare draden in zijn hand te vereenigen, met welke hij zich

voornam hen te leiden.

Intusschen bleef langs den geheelen weg een diepe droefheid zijn hart

beknellen door de gedachte aan die jonge, lieve juffrouw Bonacieux, die

hem den prijs zijner diensttoewijding moest schenken. Doch haasten wij

ons het te zeggen; die droefheid ontsproot bij den jongeling minder uit

leedwezen wegens zijn verloren geluk, dan wel uit de vrees, die hij

koesterde, dat de arme vrouw aan een of ander ongeluk was blootgesteld.

Immers, hij twijfelde er niet aan of zij was het offer der wraak van den

kardinaal geworden, en zooals men weet was de wraak Zijner Eminentie

vreeselijk. Hoe hij nog genade in de oogen van den minister had

gevonden, wist hij zelf niet; maar de heer de Cavois zou hem dit zeker

hebben geopenbaard, indien die kapitein der gardes hem had thuis

gevonden.

Niets doet sneller den tijd voorbijgaan en verkort meer den weg dan een

gedachte, die uitsluitend al de zielsvermogens van hem, die overweegt,

tot zich trekt. Het uitwendige leven gelijkt dan een slaap, van welken

dat denkbeeld de ziel is; door dien invloed heeft de tijd geen maat, de

uitgestrektheid geen afstand meer: men vertrekt van de eene plaats, men

komt aan de andere aan, dat is al. Van de doorgeloopene tusschenruimte

blijft niets in het geheugen over dan een onduidelijke nevel, die

duizend beelden van boomen, bergen en landschappen omhult.

Het was ten prooi aan deze zinsbegoocheling, dat d’Artagnan, zich aan de

bewegingen van zijn paard vrijwillig overgevende, de zes of acht mijlen

aflegde, die _Chantilly_ van _Crèvecoeur_ scheiden, zonder dat hij, in

dat dorp komende, zich iets meer herinnerde van hetgeen hij op zijn weg

ontmoet had. Toen eerst werd het geheugen in hem levendig, hij schudde

het hoofd, bespeurde de herberg, waar hij Aramis had gelaten, en zijn

paard in den draf brengende, hield hij aan de deur stil. Nu was het niet

de herbergier, maar een vrouw, die hem ontving.

D’Artagnan was een gelaatkundige; een blik op het vroolijke gezicht der

dikke meesteres van de herberg geslagen was voldoende om hem te doen

begrijpen, dat hij met haar niet behoefde te veinzen, en hij van een zoo

vergenoegd uiterlijk niets te vreezen had.

„Mijn lieve juffrouw!” vroeg d’Artagnan, „zoudt gij mij kunnen

zeggen, wat er van een mijner vrienden is geworden, dien wij genoodzaakt

waren hier, eenige dagen geleden, achter te laten?”--„Een fraai

jongeling van drie of vier en twintig jaar, zacht van aard,

beminnelijk en welgemaakt?”--„Dezelfde.”--„Daarbij aan den schouder

gewond?”--„Juist.”--„Wel, mijnheer! hij is nog altijd hier.”--„Ha,

_pardieu_! mijn lieve juffrouw!” zeide d’Artagnan, van zijn paard

springende en den toom Planchet op den arm werpende, „gij geeft mij het

leven weder; waar is hij, die waarde Aramis, dat ik hem omhelze, want ik

beken, dat ik met ongeduld verlang hem te zien?”--„Vergeef mij,

mijnheer! maar ik twijfel, of hij u op dit oogenblik wel zal kunnen

ontvangen.”--„Waarom! is er een dame bij hem?”--„Jezus, mijn God! wat

zegt gij daar? De arme jongen! Neen, mijnheer! hij heeft geen dame bij

zich.”--„Wie is er dan bij hem?”--„De pastoor van _Montdidier_ en de

overste der jezuïeten van _Amiëns_.”--„Mijn God!” riep d’Artagnan, „is

het dan erger met den armen jongeling?”--„Neen, mijnheer! integendeel,

maar tengevolge zijner ziekte heeft de genade hem getroffen en hij is

besloten in een geestelijke orde te treden.”--„Het is waar ook,” zeide

d’Artagnan, „ik had vergeten, dat hij slechts musketier _ad interim_

was.”--„Dringt mijnheer er steeds op aan, om hem te spreken?”--„Meer dan

ooit.”--„Welnu, mijnheer! de trap op de plaats aan de rechterzijde

opgaande, komt gij op de tweede verdieping aan No. 5 en dat is zijn

kamer.”

