De vrouw van Athos.
„Thans blijft ons nog over, eenig nieuws van Athos te vernemen,” zeide
d’Artagnan tot den lustigen Aramis, na hem te hebben verhaald, wat er in
de hoofdstad was voorgevallen sedert hun vertrek, en een voortreffelijk
maal den eenen zijn thesis, den anderen zijn vermoeidheid had doen
vergeten.--„Gelooft gij dan, dat hem een ongeluk is overkomen?” vroeg
Aramis; „Athos is zoo koelbloedig, zoo dapper, gaat zoo behendig met den
degen om.”--„O ja! zonder twijfel, en niemand erkent meer den moed en de
behendigheid van Athos dan ik; maar ik voel liever op mijn degen den
stoot eener lans dan dien van stokken: ik vrees, dat Athos door de
knechts is afgerost geworden; knechts zijn lieden, die er hard op slaan
en niet gauw uitscheiden. Ziedaar, waarom ik, om het u te zeggen, zoo
spoedig mogelijk wilde vertrekken.”--„Ik zal trachten u te vergezellen,”
zeide Aramis, „hoewel ik mij nog niet sterk genoeg gevoel te paard te
rijden. Gisteren beproefde ik de roede, die gij daar ziet hangen, maar
de smart dwong mij, die vrome oefening af te breken.”--„Stil, mijn
vriend! men heeft immers nooit gehoord, dat men geweerschoten met
roedeslagen geneest; maar gij waart ziek en de ziekte verzwakt, zoodat
ik u verontschuldig.”--„En wanneer vertrekt gij?”--„Morgen, zoodra de
dag aan den hemel is; rust van nacht goed uit, en morgen, indien gij
kunt, zullen wij samen vertrekken.”--„Tot morgen,” zeide Aramis, „want
hoe ijzersterk gij ook moogt zijn, moet gij rust hebben.”
Den volgenden dag, toen d’Artagnan de kamer van Aramis binnentrad, vond
hij dezen voor het venster.--„Wat beschouwt gij toch?” vroeg
d’Artagnan.--„Wel, ik bewonder die drie kostelijke paarden, welke de
staljongen bij den toom houdt: dat is een vorstelijk vermaak, op
dergelijke paarden te reizen.”--„Welnu, mijn waarde Aramis! gij kunt u
dat vermaak verschaffen, want een dier paarden behoort u.”--„Och kom! En
welk?”--„Dat van de drie wat gij verkiest, ik heb geen verkiezing.”--„En
behoort dat rijke dekkleed mij ook?”--„Wel zeker.”--„Gij schertst,
d’Artagnan!”--„Ik scherts niet meer, sedert gij Fransch spreekt.”--„En
die vergulde pistoolholsters, dat fluweelen schabrak en dat met zilveren
spijkers beslagen zadel behooren mij?”--„Aan u, zoowel als dat
brieschende paard aan mij, en dat steigerende paard aan
Athos.”--„Duivelsch! dat zijn schoone, drie schoone paarden.”--„Het is
mij aangenaam, dat zij naar uw zin zijn.”--„Heeft de koning ze u ten
geschenke gegeven?”--„De kardinaal althans niet; maar bekommer er u niet
over van wien zij afkomstig zijn, en wees slechts indachtig, dat een der
drie u behoort.”--„Ik houd dat, hetwelk door dien rossen staljongen
wordt vastgehouden.”--„Best!”
„Lieve God,” riep Aramis, „dat verdrijft het overblijfsel van al mijn
pijn; ik zou dat paard berijden met dertig kogels in het lijf. O, bij
mijn ziel! wat heerlijke stijgbeugels! Hier, Bazijn! rep u, kom
oogenblikkelijk!”--Bazijn verscheen zwijgend en stil op den drempel der
deur.--„Scherp mijn degen, maak mijn hoed in orde, klop mijn mantel uit
en laad mijn pistolen!” beval Aramis.--„Die laatste aanbeveling is
overbodig,” viel d’Artagnan hem hierop in de rede, „er zijn geladen
pistolen in de holsters.”--Bazijn zuchtte.--„Welaan, meester Bazijn!
stel u gerust,” zeide d’Artagnan, „men verdient het koninkrijk des
Hemels in alle betrekkingen.”--„Mijnheer was reeds een zoo goed
theologant,” zeide Bazijn, bijna huilende, „hij zou bisschop, misschien
kardinaal zijn geworden.”--„Maar, mijn arme Bazijn! komaan, overweeg
eens: waartoe dient het een geestelijke te zijn, bid ik u; men vermijdt
hierdoor toch niet ten oorlog te gaan; gij ziet wel, dat de kardinaal
den eersten veldtocht mede zal maken, met den helm op het hoofd en den
degen in de vuist; en wat zegt gij van den heer Nogaret de la Valette?
Ook deze is kardinaal, maar vraag eens aan zijn lakei, hoe dikwijls hij
pluksel voor hem heeft gereed gemaakt.”--„Helaas!” zuchtte Bazijn, „ik
weet het, mijnheer! alles is tegenwoordig in de wereld omgekeerd.”
Onderwijl waren beide jongelieden en de lakei naar beneden
gegaan.--„Houd mij den stijgbeugel, Bazijn!” zeide Aramis en sprong in
den zadel met zijn gewone vlugheid en bevalligheid; maar na eenige
wendingen en steigeringen van het edele dier gevoelde zijn berijder
zulke hevige smarten, dat hij verbleekte en wankelde. D’Artagnan, die,
zulks voorziende, hem niet uit het oog had verloren, ijlde naar hem toe,
ondersteunde hem in zijn armen en geleidde hem naar zijn kamer.
