Porthos.
In plaats van zich rechtstreeks naar huis te begeven, bleef d’Artagnan
voor de deur van den heer de Tréville stil en liep haastig de trap op,
nu vast besloten hem alles te verhalen, wat er was voorgevallen.
Voorzeker zou hij hem in deze omstandigheid goeden raad geven;
vervolgens, daar de heer de Tréville bijna dagelijks de koningin sprak,
zou hij misschien in staat zijn van Hare Majesteit eenige inlichtingen
te verkrijgen omtrent de arme vrouw, aan wie men zeker haar trouw aan
haar meesteres deed boeten....
De heer de Tréville luisterde naar het verhaal van den jongeling met een
ernst, die bewees, dat hij in dit avontuur iets meer zag dan een
liefdesintrigue; vervolgens, toen d’Artagnan had geëindigd, zeide hij:
„Hm! door dit alles kan men Zijne Eminentie op een uur afstands
ruiken.”--„Maar wat te doen?” vroeg d’Artagnan.--„Niets, volstrekt niets
anders, dan dadelijk _Parijs_ verlaten, zooals ik u heb gezegd. Ik zal
de koningin spreken en haar de bijzonderheden van de ontvoering der arme
vrouw mededeelen, daar zij er zeker niet mede bekend is; die
bijzonderheden zullen haar van haar zijde tot richtsnoer verstrekken, en
bij uw terugkomst zal ik u misschien een goede tijding hebben mede te
deelen. Vertrouw hieromtrent op mij.”
D’Artagnan wist, dat, hoezeer Gaskonjer, de heer de Tréville de gewoonte
niet had te beloven en, wanneer zulks toevallig gebeurde, hij meer deed
dan hij beloofd had. Hij groette hem dan ook vol erkentelijkheid, zoowel
voor het verledene als voor het toekomstige, en de waardige kapitein,
die van zijn kant in den moedigen, standvastigen jongeling veel belang
stelde, drukte hem vriendelijk de hand, hem een goede reis wenschende.
Besloten den raad van den heer de Tréville dadelijk ten uitvoer te
brengen, begaf d’Artagnan zich naar de Doodgraversstraat, ten einde zijn
toebereidselen voor de reis te maken. No. 11 naderende, herkende hij den
heer Bonacieux, in zijn ochtendgewaad voor de deur zijner woning
staande. Al wat de voorzichtige Planchet omtrent het onheilspellend
karakter van zijn huisheer gezegd had, kwam toen opnieuw voor den geest
van d’Artagnan, die hem met meer aandacht beschouwde, dan hij tot
hiertoe had gedaan. Inderdaad, behalve die geelachtige, ziekelijke
kleur, die de vermenging van de gal met het bloed aanduidt, ofschoon
zulks toevallig kon ontstaan zijn, bemerkte d’Artagnan iets gluipends,
verraderlijks in de vertrekking der rimpels van zijn gezicht. Een schurk
lacht niet gelijk een eerlijk man, een huichelaar weent die tranen niet,
welke een oprecht mensch stort. Elke valschheid is een masker, en hoe
goed dit masker ook gevormd zij, kan men steeds, met een weinig
aandacht, het van het gezicht onderscheiden....
Het scheen dan aan d’Artagnan, alsof de heer Bonacieux een masker voor
had en wel het onaangenaamste masker, dat men zien kon. Door zijn afkeer
van dien man gedreven, wilde hij hem, zonder te spreken, voorbijgaan;
maar de heer Bonacieux riep hem, gelijk den vorigen dag.
„Wel zoo, jongeling!” zeide hij, „het schijnt, dat wij aan het
nachtbraken zijn? Zeven uur in den morgen, duivelsch! Mij dunkt, dat gij
de aangenomen gebruiken eenigszins hebt omgekeerd en te huis komt,
wanneer anderen uitgaan.”--„Men zal u hetzelfde verwijt niet doen,
mijnheer Bonacieux!” antwoordde de jongeling, „en gij zijt het toonbeeld
der ordelijke lieden. Het is waar, dat, wanneer men een jonge, schoone
vrouw bezit, men niet noodig heeft het geluk na te loopen; het geluk
komt u tegemoet, niet waar, mijnheer Bonacieux?”
Bonacieux werd zoo bleek als een lijk en een grijnzende glimlach vertrok
zijn gelaat.--„Ha! ha!” zeide hij, „gij zijt een grappige snaak. Maar
waar duivel! zijt gij toch van nacht geweest, jonge heer? Het schijnt,
dat het op de binnenwegen niet zindelijk was.”
D’Artagnan sloeg de oogen op zijn met slijk bedekte laarzen; maar door
deze beweging viel zijn blik gelijktijdig op de schoenen en kousen van
den winkelier; het was of men ze in denzelfden modderpoel had gedoopt,
want zoowel de eene als de andere waren met gelijkkleurige vlekken
bezoedeld. Toen doorvloog een snelle gedachte de ziel van d’Artagnan.
Die kleine, dikke, korte, grijze man, die soort van lakei in een
somberkleurig gewaad gekleed en door de krijgslieden, welke de koets
vergezelden, zonder eenige onderscheiding behandeld, was Bonacieux zelf
geweest. De echtgenoot was bij de ontvoering zijner vrouw tegenwoordig
geweest.
D’Artagnan overviel een hevige begeerte, den winkelier bij de keel te
grijpen en hem te worgen; maar, wij hebben het gezegd, hij was een zeer
voorzichtig jongeling en hij bedwong zich.
Intusschen was de verandering, welke er op zijn gezicht had plaats
gehad, zoo zichtbaar, dat Bonacieux angstig werd en een schrede
achteruit wilde treden; maar hij stond juist tegen de deur, die gesloten
was, welk stoffelijk beletsel hem dwong op zijn plaats te blijven.