D’Artagnan volgde de aangewezen richting en vond een dier uitwendige

trappen, zooals men er nog op de binnenplaatsen der ouderwetsche

herbergen aantreft; maar men naderde zoo gemakkelijk niet den

toekomstigen abt; de toegang tot de kamer van Aramis was niet minder

goed bewaakt dan de tuinen van Armida. Bazijn stond in de gang en

versperde hem den doorgang met te meer kordaatheid, daar Bazijn, na

veeljarigen proeftijd, zich eindelijk nabij het doel waande, waarnaar

hij zoo lang had gestreefd. Immers de droom van den armen Bazijn was

steeds geweest een geestelijke te dienen, en hij wachtte ongeduldig het

oogenblik af, hetwelk hij in de toekomst voorzag, dat Aramis eindelijk

het krijgsmanskleed zou afwerpen om zich in het priestergewaad te

hullen. De dagelijks door den jongeling vernieuwde belofte, dat dit

oogenblik niet ver meer af was, had hem alleen in dienst van een

musketier doen blijven; een dienst, waarin het, naar zijn zeggen, niet

kon missen of hij moest zijn ziel verliezen. Bazijn was dus ten toppunt

van vreugd. Volgens alle waarschijnlijkheid zou voor dezen keer zijn

meester niet meer van besluit veranderen. De vereeniging van

lichamelijke met zielesmart had de zoolang verwachte uitwerking

teweeggebracht.

Aramis, zoowel naar ziel als naar lichaam lijdende, had eindelijk oog en

hart op den godsdienst gericht en als een waarschuwing des hemels het

dubbel ongeluk beschouwd, dat hem was overkomen, namelijk: de

plotselinge verdwijning van zijn minnares en zijn wonde aan den

schouder.

Men begrijpt dat voor Bazijn, in de gesteldheid van geest, waarin hij

zich bevond, niets onaangenamer kon zijn dan de komst van d’Artagnan,

die zijn meester wederom in den maalstroom der wereldsche denkbeelden

kon medesleepen, waarin hij reeds zoo lang zich gewenteld had. Hij

besloot dus de deur standvastig te verdedigen, maar daar de meesteres

der herberg hem verraden had, kon hij niet zeggen, dat Aramis afwezig

was, en hij trachtte nu den pas aangekomene te bewijzen, dat het alle

grenzen van betamelijkheid zou overschrijden, zijn meester in de vrome

samenkomst te storen, waarin hij zich sedert den ochtend bevond en die,

volgens zeggen van Bazijn, niet voor den avond kon geëindigd zijn.

Maar d’Artagnan stoorde zich volstrekt niet aan de welsprekendheid van

meester Bazijn, en daar hij geen de minste neiging gevoelde met den

knecht van zijn vriend in woordenwisseling te treden, duwde hij hem

eenvoudig met de eene hand ter zijde, terwijl hij met de andere den knop

van deur No. 5 omdraaide. De deur ging open en d’Artagnan trad de kamer

binnen.

Aramis, gekleed in een zwarten rok en bedekt met een soort van plat en

rond hoofddeksel, dat veel op een priesterkapje geleek, zat voor een

langwerpig vierkante tafel, die zwichtte onder een aantal rollen papier

en dikke folianten; aan zijn rechterhand zat de overste der jezuïeten en

aan zijn linkerhand de pastoor van _Montdidier_. De gordijnen waren ten

halve neergelaten en lieten slechts een geheimzinnig licht doordringen,

dat voor vrome overwegingen als bestemd scheen.

Al de wereldsche voorwerpen, die het oog boeien, wanneer men de kamer

eens jongelings binnentreedt, en vooral wanneer die jongeling musketier

is, waren als door toovernij verdwenen en ongetwijfeld uit vrees, dat

het zien van den degen, de pistolen, den gevederden hoed en de

borduursels en kanten van allerlei aard en soort zijn meester tot

wereldsche gedachten zou hebben overgehaald, had Bazijn op een en ander

de hand gelegd. Maar in hun plaats meende d’Artagnan in een donkeren

hoek iets naar een roede gelijkende te zien, die aan een spijker tegen

den muur hing.

Op het gerucht, dat d’Artagnan bij het openen der deur maakte, richtte

Aramis het hoofd op en herkende zijn vriend. Maar tot groote

verwondering van d’Artagnan scheen zijn tegenwoordigheid op den

jongeling geen grooten indruk te maken, zoozeer was zijn ziel van het

aardsche ontheven.

„Goeden dag, mijn waarde d’Artagnan!” zeide Aramis, „het is mij

aangenaam u te zien.”--„Mij ook,” zeide d’Artagnan, „ofschoon ik nog

niet zeker ben, dat het Aramis is, tot wien ik spreek.”--„Tot hem

zelven, mijn vriend! tot hem zelven; maar wat heeft u kunnen doen

twijfelen?”--„Ik vreesde mij in de kamer bedrogen te hebben en meende

aanvankelijk in die van een of ander geestelijke binnen te gaan;

vervolgens overviel mij een andere schrik, door u in het gezelschap dier

heeren te zien, namelijk dat gij ernstig ziek waart.”

De twee zwarte mannen wierpen op d’Artagnan, wiens bedoeling zij

begrepen, een eenigszins dreigenden blik, maar deze stoorde er zich niet

aan.--„Ik hinder u misschien, waarde Aramis,” ging d’Artagnan voort,

„want naar hetgeen ik zie, moet ik gelooven, dat gij dien heeren uw

biecht zegt.”--Aramis bloosde bijna onmerkbaar.--„Mij hinderen! wel

neen, in het geheel niet, waarde vriend! dat zweer ik u, en ten bewijze

van hetgeen ik u zeg, veroorloof mij vooreerst mij te verblijden u

gezond en ongedeerd terug te zien.”

„Ha! hij komt nader,” dacht d’Artagnan, „dat is gelukkig.”