„Het is wèl, mijn waarde Aramis! verzorg u nog eenigen tijd, ik zal
Athos alleen zoeken.”--„Gij zijt een stalen mensch!” zeide
Aramis.--„Neen, ik ben gelukkig, dat is al; maar op wat wijze zult gij,
mij wachtende, den tijd verdrijven? daar gij nu geen thesis, geen
uitleggingen der vingers en zegeningen te maken hebt, wel!”--Aramis
glimlachte.--„Ik zal verzen maken,” zeide hij.--„Ja, welriekende verzen,
van denzelfden geur als het briefje der kamenier van mevrouw de
Chevreuse. Leer Bazijn ook rijmen, dat zal hem volmaken; en berijd alle
dagen eenige oogenblikken het paard, dat zal u weder aan het rijden
gewennen.”--„O! wees gerust,” zeide Aramis, „gij zult mij bereid vinden
u te volgen.”
Zij namen van elkander afscheid, en tien minuten later draafde
d’Artagnan, na zijn vriend aan Bazijn en aan de herbergierster te hebben
aanbevolen, den weg naar _Amiëns_ op.
Op wat wijze wilde hij Athos wedervinden, en zou hij hem wel vinden?--De
toestand, waarin d’Artagnan Athos had gelaten, was slecht, en deze
laatste kon wel bezweken zijn. Die gedachte verduisterde het voorhoofd
van d’Artagnan en deed hem bij zich zelven eenige wraakgeloften
prevelen. Van al zijn vrienden was Athos de oudste, en ook
oogenschijnlijk het minst met zijn smaak en neigingen in
overeenstemming. Echter schonk hij dien edelman boven allen de voorkeur.
Het edel en voornaam voorkomen van Athos, de weerlichten van grootheid,
die bijwijlen de duisternis doorkliefden, waarmede hij zich vrijwillig
omringde, die onafgebroken gelijkheid van karakter, die zijn omgang tot
den gemakkelijksten van de wereld maakte, die gedwongen, bijtende
scherts, die moed, welken men blind zou hebben genoemd, indien hij niet
het gevolg van de zeldzaamste koelbloedigheid ware geweest; al die
hoedanigheden wekten bij d’Artagnan meer achting, meer dan vriendschap
op, zij wekten zijn bewondering.
En waarlijk, zelfs bij den heer de Tréville vergeleken, stak de edele en
smaakvolle hoveling, Athos, in zijn oogenblikken van goede luim,
voordeelig uit; hij was van middelmatige grootte, maar die gestalte was
zoo verwonderlijk fier, zoo wel geëvenredigd, dat hij meer dan eens, in
zijn worstelingen met Porthos, den reus had doen bukken, wiens kracht
tot een spreekwoord onder de musketiers was geworden; zijn hoofd, met
zijn doordringende oogen, zijn gebogen neus, en de kin als die van
Brutus gesneden, hadden een onbeschrijfelijke uitdrukking van grootheid
en bevalligheid; zijn handen, voor welke hij niet de minste zorg droeg,
maakten Aramis wanhopig, die de zijne met amandelzalf en welriekende
oliën fraai hield; de klank zijner stem was krachtig en tevens
welluidend; en verder, wat in Athos het onbegrijpelijkste was, was die
fijne kennis van de wereld en der gewoonten van de hoogste rangen, die
welopgevoedheid, die als buiten zijn weten in zijn minste handelingen
doorstraalde.
Betrof het een gastmaal, dan wist Athos het beter dan iemand te regelen,
elken genoodigde de plaats en den rang gevende, welke hem zijn
voorouders nagelaten of hij zich zelven bezorgd had. Betrof het de
geslacht-wapenkunde, dan was het wederom Athos, die al de adellijke
familiën des koninkrijks kende, zoowel als hun oorsprong, hun
verbintenissen, hun wapenschilden en den oorsprong er van. Er was niets,
wat de welgemanierdheid betrof, of hij kende het in de minste
bijzonderheden, hij kende de rechten der groote grondeigenaars en was
doorkneed in de wild- en valkenjacht; zelfs op zekeren dag, dat hij over
die groote kunst sprak, verbaasde hij koning Lodewijk XIII, die er toch
een meester in was.
Zooals al de voorname lieden van dien tijd, verstond hij de rij- en de
schermkunst in de volmaaktheid. Wat meer is, zijn opvoeding was zoo
weinig veronachtzaamd, zelfs ten aanzien der schoolstudiën, welke zoo
zelden bij de edellieden van dien tijd beoefend werden, dat hij
glimlachte bij de brokken latijn van Aramis, welke Porthos den schijn
aannam te begrijpen; twee of drie malen zelfs was het hem, tot groote
verwondering zijner vrienden, gebeurd, Aramis terecht te helpen, wanneer
deze aan een werkwoord een verkeerden tijd en aan een naamwoord een
verkeerden naamval gaf; daarenboven was zijn eer onkreukbaar, en dit in
een eeuw, waarin de krijgsman zoo gereedelijk zijn geloof en zijn
geweten verzaakte, de minnaars met de strenge kieschheid onzer dagen en
de armen met het zevende gebod spotten. Athos was dus een buitengewoon
mensch.
En nochtans zag men die uitstekende natuur, dat zoo welgevormd schepsel,
die zoo reine ziel van lieverlede tot het stoffelijke leven overhellen,
zooals de grijsaard naar de zoowel lichamelijke als zedelijke
verstomping. Athos, in zijn oogenblikken van afzondering, en die
oogenblikken waren veelvuldig, was als uitgedoofd in hetgeen zijn glans
daarstelde, en zijn schitterende hoedanigheden verdwenen als in een
diepen nacht. Athos, die meer dan mensch scheen, half-God, was in die
oogenblikken nauwelijks mensch. Zijn hoofd hing hem op de borst, zijn
oog was dof, zijn spraak zwaar en moeilijk. Athos hield dan, gedurende
een uur achter elkander, zijn oog hetzij op zijn flesch en zijn glas
gevestigd, hetzij op Grimaud, die gewoon op zijn wenken te gehoorzamen,
in den starren blik zijns meester tot zelfs de minste begeerte las, die
hij oogenblikkelijk vervulde. Waren de vier vrienden in die oogenblikken
vereenigd, dan was een enkel, met geweldige moeite uitgebracht woord het
eenige deel, dat Athos in het gesprek nam. Maar daarentegen dronk Athos
alleen meer dan vier, zonder dat men zulks aan hem kon bespeuren, dan
alleen door een meerder fronsen der wenkbrauwen en een diepere
droefgeestigheid.