„Ei! wilt gij schertsen, mijn beste man?” zeide d’Artagnan; „maar ik
geloof dat, wanneer mijn laarzen een sponsstreek noodig hebben, uw
kousen en schoenen wel dienen te worden afgeschuierd. Zoudt gij van uw
kant, meester Bonacieux! ook aan den zwier zijn geweest? Duivelsch! dat
zou onvergeeflijk zijn voor een man van uw jaren en die bovendien een
zoo lieve vrouw heeft.”--„Ach, mijn God, neen,” hernam Bonacieux; „maar
gisteren was ik te _Saint-Mandé_, om naar een dienstmaagd onderzoek te
doen, welke ik volstrekt noodig heb en daar de wegen slecht waren, heb
ik al dat slijk medegebracht, van hetwelk ik mij nog niet heb kunnen
reinigen.”
Het oord, dat Bonacieux aanwees, als zijnde het doel geweest van zijn
wandeling, strekte d’Artagnan tot een nieuw bewijs voor de gegrondheid
zijner vermoedens. Bonacieux had _Saint-Mandé_ genoemd, omdat
_Saint-Mandé_ juist het tegenovergestelde punt van _Saint-Cloud_ is.
Deze waarschijnlijkheid was een eerste troost. Indien Bonacieux wist,
waar zijn vrouw zich bevond, kon men altijd, tot de uiterste middelen
overgaande, den winkelier dwingen den mond te openen en zijn geheim te
openbaren. Het betrof alleen de waarschijnlijkheid in zekerheid te
veranderen.
„Vergeef mij, mijn waarde heer Bonacieux! indien ik met u geen
plichtplegingen maak,” zeide d’Artagnan; „maar niets veroorzaakt meer
dorst, dan niet geslapen te hebben. Ik heb dan ook een razenden dorst;
veroorloof mij een glas water bij u te drinken; gij weet, men weigert
dit niet tusschen buren.”--En zonder op het verlof van zijn huisheer te
wachten, trad d’Artagnan het huis binnen en wierp een snellen blik op
het bed.
Het bed was niet beslapen; dus Bonacieux niet te bed geweest. Hij was
eerst sedert een paar uren te huis gekomen en had zijn vrouw tot aan de
plaats vergezeld, werwaarts men haar had ontvoerd, of ten minste tot aan
de pleisterplaats.
„Ik dank u, meester Bonacieux!” zeide d’Artagnan, zijn glas ledigende,
„dat is alles, wat ik van u begeerde. Nu ga ik naar mijn kamer en zal
Planchet mijn laarzen laten schoonmaken en wanneer hij gedaan heeft, zal
ik hem tot u zenden, om, als gij wilt, uw schoenen te poetsen.”--En hij
verliet den winkelier, die geheel verbaasd was over dat zonderlinge
afscheid, zich zelven afvragende, of hij het niet was, die in de val was
geloopen.
Boven aan de trap ontmoette d’Artagnan Planchet, geheel ontsteld.--„O,
mijnheer!” riep de lakei, zoodra hij zijn meester zag, „al weer wat
anders; ik wachtte met ongeduld op uw tehuiskomst.”--„Wat is er dan?”
vroeg d’Artagnan.--„O, ik geef het u in honderd, in duizend te raden,
wat bezoek ik voor u, gedurende uw afwezigheid, ontvangen
heb.”--„Wanneer dat?”--„Een half uur geleden, terwijl gij bij den heer
de Tréville waart.”--„En wie is dan hier geweest? kom, spreek!”--„De
heer de Cavois.”--„De heer de Cavois?”--„In persoon.”--„De kapitein der
gardes van Zijne Eminentie?”--„Dezelfde.”--„Kwam hij mij in hechtenis
nemen?”--„Ik twijfelde er aan, mijnheer! en dat in weerwil van zijn
beleefd voorkomen.”--„Was hij zoo beleefd, zegt gij?”--„Dat is te
zeggen: dat hij zoo zoet als honig was, mijnheer!”--„Waarlijk?”--„Hij
kwam,” zeide hij, „vanwege den kardinaal, die u zeer genegen is, om u te
verzoeken, hem naar het _Palais-Royal_ te volgen.”--„En wat hebt gij hem
geantwoord?”--„Dat het niet mogelijk was, uit hoofde gij uit waart,
zooals hij zag.”--„Wat zeide hij toen?”--„Dat gij niet moest verzuimen
in den loop van den dag aan te komen; vervolgens voegde hij er zacht
bij:
„‚Zeg uw meester, dat Zijne Eminentie hem volkomen genegen is, en zijn
fortuin misschien van dit bezoek afhangt.’”
„Die list is niet zeer slim van den kardinaal,” hernam glimlachende de
jongeling.--„Ook ik merkte den valstrik en ik heb geantwoord, dat gij
bij uw terugkomst wanhopend zoudt zijn. De heer de Cavois vroeg mij
verder, waarheen gij getrokken waart.
„‚Naar _Troyes_, in _Champagne_,’ antwoordde ik.--‚En wanneer is hij
vertrokken?’--‚Gisteren avond.’”
„Planchet! mijn vriend! gij zijt waarachtig een kostelijk man.”--„Gij
begrijpt, mijnheer! dat ik gedacht heb, het altijd tijd genoeg zoude
zijn, indien gij den heer de Cavois mocht willen spreken, mij tot een
leugenaar te maken en te zeggen, dat gij niet vertrokken waart; dan ben
ik in dat geval de leugenaar en daar ik geen edelman ben, is het mij
geoorloofd te liegen.”--„Stel u gerust, Planchet! gij zult den naam van
een waarheidlievenden man behouden; binnen een kwartier vertrekken
wij.”--„Dat was de raad, dien ik mijnheer wilde geven; en zonder
nieuwsgierigheid, waarheen gaan wij?”--„_Pardieu_! naar de
tegenovergestelde zijde van die, welke gij hebt gezegd, dat ik gegaan
was. Bovendien, gij zijt immers even ongeduldig, eenige tijding van
Grimaud, Mousqueton en Bazijn te krijgen, als ik het ben om te weten,
wat er van Athos, Porthos en Aramis geworden is?”--„O ja, mijnheer!”
antwoordde Planchet, „en ik vertrek, wanneer gij verkiest; de
buitenlucht is, naar ik geloof, op dit oogenblik beter voor ons, dan die
van _Parijs_. Dus....?”--„Dus pak in, Planchet! en vertrekken wij; ik ga
vooruit, met mijn handen in den zak, opdat men niets vermoede. Gij zult
u met mij in het hotel der gardes vereenigen.... A propos, Planchet! ik
geloof, dat gij, ten aanzien van onzen huisheer, gelijk hebt en hij
inderdaad een gemeene kerel is.”--„O! geloof mij, mijnheer! als ik u
iets zeg; ik ben een goed gelaatkundige, dat verzeker ik u.”