„Want mijnheer, die mijn vriend is, is aan een groot gevaar ontkomen,”

ging Aramis voort met zalving, d’Artagnan aan beide geestelijken

voorstellende.--„Dank God, mijnheer,” antwoordden deze, zich

gelijktijdig buigende.--„Ik heb het niet verzuimd, eerwaarden!” hernam

de jongeling, hun groet beantwoordende.--„Gij komt juist te stade,

waarde d’Artagnan!” zeide Aramis, „om aan de woordenwisseling deel te

nemen en die met uw oordeel bij te lichten. Mijnheer de overste van

_Amiëns_, mijnheer de pastoor van _Montdidier_ en ik redetwisten over

eenige godgeleerde vraagpunten, wier belangrijkheid ons sedert een

geruime poos bezig houdt; ik zou ook gaarne uw oordeel er over

hooren.”--„Het oordeel van een krijgsman is van zeer weinig gewicht,”

antwoordde d’Artagnan, die ongerust begon te worden over de wending van

het gesprek, „en gij kunt u, geloof mij, aan de kundigheden dier heeren

volkomen onderwerpen.”--Beide zwarte mannen bogen zich.--„Integendeel,”

hernam Aramis, „uw oordeel zal zeer nuttig zijn. Ziehier wat het

betreft: mijnheer de overste meent, dat mijn thesis vooral leerstellig

en onderwijzend moet zijn.”--„Uw thesis! maakt gij dan een

thesis?”--„Zeker,” antwoordde de jezuïet; „voor het examen, dat de

wijding voorafgaat, wordt een thesis volstrekt vereischt.”--„De

wijding!” riep d’Artagnan, die nog niet kon gelooven, wat

achtereenvolgens de meesteres der herberg en Bazijn hem gezegd hadden;

„de wijding!” en hij liet zijn verbaasden blik over de drie personen

weiden, die hij voor zich zag.--„Derhalve,” vervolgde Aramis, op zijn

leuningstoel een bevallige houding aannemende, alsof hij in een _stalle_

had gezeten, en met welgevallen zijn witte en als die eener vrouw zoo

vleezige hand beschouwende, die hij in de hoogte hield om het bloed er

uit te doen zakken; „derhalve, zooals gij hebt gehoord, d’Artagnan!

mijnheer de principaal zou willen, dat mijn thesis leerstellig ware,

terwijl ik tot het denkbeeldige van het onderwerp overhel: het is dan

uit dien hoofde dat mijnheer de overste mij dit onderwerp voorstelde,

hetwelk nog niet is behandeld geworden, en waarin ik genoegzame stof

zie, om het heerlijk te ontwikkelen: _Utramque manem in benedicendo

clericis inferioribus necessariam esse_.”

D’Artagnan, wiens geleerdheid wij kennen, gaf evenmin eenig teeken deze

aanhaling te verstaan, als toen de heer de Tréville er hem eene deed bij

het zien van den ring, welken hij meende, dat d’Artagnan van Buckingham

had ontvangen.--„Hetgeen wil zeggen,” hernam Aramis, om het hem

gemakkelijk te maken, „beide handen zijn onontbeerlijk aan den priester

van minderen rang, wanneer hij den zegen geeft.”--„Een heerlijk

onderwerp!” riep de jezuïet.--„Fraai en leerrijk,” herhaalde de pastoor,

die, bijna even goed het latijn verstaande als d’Artagnan, aandachtig

naar den jezuïet luisterde, om met dezen gelijk te blijven en dan zijn

woorden als een echo herhaalde.--Wat d’Artagnan betreft, deze bleef

geheel koel bij de geestdrift der beide zwarte mannen.--„Ja,

voortreffelijk, _prorsus admirabile_!” vervolgde Aramis, „maar het

vereischt een grondige studie der kerkvaders en der H. Schrift. Ik heb

dan ook, met alle nederigheid, aan die geleerde heeren geestelijken

verklaard, dat de nachtwachten en de dienst des konings mij de studie

een weinig hadden doen verzuimen. Het zou derhalve voor mij

gemakkelijker zijn een onderwerp mijner eigen keuze te bewerken:

_facilius natans_, dat, ten aanzien der moeilijke godgeleerde

vraagpunten, zou wezen hetgeen de zedekunde, ten aanzien van de

bovennatuurkunde, in de wijsbegeerte is.”

D’Artagnan verveelde zich doodelijk; de pastoor ook.

„Zie eens wat _exordium_!” riep de jezuïet.--„_Exordium_!” herhaalde de

pastoor, om ook iets te zeggen.--„_Quem ad modum inter coelorum

immensitatem._”--Aramis wierp een schuinschen blik op d’Artagnan en hij

zag, dat zijn vriend geeuwde als om zijn kaakbeenderen te

ontwrichten.--„Laat ons Fransch spreken, eerwaarde vader!” zeide hij tot

den jezuïet, „de heer d’Artagnan zal des te meer van onze woorden vrucht

hebben.”--„Ja, ik ben vermoeid van de reis,” zeide d’Artagnan, „en al

dat latijn ontgaat mij.”