D’Artagnan, wiens doordringenden en onderzoekenden aard wij kennen, had,
welk belang hij er ook in stelde om zijn nieuwsgierigheid te dien
aanzien te voldoen, tot hiertoe de oorzaak dier wezenloosheid niet
kunnen ontdekken. Nooit ontving Athos brieven, nooit deed Athos iets,
dat niet al zijn vrienden wisten. Men kon niet zeggen, dat het de wijn
was, welke hem die droefgeestigheid veroorzaakte; want, integendeel, hij
dronk slechts, om ze te bestrijden, maar dit middel deed hem nog
somberder worden. Men kon die verregaande zwartgalligheid ook aan het
spel niet wijten; want Porthos, integendeel, vergezelde met gezang of
gevloek al de wisselingen der fortuin, terwijl Athos even onverschillig
bleef, of hij won of verloor.... Men had hem eens op zekeren avond in
een gezelschap van musketiers drie duizend pistolen zien winnen,
verliezen, vervolgens zijn paard verliezen, zijn wapens, zelfs den met
goud geborduurden galabandelier; dit alles wederom herwinnen en
daarenboven nog honderd louis d’or, zonder dat zijn fraaie, zwarte
wenkbrauwen een lijn hooger of lager zich vertrokken, zonder dat zijn
handen haar parelachtigen weerschijn hadden verloren, zonder dat zijn
gesprekken, die dien avond zeer aangenaam waren, opgehouden hadden kalm
en vroolijk te zijn. Het was ook niet, zooals bij onze naburen de
Engelschen, de invloed van de weersgesteldheid, die hem somber stemde,
want zijn droefgeestigheid was gewoonlijk grooter in het schoonste
jaargetijde: Juni en Juli waren voor Athos verschrikkelijke maanden.
Voor het tegenwoordige was hij niet verdrietig, hij haalde de schouders
op, wanneer men hem over de toekomst sprak; zijn geheim was in het
verledene, zooals men het bedenkelijk aan d’Artagnan had te kennen
gegeven. Dat geheimzinnige waas, dat over geheel zijn wezen lag
verspreid, maakte den man nog belangrijker, wiens oogen noch mond, zelfs
in de verregaandste dronkenschap, iets hadden laten ontglippen, hoe
behendig de vragen ook waren geweest, die men tot hem richtte.
„Ach!” dacht d’Artagnan, „de arme Athos is misschien dood en door mijn
schuld gestorven; want ik was het, die hem in de zaak heb betrokken, van
welke hij de oorzaak niet kende, van welke hij de gevolgen niet zal
kennen en welke hem geen het minste voordeel kon opleveren.”--„Zonder
daarbij te rekenen,” antwoordde Planchet, „dat wij hem waarschijnlijk
het leven zijn verschuldigd. Herinnert gij u nog, hoe hij ons toeriep:
‚Voort, d’Artagnan, ik ben gevangen.’--En na zijn twee pistolen te
hebben gelost, wat vreeselijk geweld hij met zijn degen maakte! Men zou
gemeend hebben, dat er twintig mannen, of liever twintig razende duivels
aan den gang waren.”--Daar deze woorden de vurigheid van d’Artagnan nog
meer aanprikkelden, spoorde hij zijn paard aan, dat, niet noodig
hebbende te worden aangespoord, zijn ruiter in galop meevoerde.
Tegen elf uur bespeurde men _Amiëns_; te half twaalf was men voor de
deur der vervloekte herberg. D’Artagnan had dikwijls bij zich zelven
overlegd, op welke wijze hij op den verraderlijken waard een dier goede
wraaknemingen zou nemen, welke reeds bij voorbaat troosten. Hij trad dan
de herberg binnen, met den vilten hoed op de oogen gedrukt, de
linkerhand op de greep van zijn degen latende rusten, en zijn karwats in
zijn rechterhand zweepende.
„Herkent gij mij?” vroeg hij den herbergier, die naderde om hem te
groeten.--„Ik heb niet de eer, Excellentie!” antwoordde deze, nog
verblind door de schitterende vertooning, die d’Artagnan maakte.--„Ha!
gij kent mij niet?”--„Neen, edele heer!”--„Nu, dan zullen twee woorden
mij u wel doen herinneren. Wat hebt gij met den edelman uitgevoerd, dien
gij de stoutheid hadt, ongeveer veertien dagen geleden, als een valschen
munter te behandelen?”--De herbergier verbleekte, want d’Artagnan had
een dreigende houding aangenomen en Planchet volgde het voorbeeld zijns
meesters.--„Ach, edele heer! spreek er mij niet van!” riep de herbergier
op een huilenden toon, „ach, edele heer! hoe zwaar heb ik dien misslag
geboet. Ach, ongelukkige die ik ben!”--„Ik vraag u, wat er van dien
edelman is geworden?”--„Gelieve mij aan te hooren, edele heer! en wees
barmhartig. In Godsnaam, ga zitten.”--D’Artagnan, stom van woede en
ongerustheid, zette zich dreigend als een rechter. Planchet leunde
trotsch tegen den rug van d’Artagnan’s stoel.
„Ziehier hoe het zich heeft toegedragen, edele heer!” hernam de
herbergier bevende, „want nu herken ik u, gij waart het, die u
verwijderde, toen ik met den edelman, van wien gij spreekt, dien
rampzaligen twist had.”--„Ja, dat ben ik, gij hebt dus geen genade te
wachten, indien gij niet volkomen de waarheid zegt.”--„Gelieve mij aan
te hooren en gij zult alles weten.”--„Ik luister.”
