HOOFDSTUK XXIV.

Het paviljoen.

Te negen uur was d’Artagnan in het hotel der gardes; hij vond Planchet

onder de wapens. Het vierde paard was ook gekomen. Planchet was met zijn

musket en een pistool gewapend.--D’Artagnan had zijn degen op zijde en

stak twee pistolen in zijn gordel; vervolgens stegen beiden te paard en

verwijderden zich in stilte. Het was volkomen nacht en niemand zag hen

uitgaan. Planchet volgde zijn meester en reed tien schreden achter hem

voort; d’Artagnan volgde de kaden, ging de poort _de la Conférence_ door

en den bekoorlijken weg langs, die naar _St. Cloud_ leidt, en toen veel

fraaier dan tegenwoordig was.

Zoo lang men in de stad was, bleef Planchet eerbiedig den afstand

bewaren, dien hij zich had voorgeschreven; maar zoodra de weg eenzamer

en donkerder begon te worden, naderde hij van lieverlede al meer en

meer, zoodat hij bij het binnenrijden van het bosch van _Boulogne_ zich

ongemerkt naast zijn meester bevond. Wij moeten niet ontveinzen, dat

inderdaad de beweging der groote boomen en het schijnsel der maan op de

donkere kreupelboschjes hem een grooten angst veroorzaakten.

D’Artagnan bemerkte, dat er bij zijn lakei iets buitengewoons

omging.--„Wel, wel, Planchet! wat mankeert er toch aan?”--„Vindt gij

niet, mijnheer! dat de bosschen als kerken zijn?”--„Waarom,

Planchet?”--„Omdat men in deze, evenmin als in gene, luide durft

spreken.”--„Waarom durft gij niet luide spreken, Planchet? Is het, omdat

gij bang zijt?”--„Uit vrees van gehoord te worden, mijnheer!”--„Uit

vrees van gehoord te worden? Ons gesprek is echter zeer zedelijk, mijn

waarde Planchet! en niemand zou er iets op hebben aan te merken.”--„O,

mijnheer!” hernam Planchet, tot zijn oorspronkelijk denkbeeld

terugkeerende. „O! wat heeft die mijnheer Bonacieux iets valsch in zijn

oogen, en iets onaangenaams op de lippen.”--„Wat duivel doet u aan

Bonacieux denken!”--„Mijnheer! men denkt aan hetgeen men kan, en niet

aan hetgeen men wil.”--„Omdat gij bang zijt, Planchet!”--„Mijnheer!

verwarren wij de voorzichtigheid niet met de lafhartigheid, de

voorzichtigheid is een deugd.”--„En gij zijt deugdzaam, niet waar,

Planchet?”--„Mijnheer! is dat niet de loop van een geweer, dat daar

ginds blinkt? Als wij een weinig het hoofd bogen.”--„Inderdaad,”

mompelde d’Artagnan, wien de aanbeveling van den heer de Tréville in het

geheugen kwam; „inderdaad, die snaak zou mij eindelijk bang doen

worden.”--En hij zette zijn paard in den draf.

Planchet volgde de beweging van zijn meester, volkomen alsof hij diens

schaduw ware geweest, en draafde naast hem voort.--„Rijden wij op die

wijze geheel den nacht door, mijnheer?” vroeg hij.--„Neen, Planchet!

want gij zijt ter plaatse uwer bestemming gekomen.”--„Wat, mijnheer! ben

ik aangekomen? en mijnheer?”--„Ik ga nog eenige schreden verder.”--„En

laat mijnheer mij hier alleen?”--„Zijt gij bang, Planchet?”--„Neen, maar

ik moet mijnheer alleen doen opmerken, dat de nacht zeer koud zal zijn,

dat de koelte rheumatiek doet ontstaan, en dat een lakei, door

rheumatiek gekweld, een treurig dienaar is, vooral voor een zoo vluggen

meester als mijnheer.”--„Welnu, wanneer gij kou gevoelt, Planchet, ga

dan in een dier herbergen, welke gij daar ginds ziet; gij kunt er mij

morgenochtend te zes uur voor de deur wachten!”--„Mijnheer, ik heb met

uw verlof voor de kroon, die gij mij dezen ochtend hebt gegeven, gegeten

en gedronken, zoodat mij geen enkele penning in den zak is overgebleven,

om mij voor de koude te gaan beschutten.”--„Daar hebt gij een halve

pistool. Tot morgen!”