D’Artagnan vertrok het eerst, zooals was afgesproken; toen, om zich
niets te wijten te hebben, richtte hij zijn schreden voor de laatste
maal naar de woningen zijner drie vrienden; men had niet de minste
tijding van hen ontvangen; alleen een welriekende brief met klein, zeer
fraai schrift was voor Aramis gekomen. D’Artagnan belastte zich met de
bezorging.
Tien minuten later vervoegde Planchet zich bij hem in den stal van het
hotel der gardes. D’Artagnan, om geen tijd te verliezen, had reeds zijn
paard gezadeld.
„Goed!” zeide hij tot Planchet, toen deze het valies op het zadel had
gebonden; „zadel nu de drie andere en vertrekken wij.”--„Gelooft gij,
dat wij spoediger zullen reizen met elk twee paarden?” vroeg Planchet
spotachtig.--„Neen, mijnheer de spotboef!” antwoordde d’Artagnan; „maar
met onze vier paarden kunnen wij onze drie vrienden terugbrengen, indien
wij ze althans levend terugvinden.”--„Dat nog al vrij toevallig zou
zijn,” antwoordde Planchet; „maar men mag aan de barmhartigheid Gods
niet twijfelen.”--„Amen,” zei d’Artagnan te paard springende, en beiden
verlieten het hotel der gardes, elk de tegenovergestelde zijde van de
straat inslaande, de eene _Parijs_ door de poort de la Villette, de
andere door die van Montmartre uitgaande, om elkander voorbij _St.
Denis_ weder te ontmoeten; welke krijgskundige beweging van weerszijden
met dezelfde stiptheid volbracht en met den gelukkigsten uitslag
bekroond werd. D’Artagnan en Planchet kwamen dus gelijktijdig
_Pierrefitte_ binnen.
Wij moeten bekennen, dat Planchet moediger overdag dan ’s nachts was.
Intusschen week van hem niet één oogenblik zijn aangeborene
voorzichtigheid; hij had geene der geringste bijzonderheden van de
vorige reis vergeten en hij beschouwde iedereen, dien hij tegenkwam, als
een vijand. Het gevolg hiervan was, dat hij steeds den hoed in de hand
had, hetgeen hem van de zijde van d’Artagnan hevige berispingen op den
hals haalde, die vreesde, dat, tengevolge zijner overdreven beleefdheid,
men hem als den knecht van een zeer geringen persoon zou aanzien.
Intusschen, hetzij dat de voorbijgangers werkelijk voor de beleefdheid
van Planchet gevoelig waren, hetzij dat nu niemand op den weg des
jongelings op post was gesteld, bereikten onze beide reizigers
_Chantilly_ zonder het minste ongeval en stegen af voor het hotel _de
Groote St. Maarten_, hetzelfde, waar zij de eerste reis hun intrek
hadden genomen.
De herbergier, een jongeling ziende, gevolgd door een lakei met twee
handpaarden, naderde eerbiedig voor de deur. En dewijl men reeds elf
mijlen had afgelegd, oordeelde d’Artagnan zich dáár te moeten ophouden,
al was Porthos dan ook niet in het hotel. Vervolgens dacht hij, dat het
niet voorzichtig was, dadelijk navraag te doen, wat er van den musketier
geworden was. Tengevolge dezer overwegingen steeg d’Artagnan, zonder in
het minst naar iemand te vernemen, af, de paarden zijn lakei
aanbevelende, waarop hij in een kleine kamer trad, bestemd tot ontvangst
dergenen, die verlangden alleen te zijn. Hij verzocht den herbergier om
een flesch van zijn besten wijn en een zoo goed mogelijk ontbijt, welk
verzoek den herbergier nog te meer versterkte in de goede meening, die
hij bij den eersten aanblik zich van den reiziger gevormd had.
D’Artagnan werd dan ook met een wonderbare snelheid bediend. Het
regiment der gardes bestond uit de eerste edellieden van het rijk en
d’Artagnan, gevolgd van een lakei en met vier paarden reizende, moest
ondanks de eenvoudigheid van zijn uniform niet weinig indruk maken. De
herbergier wilde hem in persoon bedienen; d’Artagnan, zulks bespeurende,
liet twee glazen komen en begon het volgende gesprek:
„Wel, mijn waarde gastheer!” zeide d’Artagnan, de beide glazen vullende,
„ik heb u den besten wijn gevraagd; hebt gij mij nu bedrogen, dan wordt
gij gestraft in hetgeen, waarin gij hebt gezondigd, dewijl, daar ik het
verfoei alleen te drinken, gij met mij zult drinken. Neem dus uw glas en
drinken wij.... Maar op wiens gezondheid zullen wij drinken, om niemands
denkwijze te kwetsen? Welaan, laat ons op den voorspoed van uw huis
drinken!”--„Uwe edelheid doet mij veel eer,” zeide de herbergier, „en ik
dank u oprecht voor uw wensch.”--„Maar bedrieg u niet,” zeide
d’Artagnan, „er is meer baatzucht in mijn toast dan gij misschien
vermoedt, immers alleen die huizen, waarin men wel ontvangen wordt, zijn
voorspoedig, maar in die herbergen, welke achteruit gaan, gaat alles
verkeerd en de reiziger is het offer der verlegenheid, waarin de
herbergier zich bevindt; derhalve ik, die veel op reis ben, en vooral
langs dezen weg, wil gaarne al de herbergiers fortuin zien
maken.”--„Inderdaad,” zeide de herbergier, „ik geloof, dat het niet voor
het eerst is, dat ik de eer heb mijnheer te zien?”--„O! ik ben ten
minste tien malen te _Chantilly_ geweest en van de tien keeren heb ik
mij zeker vier of vijf malen in uw herberg opgehouden. Zie, ik was hier
nog een tien of twaalf dagen geleden; ik vergezelde eenige vrienden,
waarvan er een in twist met een vreemdeling, een onbekende geraakte, die
uit ik weet niet wat oorzaak twist met hem zocht.”