„Ik was door de overheid verwittigd, dat een befaamde valsche munter,
in gezelschap van eenige zijner makkers, in mijn herberg zou
aankomen, allen vermomd in het gewaad der gardes, of in dat der
musketiers. Uw paarden, uw lakeien, uw gelaat, edele heer! was mij
aangeduid.”--„Vervolgens, vervolgens?” zeide d’Artagnan, die dadelijk
begreep, vanwaar het zoo nauwkeurig opgegeven signalement kwam.--„Ik nam
derhalve, volgens de bevelen der overheid, die mij een versterking van
zes mannen zond, de noodige maatregelen, ten einde mij van de personen
der gewaande valsche munters meester te maken.”--„Al weer!” riep
d’Artagnan, wien dat woord van valsche munters vreeselijk het oor
kittelde.--„Vergeef mij, mijnheer! zoo ik dat woord uitspreek; maar
hierin bestaat juist mijn verontschuldiging. Voor de overheid was ik
bevreesd, en gij weet, dat een herbergier haar moet ontzien.”--„Maar nog
eens, waar is die edelman? wat is er van hem geworden? Is hij dood? Is
hij levend?”--„Geduld, mijnheer! wij zijn er.”
„Er gebeurde dan wat gij weet, en hetgeen uw overhaast vertrek,” voegde
de herbergier er bij met een geslepenheid, die d’Artagnan niet ontging,
„scheen te wettigen. Die edelman, uw vriend, verdedigde zich wanhopend.
Zijn knecht, die door een onvoorzien toeval twist met de als staljongens
verkleede gerechtslieden gezocht had....”--„O, ellendeling!” riep
d’Artagnan, „gij waart het allen eens, en ik weet niet wat mij
weerhoudt, dat ik u niet allen vermorzel!”--„Helaas! neen, edele heer!
wij waren het allen niet eens, en gij zult het hooren. Mijnheer uw
vriend! (vergeef mij, dat ik hem niet bij zijn edelen naam noem, dien
hij zeker bezit, maar wij kennen hem niet), mijnheer uw vriend, na met
twee pistoolschoten twee mannen buiten gevecht te hebben gesteld, week
achteruit, terwijl hij zich met zijn degen verdedigde, met welken hij
nog een mijner mannen kwetste, en met het plat er van mij buiten kennis
deed neertuimelen.”--„Maar, beul! zult gij eindigen,” riep d’Artagnan,
„Athos! hoe is het met Athos afgeloopen?”--„Terwijl hij dan achteruit
deinsde, zooals ik aan Uwe Excellentie heb gezegd, ontmoette hij achter
zich de trap van den kelder, en daar de deur open stond, sprong hij er
in. Eenmaal in den kelder, maakte hij zich van den sleutel meester en
versperde de deur van binnen.... Dewijl men zeker was hem daar weer te
vinden, liet men hem met rust.”--„Ja,” zeide d’Artagnan, „men wilde hem
niet zoozeer het leven ontnemen dan wel gevangen nemen.”
„Gerechte God! hem gevangen nemen, edele heer! hij heeft zich zelven
gevangen genomen, dat zweer ik u. Vooreerst had hij een zwaar werk
verricht; een man was onder zijn slagen bezweken, en twee anderen
gevaarlijk gekwetst. De doode en de beide gekwetsten werden door hun
makkers weggevoerd, en nooit heb ik weer van den een, noch van den ander
hooren spreken. Toen ik weder tot bewustzijn kwam, ging ik den heer
gouverneur bezoeken, aan wien ik al het voorgevallene verhaalde, hem
vragende wat ik met den gevangene moest doen; maar de heer gouverneur
was alsof hij uit de wolken viel; hij zeide mij, dat hij volstrekt niet
wist, wat ik zeggen wilde, dat de bevelen, die mij gegeven waren,
volstrekt niet van hem kwamen, en dat, indien ik het ongeluk had, aan
wien het ook ware, te zeggen, dat hij het minste deel in die opschudding
had gehad, hij mij zou doen hangen. Het schijnt, dat ik mij bedrogen
had, mijnheer! en den een voor den ander had aangehouden, zoodat degene,
dien men had moeten aanhouden, zich gered heeft.”
„Maar Athos?” riep d’Artagnan, wiens ongeduld ten top steeg, hoorende
hoe de overheid de zaak aan zich zelve had overgelaten. „Wat is er van
Athos geworden?”--„Daar ik nu verlangend was zoo spoedig mogelijk het
ongelijk den gevangene aangedaan te herstellen,” hernam de herbergier,
„begaf ik mij naar den kelder, ten einde hem de vrijheid terug te geven.
Doch, helaas! mijnheer! het was geen man meer, maar een duivel. Op het
voorstel, hem zijn vrijheid terug te geven, zeide hij, dat zulks een
valstrik was, dien men hem legde, en dat hij, alvorens er uit te komen,
de voorwaarden wenschte te bepalen. Ik antwoordde hem nederig, want ik
ontveinsde mij den neteligen toestand niet, waarin ik mij had geplaatst,
door een musketier des konings aan te randen; ik zeide hem dan, dat ik
bereid was mij aan zijn voorwaarden te onderwerpen.
„‚Vooreerst,’ zeide hij, ‚verlang ik, dat men mij mijn lakei met al zijn
wapens teruggeve.’
„Men haastte zich aan dat bevel te gehoorzamen; want gij begrijpt wel,
mijnheer! dat wij bereid waren alles te doen, wat uw vriend verlangde.
De heer Grimaud, deze heeft zijn naam gezegd, ofschoon hij ook niet veel
spreekt, de heer Grimaud werd dan in den kelder gelaten, hoe gekwetst
hij ook was; nadat hij bij zijn meester gekomen was, versperde deze
opnieuw de deur en beval ons in onzen winkel te blijven.”--„Maar zeg dan
toch,” riep d’Artagnan, „waar is hij? waar is Athos?”--„In den kelder,
mijnheer!”--„Wat, ellendige! hebt gij hem al dien tijd in den kelder
gehouden?”--„Hemelsche goedheid! wel neen, mijnheer! zouden wij hem in
den kelder houden! Gij weet niet wat hij in den kelder doet? Ach! indien
gij hem dien kondt doen verlaten, mijnheer! ik zou er u mijn geheele
leven dankbaar voor zijn; ik zou u als mijn beschermheilige
vereeren.”--„Dus is hij dáár, en ik zal hem dáár vinden?”--„Wel zeker,
mijnheer! hij is er halsstarrig in gebleven. Dagelijks steekt men hem
door het luchtgat brood aan een hooivork toe en vleesch, wanneer hij er
om vraagt; maar, helaas! het is geen vleesch of brood, dat hij het meest
gebruikt. Eenmaal heb ik met twee knechts getracht naar beneden te gaan;
maar toen ontstak hij in een hevigen toorn. Ik hoorde het gerucht zijner
pistolen, van welke hij de hanen spande, en ook dat van het musket van
zijn knecht. Vervolgens antwoordde de meester, toen wij vroegen, wat hun
voornemens waren, dat hij en zijn lakei veertig schoten konden doen en
hij ze zou afschieten tot het laatste, liever dan te veroorloven dat een
onzer in den kelder kwam. Toen, mijnheer! ging ik den gouverneur mijn
klachten doen, doch deze antwoordde mij, dat ik had wat ik verdiende en
mij zulks zou leeren achtenswaardige edellieden te beleedigen, die hun
verblijf in mijn herberg namen.”