D’Artagnan klom van zijn paard, wierp den toom op den arm van Planchet

en verwijderde zich haastig, zich in zijn mantel wikkelende.--„God! wat

is het koud!” riep Planchet, zoodra hij zijn meester uit het oog had

verloren; en ongeduldig zich te verwarmen, haastte hij zich aan de deur

van een huis te kloppen, dat met al de kenteekenen eener dorpsherberg

prijkte.

Intusschen had d’Artagnan een smallen binnenweg ingeslagen en _St.

Cloud_ bereikt; maar in plaats van de groote straat te volgen, sloeg hij

achter het kasteel om, ging een soort van steeg door, en bevond zich dra

voor het aangeduide paviljoen. Het was in een geheel eenzame plek

gelegen. Een groote muur, aan welks hoek dat paviljoen stond, liep langs

een der zijden van de steeg, terwijl aan de andere zijde een haag een

kleinen tuin beschutte, aan welks einde een ellendige hut stond.

Hij was op de plaats der samenkomst gekomen, en dewijl men hem niet

gezegd had, zijn tegenwoordigheid door een of ander teeken aan te

kondigen, wachtte hij.--Geen enkel gerucht werd vernomen; men zou

gemeend hebben op honderd uren afstands van de hoofdstad te zijn.

D’Artagnan ging tegen de heg staan, na een blik achter zich te hebben

geworpen. Achter die heg, dien tuin en die hut hulde een donkere nevel

in zijn plooien die uitgestrektheid, waarin _Parijs_ slaapt, die

gapende, onafzienbare ruimte, waarin slechts eenige lichtende punten

blonken, als even zoovele vonken uit de hel. Maar voor d’Artagnan namen

alle gedaanten een liefelijken vorm aan; al zijn denkbeelden glimlachten

hem toe; de dichtste duisternis was voor hem doorschijnend. Het uur der

samenkomst zou slaan.

Inderdaad, na eenige oogenblikken deed de klok van _St. Cloud_ langzaam

tien slagen uit haar brullenden, gapenden muil klinken. Er lag iets

akeligs in die bronzen stem, die dus weeklaagde te midden van den

nacht.... Maar elk dier slagen, welke het verwachte uur aankondigde,

trilde welluidend in het hart des jongelings. Zijn oogen waren gevestigd

op het kleine paviljoen aan den hoek van den muur, welks vensters alle

door luiken gesloten waren, behalve een der eerste verdieping. Door dit

venster blonk een zacht licht, dat het trillende gebladerte van twee of

drie lindeboomen verzilverde, die zich buiten het park groepsgewijze

verhieven. Ongetwijfeld wachtte hem achter dat zoo liefelijk verlichte

venster de lieve juffrouw Bonacieux.

Door die zoete gedachte gestreeld, wachtte d’Artagnan een half uur

zonder het minste ongeduld, de oogen op dat klein bevallig verblijf

gevestigd houdende, van hetwelk hij een gedeelte van de met verguld

beeldwerk versierde zoldering kon zien, die de pracht van het overige

der kamer deed vermoeden. De klok van _St. Cloud_ sloeg half elf. Nu,

zonder dat hij zich zulks kon verklaren, liep een rilling door

d’Artagnan’s aderen. Misschien ook wel dat de koude hem overviel en hij

als een zielsgewaarwording beschouwde, hetgeen slechts een lichamelijke

aandoening was.

Vervolgens dacht hij, dat hij kwalijk had gelezen, en de samenkomst niet

vroeger dan te elf uur was bepaald. Hij naderde het venster, plaatste

zich onder een lichtstraal, haalde den brief uit zijn zak en herlas

dien; hij had zich niet bedrogen, de samenkomst was wel degelijk op tien

uur bepaald. Hij hernam zijn plaats, tamelijk ongerust wordende over

deze stilte en eenzaamheid. Het sloeg elf uur....

D’Artagnan begon nu wezenlijk te vreezen, dat juffrouw Bonacieux eenig

ongeluk mocht zijn overkomen. Hij klapte driemaal in zijn handen, het

gewone sein der verliefden, maar niemand antwoordde hem, zelfs niet de

echo. Toen dacht hij met zekere spijt, of misschien, al wachtende, de

jonge vrouw in slaap gevallen was. Hij naderde den muur en beproefde

dien te beklimmen; maar daar hij kortelings vernieuwd was, sleet

d’Artagnan er tevergeefs zijn nagels op.