„Vooreerst,” zeide de jezuïet met zekere teleurstelling, terwijl de

vergenoegde pastoor oogen vol dankbaarheid op d’Artagnan sloeg: „zie het

voordeel, dat er uit deze verklaring te trekken is. Mozes, Gods dienaar,

hij is niets meer als dienaar, verstaat gij? Mozes geeft met de handen

den zegen; hij laat zich beide armen ondersteunen, terwijl de Hebreërs

hun vijanden verslaan; bijgevolg zegent hij met beide handen. Bovendien,

wat zegt het Evangelie? _Imposuite manus_ en niet _manum_, leg de handen

op en niet de hand.”--„Leg de handen op,” herhaalde de pastoor, die

beweging makende.--„Tot den heiligen Petrus integendeel, van wien de

pausen de opvolgers zijn,” ging de jezuïet voort: „_Porrige digitos_,

hef de vingers op; begrijpt gij het nu?”--„Zeker,” antwoordde Aramis met

zekere zelfvoldoening, „maar het is iets zeer scherpzinnigs.”--„De

vingers,” hernam de jezuïet, „de heilige Petrus zegent met de vingers,

de paus geeft dus ook zijn zegen met de vingers. En met hoeveel vingers

geeft hij dien? met drie vingers, één voor den Vader, één voor den Zoon

en één voor den Heiligen Geest.”--Alle aanwezigen kruisten zich;

d’Artagnan meende dit voorbeeld te moeten volgen.--„De paus is de

opvolger van den heiligen Petrus en vertegenwoordigt de drie Goddelijke

machten; de overige _ordines inferiores_[5] der kerkelijke hiërarchie

zegenen door den naam der heilige aartsengelen en engelen. De minste

klerken, zooals onze diakens en kosters, zegenen met den wijwaterskwast,

die een oneindig getal zegenende vingers voorstelt. Ziedaar het

onderwerp vereenvoudigd: _Argumentum omni denudatum ornamento_. Ik zou

hierover twee boekdeelen van de dikte als dit kunnen schrijven,”

eindigde de jezuïet, en in zijn geestverrukking sloeg hij op den H.

Chrysostomus in folio, dat de tafel onder dat gewicht boog.--D’Artagnan

rilde.

[5] De lagere graden.

--„Het is waar,” zeide Aramis, „ik ben overtuigd van de schoonheden

dezer thesis; maar tegelijk moet ik bekennen, dat ze voor mij te zwaar

is. Ik had dezen tekst gekozen: zeg mij eens, waarde d’Artagnan, of hij

niet naar uw zin is? _Non inutile est desiderium in oblatione_, of

liever: Een weinig leedwezen misvoegt niet bij een offerande aan den

Heere.”--„Ho!” riep de jezuïet, „die tekst riekt naar den brandstapel;

een dergelijk voorstel vindt men in den Augustinus van den ketter

Jansenius, wiens boek vroeg of laat door de handen des beuls zal

worden verbrand. Wees op uw hoede, mijn jonge vriend! gij helt

over tot valsche grondstellingen; gij zult verloren gaan, mijn

jonge vriend!”--„Gij zult verloren gaan,” herhaalde de pastoor,

smartelijk het hoofd schuddende.--„Gij raakt die vermaarde

leerstelling aangaande den vrijen wil, die doodelijke klip. Gij geeft

u onbesuisd over aan de overtuigingsmiddelen der Pelasgisten en der

half-Pelasgisten.”--„Volstrekt niet, eerwaarde!” hernam Aramis, min of

meer onthutst door de hagelbui van tegenwerpingen, die op hem

neervielen.--„Hoe zult gij bewijzen,” vervolgde de jezuïet, zonder hem

den tijd te laten één woord te spreken, „dat men de wereld moet

betreuren, wanneer men zich Gode toewijdt. Luister naar deze tweeledige

bewijsrede: God is God en de wereld is de duivel. De wereld betreuren is

den duivel betreuren; ziedaar mijn denkwijze.”--„Dat is ook de mijne,”

zeide de pastoor.--„Maar een oogenblikje,” hernam Aramis.--„_Desideras

diabolum_,[6] rampzalige!” riep de jezuïet.--„Betreurt hij den duivel?

Ach! mijn jonge vriend!” hernam de pastoor zuchtende: „betreur den

duivel niet, ik smeek het u.”

[6] Gij begeert den duivel terug.

D’Artagnan begon half mal te worden; hij meende in een gekkenhuis te

zijn en even gek te worden als degenen, die hij zag. Maar hij was

genoodzaakt te zwijgen, volstrekt de taal niet verstaande, welke in zijn

tegenwoordigheid gesproken werd.