„Zoodat, sedert dien tijd....” hernam d’Artagnan, zich niet kunnende
weerhouden om het armzalig gelaat van zijn gastheer te lachen.--„Zoodat,
sedert dien tijd, mijnheer!” ging deze voort, „wij het treurigste leven
leiden, dat men zich kan verbeelden; want mijnheer! gij moet weten, dat
al onze voorraad mondbehoeften in den kelder is; zoowel onze gebottelde
wijn als de wijn op het stuk ligt er, het bier, de olie en de
specerijen, het spek en de worst, en dewijl het ons verboden is er
binnen te gaan, zijn wij genoodzaakt aan de reizigers, die bij ons
aankomen, eten en drinken te weigeren, tengevolge waarvan onze herberg
dagelijks achteruitgaat; wanneer uw vriend nog acht dagen in den kelder
blijft, zijn wij arm.”--„Dan hebt gij wat gij verdient, snaak! Zag men
niet aan ons voorkomen, dat wij voorname lieden en geen valsche munters
waren, zeg?”--„Ja, mijnheer! ja, gij hebt gelijk,” zeide de herbergier.
„Maar luister, luister, daar begint hij weer kwaad te worden.”--„Men zal
hem zeker gestoord hebben,” zeide d’Artagnan.--„Maar wij moeten hem wel
storen!” riep de waard; „er zijn twee Engelsche edellieden
aangekomen.”--„Welnu?”--„Welnu, de Engelschen houden van goeden wijn,
zooals gij weet, mijnheer! en deze hebben den besten gevraagd. Mijn
vrouw zal nu aan uw vriend verzocht hebben naar beneden te mogen gaan,
om dien heeren het verlangde te kunnen geven; maar hij zal, als naar
gewoonte, hebben geweigerd. Ach, goede God! daar begint de Sabbath
weer.”
D’Artagnan hoorde inderdaad een groot geweld in de richting van den
kelder; hij stond op, en door den herbergier voorafgegaan, die zich de
handen wrong, en gevolgd van Planchet, met zijn geladen musket, naderde
hij de plaats des schouwspels.
Beide edellieden waren buiten zich zelven van toorn; zij hadden een
langen tocht gemaakt en stierven van honger en dorst.
„Maar dat is dwingelandij!” riepen zij in zeer goed Fransch, hoewel met
een vreemden tongval, „dat die aartsgek die goede lieden het gebruik van
hun wijn niet toestaat. Welaan, wij zullen de deur intrappen en indien
hij razend is, zullen wij hem dooden.”--„Zacht wat, heeren!” zeide
d’Artagnan, zijn pistolen uit zijn gordelriem halende, „gij zult zoo
goed zijn niemand te dooden.”--„Goed, goed!” riep de kalme stem van
Athos achter de deur, „laten zij maar binnenkomen, die kindervreters, en
wij zullen eens zien.”
Hoe dapper ook, zagen beide Engelsche edellieden elkander aan en
aarzelden; het was alsof in dien kelder een hongerig gedrocht zich
ophield, een dier reusachtige helden der volkssprookjes, wier hol
niemand ongestraft binnentrad. Er heerschte een oogenblik stilte;
eindelijk schaamden zich echter beide Engelschen achteruit te gaan en de
kwaadaardigste van beiden ging de vijf of zes treden af, uit welke de
trap bestond, en gaf tegen de deur een schop als om een muur te
splijten.
„Planchet!” zeide d’Artagnan, zijn pistolen overhalende, „ik belast mij
met dengene, die boven is; belast gij u met hem, die beneden is. Ha,
heeren, gij wilt het gevecht? Welnu, men zal u een gevecht
geven!”--„Mijn God!” riep de holle stem van Athos, „ik hoor d’Artagnan,
geloof ik.”--„Waarlijk,” zeide d’Artagnan op zijn beurt de stem
verheffende, „ik ben het zelf, mijn vriend!”--„Zooveel te beter,” zeide
Athos: „wij zullen hun een lesje geven, die deuren-opentrappers.”
De edellieden hadden den degen getrokken; maar zij stonden als tusschen
twee vuren; zij aarzelden een oogenblik, maar de hoogmoed hield de
overhand en een tweede schop deed de deur in haar lengte kraken.
„Ga op zijde, d’Artagnan! ga op zijde!” riep Athos, „ga op zijde, ik ga
schieten.”--„Heeren!” riep d’Artagnan, wien de bezadigdheid nooit
verliet; „heeren! weest er op bedacht!.... Geduld, Athos!.... Gij mengt
u daar in een slechte zaak, en gij zult u laten doodschieten. Ziehier
mijn knecht en ik, die drie schoten op u zullen lossen, terwijl gij uit
den kelder evenveel te wachten hebt; vervolgens hebben wij nog onze
degens, met welke, dat verzeker ik u, mijn vriend en ik tamelijk handig
zijn. Laat mij de bereddering uwer en mijner zaken over. Zoo aanstonds
zult gij te drinken hebben, daar geef ik u mijn woord op.”--„Als er
overblijft....” bromde de stem van Athos spottend.
