HOOFDSTUK XXVII.

De vrouw van Athos.

„Thans blijft ons nog over, eenig nieuws van Athos te vernemen,” zeide

d’Artagnan tot den lustigen Aramis, na hem te hebben verhaald, wat er in

de hoofdstad was voorgevallen sedert hun vertrek, en een voortreffelijk

maal den eenen zijn thesis, den anderen zijn vermoeidheid had doen

vergeten.--„Gelooft gij dan, dat hem een ongeluk is overkomen?” vroeg

Aramis; „Athos is zoo koelbloedig, zoo dapper, gaat zoo behendig met den

degen om.”--„O ja! zonder twijfel, en niemand erkent meer den moed en de

behendigheid van Athos dan ik; maar ik voel liever op mijn degen den

stoot eener lans dan dien van stokken: ik vrees, dat Athos door de

knechts is afgerost geworden; knechts zijn lieden, die er hard op slaan

en niet gauw uitscheiden. Ziedaar, waarom ik, om het u te zeggen, zoo

spoedig mogelijk wilde vertrekken.”--„Ik zal trachten u te vergezellen,”

zeide Aramis, „hoewel ik mij nog niet sterk genoeg gevoel te paard te

rijden. Gisteren beproefde ik de roede, die gij daar ziet hangen, maar

de smart dwong mij, die vrome oefening af te breken.”--„Stil, mijn

vriend! men heeft immers nooit gehoord, dat men geweerschoten met

roedeslagen geneest; maar gij waart ziek en de ziekte verzwakt, zoodat

ik u verontschuldig.”--„En wanneer vertrekt gij?”--„Morgen, zoodra de

dag aan den hemel is; rust van nacht goed uit, en morgen, indien gij

kunt, zullen wij samen vertrekken.”--„Tot morgen,” zeide Aramis, „want

hoe ijzersterk gij ook moogt zijn, moet gij rust hebben.”

Den volgenden dag, toen d’Artagnan de kamer van Aramis binnentrad, vond

hij dezen voor het venster.--„Wat beschouwt gij toch?” vroeg

d’Artagnan.--„Wel, ik bewonder die drie kostelijke paarden, welke de

staljongen bij den toom houdt: dat is een vorstelijk vermaak, op

dergelijke paarden te reizen.”--„Welnu, mijn waarde Aramis! gij kunt u

dat vermaak verschaffen, want een dier paarden behoort u.”--„Och kom! En

welk?”--„Dat van de drie wat gij verkiest, ik heb geen verkiezing.”--„En

behoort dat rijke dekkleed mij ook?”--„Wel zeker.”--„Gij schertst,

d’Artagnan!”--„Ik scherts niet meer, sedert gij Fransch spreekt.”--„En

die vergulde pistoolholsters, dat fluweelen schabrak en dat met zilveren

spijkers beslagen zadel behooren mij?”--„Aan u, zoowel als dat

brieschende paard aan mij, en dat steigerende paard aan

Athos.”--„Duivelsch! dat zijn schoone, drie schoone paarden.”--„Het is

mij aangenaam, dat zij naar uw zin zijn.”--„Heeft de koning ze u ten

geschenke gegeven?”--„De kardinaal althans niet; maar bekommer er u niet

over van wien zij afkomstig zijn, en wees slechts indachtig, dat een der

drie u behoort.”--„Ik houd dat, hetwelk door dien rossen staljongen

wordt vastgehouden.”--„Best!”

„Lieve God,” riep Aramis, „dat verdrijft het overblijfsel van al mijn

pijn; ik zou dat paard berijden met dertig kogels in het lijf. O, bij

mijn ziel! wat heerlijke stijgbeugels! Hier, Bazijn! rep u, kom

oogenblikkelijk!”--Bazijn verscheen zwijgend en stil op den drempel der

deur.--„Scherp mijn degen, maak mijn hoed in orde, klop mijn mantel uit

en laad mijn pistolen!” beval Aramis.--„Die laatste aanbeveling is

overbodig,” viel d’Artagnan hem hierop in de rede, „er zijn geladen

pistolen in de holsters.”--Bazijn zuchtte.--„Welaan, meester Bazijn!

stel u gerust,” zeide d’Artagnan, „men verdient het koninkrijk des

Hemels in alle betrekkingen.”--„Mijnheer was reeds een zoo goed

theologant,” zeide Bazijn, bijna huilende, „hij zou bisschop, misschien

kardinaal zijn geworden.”--„Maar, mijn arme Bazijn! komaan, overweeg

eens: waartoe dient het een geestelijke te zijn, bid ik u; men vermijdt

hierdoor toch niet ten oorlog te gaan; gij ziet wel, dat de kardinaal

den eersten veldtocht mede zal maken, met den helm op het hoofd en den

degen in de vuist; en wat zegt gij van den heer Nogaret de la Valette?

Ook deze is kardinaal, maar vraag eens aan zijn lakei, hoe dikwijls hij

pluksel voor hem heeft gereed gemaakt.”--„Helaas!” zuchtte Bazijn, „ik

weet het, mijnheer! alles is tegenwoordig in de wereld omgekeerd.”

Onderwijl waren beide jongelieden en de lakei naar beneden

gegaan.--„Houd mij den stijgbeugel, Bazijn!” zeide Aramis en sprong in

den zadel met zijn gewone vlugheid en bevalligheid; maar na eenige

wendingen en steigeringen van het edele dier gevoelde zijn berijder

zulke hevige smarten, dat hij verbleekte en wankelde. D’Artagnan, die,

zulks voorziende, hem niet uit het oog had verloren, ijlde naar hem toe,

ondersteunde hem in zijn armen en geleidde hem naar zijn kamer.