„O ja, inderdaad,” zeide de herbergier, „ik herinner het mij volkomen.
Is het niet de heer Porthos, dien uwe edelheid bedoelt?”--„Dat is juist
de naam van mijn reisgenoot. Mijn God! mijn waarde gastheer, zou hem een
ongeluk zijn overkomen?”--„Maar uwe edelheid heeft immers moeten
opmerken, dat hij de reis niet heeft kunnen voortzetten?”--„Inderdaad
hij heeft beloofd ons te volgen, maar wij hebben hem niet
weergezien.”--„Hij heeft ons de eer aangedaan te blijven.”--„Hoe, heeft
hij u de eer gedaan te blijven?”--„Ja, mijnheer! in het hotel, en wij
zijn zeer ongerust.”--„En waarover?”--„Over zekere verteringen, die hij
maakt.”--„Zoo, maar wat hij verteert, zal hij betalen.”--„Ach, mijnheer!
gij giet waarlijk balsem in mijn wonden. Wij hebben zeer groote
voorschotten gedaan en nog heden morgen verklaarde de wondheeler, dat
indien de heer Porthos hem niet betaalde, hij mij zou aanspreken, uit
hoofde ik het was geweest, die hem had doen roepen.”--„Is Porthos dan
gekwetst?”--„Dat zou ik u niet kunnen zeggen, mijnheer!”--„Hoe! kunt gij
mij dat niet zeggen? gij moest dit echter het beste weten.”--„Ja, maar
in ons beroep zegt men niet alles wat men weet, mijnheer! vooral wanneer
men ons waarschuwt, dat onze ooren voor onze tong verantwoordelijk
zullen zijn.”--„Welnu, kan ik Porthos spreken?”--„Welzeker, mijnheer! ga
de trap op tot aan de eerste verdieping en klop aan No. 1; maar zeg, dat
gij het zijt.”--„Waarom moet ik zeggen, dat ik het ben?”--„Omdat er
anders voor u een ongeluk uit zou kunnen ontstaan.”--„En welk ongeluk
denkt gij, dat mij zou overkomen?”--„De heer Porthos zou u voor iemand
van het huis kunnen aanzien en in een aanval van toorn u den degen door
het lijf rijgen, of u door het hoofd kunnen schieten.”--„Wat hebt gij
hem dan toch gedaan?”--„Wij hebben hem om geld gevraagd.”--„O,
duivelsch! nu begrijp ik het; dat is een vraag, die Porthos volstrekt
niet kan verdragen, wanneer hij het niet heeft; maar ik weet, dat hij
geld moet hebben.”--„Wij dachten zulks ook, mijnheer, en dewijl alles
hier in huis zeer geregeld gaat en wij alle weken de rekeningen opmaken,
gaven wij, na verloop van acht dagen, hem zijn rekening; maar het
schijnt, dat wij een slecht oogenblik hadden gekozen, want bij het
eerste woord, dat wij omtrent de zaak zeiden, heeft hij ons naar alle
duivels gezonden; het is waar, dat hij den vorigen avond gespeeld had.”
„Hoe! had hij den vorigen avond gespeeld, en met wien?”--„Ach, mijn God!
wie kan dat weten? met een edelman, die hier aankwam en wien hij een
partij lansquenet voorsloeg.”--„Zoo is het! de ongelukkige zal alles
verloren hebben.”--„Zelfs zijn paard, mijnheer! want toen de vreemdeling
zich gereed maakte om te vertrekken, zagen wij zijn lakei het paard van
den heer Porthos zadelen. Wij deden hem dit opmerken, maar hij heeft ons
geantwoord, dat wij ons met zaken bemoeiden, die ons niet aangingen, en
dat het paard hem behoorde. Wij gaven toen dadelijk den heer Porthos
hiervan kennis; maar deze liet ons antwoorden, dat wij schurken waren,
als wij het woord eens edelmans betwijfelden, en zoo deze had gezegd,
dat het paard hem behoorde, zulks wel waar zou zijn.”--„Alleen hieraan
herken ik hem,” mompelde d’Artagnan.
„Toen,” hernam de herbergier, „liet ik hem zeggen, dat van het
oogenblik, dat wij bestemd schenen elkander omtrent het artikel van
geldzaken niet te verstaan, ik ten minste hoopte, dat hij met zijn gunst
mijn beroepsgenoot, den eigenaar van _de Gouden Arend_, zou vereeren;
maar de heer Porthos liet mij weten, dat, mijn hotel het beste zijnde,
hij er zou blijven. Dat antwoord was al te vleiend om op zijn vertrek
aan te dringen. Ik bepaalde mij dus hem te verzoeken, mij zijn kamer af
te staan, die de fraaiste van het hotel is, en zich met een lief
kamertje op de derde verdieping te vergenoegen. Maar hierop antwoordde
de heer Porthos, dat, dewijl hij elk oogenblik zijn minnares wachtende
was, een der grootste dames van het hof, ik moest begrijpen, dat de
kamer, welke hij mij de eer deed te bewonen, nog tamelijk gering was
voor een dergelijk persoon. Intusschen, hoezeer ik de waarheid van zijn
gezegde erkende, meende ik echter te moeten aandringen; maar zonder zich
de moeite te geven in de minste woordenwisseling te treden, greep hij
zijn pistool, legde het op zijn bedtafel en verklaarde mij, dat bij het
eerste woord, dat men hem over een of andere verhuizing naar binnen of
naar buiten zou spreken, hij dengene voor het hoofd zou schieten, die
onvoorzichtig genoeg zou zijn zich met een zaak te bemoeien, die hem
alleen aanging. Sedert dat oogenblik, mijnheer, is niemand in zijn kamer
geweest dan alleen zijn knecht.”