Op dat oogenblik bemerkte hij de boomen, welker bladeren het licht bleef

verzilveren, en daar een hunner op den weg vooruitstak, dacht hij, te

midden der takken, een blik in het paviljoen te kunnen werpen. De boom

was gemakkelijk te beklimmen.... Buitendien, d’Artagnan was nauwelijks

twintig jaar, en bijgevolg herinnerde hij zich nog zeer goed zijn

bedrijf als schoolknaap. In een oogenblik was hij tusschen de takken en

door de heldere glasruiten wierp hij een blik in het binnenste van het

paviljoen. Het was iets zonderlings, dat d’Artagnan aanschouwde en dat

hem van het hoofd tot de voeten deed beven. Dat zachte, kalme lamplicht

verlichtte een tooneel van vreeselijke verwarring; een der glasruiten in

het venster was gebroken, de deur der kamer ingetrapt, hing half

gebroken aan haar hengsels; een tafel, waarop een heerlijk maal was

aangericht geweest, lag omver; gebroken flesschen, vertrapte vruchten

lagen op den vloer verspreid; alles getuigde in deze kamer van een

hevige, wanhopige worsteling. D’Artagnan meende zelfs onder dat

zonderlinge mengelmoes brokken van kleedingstukken en eenige

bloedvlekken te bemerken, die het tafellaken en de gordijnen

bezoedelden. Hij haastte zich den boom af te klimmen, terwijl zijn hart

vreeselijk klopte; hij wilde nu zien, of hij niet meer sporen van

gewelddadigheid zou vinden.

Het kleine zachte licht blonk steeds in de duisternis van den nacht.

D’Artagnan zag toen iets, dat hij aanvankelijk niet had opgemerkt, want

niets had hem tot dat onderzoek gedreven, namelijk dat de grond hier

platgetreden was, elders gaten, sporen van verwarde voetstappen van

menschen en paarden vertoonde. Bovendien hadden de wielen van een

rijtuig, dat van _Parijs_ scheen te zijn gekomen, in de zachte aarde een

diep spoor gegroefd, dat zich niet verder uitstrekte dan tot aan het

paviljoen, en vandaar weder in de richting naar _Parijs_ terugkeerde.

Eindelijk vond d’Artagnan, zijn onderzoek voortzettende, bij den muur

een gescheurden vrouwenhandschoen. Intusschen was die handschoen, overal

waar hij niet door het slijk bezoedeld was geworden, van een

onberispelijke frischheid. Het was een dier welriekende handschoenen,

welke het den minnaars des te aangenamer doet zijn, een fraaie hand te

drukken.

Naarmate d’Artagnan met zijn nazoekingen voortging, parelde een meer

overvloedig en koeler zweet op zijn voorhoofd, zijn hart werd door een

vreeselijken angst toegenepen, en zijn ademhaling was hijgende, echter

zeide hij bij zich zelven, om zich gerust te stellen, dat dit paviljoen

met juffrouw Bonacieux niets gemeens had; dat de jonge vrouw vóór dat

paviljoen, maar niet er in de samenkomst bedoeld had; dat zij misschien,

wegens dienstzaken, te _Parijs_ had moeten blijven, of wellicht ook wel

tengevolge der jaloezie haars mans. Maar al die redeneeringen vervielen,

werden vernietigd, omvergeworpen door dat inwendige smartgevoel, hetwelk

zich in sommige omstandigheden van ons geheele wezen meester maakt, en

door alles wat bestemd is ons iets te kennen te geven, waarschuwt, dat

er een groote ramp boven onze hoofden zweeft.

Toen werd d’Artagnan bijna waanzinnig; hij liep den grooten weg op,

sloeg denzelfden weg in, dien hij reeds genomen had, begaf zich naar de

overzetpont en ondervroeg den veerman. Omstreeks zeven uur had de

veerman een vrouw in een zwarten mantel gehuld de rivier overgezet; zij

had alle blijken gegeven er belang bij te hebben niet herkend te worden;

maar juist uit hoofde van alle voorzorgen, welke zij nam, had de veerman

met nog meer oplettendheid haar gadegeslagen en bemerkt, dat de vrouw

jong en schoon was. Destijds zoowel als thans waren er een menigte

jonge, schoone vrouwen, die zich naar _St. Cloud_ begaven en er belang

bij hadden niet gezien te worden, en toch twijfelde d’Artagnan geen

oogenblik, dat het juffrouw Bonacieux was geweest, die de veerman had

opgemerkt.