„Het is wèl, mijn waarde Aramis! verzorg u nog eenigen tijd, ik zal

Athos alleen zoeken.”--„Gij zijt een stalen mensch!” zeide

Aramis.--„Neen, ik ben gelukkig, dat is al; maar op wat wijze zult gij,

mij wachtende, den tijd verdrijven? daar gij nu geen thesis, geen

uitleggingen der vingers en zegeningen te maken hebt, wel!”--Aramis

glimlachte.--„Ik zal verzen maken,” zeide hij.--„Ja, welriekende verzen,

van denzelfden geur als het briefje der kamenier van mevrouw de

Chevreuse. Leer Bazijn ook rijmen, dat zal hem volmaken; en berijd alle

dagen eenige oogenblikken het paard, dat zal u weder aan het rijden

gewennen.”--„O! wees gerust,” zeide Aramis, „gij zult mij bereid vinden

u te volgen.”

Zij namen van elkander afscheid, en tien minuten later draafde

d’Artagnan, na zijn vriend aan Bazijn en aan de herbergierster te hebben

aanbevolen, den weg naar _Amiëns_ op.

Op wat wijze wilde hij Athos wedervinden, en zou hij hem wel vinden?--De

toestand, waarin d’Artagnan Athos had gelaten, was slecht, en deze

laatste kon wel bezweken zijn. Die gedachte verduisterde het voorhoofd

van d’Artagnan en deed hem bij zich zelven eenige wraakgeloften

prevelen. Van al zijn vrienden was Athos de oudste, en ook

oogenschijnlijk het minst met zijn smaak en neigingen in

overeenstemming. Echter schonk hij dien edelman boven allen de voorkeur.

Het edel en voornaam voorkomen van Athos, de weerlichten van grootheid,

die bijwijlen de duisternis doorkliefden, waarmede hij zich vrijwillig

omringde, die onafgebroken gelijkheid van karakter, die zijn omgang tot

den gemakkelijksten van de wereld maakte, die gedwongen, bijtende

scherts, die moed, welken men blind zou hebben genoemd, indien hij niet

het gevolg van de zeldzaamste koelbloedigheid ware geweest; al die

hoedanigheden wekten bij d’Artagnan meer achting, meer dan vriendschap

op, zij wekten zijn bewondering.

En waarlijk, zelfs bij den heer de Tréville vergeleken, stak de edele en

smaakvolle hoveling, Athos, in zijn oogenblikken van goede luim,

voordeelig uit; hij was van middelmatige grootte, maar die gestalte was

zoo verwonderlijk fier, zoo wel geëvenredigd, dat hij meer dan eens, in

zijn worstelingen met Porthos, den reus had doen bukken, wiens kracht

tot een spreekwoord onder de musketiers was geworden; zijn hoofd, met

zijn doordringende oogen, zijn gebogen neus, en de kin als die van

Brutus gesneden, hadden een onbeschrijfelijke uitdrukking van grootheid

en bevalligheid; zijn handen, voor welke hij niet de minste zorg droeg,

maakten Aramis wanhopig, die de zijne met amandelzalf en welriekende

oliën fraai hield; de klank zijner stem was krachtig en tevens

welluidend; en verder, wat in Athos het onbegrijpelijkste was, was die

fijne kennis van de wereld en der gewoonten van de hoogste rangen, die

welopgevoedheid, die als buiten zijn weten in zijn minste handelingen

doorstraalde.

Betrof het een gastmaal, dan wist Athos het beter dan iemand te regelen,

elken genoodigde de plaats en den rang gevende, welke hem zijn

voorouders nagelaten of hij zich zelven bezorgd had. Betrof het de

geslacht-wapenkunde, dan was het wederom Athos, die al de adellijke

familiën des koninkrijks kende, zoowel als hun oorsprong, hun

verbintenissen, hun wapenschilden en den oorsprong er van. Er was niets,

wat de welgemanierdheid betrof, of hij kende het in de minste

bijzonderheden, hij kende de rechten der groote grondeigenaars en was

doorkneed in de wild- en valkenjacht; zelfs op zekeren dag, dat hij over

die groote kunst sprak, verbaasde hij koning Lodewijk XIII, die er toch

een meester in was.

Zooals al de voorname lieden van dien tijd, verstond hij de rij- en de

schermkunst in de volmaaktheid. Wat meer is, zijn opvoeding was zoo

weinig veronachtzaamd, zelfs ten aanzien der schoolstudiën, welke zoo

zelden bij de edellieden van dien tijd beoefend werden, dat hij

glimlachte bij de brokken latijn van Aramis, welke Porthos den schijn

aannam te begrijpen; twee of drie malen zelfs was het hem, tot groote

verwondering zijner vrienden, gebeurd, Aramis terecht te helpen, wanneer

deze aan een werkwoord een verkeerden tijd en aan een naamwoord een

verkeerden naamval gaf; daarenboven was zijn eer onkreukbaar, en dit in

een eeuw, waarin de krijgsman zoo gereedelijk zijn geloof en zijn

geweten verzaakte, de minnaars met de strenge kieschheid onzer dagen en

de armen met het zevende gebod spotten. Athos was dus een buitengewoon

mensch.

En nochtans zag men die uitstekende natuur, dat zoo welgevormd schepsel,

die zoo reine ziel van lieverlede tot het stoffelijke leven overhellen,

zooals de grijsaard naar de zoowel lichamelijke als zedelijke

verstomping. Athos, in zijn oogenblikken van afzondering, en die

oogenblikken waren veelvuldig, was als uitgedoofd in hetgeen zijn glans

daarstelde, en zijn schitterende hoedanigheden verdwenen als in een

diepen nacht. Athos, die meer dan mensch scheen, half-God, was in die

oogenblikken nauwelijks mensch. Zijn hoofd hing hem op de borst, zijn

oog was dof, zijn spraak zwaar en moeilijk. Athos hield dan, gedurende

een uur achter elkander, zijn oog hetzij op zijn flesch en zijn glas

gevestigd, hetzij op Grimaud, die gewoon op zijn wenken te gehoorzamen,

in den starren blik zijns meester tot zelfs de minste begeerte las, die

hij oogenblikkelijk vervulde. Waren de vier vrienden in die oogenblikken

vereenigd, dan was een enkel, met geweldige moeite uitgebracht woord het

eenige deel, dat Athos in het gesprek nam. Maar daarentegen dronk Athos

alleen meer dan vier, zonder dat men zulks aan hem kon bespeuren, dan

alleen door een meerder fronsen der wenkbrauwen en een diepere

droefgeestigheid.