De waard voelde het koude zweet langs zijn ruggegraat loopen.--„Wat?
als er nog overblijft,” mompelde hij.--„Wat duivel! er moet
immers overblijven; wees dus gerust, zij zullen met hun tweeën uw
geheelen kelder niet hebben leeggedronken. Mijne heeren! steekt
uw degens in de scheede.”--„Welnu, steek gij uw pistolen in uw
gordelriem.”--„Gaarne.”--En d’Artagnan gaf het voorbeeld.
Toen zich tot Planchet wendende, gaf hij dezen een wenk, zijn musket bij
den voet te zetten. De Engelschen, nu overtuigd, staken al grommende hun
degens in de scheede. Men verhaalde hun de geschiedenis der
gevangenneming van Athos, en daar het echte edellieden waren, gaven zij
den herbergier ongelijk.
„Thans, mijne heeren!” zeide d’Artagnan, „gaat naar uw kamers en binnen
tien minuten, verzeker ik u, zal men u alles bezorgen, wat gij kunt
verlangen.”--De Engelschen groetten en verwijderden zich.--„Thans, nu ik
alleen ben, verzoek ik u, mijn waarde Athos! mij de deur te
openen.”--„Onmiddellijk,” zeide Athos.
Daarop hoorde men een groot gerucht van op elkander vallende takkebossen
en stommelende balken; het waren de verschansingen en de bolwerken van
Athos, die de belegerde zelf omwierp.
Een oogenblik daarna bewoog zich de deur, en men zag het bleeke hoofd
van Athos verschijnen, die met een snellen blik de gesteldheid van zaken
opnam. D’Artagnan wierp zich aan zijn hals en omhelsde hem teederlijk;
toen hem uit dat vochtige verblijf willende trekken, bespeurde hij eerst
dat Athos wankelde.--„Zijt gij gewond?” vroeg hij.--„Ik? volstrekt niet:
ik ben smoordronken, anders niet, en nooit heeft iemand zooveel gedaan
om het te worden. Lieve God! mijn gastheer! ik moet ten minste voor mijn
hoofd honderdvijftig flesschen hebben leeggedronken.”--„Barmhartigheid!”
riep de herbergier, „als de knecht slechts half zooveel als zijn meester
heeft gedronken, ben ik verloren.”--„Grimaud is een lakei van goeden
huize, die zich niet zou veroorloven datgene te gebruiken, wat ik
gebruik, hij heeft dus alleen uit het stuk gedronken; maar zie eens, ik
geloof, dat hij vergeten heeft de kraan te sluiten. Hoort gij het wel
loopen?”
D’Artagnan barstte in een luid gelach uit, dat de rilling van den
herbergier in een heete koorts veranderde. Tegelijkertijd verscheen
Grimaud achter zijn meester, met het musket op den schouder en met een
knikkend hoofd, zooals de dronken saters op de schilderijen van Rubens.
Hij was van voren en van achteren besproeid met een vette vloeistof, die
de herbergier erkende voor zijn beste olijfolie.
De stoet ging de gelagkamer door en nam bezit van de fraaiste kamer der
herberg, die d’Artagnan zich eigendunkelijk toeëigende. Onderwijl
snelden de herbergier en zijn vrouw met lampen den kelder binnen, die
hun zoolang was ontzegd geworden, en waar een akelig schouwspel hen
wachtte. Achter de verschansing, waarin Athos een bres had gemaakt om er
uit te komen en die uit takkebossen, planken en ledig vaatwerk bestond,
alles volgens de vestingbouwkunde op elkander gestapeld, bespeurde men
hier en daar, in plassen van olie en wijn zwemmende, de afgekloven
beenderen van hammen, terwijl een hoop gebroken flesschen den geheelen
linkerhoek van den kelder vulde en een vat, welks kraan was open
gebleven, door die opening de laatste druppels van zijn bloed verloor.
Het beeld van verwoesting en dood heerschte daar, zooals de dichter der
oudheid zegt, als op een slagveld. Van de vijftig worsten, die aan de
balken hadden gehangen, bleven er nauwelijks tien over. Toen drong het
gehuil van den herbergier en diens vrouw het gewelf des kelders door;
zelfs d’Artagnan werd er door bewogen. Athos verroerde zich niet eens.
Maar op de smart volgde de woede. De herbergier wapende zich met een
braadspit en stormde het vertrek binnen.
„Wijn!” riep Athos, den herbergier ziende.--„Wijn!” herhaalde de
ontstelde waard, „wijn! maar gij hebt voor meer dan honderd pistolen
gedronken; ik ben een bedorven, verloren, arm gemaakt man!”--„Och!”
zeide Athos, „wij zijn steeds dorstig gebleven.”--„Indien gij u slechts
vergenoegd hadt den wijn uit te drinken, maar gij hebt al de flesschen
gebroken.”--„Gij hebt mij op een hoop gestooten, die in elkander is
gevallen; dit is uw schuld.”--„Al mijn olie is verloren!”--„Olie is de
beste balsem voor wonden, en Grimaud moest de wonden wel verbinden, die
gij hem hadt toegebracht.”--„Al mijn worsten verslonden.”--„Er zijn
ontzettend veel ratten in dien kelder.”--„Gij zult mij alles betalen,”
riep de waard, buiten zich zelven.--„Drievoudige kinkel!” zeide Athos,
zich oprichtende, maar hij viel oogenblikkelijk weer neder; hij had het
overblijfsel zijner krachten vertoond.
D’Artagnan kwam hem te hulp door zijn karwats op te heffen. De
herbergier deinsde een schrede achteruit en barstte in geween los.--„Dat
zal u leeren,” zeide d’Artagnan, „de gasten, die God u zendt, beleefder
te behandelen.”--„God! zeg liever de duivel!”--„Mijn beste vriend!
indien gij voortgaat ons de ooren te verscheuren, zullen wij ons alle
vier in uw kelder sluiten, om te zien of werkelijk de schade zoo groot
is als gij zegt.”--„Welnu dan, edele heeren!” zeide de herbergier, „ik
heb ongelijk, ik beken het; maar voor alle zonden is barmhartigheid; gij
zijt groote heeren! en ik ben slechts een arm herbergier; gij zult
medelijden met mij hebben.”--„O! als gij zoo spreekt,” zeide Athos, „dan
breekt gij mij het hart, en de tranen zullen mij de oogen gaan
uitloopen, zooals de wijn uit uw vaten. Men is zoo kwaad niet als men er
uit ziet. Welaan! kom hier en praten wij eens.”