„Is Mousqueton dan ook hier?”--„Ja, mijnheer, vijf dagen na zijn vertrek
is deze ook in zeer slechte luim teruggekeerd; het schijnt, dat ook hij
eenige onaangenaamheden op reis heeft gehad. Ongelukkig is hij vlugger
dan zijn meester, hetgeen tengevolge heeft dat hij, ten behoeve van zijn
meester, alles het onderste boven werpt, omdat hij, vreezende dat men
hem zal weigeren wat hij vraagt, alles zonder vragen neemt, wat hij
noodig heeft.”--„Ik moet bekennen,” antwoordde d’Artagnan, „dat ik
steeds in Mousqueton een bovenmatige gedienstigheid en veel verstand heb
opgemerkt.”--„Dat is mogelijk, mijnheer! maar veronderstel dat het mij
slechts viermaal in het jaar gebeure met een dergelijken dienstvaardigen
en verstandigen knecht in aanraking te komen, dan word ik een arm
man.”--„Neen, want Porthos zal u betalen.”--„Hm!” liet de kastelein op
twijfelachtigen toon hooren.--„Hij is de gunsteling eener zeer voorname
dame, die hem voor een bagatel, als hij u schuldig is, niet in den steek
zal laten.”--„Indien ik durfde zeggen, wat ik hiervan denk.”--„Wat gij
hiervan denkt?”--„Ik zal meer zeggen: wat ik weet.”--„Wat gij
weet?”--„En zelfs waar ik zeker van ben.”--„Laat hooren, waarvan zijt
gij zeker?”--„Ik zal u zeggen, dat ik die groote dame ken.”--„Gij?”--„Ja
ik.”--„En hoe kent gij haar?”--„O, mijnheer! indien ik mij van uw
stilzwijgendheid kon verzekerd houden.”--„Spreek! ik geef u mijn woord
als edelman, dat uw vertrouwen u niet zal berouwen.”
„Welnu dan, mijnheer! gij beseft wel, dat ongerustheid tot vele
dingen doet overgaan.”--„Wat hebt gij gedaan?”--„O! niets, niets,
waartoe een schuldeischer geen recht heeft.”--„Kortom?”--„De heer
Porthos heeft ons een brief voor de hertogin ter hand gesteld, om dien
op de post te doen. Zijn knecht was nog niet aangekomen. Daar hij zijn
kamer niet kon verlaten, moest hij ons wel met zijn boodschappen
belasten.”--„Verder?”--„In plaats van den brief op de post te doen,
hetgeen nooit geheel zeker is, hebben wij van de gelegenheid gebruik
gemaakt, dat onze knecht naar _Parijs_ ging, en we hebben hem belast,
den brief in persoon bij de hertogin te bezorgen. Dit was immers
volkomen het oogmerk van den heer Porthos vervullen, die ons had
aanbevolen de grootste zorg voor dien brief te hebben, niet waar?”--„Ja,
min of meer.”--„Welnu, mijnheer! weet gij wel, wie die groote dame
is?”--„Neen, ik heb er alleen den heer Porthos over hooren spreken,
anders niet.”--„Kent gij die voorgewende hertogin niet?”--„Ik herhaal
het u, ik ken haar niet.”--„Zij is de oude vrouw van een procureur bij
het Châtelet, mijnheer! genaamd Cocquenard; zij is ten minste vijftig
jaren oud en doet nog alsof zij jaloersch was. Ook kwam het mij zeer
zonderling voor, van een prinses te hooren gewagen, die in de
Berenstraat woont.”--„Hoe weet gij dat?”--„Omdat zij in een hevige
gramschap ontstak, toen zij den brief ontving, zeggende, dat de heer
Porthos een losbol was en het zeker voor eene of andere vrouw was, dat
hij een degensteek had opgeloopen.”--„Hij heeft dus een degensteek
opgeloopen?”--„Ach, mijn God! wat heb ik daar gezegd?”--„Gij hebt
gezegd, dat Porthos een degensteek heeft ontvangen.”--„Ja, maar hij
heeft ons streng verboden, het te zeggen.”--„Waarom dat?”--„Wel,
mijnheer! omdat hij zich beroemd had dien vreemdeling te doorsteken, met
wien hij in twist was, toen gij hem verliet, terwijl het integendeel de
vreemdeling is geweest, die hem, ondanks zijn gepoch, heeft overwonnen.
En wijl de heer Porthos een zeer hoovaardig mensch is, behalve jegens
zijn hertogin, die hij heeft gemeend belang in te boezemen door haar
zijn avontuur te verhalen, wil hij aan niemand bekennen, dat hij een
degensteek heeft ontvangen.”--„Dus is het een degensteek, die hem te bed
houdt?”--„En een meesterlijke degensteek, dàt verzeker ik u. Uw vriend
moet de ziel in het lijf geschroefd zijn.”--„Waart gij er bij
tegenwoordig?”--„Mijnheer! ik was uit nieuwsgierigheid gevolgd, zoodat
ik het gevecht heb gezien, zonder dat de strijders mij zagen.”--„En hoe
is het afgeloopen?”--„O, de zaak liep spoedig ten einde, op mijn woord.
Zij stelden zich in postuur, de vreemdeling deed een loozen steek en
viel daarop uit en zulks zoo snel, dat toen de heer Porthos wilde
pareeren, hij reeds drie duim staal in de borst had. Hij viel
achterover. De vreemdeling zette hem dadelijk de punt van zijn degen op
den hals, en de heer Porthos, zich in de macht van zijn vijand ziende,
bekende zich overwonnen, waarop de vreemdeling hem zijn naam vroeg, en
hoorende dat hij Porthos heette en niet d’Artagnan, bood hij hem den
arm, bracht hem naar het hotel terug, steeg te paard en verdween.”