D’Artagnan, wiens doordringenden en onderzoekenden aard wij kennen, had,

welk belang hij er ook in stelde om zijn nieuwsgierigheid te dien

aanzien te voldoen, tot hiertoe de oorzaak dier wezenloosheid niet

kunnen ontdekken. Nooit ontving Athos brieven, nooit deed Athos iets,

dat niet al zijn vrienden wisten. Men kon niet zeggen, dat het de wijn

was, welke hem die droefgeestigheid veroorzaakte; want, integendeel, hij

dronk slechts, om ze te bestrijden, maar dit middel deed hem nog

somberder worden. Men kon die verregaande zwartgalligheid ook aan het

spel niet wijten; want Porthos, integendeel, vergezelde met gezang of

gevloek al de wisselingen der fortuin, terwijl Athos even onverschillig

bleef, of hij won of verloor.... Men had hem eens op zekeren avond in

een gezelschap van musketiers drie duizend pistolen zien winnen,

verliezen, vervolgens zijn paard verliezen, zijn wapens, zelfs den met

goud geborduurden galabandelier; dit alles wederom herwinnen en

daarenboven nog honderd louis d’or, zonder dat zijn fraaie, zwarte

wenkbrauwen een lijn hooger of lager zich vertrokken, zonder dat zijn

handen haar parelachtigen weerschijn hadden verloren, zonder dat zijn

gesprekken, die dien avond zeer aangenaam waren, opgehouden hadden kalm

en vroolijk te zijn. Het was ook niet, zooals bij onze naburen de

Engelschen, de invloed van de weersgesteldheid, die hem somber stemde,

want zijn droefgeestigheid was gewoonlijk grooter in het schoonste

jaargetijde: Juni en Juli waren voor Athos verschrikkelijke maanden.

Voor het tegenwoordige was hij niet verdrietig, hij haalde de schouders

op, wanneer men hem over de toekomst sprak; zijn geheim was in het

verledene, zooals men het bedenkelijk aan d’Artagnan had te kennen

gegeven. Dat geheimzinnige waas, dat over geheel zijn wezen lag

verspreid, maakte den man nog belangrijker, wiens oogen noch mond, zelfs

in de verregaandste dronkenschap, iets hadden laten ontglippen, hoe

behendig de vragen ook waren geweest, die men tot hem richtte.

„Ach!” dacht d’Artagnan, „de arme Athos is misschien dood en door mijn

schuld gestorven; want ik was het, die hem in de zaak heb betrokken, van

welke hij de oorzaak niet kende, van welke hij de gevolgen niet zal

kennen en welke hem geen het minste voordeel kon opleveren.”--„Zonder

daarbij te rekenen,” antwoordde Planchet, „dat wij hem waarschijnlijk

het leven zijn verschuldigd. Herinnert gij u nog, hoe hij ons toeriep:

‚Voort, d’Artagnan, ik ben gevangen.’--En na zijn twee pistolen te

hebben gelost, wat vreeselijk geweld hij met zijn degen maakte! Men zou

gemeend hebben, dat er twintig mannen, of liever twintig razende duivels

aan den gang waren.”--Daar deze woorden de vurigheid van d’Artagnan nog

meer aanprikkelden, spoorde hij zijn paard aan, dat, niet noodig

hebbende te worden aangespoord, zijn ruiter in galop meevoerde.

Tegen elf uur bespeurde men _Amiëns_; te half twaalf was men voor de

deur der vervloekte herberg. D’Artagnan had dikwijls bij zich zelven

overlegd, op welke wijze hij op den verraderlijken waard een dier goede

wraaknemingen zou nemen, welke reeds bij voorbaat troosten. Hij trad dan

de herberg binnen, met den vilten hoed op de oogen gedrukt, de

linkerhand op de greep van zijn degen latende rusten, en zijn karwats in

zijn rechterhand zweepende.

„Herkent gij mij?” vroeg hij den herbergier, die naderde om hem te

groeten.--„Ik heb niet de eer, Excellentie!” antwoordde deze, nog

verblind door de schitterende vertooning, die d’Artagnan maakte.--„Ha!

gij kent mij niet?”--„Neen, edele heer!”--„Nu, dan zullen twee woorden

mij u wel doen herinneren. Wat hebt gij met den edelman uitgevoerd, dien

gij de stoutheid hadt, ongeveer veertien dagen geleden, als een valschen

munter te behandelen?”--De herbergier verbleekte, want d’Artagnan had

een dreigende houding aangenomen en Planchet volgde het voorbeeld zijns

meesters.--„Ach, edele heer! spreek er mij niet van!” riep de herbergier

op een huilenden toon, „ach, edele heer! hoe zwaar heb ik dien misslag

geboet. Ach, ongelukkige die ik ben!”--„Ik vraag u, wat er van dien

edelman is geworden?”--„Gelieve mij aan te hooren, edele heer! en wees

barmhartig. In Godsnaam, ga zitten.”--D’Artagnan, stom van woede en

ongerustheid, zette zich dreigend als een rechter. Planchet leunde

trotsch tegen den rug van d’Artagnan’s stoel.

„Ziehier hoe het zich heeft toegedragen, edele heer!” hernam de

herbergier bevende, „want nu herken ik u, gij waart het, die u

verwijderde, toen ik met den edelman, van wien gij spreekt, dien

rampzaligen twist had.”--„Ja, dat ben ik, gij hebt dus geen genade te

wachten, indien gij niet volkomen de waarheid zegt.”--„Gelieve mij aan

te hooren en gij zult alles weten.”--„Ik luister.”