D’Artagnan maakte gebruik van de lamp, die in de hut des veermans

brandde, om nogmaals het briefje van juffrouw Bonacieux te herlezen en

zich te verzekeren, dat hij zich niet bedrogen had, dat de samenkomst

wel degelijk te _St. Cloud_ en niet elders was bepaald; voor het

paviljoen van den heer d’Estrées en niet in een andere straat. Alles

vereenigde zich om d’Artagnan te bewijzen, dat zijn voorgevoel hem niet

bedroog en er een groot ongeluk was voorgevallen.

Hij sloeg den weg naar het kasteel weer in, hard loopende; het was hem,

alsof gedurende zijn afwezigheid in het paviljoen misschien iets nieuws

zou zijn gebeurd en meer inlichtingen hem daar wachtten. De steeg was

steeds eenzaam, en hetzelfde zachte, rustige licht verspreidde zich uit

het venster. D’Artagnan dacht toen aan die stomme, blinde hut, die

waarschijnlijk had gezien en misschien kon spreken. De deur der

omheining was gesloten, maar hij sprong de heg over, en ondanks het

geblaf van een hond aan den ketting, naderde hij de hut.

Zijn eerste geklop werd niet beantwoord. Een doodsche stilte heerschte

zoowel in de hut als in het paviljoen; intusschen, daar die hut zijn

laatste hulpmiddel was, bleef hij volharden. Dra meende hij een zwak

gerucht van binnen te hooren, een angstig gerucht, dat zelfs scheen te

beven gehoord te worden. Toen hield d’Artagnan op met kloppen en smeekte

zoo angstig, zoo vriendelijk en vleiend, dat zijn stem in staat ware

geweest den beschroomdsten gerust te stellen. Eindelijk opende zich

slechts een vingerbreedte een oud vermolmd luik, doch sloot zich weder

dadelijk, zoodra het schijnsel eener ellendige lamp, die in een hoek

brandde, den bandelier, den degengreep en de loopen der pistolen van

d’Artagnan had verlicht.

Intusschen, hoe snel die beweging ook was geweest, had d’Artagnan echter

den tijd gehad, even het hoofd eens grijsaards te zien.--„In ’s hemels

naam!” zeide hij, „luister naar mij; ik wacht iemand, die niet komt, en

ik sterf van angst. Zou er een ongeluk in de nabijheid zijn

voorgevallen? spreek!”

Het venster werd wederom langzaam geopend, en hetzelfde gezicht

vertoonde zich opnieuw; maar het was nog bleeker dan te voren.

D’Artagnan verhaalde eenvoudig zijn geschiedenis, behalve de namen; hij

zeide een afspraak te hebben gemaakt met een jonge vrouw, om elkander

voor het paviljoen aan te treffen en hoe hij, haar niet ziende komen, in

den lindeboom geklommen was, van waar hij, bij het schijnsel der lamp,

de wanorde in de kamer heerschende gezien had.

De grijsaard luisterde aandachtig, terwijl zijn gebaren te kennen gaven,

dat hij van de zaak iets wist. Vervolgens, toen d’Artagnan geëindigd

had, schudde hij het hoofd op een wijze, die niets goeds voorspelde.

„Wat wilt gij zeggen?” riep d’Artagnan. „In ’s hemels naam! laat hooren,

verklaar u!”--„Ach, mijnheer!” zeide de grijsaard, „vraag mij niets;

indien ik u verhaalde, wat ik gezien heb, zou er voor mij zeker niets

goeds uit voortspruiten.”--„Hebt gij dan iets gezien?” hernam

d’Artagnan. „Zoo ja,” ging hij voort, hem een pistool toewerpende, „in

’s hemels naam! zeg, zeg mij dan, wat gij gezien hebt en ik geef u mijn

woord als edelman, dat geen enkel uwer woorden over mijn lippen zal

komen.”