„Maar luister dan toch,” hernam Aramis met een beleefdheid, onder welke

men een weinig ongeduld bemerkte, „ik zeg niet dat ik betreur; neen,

nooit zal ik dat woord uitspreken, dat niet rechtzinnig is.”--De jezuïet

hief de handen ten hemel; de pastoor deed evenzoo.--„Neen, maar ik

beken, dat het niet fraai is, den Heere datgene aan te bieden, waarvan

men volkomen afkeerig is geworden. Heb ik gelijk, d’Artagnan?”--„Ik

geloof het wel, _pardieu_!” riep deze.--De pastoor en de jezuïet deden

een sprong op hun stoelen.--„Ziehier van waar ik uitga; het is een

sluitrede; der wereld ontbreekt het niet aan bekoorlijkheden: ik verlaat

de wereld, derhalve offer ik iets op; en de H. Schrift zegt

uitdrukkelijk: Offert den Heere!”--„Dat is waar,” zeiden de

tegenstrevers.--„En vervolgens,” ging Aramis voort, zijn oor knijpende

om het rood te doen worden, zooals hij zijn handen bewoog om ze wit te

doen blijven; „en vervolgens heb ik een _rondeau_[7] hierop gemaakt, dat

ik verleden jaar aan den heer Voiture heb laten lezen, en waarmee die

groote man mij heeft geluk gewenscht.”--„Een _rondeau_!” zeide de

pastoor werktuigelijk.--„Zeg op, zeg op!” riep d’Artagnan, „dat zal min

of meer het gesprek veranderen.”--„Neen, want het is godsdienstig,”

antwoordde Aramis; „het is berijmde godgeleerdheid.”--„Duivelsch!” liet

d’Artagnan hooren.--„Hier is het,” zeide Aramis, op min of meer

nederigen toon, die echter niet vrij was van huichelarij:

„Gij! die beweent een vreugdevol verleden,

In treurigheid uw dagen thans verslijt;

Van uwe ramp zult gij dra zijn bevrijd,

Indien gij Gode wijdt uw tranen en gebeden.

Gij! die beweent enz.”

[7] Oud soort van vers, waarvan de eerste en de vierde regel

rijmen, zoo ook de tweede en de derde, de vijfde bestaat uit de

eerste helft van den eerste.

D’Artagnan en de pastoor schenen tevreden. De jezuïet bleef in zijn

denkwijze volharden.--„Hoed u voor een ongewijden stijl in godgeleerde

voorstellingen. Wat zegt dan ook de H. Augustinus? _Severus sit

clericorum sermo._”[8]--„Ja, dat het _Sermoen_ duidelijk zij,” zeide de

pastoor.--„Derhalve,” haastte zich de jezuïet hierop in te vallen,

ziende dat zijn helper in de war was; „derhalve zal uw thesis aan

niemand dan aan de dames behagen, zij zal geschat worden als een

pleidooi van meester Patru.”--„Dat geve God!” riep Aramis

verheugd.--„Gij ziet,” riep de jezuïet, „de wereld verheft in u nog

luide haar stem: _Altissima voce_. Gij volgt de wereld, mijn jonge

vriend! en ik vrees, dat de genade niet krachtig genoeg zij.”--„Stel u

gerust, eerwaarde heer! ik stel mij zelven verantwoordelijk.”--„Dat is

wereldsche verwatenheid.”--„Ik ken mij zelven, eerwaarde vader! mijn

besluit is onherroepelijk.”--„Dan wilt gij volstrekt die thesis

uitwerken?”--„Ik voel mij geroepen die te behandelen, en morgen hoop ik,

dat gij zult tevreden zijn over de verbeteringen, die ik er op uw raad

in heb gemaakt.”--„Werk langzaam,” zeide de pastoor; „wij verlaten u in

de heerlijkste gesteldheid.”--„Ja, de grond is reeds genoeg bezaaid,”

zeide de jezuïet, „en wij behoeven niet te vreezen, dat een gedeelte van

het zaad op de rots is gevallen, het andere langs den weg verloren gaat

en dat de vogels des hemels het overige hebben verslonden. _Aves coeli

comoederunt illam._”--„Dat de pest u verstikke met uw latijn,” dacht

d’Artagnan, wiens geduld ten einde raakte.--„Vaarwel, mijn zoon! tot

morgen.”--„Vaarwel, jonge roekelooze!” zeide de jezuïet; „gij belooft

een der lichten van de kerk te worden; de hemel geve, dat dit licht geen

verslindend vuur worde!”--D’Artagnan, die gedurende een uur zijn nagels

van ongeduld had afgeknaagd, was aan het vleesch begonnen.

[8] De priesters moeten een deftige taal voeren.

De beide zwarte mannen stonden op, groetten Aramis en d’Artagnan en

naderden de deur. Bazijn, die er voor was blijven staan en die dezen

godgeleerden twist in vrome verheffing des harten had aangehoord, ijlde

naar hen toe, nam den pastoor het getijdeboek en den jezuïet het misboek

af, waarop hij, eerbiedig vooruit gaande, hun den weg baande. Aramis

vergezelde hen tot beneden aan de trap en keerde toen dadelijk naar

d’Artagnan terug, die nog in zijn overwegingen verzonken was.