„Ik was door de overheid verwittigd, dat een befaamde valsche munter,

in gezelschap van eenige zijner makkers, in mijn herberg zou

aankomen, allen vermomd in het gewaad der gardes, of in dat der

musketiers. Uw paarden, uw lakeien, uw gelaat, edele heer! was mij

aangeduid.”--„Vervolgens, vervolgens?” zeide d’Artagnan, die dadelijk

begreep, vanwaar het zoo nauwkeurig opgegeven signalement kwam.--„Ik nam

derhalve, volgens de bevelen der overheid, die mij een versterking van

zes mannen zond, de noodige maatregelen, ten einde mij van de personen

der gewaande valsche munters meester te maken.”--„Al weer!” riep

d’Artagnan, wien dat woord van valsche munters vreeselijk het oor

kittelde.--„Vergeef mij, mijnheer! zoo ik dat woord uitspreek; maar

hierin bestaat juist mijn verontschuldiging. Voor de overheid was ik

bevreesd, en gij weet, dat een herbergier haar moet ontzien.”--„Maar nog

eens, waar is die edelman? wat is er van hem geworden? Is hij dood? Is

hij levend?”--„Geduld, mijnheer! wij zijn er.”

„Er gebeurde dan wat gij weet, en hetgeen uw overhaast vertrek,” voegde

de herbergier er bij met een geslepenheid, die d’Artagnan niet ontging,

„scheen te wettigen. Die edelman, uw vriend, verdedigde zich wanhopend.

Zijn knecht, die door een onvoorzien toeval twist met de als staljongens

verkleede gerechtslieden gezocht had....”--„O, ellendeling!” riep

d’Artagnan, „gij waart het allen eens, en ik weet niet wat mij

weerhoudt, dat ik u niet allen vermorzel!”--„Helaas! neen, edele heer!

wij waren het allen niet eens, en gij zult het hooren. Mijnheer uw

vriend! (vergeef mij, dat ik hem niet bij zijn edelen naam noem, dien

hij zeker bezit, maar wij kennen hem niet), mijnheer uw vriend, na met

twee pistoolschoten twee mannen buiten gevecht te hebben gesteld, week

achteruit, terwijl hij zich met zijn degen verdedigde, met welken hij

nog een mijner mannen kwetste, en met het plat er van mij buiten kennis

deed neertuimelen.”--„Maar, beul! zult gij eindigen,” riep d’Artagnan,

„Athos! hoe is het met Athos afgeloopen?”--„Terwijl hij dan achteruit

deinsde, zooals ik aan Uwe Excellentie heb gezegd, ontmoette hij achter

zich de trap van den kelder, en daar de deur open stond, sprong hij er

in. Eenmaal in den kelder, maakte hij zich van den sleutel meester en

versperde de deur van binnen.... Dewijl men zeker was hem daar weer te

vinden, liet men hem met rust.”--„Ja,” zeide d’Artagnan, „men wilde hem

niet zoozeer het leven ontnemen dan wel gevangen nemen.”

„Gerechte God! hem gevangen nemen, edele heer! hij heeft zich zelven

gevangen genomen, dat zweer ik u. Vooreerst had hij een zwaar werk

verricht; een man was onder zijn slagen bezweken, en twee anderen

gevaarlijk gekwetst. De doode en de beide gekwetsten werden door hun

makkers weggevoerd, en nooit heb ik weer van den een, noch van den ander

hooren spreken. Toen ik weder tot bewustzijn kwam, ging ik den heer

gouverneur bezoeken, aan wien ik al het voorgevallene verhaalde, hem

vragende wat ik met den gevangene moest doen; maar de heer gouverneur

was alsof hij uit de wolken viel; hij zeide mij, dat hij volstrekt niet

wist, wat ik zeggen wilde, dat de bevelen, die mij gegeven waren,

volstrekt niet van hem kwamen, en dat, indien ik het ongeluk had, aan

wien het ook ware, te zeggen, dat hij het minste deel in die opschudding

had gehad, hij mij zou doen hangen. Het schijnt, dat ik mij bedrogen

had, mijnheer! en den een voor den ander had aangehouden, zoodat degene,

dien men had moeten aanhouden, zich gered heeft.”

„Maar Athos?” riep d’Artagnan, wiens ongeduld ten top steeg, hoorende

hoe de overheid de zaak aan zich zelve had overgelaten. „Wat is er van

Athos geworden?”--„Daar ik nu verlangend was zoo spoedig mogelijk het

ongelijk den gevangene aangedaan te herstellen,” hernam de herbergier,

„begaf ik mij naar den kelder, ten einde hem de vrijheid terug te geven.

Doch, helaas! mijnheer! het was geen man meer, maar een duivel. Op het

voorstel, hem zijn vrijheid terug te geven, zeide hij, dat zulks een

valstrik was, dien men hem legde, en dat hij, alvorens er uit te komen,

de voorwaarden wenschte te bepalen. Ik antwoordde hem nederig, want ik

ontveinsde mij den neteligen toestand niet, waarin ik mij had geplaatst,

door een musketier des konings aan te randen; ik zeide hem dan, dat ik

bereid was mij aan zijn voorwaarden te onderwerpen.

„‚Vooreerst,’ zeide hij, ‚verlang ik, dat men mij mijn lakei met al zijn

wapens teruggeve.’

„Men haastte zich aan dat bevel te gehoorzamen; want gij begrijpt wel,

mijnheer! dat wij bereid waren alles te doen, wat uw vriend verlangde.

De heer Grimaud, deze heeft zijn naam gezegd, ofschoon hij ook niet veel

spreekt, de heer Grimaud werd dan in den kelder gelaten, hoe gekwetst

hij ook was; nadat hij bij zijn meester gekomen was, versperde deze

opnieuw de deur en beval ons in onzen winkel te blijven.”--„Maar zeg dan

toch,” riep d’Artagnan, „waar is hij? waar is Athos?”--„In den kelder,

mijnheer!”--„Wat, ellendige! hebt gij hem al dien tijd in den kelder

gehouden?”--„Hemelsche goedheid! wel neen, mijnheer! zouden wij hem in

den kelder houden! Gij weet niet wat hij in den kelder doet? Ach! indien

gij hem dien kondt doen verlaten, mijnheer! ik zou er u mijn geheele

leven dankbaar voor zijn; ik zou u als mijn beschermheilige

vereeren.”--„Dus is hij dáár, en ik zal hem dáár vinden?”--„Wel zeker,

mijnheer! hij is er halsstarrig in gebleven. Dagelijks steekt men hem

door het luchtgat brood aan een hooivork toe en vleesch, wanneer hij er

om vraagt; maar, helaas! het is geen vleesch of brood, dat hij het meest

gebruikt. Eenmaal heb ik met twee knechts getracht naar beneden te gaan;