De grijsaard las zooveel openhartigheid en smart op het gezicht van

d’Artagnan, dat hij een teeken gaf te luisteren en tot hem met zachte

stem zeide: „Het zal ongeveer negen uur zijn geweest, toen ik, eenig

gerucht op straat hoorende en begeerig te weten wat er voorviel, naar de

deur liep; daar ontwaarde ik, dat men trachtte binnen te komen. Arm

zijnde en niet vreezende bestolen te worden, opende ik en zag op eenigen

afstand drie mannen. In de schaduw stond een bespannen koets en

gezadelde paarden. Die gezadelde paarden behoorden blijkbaar aan de drie

mannen, welke als ruiters waren gekleed.

„‚Ach, goede heeren!’ riep ik, ‚wat verlangt gij?’--‚Gij hebt zeker een

ladder?’ zeide mij degene, die de aanvoerder scheen te zijn.--‚Ja,

heeren! die waarmede ik mijn vruchten pluk.’--‚Geef ons die en ga in

huis; ziedaar een kroon voor de moeite, die wij u veroorzaken. Herinner

u echter, indien gij een woord spreekt over hetgeen gij zult zien en

hooren, want welke bedreigingen wij u doen, zult gij toch zien en

luisteren, hiervan ben ik zeker, zijt gij verloren.’

„Na dit gezegd te hebben, wierp hij mij een kroon voor de voeten, die ik

opraapte, en hij nam mijn ladder. En werkelijk, na de deur der omheining

achter hen gesloten te hebben, hield ik mij, alsof ik naar huis wilde

terugkeeren, maar ik ging onmiddellijk de achterdeur weer uit en in de

schaduw voortsluipende, bereikte ik de groep vlierboomen, uit welke ik

alles kon zien zonder gezien te worden. De drie mannen hadden in stilte

de koets doen naderen; zij lieten er een klein, dik, kort, grijs

mannetje uit komen, die op een belachelijke wijze in een donkerkleurig

gewaad was gekleed; deze klom behoedzaam de ladder op, zag gluipend de

kamer in, klom weder stil af en mompelde half luid: ‚Zij is het!’

Onmiddellijk naderde toen degene, die mij had toegesproken, de deur van

het paviljoen, opende die met een sleutel, dien hij bij zich had, sloot

de deur weder en verdween. Tegelijkertijd klommen beide andere mannen de

ladder op. De kleine man bleef bij het portier staan; de koetsier hield

de teugels der koetspaarden en een lakei de gezadelde paarden vast.

Eensklaps werd een luid geschreeuw uit het paviljoen gehoord, een vrouw

liep naar het venster en opende het, als om er zich uit te werpen; maar

toen zij de twee mannen zag, trad zij schielijk achteruit; en de beide

mannen sprongen achter haar de kamer binnen. Toen zag ik niets meer,

maar ik hoorde een gerucht als van brekend huisraad.--De vrouw

schreeuwde en riep om hulp. Maar spoedig werden haar kreten gesmoord; de

drie mannen naderden het venster, de vrouw in hun armen wegdragende;

twee gingen de ladder af en droegen haar in het rijtuig, waarin de

kleine oude zich na haar begaf. Hij, die in het paviljoen was gebleven,

sloot het venster, trad een oogenblik daarna uit de deur en verzekerde

zich, dat de vrouw in het rijtuig was; zijn beide gezellen wachtten hem

reeds te paard, hij sprong op zijn beurt in den zadel; de lakei zette

zich naast den koetsier; de koets verwijderde zich in galop, begeleid

door de drie ruiters, en alles was geëindigd. Van toen af heb ik niets

meer gezien, niets meer gehoord.”

D’Artagnan, verpletterd door een zoo vreeselijke tijding, bleef

onbeweeglijk, sprakeloos staan, terwijl al de duivels des toorns en der

jaloezie in zijn hart brulden.

„Maar, edele heer!” hernam de grijsaard, op wien die stomme wanhoop

zeker meer indruk maakte dan gekerm en geween hadden kunnen

teweegbrengen, „kom, treur niet, zij hebben haar niet om het leven

gebracht, en dat is het voornaamste.”--„Weet gij min of meer,” vroeg

d’Artagnan, „wie de man is, die dien helschen aanslag aanvoerde?”--„Ik

ken hem niet.”--„Maar dewijl gij hem gesproken hebt, moet gij hem gezien

hebben.”--„O, gij meent hoe hij er uitzag?”--„Ja.”--„Een groot, mager,

bruin man, met zwarte knevels, zwarte oogen, en al het uiterlijke van

een edelman.”--„Hij is het!” riep d’Artagnan; „wederom hij! altijd hij!