Nu alleen zijnde, bewaarden beide vrienden aanvankelijk een onaangename

stilte; echter moest een van beiden die het eerst verbreken, en daar

d’Artagnan scheen besloten te hebben die eer aan zijn vriend te laten,

zeide Aramis:

„Zooals gij ziet, mijn vriend! ik ben weder tot mijn oorspronkelijke

denkbeelden teruggekomen.”--„Ja, de uitwerkende genade heeft u

getroffen, zooals die heer van daareven zeide.”--„Ach! dat voornemen,

mij der wereld ontrukken, heeft reeds sedert lang vastgestaan en gij

hebt er mij reeds van hooren spreken, niet waar mijn vriend?”--„Zonder

twijfel; maar ik beken, ik meende, dat gij schertstet.”--„Met die soort

van zaken? O, d’Artagnan!”--„Wat duivel! men schertst wel met den

dood.”--„En men doet niet wel, d’Artagnan! want de dood is immers de

poort, welke tot de verdoemenis of tot de zaligheid leidt?”--„Dat stem

ik toe; maar, als het u belieft, spreken wij over geen godgeleerdheid,

Aramis! gij moet er voor den geheelen dag van verzadigd zijn; wat mij

betreft, ik heb bijna het weinige latijn vergeten, dat ik trouwens nooit

gekend heb; vervolgens moet ik u bekennen, dat ik sedert heden ochtend

niet gegeten en een duivelschen honger heb.”--„Wij zullen zoo aanstonds

samen het middagmaal nemen, waarde vriend! maar herinner u, dat het

heden vrijdag is; bijgevolg kan ik op zoodanigen dag noch vleesch eten

noch het zien eten. Wilt gij u met mijn maal vergenoegen, dan krijgt gij

_tetragones_ en vruchten.”--„Wat verstaat gij onder _tetragones_?” vroeg

d’Artagnan ongerust.--„Hieronder versta ik spinazie,” hernam Aramis,

„maar ik zal er voor u eieren bij laten voegen, hoewel dit een geweldige

inbreuk op de voorschriften is; want eieren is vleesch, omdat zij het

hoen voortbrengen.”--„Dat maal is niet zeer smakelijk; maar om bij u te

blijven, zal ik mij er aan onderwerpen.”--„Ik ben u voor de opoffering

erkentelijk,” zeide Aramis; „en mocht het u al niet lichamelijk tot nut

zijn, het zal echter, dit verzeker ik u, uw ziel voordeelig zijn.”

„Dus hebt gij waarlijk besloten, Aramis! tot den geestelijken stand over

te gaan? Wat zullen onze vrienden zeggen! wat zal de heer de Tréville

denken! zij zullen u als een deserteur behandelen, dat verzeker ik

u.”--„Ik ga niet tot den geestelijken stand over, ik keer er toe terug.

Het was de kerk, die ik voor de wereld verliet, want gij weet, dat ik

mij geweld heb aangedaan, om mij in het musketiersgewaad te

steken.”--„Ik! ik weet er niets van.”--„Weet gij niet, waarom ik het

seminarie heb verlaten?”--„Volstrekt niet.”--„Nu, luister dan; de H.

Schrift zegt: Belijdt u aan elkander, en ik belijd mij aan u,

d’Artagnan!”--„En ik geef u vooraf de absolutie; gij weet, ik ben een

goede jongen.”--„Spot niet met de heilige zaken, mijn vriend!”--„Nu,

verhaal dan, ik luister.”

„Ik was dan van af mijn negende jaar in het seminarie en een en twintig

jaar oud; nog drie dagen en ik zou tot priester worden gewijd, en alles

ware gedaan geweest. Op zekeren avond, dat ik mij volgens gewoonte naar

een huis begaf, waar ik mij steeds naar genoegen bevond--men is jong,

wat zal ik zeggen, men is zwak--trad een officier, die mij met een

afgunstig oog het leven der Heiligen aan de meesteres des huizes zag

voorlezen, eensklaps en zonder aangediend te zijn binnen. Juist had ik

dien avond de episode van Judith in verzen overgebracht en herhaalde ze

aan de dame, die mij allerhande soort van komplimenten maakte en op mijn

arm geleund ze met mij opnieuw overlas. De houding, die, ik beken het,

wel wat los was, kwetste dien officier; hij zeide niets, maar toen ik

heenging, volgde hij mij en sprak mij aan:

„‚Mijnheer de abt! houdt gij van rottingolie?’--‚Ik kan het u niet

zeggen, mijnheer!’ antwoordde ik, ‚want niemand heeft mij die ooit

durven geven.’--‚Welnu, luister dan, mijnheer de abt, indien gij in het

huis terugkeert, waar ik u heden avond heb ontmoet, dan zal ik het

durven.’

„Ik geloof, dat ik bevreesd werd; ik werd zeer bleek, ik voelde mijn

knieën knikken; ik trachtte een antwoord te geven, dat ik niet vond en

zweeg. De officier wachtte een antwoord, maar ziende dat het weg bleef,

lachte hij mij uit, keerde mij den rug toe en trad het huis weder

binnen. Ik keerde naar het seminarie terug.

„Ik ben een echt edelman, zooals gij hebt kunnen bemerken en heb

tamelijk driftig bloed, mijn waarde d’Artagnan. De beleediging was

vreeselijk, en hoewel ze volstrekt der wereld onbekend was gebleven,

voelde ik ze als leven en diep in mijn hart zich bewegen. Ik verklaarde

aan mijn oversten, dat ik mij niet genoegzaam voorbereid vond om de

wijding te ontvangen, en op mijn verzoek stelde men de plechtigheid een

jaar uit. Ik ging den behendigsten schermmeester van _Parijs_ bezoeken

en trof met hem een overeenkomst, dat hij mij dagelijks een les zoude

geven, en alle dagen, gedurende een jaar, nam ik die. Vervolgens hing

ik, juist op den verjaardag dat ik beleedigd was geworden, mijn

geestelijk gewaad aan een spijker, kleedde mij volkomen in een edelmans

kleeding en begaf mij naar een bal, dat een dame mijner kennis gaf, waar

ik wist, dat mijn man zich zou bevinden. Het was in de straat der Trouwe

Burgers, dicht bij het slot _la Force_. Mijn officier was er werkelijk;

ik naderde hem op het oogenblik dat hij een minnelied zong, terwijl hij

teederlijk een vrouw toelonkte; ik sprak hem aan te midden van het

tweede couplet.