De herbergier naderde vreesachtig.--„Kom, zeg ik en vrees niet,” ging
Athos voort. „Op het oogenblik, dat ik u wilde betalen, had ik mijn
beurs op tafel gelegd.”--„Ja, edele heer!”--„Die beurs bevatte zestig
pistolen; waar is zij?”--„Ter Griffie neergelegd, edele heer! men zeide,
dat het valsch geld was.”--„Welnu, laat u de beurs teruggeven en behoud
de zestig pistolen.”--„Maar Uwe Excellentie weet wel, dat de Griffie
niets loslaat, wat zij eenmaal in handen heeft; indien het valsch geld
ware, was er nog hoop, maar ongelukkig is het goede munt.”--„Schik het
met de Griffie, mijn beste man! het raakt mij niet, te meer, daar mij
geen frank overblijft.”--„Laat zien,” zeide d’Artagnan, „waar is het
oude paard van Athos?”--„In den stal.”--„Hoeveel is het waard?”--„Op
zijn hoogst vijftig pistolen.”--„Het is tachtig waard, neem het en wees
tevreden.”--„Wat! verkoopt gij mijn paard?” zeide Athos, „verkoopt gij
mijn Bajazet? En waarop zal ik te velde trekken? op Grimaud?”--„Ik heb u
een ander paard medegebracht,” zeide d’Artagnan.--„Een ander?”--„Een
heerlijk!” riep de herbergier.--„Welaan! indien er een ander fraaier en
jonger paard is, neem dan het oude en geef te drinken.”--„Wat?” vroeg de
volkomen gerustgestelde waard.--„Van den wijn, die achter op de stelling
ligt; er zijn nog vijf en twintig flesschen; al de andere zijn door mijn
val gebroken. Breng er zes.”--„Maar dat is een bliksemsche kerel!” zeide
de herbergier bij zich zelven: „als hij nog slechts veertien dagen
blijft en alles betaalt wat hij drinkt, ben ik gered.”--„En vergeet
niet,” ging d’Artagnan voort, „vier flesschen van denzelfden aan die
Engelsche edellieden te bezorgen.”
„Thans,” zeide Athos, in afwachting van den wijn, „moest gij mij eens
verhalen, d’Artagnan, wat er van de anderen is geworden; laat hooren.”
D’Artagnan verhaalde hem, hoe hij Porthos had aangetroffen met een
ontwricht been, en Aramis aan tafel, tusschen twee theologanten. Terwijl
hij eindigde, trad de herbergier met de gevraagde flesschen binnen en
een ham, die gelukkig buiten den kelder was gebleven.
„Het is wel,” zeide Athos, zijn glas en dat van d’Artagnan vullende;
„ziedaar wat Porthos en Aramis betreft, maar gij, mijn vriend! wat deert
u en wat is u persoonlijk wedervaren? Gij ziet er mij zoo treurig
uit.”--„Helaas,” zeide d’Artagnan, „het is omdat ik de ongelukkigste van
allen ben!”--„Gij, ongelukkig, d’Artagnan!” riep Athos. „Laat hooren, op
wat wijze zijt gij ongelukkig, zeg mij dat eens!”--„Later,” antwoordde
d’Artagnan.--„Later! en waarom later? omdat gij gelooft, dat ik te veel
gedronken heb, d’Artagnan? Onthoud dit wel: nooit heb ik meer heldere
denkbeelden, dan wanneer de wijn in mij is. Spreek dus, ik ben geheel
oor.”
D’Artagnan verhaalde zijn avontuur met juffrouw Bonacieux. Athos
luisterde naar hem zonder zijn gelaat te vertrekken en toen hij
geëindigd had, zeide hij: „Altemaal niets! altemaal niets!” dat was de
gewone uitroep van Athos.--„Gij zegt altijd altemaal niets! mijn waarde
Athos!” zeide d’Artagnan; „dat past u in het geheel niet, u, die nooit
bemind hebt.”--Het doffe oog van Athos schoot eensklaps vuur; maar het
was slechts een weerlicht en het werd wederom dof en strak als
vroeger.--„Het is waar,” zeide hij bedaard, „ik, ik heb nooit
bemind.”--„Gij ziet dan ook wel, ongevoelig hart!” zeide d’Artagnan,
„dat gij ongelijk hebt, streng jegens meer teedere harten te
zijn.”--„Teedere harten, doorboorde harten!” zeide Athos.--„Wat zegt
gij?”--„Ik zeg, dat de liefde een loterij is, in welke hij, die wint,
den dood wint. Gij zijt wel gelukkig verloren te hebben, geloof mij,
waarde d’Artagnan! En als ik u een raad mag geven, verlies dan
altijd.”--„Zij scheen mij zoo oprecht te beminnen.”--„Zij scheen!”--„O!
zij beminde mij!”--„Kind! geen mensch of hij heeft, evenals gij,
geloofd, dat zijn minnares hem beminde, en geen mensch of hij is door
zijn minnares bedrogen geworden.”--„Behalve gij, Athos! die er nooit een
hebt gehad.”--„Dat is waar,” zeide Athos na een oogenblik zwijgens, „ik
heb er nooit een gehad. Laat ons drinken.”
„Maar dan, groote wijsgeer!” zeide d’Artagnan, „onderwijs
mij, ondersteun mij; ik heb noodig te leeren en getroost te
worden.”--„Waarover u te troosten?”--„Over mijn ongeluk.”--„Uw ongeluk
is belachenswaard,” zeide Athos, de schouders ophalende; „ik zou
wel willen weten, wat gij zeggen zoudt, indien ik u een zekere
liefdesgeschiedenis verhaalde.”--„Die u is gebeurd?”--„Of een mijner
vrienden, dat doet er niet toe.”--„Verhaal, Athos! verhaal!”--„Drinken
is beter.”--„Drink en verhaal.”--„Nu, dat kan,” zeide Athos, zijn glas
ledigende en weder vullende: „die beide dingen gaan heerlijk
samen.”--„Ik luister,” zeide d’Artagnan.