„Het was dus de heer d’Artagnan, dien die heer zocht?”--„Het schijnt van
ja.”--„En weet gij wat van dezen is geworden?”--„Neen, ik had hem nooit
vroeger gezien en wij hebben hem sedert ook niet meer gezien.”--„Goed,
ik weet nu, wat ik wilde weten. Gij zegt, dat de kamer van den heer
Porthos op de eerste verdieping No. 1 is?”--„Ja, mijnheer! de fraaiste
van het huis; een kamer, die ik reeds tien malen in de gelegenheid was
te verhuren.”--„O, wees gerust,” zeide d’Artagnan lachende, „Porthos zal
u betalen met het geld der hertogin Cocquenard.”--„Ach, mijnheer! het is
onverschillig of zij een procureursvrouw of een hertogin is, als zij
slechts haar beurs opent; doch zij heeft stellig geantwoord, dat zij de
eischen en ongetrouwheden van den heer Porthos moede was, en zij hem
geen penning zou zenden.”--„En hebt gij dat antwoord aan uw logeergast
overgebracht?”--„Wij hebben er ons wel voor gewacht; hij zou bemerkt
hebben, op welke wijze zijn boodschap was verricht.”--„Zoodat hij steeds
het geld wachtende is?”--„Ach, mijn God, ja. Nog gisteren heeft hij
geschreven; maar nu heeft zijn knecht den brief op de post
gebracht.”--„En gij zegt, dat de procureursvrouw oud en leelijk
is?”--„Vijftig jaar, ten minste, mijnheer! en in het geheel niet
lieftallig, naar hetgeen Pataud heeft gezegd.”--„In dat geval, wees
gerust, zij zal zich laten verteederen; bovendien, Porthos kan u niet
veel schuldig zijn.”--„Hoe! niet veel?.... Reeds een twintigtal
pistolen, zonder den heelmeester te rekenen. O, hij laat zich niets
ontbreken, weet gij; men ziet, dat hij aan een goed leven gewoon is.”
„Welnu, indien zijn minnares hem verliet, zal hij vrienden vinden, dat
verzeker ik u. Dus, mijn goede man! wees niet ongerust, en ga voort met
hem al die zorgen te bewijzen, die zijn staat vereischt.”--„Mijnheer
heeft mij beloofd, geen woord over de procureursvrouw te spreken, noch
van de wonde te reppen.”--„Dat is overeengekomen, gij hebt mijn
woord.”--„Ach! hij zou mij om het leven brengen, weet gij.”--„Wees niet
bevreesd, hij is zoo kwaad niet, als hij er uit ziet.”--En dit zeggende,
klom d’Artagnan de trap op, den herbergier een weinig hebbende
gerustgesteld omtrent twee zaken, over welke hij zich zeer scheen te
bekommeren: zijn geld en zijn leven.
Op de eerste verdieping, boven aan de trap, op de meest in het oog
vallende deur van den overloop, stond met zwarte inkt een reusachtig
geschilderd No. 1. D’Artagnan klopte en op de uitnoodiging om voorbij te
gaan, welke hem van binnen werd gedaan, trad hij binnen. Porthos lag te
bed en speelde een partij lansquenet met Mousqueton, om er de gewoonte
niet van te verliezen, terwijl een spit, waaraan patrijzen staken, voor
het vuur draaide, en in beide hoeken van een grooten schoorsteen op twee
komforen twee pannen stonden, uit welke een gemengde geur van gestoofde
hoenders en visch steeg, die de reukzenuwen streelde. Daarenboven waren
het bovenste van een secretaire en het marmeren blad van een latafel met
ledige flesschen bedekt.
Op het zien van zijn vriend slaakte Porthos een luiden vreugdekreet en
Mousqueton, eerbiedig opstaande, gaf hem zijn plaats over en ging een
blik werpen op de beide pannen, over welke hij het bijzonder toezicht
scheen te hebben.--„Wel, _pardieu_! zijt gij het!” riep Porthos tot
d’Artagnan. „Wees welkom en verontschuldig mij, indien ik u niet
tegemoet kom; maar,” ging hij voort, terwijl hij d’Artagnan aanzag, „gij
weet wat mij is overkomen?”--„Neen.”--„Heeft de herbergier u niets
gezegd?”--„Ik heb alleen naar u gevraagd en ben rechtstreeks naar boven
gegaan.”--Porthos scheen ruimer adem te halen.
„En wat is u dan overkomen, waarde Porthos?” vroeg d’Artagnan.--„Het
ongeluk wilde, dat, terwijl ik een uitval op mijn vijand deed, wien ik
reeds drie steken had toegebracht en met wien ik met een vierde wilde
afrekenen, ik toen over een steen struikelde, neerviel en mijn knie
verstuikte.”--„Waarlijk?”--„Op mijn eer; gelukkig voor dien schelm, want
ik had hem op de plaats gedood, dat verzeker ik u.”--„En wat is er van
hem geworden?”--„O, dat weet ik niet; hij heeft genoeg gehad en is
zonder meer te vragen vertrokken; maar wat is u gebeurd, mijn waarde
d’Artagnan?”--„Zoodat die verstuiking u in het bed houdt, mijn goede
Porthos?”--„Ach, mijn God! ja, niets anders, trouwens binnen eenige
dagen zal ik weder op de been zijn.”--„Maar waarom hebt gij u
niet naar _Parijs_ doen vervoeren? Gij moet u hier vreeselijk
vervelen.”--„Dat was mijn voornemen, maar mijn beste vriend, ik moet u
iets toevertrouwen.”--„Wat?”--„Wel, dewijl ik mij, zooals gij zegt,
vreeselijk verveelde en ik in mijn zak de vijf en zeventig pistolen van
het onder elkaar gedeelde nog vond, verzocht ik, om eenige uitspanning
te hebben, een hier zich ophoudenden edelman bij mij, om met hem een
partij te spelen. Hij nam den voorslag aan; en op mijn woord, de vijf en
zeventig pistolen zijn uit mijn in zijn zak overgegaan, zonder daarbij
te rekenen mijn paard, dat hij nog bovendien heeft medegenomen. Maar
gij, mijn waarde d’Artagnan?”