„‚Mijnheer!’ zeide ik hem, ‚mishaagt het u steeds, dat ik in zeker huis

in de straat Payenne ga en wilt gij mij nog rottingolie geven, indien ik

er toe overga u ongehoorzaam te zijn?’--De officier beschouwde mij met

verwondering en zeide: ‚Wat wilt gij, mijnheer? ik ken u niet!’--‚Ik

ben,’ antwoordde ik, ‚de jonge geestelijke, die het leven der heiligen

voorleest en Judith in verzen overbrengt.’--‚Ha! nu herinner ik mij,’

zeide de officier op spottenden toon, ‚wat wilt gij?’--‚Ik wenschte, dat

gij zoo vriendelijk wildet wezen een kleine wandeling met mij te

doen.’--‚Morgen ochtend, als het u belieft en dan met het grootste

vermaak.’--‚Neen, neen, niet morgen ochtend, oogenblikkelijk.’--‚Als gij

het volstrekt begeert?’--‚Wel ja, ik begeer het.’--‚Welaan dan, dames!’

zeide de officier, ‚een oogenblikje; alleen den tijd om mijnheer naar de

andere wereld te zenden; en ik kom het tweede couplet eindigen.’

„Wij vertrokken. Ik bracht hem in de straat Payenne, juist op de plek,

waar hij, een jaar te voren, op hetzelfde uur, mij het kompliment had

gemaakt, dat ik u heb medegedeeld.... Het was een heerlijke maneschijn.

Wij stonden met den degen tegenover elkander, en bij den eersten uitval

stak ik hem dood.”

„Duivelsch!” zeide d’Artagnan.

„En,” ging Aramis voort, „daar de dames hun zanger niet zagen

terugkeeren, en men hem in de straat Payenne vond, met een degensteek in

het lijf, geloofde men, dat ik het was, die hem dus had toegetakeld, en

de zaak werd ruchtbaar. Ik was dus genoodzaakt voor zekeren tijd den

geestelijken stand vaarwel te zeggen.... Athos, met wien ik omstreeks

dien tijd in kennis kwam, en Porthos, die mij buiten mijn schermlessen

met eenige aardige stooten had bekend gemaakt, haalden mij over een

plaats bij de musketiers te verzoeken. De koning was mijn vader, die

gedurende het beleg van _Arras_ sneuvelde, zeer genegen geweest, en men

stond mij mijn verzoek toe.... Gij begrijpt dus wel, dat het oogenblik

voor mij nu is gekomen, om in den schoot der kerk terug te keeren?”

„En waarom liever nu dan gisteren of morgen? Wat is u dan toch gebeurd,

om zulke akelige denkbeelden te koesteren?”

„Die verwonding, mijn waarde d’Artagnan! is voor mij een waarschuwing

des hemels geweest.”--„Die verwonding, och! ze is bijna genezen, en ik

ben zeker, dat het deze niet is, die u thans het meest doet

lijden.”--„En welke dan?” vroeg Aramis blozende.--„Gij lijdt aan een

hartwonde, die pijnlijker, bloediger is, en u door een vrouw is

toegebracht.”--Het oog van Aramis schitterde ondanks hem zelven.--„Och,”

zeide hij, zijn ontroering onder een schijnbare onverschilligheid

verbergende, „spreek mij van die zaken niet; zou ik hierover denken! zou

ik liefdesmart gevoelen, _vanitas vanitatum_, zou ik, volgens uw

gevoelen, mij het hoofd hebben op hol gemaakt, en voor wie? voor een of

ander naaistertje, voor de kamenier van dezen of genen kanunnik, aan

welke ik in een of ander garnizoen het hof zou hebben gemaakt?

foei!”--„Vergeef mij, mijn waarde Aramis! maar ik dacht, dat gij uw oog

op iets hoogers had gevestigd?”--„Op iets hoogers? En wat ben ik, om

zooveel eerzucht te koesteren?.... Een arme musketier, van duistere,

onbeduidende afkomst, die voor dienstbaarheid een afschuw heeft en in de

groote wereld volstrekt niet op zijn plaats is.”--„Aramis! Aramis!” riep

d’Artagnan, zijn vriend twijfelachtig aanziende.