Hij is mijn duivel! naar het schijnt. En de andere?”--„Wie?”--„De

kleine.”--„O, die was geen edelman, dat verzeker ik u; bovendien, hij

droeg geen degen en de anderen behandelden hem zonder de minste

onderscheiding.”--„Een lakei waarschijnlijk,” mompelde d’Artagnan. „Ach,

arme vrouw, wat hebben zij met haar gedaan?”--„Gij hebt mij

geheimhouding beloofd,” zeide de grijsaard.--„En ik herhaal u mijn

belofte, wees gerust, ik ben edelman. Een edelman heeft slechts één

woord, en ik heb u het mijne gegeven.”

D’Artagnan sloeg, met een door smart verbitterd hart, den weg naar de

overzetpont weer in. Nu eens kon hij niet gelooven, dat het juffrouw

Bonacieux was geweest en hij hoopte haar den volgenden dag in het Louvre

weer te vinden, dan weder vreesde hij, dat zij, in liefdesbetrekking met

een anderen staande, door een jaloerschen minnaar was verrast en

ontvoerd. Hij was onzeker, bedroefde zich en wanhoopte.--„O, indien ik

mijn vrienden bij mij had!” riep hij, „dan bleef mij ten minste eenige

hoop over, haar weer te vinden; maar wie weet wat er van hen is

geworden?”

Het was omstreeks middernacht, en Planchet moest worden opgezocht.

D’Artagnan liet zich achtereenvolgens al de herbergen openen, in welke

hij eenig licht bespeurde, maar in geen van alle ontmoette hij Planchet.

Aan de zesde begon hij te overwegen, dat dergelijk zoeken eenigszins

gewaagd was. Hij had zijn lakei niet vroeger dan tegen zes uur des

morgens bescheiden, en waar hij zich ook mocht bevinden, hij was in zijn

recht. Bovendien het kwam den jongeling in de gedachte, dat, zoo hij in

den omtrek der plaats bleef, waar het tooneel was voorgevallen, hij

misschien eenige nadere inlichting nopens die geheimzinnige zaak zou

krijgen. In de zesde herberg, zooals wij zeggen, bleef hij, vroeg een

flesch besten wijn, ging in den donkersten hoek zitten en besloot aldus

den dag af te wachten; maar ook nu werd hij in zijn verwachting

teleurgesteld, en hoewel hij met de grootste aandacht luisterde, hoorde

hij onder het gevloek, het gelach en het getier der werklieden, lakeien

en voerlieden, waaruit het achtbaar gezelschap bestond, waaraan hij

deelnam, niets dat hem op het spoor der arme ontvoerde vrouw kon

brengen.

Hij was dus genoodzaakt, uit tijdverdrijf en om geen vermoedens op te

wekken, na zijn flesch te hebben geledigd, in zijn hoek de

gemakkelijkste houding aan te nemen en zoo goed als hij kon in te

slapen.

D’Artagnan was twintig jaar, zooals men zich herinnert, en op die jaren

heeft de slaap een onbetwistbaar recht, dat hij zelfs op de wanhopigste

harten doet gelden. Tegen zes uur des ochtends ontwaakte d’Artagnan met

die onaangename gewaarwording, welke gewoonlijk het begin van den dag na

een slechten nacht vergezelt. Hij had niet veel tijd noodig om zich te

kleeden; hij onderzocht, of men van zijn slaap geen gebruik had gemaakt

om hem te bestelen; maar zijn diamant aan zijn vinger, zijn beurs in den

zak en zijn pistolen in den gordelriem vindende, stond hij op, betaalde

zijn flesch en ging naar buiten, om te zien of hij in het terugvinden

van zijn knecht des morgens niet gelukkiger zou zijn dan des nachts; en

waarlijk, het eerste wat hij door den dikken grijzen nevel bespeurde,

was de eerlijke Planchet, die, met beide paarden aan de hand, hem aan de

deur van een onaanzienlijke kroeg wachtte, welke, zonder haar

aanwezigheid te vermoeden, d’Artagnan was voorbijgegaan.

De Drie Musketiers dl. I en II · 第 33 / 93 题