„Wat wilt gij, beste Porthos! men kan niet op alle wijzen bevoorrecht
worden,” zeide d’Artagnan; „gij kent het spreekwoord: Ongelukkig in het
spel, gelukkig in de liefde. Gij zijt al te gelukkig in de liefde, dat
het spel zich hierover niet zou wreken; maar wat raakt u de slechte
fortuin? Hebt gij niet, gelukkige schurk! hebt gij niet uw hertogin, die
niet kan nalaten u te hulp te komen?”--„Ja, maar luister, waarde
d’Artagnan, hoe alles mij tegenloopt,” zeide Porthos op een ongedwongen
toon; „ik heb haar geschreven, mij vijftig louis d’or te zenden, die ik
volstrekt noodig had, de gesteldheid, waarin ik mij bevind, in
aanmerking genomen.”--„En?”--„Wel, zij moet zeker op haar landgoederen
zijn, want zij heeft mij niet geantwoord.”--„Inderdaad!”--„Neen; ik heb
haar dan ook gisteren een nieuw epistel gezonden, nog dringender dan het
vorige. Maar, nu zijt ge hier terug, spreken wij dus over u. Ik begon,
ik verzeker het u, eenigszins over u ongerust te worden.”
„Maar uw gastheer gedraagt zich jegens u, naar het schijnt, zeer goed,
mijn waarde Porthos!” zeide d’Artagnan, den zieke de gevulde pannen en
de ledige flesschen aanwijzende.--„Stil, stil!” antwoordde Porthos.
„Reeds drie of vier dagen geleden bracht de onbeschaamde mij de
rekening, maar ik heb ze beiden, hem en zijn rekening, aan de deur
gezet, zoodat ik mij hier als een soort van overwinnaar of overweldiger
bevind. Ook ben ik omringd van wapens, zooals gij ziet, als voorzorg om
niet uit mijn vesting te worden verjaagd.”--„Intusschen,” zeide
d’Artagnan lachende, „schijnt gij nu en dan uitvallen te doen.”--En hij
toonde met den vinger de flesschen en de braadpannen.--„Neen, ik
ongelukkig niet,” zeide Porthos. „Die ellendige verstuiking houdt mij te
bed; maar Mousqueton gaat verkenningen doen en brengt levensmiddelen
mede. Mousqueton, mijn vriend! gij ziet, dat er versterking is gekomen;
wij zullen wat meer victualie noodig hebben.”
„Mousqueton!” zeide d’Artagnan, „gij zult mij een dienst moeten
doen.”--„Welken, mijnheer!”--„Uw recept aan Planchet te geven; ik zou op
mijn beurt belegerd kunnen worden, en het zou mij in dat geval niet
onaangenaam zijn, dat hij mij dezelfde voordeelen bezorgde, als die
waarvan gij uw meester doet genieten.”--„Ach, mijn God! mijnheer! niets
is gemakkelijker, er behoort slechts eenige behendigheid toe. Ik ben op
het land opgevoed en mijn vader was in zijn ledigen tijd min of meer een
wilddief.”--„En wat deed hij in den overigen tijd?”--„Mijnheer! hij
oefende een beroep, dat ik steeds tamelijk voordeelig heb
gevonden.”--„Welk?”--„Daar het in den tijd der religie-oorlogen tusschen
de roomschen en de hugenooten was, en hij de katholieken de hugenooten
en de hugenooten de katholieken zag vernielen, en dat alles in naam van
God, had hij een gemengd geloof omhelsd, hetgeen hem veroorloofde nu
eens katholiek, dan weder hugenoot te zijn. En daar hij gewoonlijk
achter de heggen, die den weg begrenzen, met zijn vuurroer op den
schouder, een wandeling ging doen, gebeurde het wel eens, dat hij een
katholiek eenzaam zag aankomen, in welk geval het protestantsch geloof
dadelijk in zijn ziel bovenkwam en hij zijn roer in de richting van den
reiziger liet neerzinken, en dan op tien schreden afstands een gesprek
met hem aanving, aan hetwelk gewoonlijk de reiziger een einde maakte
door zijn beurs af te staan om zijn leven te redden. Het spreekt
vanzelf, dat wanneer hij een hugenoot ontmoette, hij zich door een zoo
heiligen ijver voor het katholicisme voelde gedreven, dat hij zich niet
kon begrijpen, hoe hij een kwartier te voren eenigen twijfel had kunnen
koesteren omtrent de meerderheid van onzen heiligen godsdienst. Want ik,
mijnheer! ben katholiek; mijn vader, getrouw aan zijn grondbeginselen,
deed mijn oudsten broeder hugenoot worden.”
„En hoe is het met dien waardigen man afgeloopen?” vroeg
d’Artagnan.--„Ach, op de rampzaligste wijze, mijnheer! Op zekeren dag
was hij in een hollen weg tusschen een hugenoot en een katholiek
ingesloten, met wie hij reeds te doen had gehad en die hem beiden
herkenden, zoodat zij met elkander samenspanden en hem aan een boom
ophingen; daarna gingen zij zich beroemen op hun fraaie verrichting in
de herberg van het naaste dorp, waar wij, mijn broeder en ik, zaten te
drinken.”
„En wat deedt gij?” vroeg d’Artagnan.--„Wij lieten hen praten,” hernam
Mousqueton. „Vervolgens, daar zij bij het verlaten der herberg elk een
tegenovergestelde richting insloegen, begaf mijn broeder zich in een
hinderlaag op den weg van den katholiek en ik op dien van den
protestant. Twee uren later was alles afgeloopen; wij hadden van elk
hunner de rekening opgemaakt, terwijl wij intusschen het doorzicht van
onzen armen vader bewonderden, die de voorzorg had genomen, ons beiden
in een verschillenden godsdienst op te voeden.”