„Als stof,” ging Aramis voort, „keer ik tot stof terug.... Het leven is

vol vernedering en smarten,” vervolgde hij, al meer en meer somber

wordende; „al de draden, die het aan het geluk hechten, verbreken alras

in de hand des menschen, vooral de gouden draden.... Ach, mijn waarde

d’Artagnan!” hernam Aramis met een zweem van smart, „geloof mij,

verberg wel uw wonden, wanneer gij gekwetst mocht zijn. De stilte is

de laatste vreugd der ongelukkigen; wacht u iemand, wie het ook zij,

op het spoor uwer smarten te brengen: de nieuwsgierigen zuigen onze

tranen op, als de vliegen het bloed van een gewonde hinde.”--„Welaan,

mijn waarde Aramis!” zeide d’Artagnan, op zijn beurt een diepen

zucht slakende, „dat is mijn eigen geschiedenis, die gij daar

verhaalt.”--„Hoezoo?”--„Ja, een vrouw, die ik beminde, die ik aanbad,

is mij gewelddadig ontrukt geworden. Ik weet niet waar zij is, en

werwaarts men haar heeft gevoerd; misschien is zij in de gevangenis,

misschien is zij dood.”--„Maar gij hebt ten minste den troost te kunnen

zeggen, dat zij u niet vrijwillig heeft verlaten; dat, indien gij geen

tijding van haar ontvangt, zulks ontstaat, doordien elke gemeenschap

met u voor haar is afgebroken, terwijl....”--„Terwijl?”--„Niets, niets,”

antwoordde Aramis.--„Dus gij hebt besloten volkomen afstand van de

wereld te doen, dat besluit is onherroepelijk vastgesteld?”--„Voor

altijd. Heden zijt gij nog mijn vriend, morgen zult gij voor mij niets

meer zijn dan een schaduw, of liever, gij zult voor mij niet meer

bestaan.... Wat de wereld betreft, deze is een graf, anders

niets.”--„Duivelsch! hetgeen gij mij zegt, is zeer treurig.”--„Wat zal

ik u zeggen, mijn roeping drijft mij.”

D’Artagnan glimlachte en antwoordde niet.--Aramis vervolgde: „En echter,

zoolang ik nog tot de wereld behoor, wil ik u over u, over onze vrienden

spreken.”--„En ik,” zeide d’Artagnan, „ik wilde over u zelven spreken;

maar ik zie u van alles vervreemd: de liefde verfoeit gij, uw vrienden

zijn schimmen, de wereld is een graf.”--„Helaas!” zeide Aramis met een

zucht, „gij zult het bij u zelven ondervinden.”--„Spreken wij er dan

niet meer van,” hernam d’Artagnan, „laten wij dien brief verbranden, die

u zeker de een of andere getrouwheid van uw naaistertje of uw kamenier

bericht.”--„Welken brief?” vroeg Aramis haastig.--„Een brief, die in uw

afwezigheid is bezorgd geworden en dien men aan mij heeft ter hand

gesteld.”--„Maar van wien is die brief?”--„Och! van de een of andere

beproefde gezelschapsjuffer, van een wanhopende naaister, misschien wel

van de kamenier van mevrouw de Chevreuse, die genoodzaakt zal zijn

geweest met haar meesteres naar _Tours_ terug te keeren en die, om eens

fraai voor den dag te komen, welriekend papier genomen en haar brief met

een hertogelijke kroon zal hebben verzegeld.”--„Wat zegt gij daar?”

„Zie, ik geloof hem verloren te hebben,” zeide d’Artagnan, zich houdende

alsof hij dien zocht. „Gelukkig, dat de wereld een graf, dat de menschen

en bijgevolg ook de vrouwen schimmen zijn en de liefde een gevoel is,

dat gij verafschuwt.”--„O, d’Artagnan! d’Artagnan! gij doet mij

sterven.”--„Eindelijk heb ik hem,” zeide d’Artagnan en haalde den brief

uit zijn zak.

Aramis sprong toe, greep den brief, las of liever verslond dien, terwijl

een glans op zijn gelaat verscheen.

„Het schijnt, dat de kamenier een fraaien stijl heeft,” zeide de

boodschapper onverschillig.--„Ik dank u, d’Artagnan!” riep Aramis in

vervoering. „Zij is genoodzaakt geworden naar _Tours_ terug te keeren;

zij is mij niet ontrouw en bemint mij steeds. Kom, mijn vriend, kom,

laat ik u omhelzen. Het geluk benauwt mij.”--En beide vrienden begonnen

rondom den foliant van den H. Chrysostomus te dansen, terwijl zij aardig

de bladen der thesis vertrapten, die op den grond gevallen waren.

Op dat oogenblik trad Bazijn met de spinazie en de eierstruif

binnen.--„Verwijder u, ongelukkige!” riep Aramis, hem zijn priesterkapje

in het gezicht werpende, „keer terug vanwaar gij komt; neem die

afschuwelijke groente en dien ellendigen koek mede. Vraag een

gelardeerden haas, een vetten kapoen, een schapenbout en vier flesschen

oude Bourgonje.”

Bazijn, die zijn meester aanzag en niets van die verandering begreep,

liet treurig de eierstruif en de spinazie op den grond vallen.

„Ziedaar nu het oogenblik, om uw leven aan den Koning der Koningen te

wijden,” zeide d’Artagnan, „indien gij er op gesteld zijt, Hem een

beleefdheid te doen, _non inutile desiderium in oblatione_.”--„Ga naar

den duivel met uw latijn, mijn waarde d’Artagnan! laat ons drinken,

_morbleu_! laat ons drinken; en vertel mij eens, wat er ginds zoo al is

voorgevallen.”

De Drie Musketiers dl. I en II · 第 35 / 93 题