maar toen ontstak hij in een hevigen toorn. Ik hoorde het gerucht zijner

pistolen, van welke hij de hanen spande, en ook dat van het musket van

zijn knecht. Vervolgens antwoordde de meester, toen wij vroegen, wat hun

voornemens waren, dat hij en zijn lakei veertig schoten konden doen en

hij ze zou afschieten tot het laatste, liever dan te veroorloven dat een

onzer in den kelder kwam. Toen, mijnheer! ging ik den gouverneur mijn

klachten doen, doch deze antwoordde mij, dat ik had wat ik verdiende en

mij zulks zou leeren achtenswaardige edellieden te beleedigen, die hun

verblijf in mijn herberg namen.”

„Zoodat, sedert dien tijd....” hernam d’Artagnan, zich niet kunnende

weerhouden om het armzalig gelaat van zijn gastheer te lachen.--„Zoodat,

sedert dien tijd, mijnheer!” ging deze voort, „wij het treurigste leven

leiden, dat men zich kan verbeelden; want mijnheer! gij moet weten, dat

al onze voorraad mondbehoeften in den kelder is; zoowel onze gebottelde

wijn als de wijn op het stuk ligt er, het bier, de olie en de

specerijen, het spek en de worst, en dewijl het ons verboden is er

binnen te gaan, zijn wij genoodzaakt aan de reizigers, die bij ons

aankomen, eten en drinken te weigeren, tengevolge waarvan onze herberg

dagelijks achteruitgaat; wanneer uw vriend nog acht dagen in den kelder

blijft, zijn wij arm.”--„Dan hebt gij wat gij verdient, snaak! Zag men

niet aan ons voorkomen, dat wij voorname lieden en geen valsche munters

waren, zeg?”--„Ja, mijnheer! ja, gij hebt gelijk,” zeide de herbergier.

„Maar luister, luister, daar begint hij weer kwaad te worden.”--„Men zal

hem zeker gestoord hebben,” zeide d’Artagnan.--„Maar wij moeten hem wel

storen!” riep de waard; „er zijn twee Engelsche edellieden

aangekomen.”--„Welnu?”--„Welnu, de Engelschen houden van goeden wijn,

zooals gij weet, mijnheer! en deze hebben den besten gevraagd. Mijn

vrouw zal nu aan uw vriend verzocht hebben naar beneden te mogen gaan,

om dien heeren het verlangde te kunnen geven; maar hij zal, als naar

gewoonte, hebben geweigerd. Ach, goede God! daar begint de Sabbath

weer.”

D’Artagnan hoorde inderdaad een groot geweld in de richting van den

kelder; hij stond op, en door den herbergier voorafgegaan, die zich de

handen wrong, en gevolgd van Planchet, met zijn geladen musket, naderde

hij de plaats des schouwspels.

Beide edellieden waren buiten zich zelven van toorn; zij hadden een

langen tocht gemaakt en stierven van honger en dorst.

„Maar dat is dwingelandij!” riepen zij in zeer goed Fransch, hoewel met

een vreemden tongval, „dat die aartsgek die goede lieden het gebruik van

hun wijn niet toestaat. Welaan, wij zullen de deur intrappen en indien

hij razend is, zullen wij hem dooden.”--„Zacht wat, heeren!” zeide

d’Artagnan, zijn pistolen uit zijn gordelriem halende, „gij zult zoo

goed zijn niemand te dooden.”--„Goed, goed!” riep de kalme stem van

Athos achter de deur, „laten zij maar binnenkomen, die kindervreters, en

wij zullen eens zien.”

Hoe dapper ook, zagen beide Engelsche edellieden elkander aan en

aarzelden; het was alsof in dien kelder een hongerig gedrocht zich

ophield, een dier reusachtige helden der volkssprookjes, wier hol

niemand ongestraft binnentrad. Er heerschte een oogenblik stilte;

eindelijk schaamden zich echter beide Engelschen achteruit te gaan en de

kwaadaardigste van beiden ging de vijf of zes treden af, uit welke de

trap bestond, en gaf tegen de deur een schop als om een muur te

splijten.

„Planchet!” zeide d’Artagnan, zijn pistolen overhalende, „ik belast mij

met dengene, die boven is; belast gij u met hem, die beneden is. Ha,

heeren, gij wilt het gevecht? Welnu, men zal u een gevecht

geven!”--„Mijn God!” riep de holle stem van Athos, „ik hoor d’Artagnan,

geloof ik.”--„Waarlijk,” zeide d’Artagnan op zijn beurt de stem

verheffende, „ik ben het zelf, mijn vriend!”--„Zooveel te beter,” zeide

Athos: „wij zullen hun een lesje geven, die deuren-opentrappers.”

De edellieden hadden den degen getrokken; maar zij stonden als tusschen

twee vuren; zij aarzelden een oogenblik, maar de hoogmoed hield de

overhand en een tweede schop deed de deur in haar lengte kraken.

„Ga op zijde, d’Artagnan! ga op zijde!” riep Athos, „ga op zijde, ik ga

schieten.”--„Heeren!” riep d’Artagnan, wien de bezadigdheid nooit

verliet; „heeren! weest er op bedacht!.... Geduld, Athos!.... Gij mengt

u daar in een slechte zaak, en gij zult u laten doodschieten. Ziehier

mijn knecht en ik, die drie schoten op u zullen lossen, terwijl gij uit

den kelder evenveel te wachten hebt; vervolgens hebben wij nog onze

degens, met welke, dat verzeker ik u, mijn vriend en ik tamelijk handig

zijn. Laat mij de bereddering uwer en mijner zaken over. Zoo aanstonds

zult gij te drinken hebben, daar geef ik u mijn woord op.”--„Als er

overblijft....” bromde de stem van Athos spottend.