Athos overpeinsde en intusschen zag d’Artagnan hem verbleeken; hij was
op die hoogte der gewone drinkers, wanneer deze neervallen en slapen.
Hij droomde luide, zonder te slapen. Dat somnambulisme der dronkenschap
had iets verschrikkelijks.--„Wilt gij het volstrekt?” vroeg hij.--„Ja,
ik verzoek er u om.”--„Dan zal ik doen, wat gij verlangt. Een mijner
vrienden,--een mijner vrienden, hoort gij wel? niet ik,” zeide Athos,
zijn rede met een somberen glimlach afbrekende, „een der graven mijner
provincie,--dat is van _Berry_, edel als een Dandolo of een Montmorency,
verliefde, vijf en twintig jaar oud zijnde, op een meisje van zestien
jaar, schoon als de liefde. Boven de onschuld van haar ouderdom blonk
uit: een vurige geest, een niet vrouwelijke, maar dichterlijke geest.
Zij behaagde niet, zij bedwelmde; zij woonde in een klein gehucht, bij
haar broeder, die pastoor was. Beiden waren als vreemden in de provincie
gekomen. Men wist niet, van waar zij kwamen en aangezien men haar zoo
schoon en haar broeder zoo vroom vond, dacht men er niet eens aan hun te
vragen, van waar zij kwamen. Overigens hield men het er voor, dat zij
van goede afkomst waren. Mijn vriend, die landheer was, zou haar hebben
kunnen verleiden, of naar willekeur met haar handelen; want hij was de
meester; immers, wie zou twee vreemdelingen, twee onbekenden te hulp
zijn gekomen; maar helaas, hij was een eerlijk man; hij huwde haar. De
dwaas, de gek, de dommerik!”--„En waarom? hij beminde haar immers?”
zeide d’Artagnan.--„Wacht een oogenblik!” zeide Athos. „Hij geleidde
haar in zijn kasteel en maakte van haar de eerste dame der provincie; en
het moet gezegd worden, zij deed volkomen haar rang eer aan.”--„En
verder,” vroeg d’Artagnan.
„Welnu! op zekeren dag, dat zij met haar man op jacht was,” ging Athos
met gesmoorde stem en zeer haastig sprekende voort, „viel zij
bewusteloos van het paard. De graaf snelde te harer hulp en daar zij in
haar kleederen als verstikte, sneed hij ze met zijn dolk los en
ontblootte haar den schouder. Raad eens, wat zij op den schouder had,
d’Artagnan?” vroeg Athos, in luid gelach uitbarstende.--„Kan ik het
weten?” zeide d’Artagnan.--„Een lelie,”[9] hernam Athos, „zij was
gebrandmerkt!”--En hij ledigde in één teug het glas, dat hij in de hand
hield.
[9] Voor 1789 geschiedde in Frankrijk het brandmerken door dit
teeken, gelijk later door de letters T. F. (travaux forcés).
„Wat afschuwelijkheid verhaalt gij mij daar!” riep d’Artagnan.--„De
waarheid, mijn waarde! de engel was een duivelin. Het arme kind had
gestolen.”--„En wat deed de graaf?”--„De graaf was een groot heer en
oppermachtig rechter op zijn landgoederen; hij ging voort met de
kleederen der gravin te verscheuren, bond haar de armen op den rug en
hing haar op aan een boom.”--„Hemel! Athos! een moord!” riep
d’Artagnan.--„Ja, een moord!” zeide Athos, bleek als een lijk; „maar men
laat ons wijn ontbreken, geloof ik.”
En Athos greep de laatste flesch, die overbleef, bij den hals, zette die
aan den mond en dronk ze in één teug leeg, alsof het een gewoon glas
ware geweest. Vervolgens liet hij zijn hoofd in beide handen zinken;
d’Artagnan bleef voor hem zitten, van ontzetting vervuld.
„Dat heeft mij van den hartstocht voor schoone, dichterlijke en
verliefde vrouwen genezen,” zeide Athos, zich opheffende, zonder er aan
te denken het verhaal van den graaf te vervolgen; „dat God evenzoo met u
handele. Drinken wij nog eens.”--„Dus zij is dood?” stamelde
d’Artagnan.--„_Parbleu_!” antwoordde Athos. „Maar reik uw glas
toe.--Ham! snaak!” riep Athos, „wij kunnen niet meer drinken.”--„Maar
haar broeder?” vroeg d’Artagnan verder schroomvallig.--„Haar broeder!”
hernam Athos.--„Ja, de priester.”--„O! ik deed onderzoek naar hem, om
ook hem te doen ophangen; maar hij was mij vóór geweest; hij had zijn
standplaats den vorigen dag verlaten.”--„En heeft men vernomen, wat die
ellendeling eigenlijk was?”--„Het was de eerste minnaar en de
medeplichtige der schoone, een achtenswaardig man, die zich als priester
voordeed, om zijn minnares een huwelijk te bezorgen en haar lot te
verzekeren. Hij zal gevierendeeld zijn, hoop ik.”--„Ach, mijn God! mijn
God!” zuchtte d’Artagnan, geheel ontroerd door deze akelige
geschiedenis.--„Eet toch van die ham, d’Artagnan! zij is overheerlijk,”
zeide Athos, een snede afsnijdende, die hij op het bord des jongelings
legde. „Hoe jammer dat er niet vier zoodanige in den kelder zijn
geweest, ik zou vijftig flesschen meer hebben gedronken.”
D’Artagnan vermocht niet langer een gesprek vol te houden, dat hem
krankzinnig zou hebben gemaakt; hij liet zijn hoofd in beide handen
vallen en hield zich, alsof hij in slaap viel.
„Het jonge geslacht kan niet meer drinken,” zeide Athos, hem medelijdend
beschouwende; „en toch is hij nog de beste.”