„Waarlijk, zooals gij zegt, uw vader schijnt mij een zeer verstandige
snaak te zijn geweest. En hij was dus in zijn ledigen tijd
jachtstrooper?”--„Ja, mijnheer! hij was het, die mij heeft geleerd een
strik te leggen en een vischlijn te hangen. Hiervan trok ik partij, want
toen ik zag, dat de schurkachtige herbergier ons met wat grof vleesch
voedde, alleen goed voor kinkels en dat volstrekt niet geschikt was voor
zulke zwakke magen als de onze, vatte ik min of meer mijn oud handwerk
weder bij de hand. Al wandelende, legde ik in de bosschen mijn strikken
en mij aan den kant der vischvijvers tot slapen neerleggende, liet ik de
vischlijnen in het water zinken. Zoodat thans, Goddank! zooals mijnheer
zich kan overtuigen, ons geen patrijzen, konijnen, karpers en paling
ontbreken en wij voorzien zijn van een licht en gezond voedsel, vooral
dienstig voor zieken.”
„Maar den wijn?” vroeg d’Artagnan, „wie levert u den wijn? de
herbergier?”--„Dat is te zeggen, ja en neen.”--„Hoe! ja en neen?”--„Hij
levert hem, dat is waar, maar hij weet niet, dat hij die eer
heeft.”--„Verklaar u, mijnheer! uw gesprek is vol leerzame
zaken.”--„Luister, mijnheer! het toeval wilde, dat ik gedurende mijn
omzwervingen een Spanjaard ontmoette, die veel had gereisd en onder
anderen in de nieuwe wereld was geweest.”--„Wat gemeens heeft de nieuwe
wereld met de flesschen, die op die secretaire en die ladetafel
staan?”--„Geduld, mijnheer, alles op zijn beurt.”--„Goed, Mousqueton, ik
wil aan uw verlangen voldoen en luisteren.”--„De Spanjaard had in zijn
dienst een lakei, die hem op zijn reis door _Mexico_ vergezeld had. Die
lakei was een mijner landgenooten, zoodat wij spoedig vrienden werden,
te meer, daar wij bijna hetzelfde karakter hadden. Beiden hielden wij
vooral van de jacht; en bij die gelegenheid verhaalde hij mij, hoe in de
vlakten van _Pampas_ de inboorlingen op de tijger- en buffeljacht
gingen, alleen met strikken, die zij om den nek dier vreeselijke dieren
wierpen. Eerst wilde ik niet gelooven, dat men een zoo hoogen graad van
behendigheid kon bereiken, om op een afstand van twintig of dertig
voetstappen een koord te werpen en met het einde er van te bereiken wat
men wil; maar door het bewijs moest de waarheid van het verhaal wel
erkend worden. Mijn vriend plaatste een flesch op twintig schreden
afstands en bij elken worp vatte hij den hals van de flesch in den
strik. Ik begon mij hierin te oefenen en daar de natuur mij met eenige
behendigheid heeft begaafd, slinger ik tegenwoordig den _lazzo_ evengoed
als de beste. Begrijpt gij nu? De herbergier heeft een zeer goed
voorzienen kelder, maar de sleutel er van verlaat hem nooit; intusschen
is er een luchtgat in dien kelder en door dat luchtgat slinger ik den
_lazzo_, juist op de plaats, waar ik bemerkt heb, dat de beste wijn
ligt.... Ziedaar, mijnheer! op wat wijze de nieuwe wereld in verband
staat met de flesschen, welke gij op die secretaire en op die ladetafel
ziet. Wilt gij nu onzen wijn eens proeven, dan kunt gij ons zonder
vooringenomenheid zeggen, wat gij er van denkt.”
„Ik dank u, mijn vriend, ik dank u, ongelukkig heb ik juist
ontbeten.”--„Welnu,” zeide Porthos, „dek de tafel, Mousqueton! en
terwijl wij zullen ontbijten, zal d’Artagnan ons zijn wedervaren
verhalen gedurende de acht dagen, welke hij van ons gescheiden
was.”--„Gaarne,” zeide d’Artagnan.
Terwijl Porthos en Mousqueton, met een honger van pas herstelden en met
die broederlijke eensgezindheid, welke de menschen in de ramp tot
elkander brengt, ontbeten, verhaalde d’Artagnan, hoe Aramis, gewond
zijnde, genoodzaakt was geweest te _Crèvecoeur_ te blijven; hoe hij
Athos te _Amiëns_ had gelaten, zich verdedigende tegen vier mannen, die
hem beschuldigden een valsche munter te zijn en hoe hij, d’Artagnan,
genoodzaakt was geweest over den buik van den graaf de Wardes te stappen
om in _Engeland_ te komen. Maar daartoe bepaalde zich slechts het
verhaal van d’Artagnan; hij vermeldde alleen, dat, bij zijn terugkomst
van _Groot-Brittanje_, hij vier prachtige paarden had medegebracht, van
welke een voor hem en een voor elk zijner vrienden was bestemd;
vervolgens eindigde hij, Porthos verwittigende, dat het zijne reeds in
den stal der herberg was.
Op dat oogenblik kwam Planchet binnen; hij berichtte zijn meester, dat
de paarden genoeg hadden gerust en het mogelijk was nog te _Clermont_ te
gaan slapen. D’Artagnan, nu tamelijk gerustgesteld omtrent Porthos en
ongeduldig naar tijding zijner twee andere vrienden, reikte den zieke de
hand en zeide hem, dat hij de reis ging vervolgen, om zijn nazoekingen
voort te zetten. Overigens rekende hij langs denzelfden weg te zullen
terugkomen, om, indien na acht dagen Porthos nog in het hotel _de Groote
St. Maarten_ zou zijn, hem in het voorbijkomen mede te nemen.
Porthos antwoordde, dat volgens alle waarschijnlijkheid zijn verstuiking
hem niet zou veroorloven vóór dien tijd op te staan. Bovendien moest hij
te _Chantilly_ blijven, om een antwoord zijner hertogin af te wachten.
D’Artagnan wenschte hem toe, dat hij dit antwoord spoedig en naar
begeeren mocht ontvangen, en na opnieuw Porthos aan Mousqueton
aanbevolen en zijn vertering aan den herbergier betaald te hebben, ging
hij met Planchet op weg, die nu van een zijner paarden was bevrijd.