De waard voelde het koude zweet langs zijn ruggegraat loopen.--„Wat?

als er nog overblijft,” mompelde hij.--„Wat duivel! er moet

immers overblijven; wees dus gerust, zij zullen met hun tweeën uw

geheelen kelder niet hebben leeggedronken. Mijne heeren! steekt

uw degens in de scheede.”--„Welnu, steek gij uw pistolen in uw

gordelriem.”--„Gaarne.”--En d’Artagnan gaf het voorbeeld.

Toen zich tot Planchet wendende, gaf hij dezen een wenk, zijn musket bij

den voet te zetten. De Engelschen, nu overtuigd, staken al grommende hun

degens in de scheede. Men verhaalde hun de geschiedenis der

gevangenneming van Athos, en daar het echte edellieden waren, gaven zij

den herbergier ongelijk.

„Thans, mijne heeren!” zeide d’Artagnan, „gaat naar uw kamers en binnen

tien minuten, verzeker ik u, zal men u alles bezorgen, wat gij kunt

verlangen.”--De Engelschen groetten en verwijderden zich.--„Thans, nu ik

alleen ben, verzoek ik u, mijn waarde Athos! mij de deur te

openen.”--„Onmiddellijk,” zeide Athos.

Daarop hoorde men een groot gerucht van op elkander vallende takkebossen

en stommelende balken; het waren de verschansingen en de bolwerken van

Athos, die de belegerde zelf omwierp.

Een oogenblik daarna bewoog zich de deur, en men zag het bleeke hoofd

van Athos verschijnen, die met een snellen blik de gesteldheid van zaken

opnam. D’Artagnan wierp zich aan zijn hals en omhelsde hem teederlijk;

toen hem uit dat vochtige verblijf willende trekken, bespeurde hij eerst

dat Athos wankelde.--„Zijt gij gewond?” vroeg hij.--„Ik? volstrekt niet:

ik ben smoordronken, anders niet, en nooit heeft iemand zooveel gedaan

om het te worden. Lieve God! mijn gastheer! ik moet ten minste voor mijn

hoofd honderdvijftig flesschen hebben leeggedronken.”--„Barmhartigheid!”

riep de herbergier, „als de knecht slechts half zooveel als zijn meester

heeft gedronken, ben ik verloren.”--„Grimaud is een lakei van goeden

huize, die zich niet zou veroorloven datgene te gebruiken, wat ik

gebruik, hij heeft dus alleen uit het stuk gedronken; maar zie eens, ik

geloof, dat hij vergeten heeft de kraan te sluiten. Hoort gij het wel

loopen?”

D’Artagnan barstte in een luid gelach uit, dat de rilling van den

herbergier in een heete koorts veranderde. Tegelijkertijd verscheen

Grimaud achter zijn meester, met het musket op den schouder en met een

knikkend hoofd, zooals de dronken saters op de schilderijen van Rubens.

Hij was van voren en van achteren besproeid met een vette vloeistof, die

de herbergier erkende voor zijn beste olijfolie.

De stoet ging de gelagkamer door en nam bezit van de fraaiste kamer der

herberg, die d’Artagnan zich eigendunkelijk toeëigende. Onderwijl

snelden de herbergier en zijn vrouw met lampen den kelder binnen, die

hun zoolang was ontzegd geworden, en waar een akelig schouwspel hen

wachtte. Achter de verschansing, waarin Athos een bres had gemaakt om er

uit te komen en die uit takkebossen, planken en ledig vaatwerk bestond,

alles volgens de vestingbouwkunde op elkander gestapeld, bespeurde men

hier en daar, in plassen van olie en wijn zwemmende, de afgekloven

beenderen van hammen, terwijl een hoop gebroken flesschen den geheelen

linkerhoek van den kelder vulde en een vat, welks kraan was open

gebleven, door die opening de laatste druppels van zijn bloed verloor.

Het beeld van verwoesting en dood heerschte daar, zooals de dichter der

oudheid zegt, als op een slagveld. Van de vijftig worsten, die aan de

balken hadden gehangen, bleven er nauwelijks tien over. Toen drong het

gehuil van den herbergier en diens vrouw het gewelf des kelders door;

zelfs d’Artagnan werd er door bewogen. Athos verroerde zich niet eens.

Maar op de smart volgde de woede. De herbergier wapende zich met een

braadspit en stormde het vertrek binnen.

„Wijn!” riep Athos, den herbergier ziende.--„Wijn!” herhaalde de

ontstelde waard, „wijn! maar gij hebt voor meer dan honderd pistolen

gedronken; ik ben een bedorven, verloren, arm gemaakt man!”--„Och!”

zeide Athos, „wij zijn steeds dorstig gebleven.”--„Indien gij u slechts

vergenoegd hadt den wijn uit te drinken, maar gij hebt al de flesschen

gebroken.”--„Gij hebt mij op een hoop gestooten, die in elkander is

gevallen; dit is uw schuld.”--„Al mijn olie is verloren!”--„Olie is de

beste balsem voor wonden, en Grimaud moest de wonden wel verbinden, die

gij hem hadt toegebracht.”--„Al mijn worsten verslonden.”--„Er zijn

ontzettend veel ratten in dien kelder.”--„Gij zult mij alles betalen,”

riep de waard, buiten zich zelven.--„Drievoudige kinkel!” zeide Athos,

zich oprichtende, maar hij viel oogenblikkelijk weer neder; hij had het

overblijfsel zijner krachten vertoond.

D’Artagnan kwam hem te hulp door zijn karwats op te heffen. De

herbergier deinsde een schrede achteruit en barstte in geween los.--„Dat

zal u leeren,” zeide d’Artagnan, „de gasten, die God u zendt, beleefder

te behandelen.”--„God! zeg liever de duivel!”--„Mijn beste vriend!

indien gij voortgaat ons de ooren te verscheuren, zullen wij ons alle

vier in uw kelder sluiten, om te zien of werkelijk de schade zoo groot

is als gij zegt.”--„Welnu dan, edele heeren!” zeide de herbergier, „ik

heb ongelijk, ik beken het; maar voor alle zonden is barmhartigheid; gij

zijt groote heeren! en ik ben slechts een arm herbergier; gij zult

medelijden met mij hebben.”--„O! als gij zoo spreekt,” zeide Athos, „dan

breekt gij mij het hart, en de tranen zullen mij de oogen gaan

uitloopen, zooals de wijn uit uw vaten. Men is zoo kwaad niet als men er

uit ziet. Welaan! kom hier en praten wij eens.”

De herbergier naderde vreesachtig.--„Kom, zeg ik en vrees niet,” ging

Athos voort. „Op het oogenblik, dat ik u wilde betalen, had ik mijn

beurs op tafel gelegd.”--„Ja, edele heer!”--„Die beurs bevatte zestig

pistolen; waar is zij?”--„Ter Griffie neergelegd, edele heer! men zeide,

dat het valsch geld was.”--„Welnu, laat u de beurs teruggeven en behoud

de zestig pistolen.”--„Maar Uwe Excellentie weet wel, dat de Griffie

niets loslaat, wat zij eenmaal in handen heeft; indien het valsch geld

ware, was er nog hoop, maar ongelukkig is het goede munt.”--„Schik het

met de Griffie, mijn beste man! het raakt mij niet, te meer, daar mij

geen frank overblijft.”--„Laat zien,” zeide d’Artagnan, „waar is het

oude paard van Athos?”--„In den stal.”--„Hoeveel is het waard?”--„Op

zijn hoogst vijftig pistolen.”--„Het is tachtig waard, neem het en wees

tevreden.”--„Wat! verkoopt gij mijn paard?” zeide Athos, „verkoopt gij

mijn Bajazet? En waarop zal ik te velde trekken? op Grimaud?”--„Ik heb u

een ander paard medegebracht,” zeide d’Artagnan.--„Een ander?”--„Een

heerlijk!” riep de herbergier.--„Welaan! indien er een ander fraaier en

jonger paard is, neem dan het oude en geef te drinken.”--„Wat?” vroeg de

volkomen gerustgestelde waard.--„Van den wijn, die achter op de stelling

ligt; er zijn nog vijf en twintig flesschen; al de andere zijn door mijn

val gebroken. Breng er zes.”--„Maar dat is een bliksemsche kerel!” zeide

de herbergier bij zich zelven: „als hij nog slechts veertien dagen

blijft en alles betaalt wat hij drinkt, ben ik gered.”--„En vergeet

niet,” ging d’Artagnan voort, „vier flesschen van denzelfden aan die

Engelsche edellieden te bezorgen.”

„Thans,” zeide Athos, in afwachting van den wijn, „moest gij mij eens

verhalen, d’Artagnan, wat er van de anderen is geworden; laat hooren.”

D’Artagnan verhaalde hem, hoe hij Porthos had aangetroffen met een

ontwricht been, en Aramis aan tafel, tusschen twee theologanten. Terwijl

hij eindigde, trad de herbergier met de gevraagde flesschen binnen en

een ham, die gelukkig buiten den kelder was gebleven.

„Het is wel,” zeide Athos, zijn glas en dat van d’Artagnan vullende;

„ziedaar wat Porthos en Aramis betreft, maar gij, mijn vriend! wat deert

u en wat is u persoonlijk wedervaren? Gij ziet er mij zoo treurig

uit.”--„Helaas,” zeide d’Artagnan, „het is omdat ik de ongelukkigste van

allen ben!”--„Gij, ongelukkig, d’Artagnan!” riep Athos. „Laat hooren, op

wat wijze zijt gij ongelukkig, zeg mij dat eens!”--„Later,” antwoordde

d’Artagnan.--„Later! en waarom later? omdat gij gelooft, dat ik te veel

gedronken heb, d’Artagnan? Onthoud dit wel: nooit heb ik meer heldere

denkbeelden, dan wanneer de wijn in mij is. Spreek dus, ik ben geheel

oor.”

D’Artagnan verhaalde zijn avontuur met juffrouw Bonacieux. Athos

luisterde naar hem zonder zijn gelaat te vertrekken en toen hij

geëindigd had, zeide hij: „Altemaal niets! altemaal niets!” dat was de

gewone uitroep van Athos.--„Gij zegt altijd altemaal niets! mijn waarde

Athos!” zeide d’Artagnan; „dat past u in het geheel niet, u, die nooit

bemind hebt.”--Het doffe oog van Athos schoot eensklaps vuur; maar het

was slechts een weerlicht en het werd wederom dof en strak als

vroeger.--„Het is waar,” zeide hij bedaard, „ik, ik heb nooit

bemind.”--„Gij ziet dan ook wel, ongevoelig hart!” zeide d’Artagnan,

„dat gij ongelijk hebt, streng jegens meer teedere harten te

zijn.”--„Teedere harten, doorboorde harten!” zeide Athos.--„Wat zegt

gij?”--„Ik zeg, dat de liefde een loterij is, in welke hij, die wint,

den dood wint. Gij zijt wel gelukkig verloren te hebben, geloof mij,

waarde d’Artagnan! En als ik u een raad mag geven, verlies dan

altijd.”--„Zij scheen mij zoo oprecht te beminnen.”--„Zij scheen!”--„O!

zij beminde mij!”--„Kind! geen mensch of hij heeft, evenals gij,

geloofd, dat zijn minnares hem beminde, en geen mensch of hij is door

zijn minnares bedrogen geworden.”--„Behalve gij, Athos! die er nooit een

hebt gehad.”--„Dat is waar,” zeide Athos na een oogenblik zwijgens, „ik

heb er nooit een gehad. Laat ons drinken.”

„Maar dan, groote wijsgeer!” zeide d’Artagnan, „onderwijs

mij, ondersteun mij; ik heb noodig te leeren en getroost te

worden.”--„Waarover u te troosten?”--„Over mijn ongeluk.”--„Uw ongeluk

is belachenswaard,” zeide Athos, de schouders ophalende; „ik zou

wel willen weten, wat gij zeggen zoudt, indien ik u een zekere

liefdesgeschiedenis verhaalde.”--„Die u is gebeurd?”--„Of een mijner

vrienden, dat doet er niet toe.”--„Verhaal, Athos! verhaal!”--„Drinken

is beter.”--„Drink en verhaal.”--„Nu, dat kan,” zeide Athos, zijn glas

ledigende en weder vullende: „die beide dingen gaan heerlijk

samen.”--„Ik luister,” zeide d’Artagnan.

Athos overpeinsde en intusschen zag d’Artagnan hem verbleeken; hij was

op die hoogte der gewone drinkers, wanneer deze neervallen en slapen.

Hij droomde luide, zonder te slapen. Dat somnambulisme der dronkenschap

had iets verschrikkelijks.--„Wilt gij het volstrekt?” vroeg hij.--„Ja,

ik verzoek er u om.”--„Dan zal ik doen, wat gij verlangt. Een mijner

vrienden,--een mijner vrienden, hoort gij wel? niet ik,” zeide Athos,

zijn rede met een somberen glimlach afbrekende, „een der graven mijner

provincie,--dat is van _Berry_, edel als een Dandolo of een Montmorency,

verliefde, vijf en twintig jaar oud zijnde, op een meisje van zestien

jaar, schoon als de liefde. Boven de onschuld van haar ouderdom blonk

uit: een vurige geest, een niet vrouwelijke, maar dichterlijke geest.

Zij behaagde niet, zij bedwelmde; zij woonde in een klein gehucht, bij

haar broeder, die pastoor was. Beiden waren als vreemden in de provincie

gekomen. Men wist niet, van waar zij kwamen en aangezien men haar zoo

schoon en haar broeder zoo vroom vond, dacht men er niet eens aan hun te

vragen, van waar zij kwamen. Overigens hield men het er voor, dat zij

van goede afkomst waren. Mijn vriend, die landheer was, zou haar hebben

kunnen verleiden, of naar willekeur met haar handelen; want hij was de

meester; immers, wie zou twee vreemdelingen, twee onbekenden te hulp

zijn gekomen; maar helaas, hij was een eerlijk man; hij huwde haar. De

dwaas, de gek, de dommerik!”--„En waarom? hij beminde haar immers?”

zeide d’Artagnan.--„Wacht een oogenblik!” zeide Athos. „Hij geleidde

haar in zijn kasteel en maakte van haar de eerste dame der provincie; en

het moet gezegd worden, zij deed volkomen haar rang eer aan.”--„En

verder,” vroeg d’Artagnan.

„Welnu! op zekeren dag, dat zij met haar man op jacht was,” ging Athos

met gesmoorde stem en zeer haastig sprekende voort, „viel zij

bewusteloos van het paard. De graaf snelde te harer hulp en daar zij in

haar kleederen als verstikte, sneed hij ze met zijn dolk los en

ontblootte haar den schouder. Raad eens, wat zij op den schouder had,

d’Artagnan?” vroeg Athos, in luid gelach uitbarstende.--„Kan ik het

weten?” zeide d’Artagnan.--„Een lelie,”[9] hernam Athos, „zij was

gebrandmerkt!”--En hij ledigde in één teug het glas, dat hij in de hand

hield.

[9] Voor 1789 geschiedde in Frankrijk het brandmerken door dit

teeken, gelijk later door de letters T. F. (travaux forcés).

„Wat afschuwelijkheid verhaalt gij mij daar!” riep d’Artagnan.--„De

waarheid, mijn waarde! de engel was een duivelin. Het arme kind had

gestolen.”--„En wat deed de graaf?”--„De graaf was een groot heer en

oppermachtig rechter op zijn landgoederen; hij ging voort met de

kleederen der gravin te verscheuren, bond haar de armen op den rug en

hing haar op aan een boom.”--„Hemel! Athos! een moord!” riep

d’Artagnan.--„Ja, een moord!” zeide Athos, bleek als een lijk; „maar men

laat ons wijn ontbreken, geloof ik.”

En Athos greep de laatste flesch, die overbleef, bij den hals, zette die

aan den mond en dronk ze in één teug leeg, alsof het een gewoon glas

ware geweest. Vervolgens liet hij zijn hoofd in beide handen zinken;

d’Artagnan bleef voor hem zitten, van ontzetting vervuld.

„Dat heeft mij van den hartstocht voor schoone, dichterlijke en

verliefde vrouwen genezen,” zeide Athos, zich opheffende, zonder er aan

te denken het verhaal van den graaf te vervolgen; „dat God evenzoo met u

handele. Drinken wij nog eens.”--„Dus zij is dood?” stamelde

d’Artagnan.--„_Parbleu_!” antwoordde Athos. „Maar reik uw glas

toe.--Ham! snaak!” riep Athos, „wij kunnen niet meer drinken.”--„Maar

haar broeder?” vroeg d’Artagnan verder schroomvallig.--„Haar broeder!”

hernam Athos.--„Ja, de priester.”--„O! ik deed onderzoek naar hem, om

ook hem te doen ophangen; maar hij was mij vóór geweest; hij had zijn

standplaats den vorigen dag verlaten.”--„En heeft men vernomen, wat die

ellendeling eigenlijk was?”--„Het was de eerste minnaar en de

medeplichtige der schoone, een achtenswaardig man, die zich als priester

voordeed, om zijn minnares een huwelijk te bezorgen en haar lot te

verzekeren. Hij zal gevierendeeld zijn, hoop ik.”--„Ach, mijn God! mijn

God!” zuchtte d’Artagnan, geheel ontroerd door deze akelige

geschiedenis.--„Eet toch van die ham, d’Artagnan! zij is overheerlijk,”

zeide Athos, een snede afsnijdende, die hij op het bord des jongelings

legde. „Hoe jammer dat er niet vier zoodanige in den kelder zijn

geweest, ik zou vijftig flesschen meer hebben gedronken.”

D’Artagnan vermocht niet langer een gesprek vol te houden, dat hem

krankzinnig zou hebben gemaakt; hij liet zijn hoofd in beide handen

vallen en hield zich, alsof hij in slaap viel.

„Het jonge geslacht kan niet meer drinken,” zeide Athos, hem medelijdend

beschouwende; „en toch is hij nog de beste.”

De Drie Musketiers dl. I en II · 第 36 / 93 题