Het paviljoen.
Te negen uur was d’Artagnan in het hotel der gardes; hij vond Planchet
onder de wapens. Het vierde paard was ook gekomen. Planchet was met zijn
musket en een pistool gewapend.--D’Artagnan had zijn degen op zijde en
stak twee pistolen in zijn gordel; vervolgens stegen beiden te paard en
verwijderden zich in stilte. Het was volkomen nacht en niemand zag hen
uitgaan. Planchet volgde zijn meester en reed tien schreden achter hem
voort; d’Artagnan volgde de kaden, ging de poort _de la Conférence_ door
en den bekoorlijken weg langs, die naar _St. Cloud_ leidt, en toen veel
fraaier dan tegenwoordig was.
Zoo lang men in de stad was, bleef Planchet eerbiedig den afstand
bewaren, dien hij zich had voorgeschreven; maar zoodra de weg eenzamer
en donkerder begon te worden, naderde hij van lieverlede al meer en
meer, zoodat hij bij het binnenrijden van het bosch van _Boulogne_ zich
ongemerkt naast zijn meester bevond. Wij moeten niet ontveinzen, dat
inderdaad de beweging der groote boomen en het schijnsel der maan op de
donkere kreupelboschjes hem een grooten angst veroorzaakten.
D’Artagnan bemerkte, dat er bij zijn lakei iets buitengewoons
omging.--„Wel, wel, Planchet! wat mankeert er toch aan?”--„Vindt gij
niet, mijnheer! dat de bosschen als kerken zijn?”--„Waarom,
Planchet?”--„Omdat men in deze, evenmin als in gene, luide durft
spreken.”--„Waarom durft gij niet luide spreken, Planchet? Is het, omdat
gij bang zijt?”--„Uit vrees van gehoord te worden, mijnheer!”--„Uit
vrees van gehoord te worden? Ons gesprek is echter zeer zedelijk, mijn
waarde Planchet! en niemand zou er iets op hebben aan te merken.”--„O,
mijnheer!” hernam Planchet, tot zijn oorspronkelijk denkbeeld
terugkeerende. „O! wat heeft die mijnheer Bonacieux iets valsch in zijn
oogen, en iets onaangenaams op de lippen.”--„Wat duivel doet u aan
Bonacieux denken!”--„Mijnheer! men denkt aan hetgeen men kan, en niet
aan hetgeen men wil.”--„Omdat gij bang zijt, Planchet!”--„Mijnheer!
verwarren wij de voorzichtigheid niet met de lafhartigheid, de
voorzichtigheid is een deugd.”--„En gij zijt deugdzaam, niet waar,
Planchet?”--„Mijnheer! is dat niet de loop van een geweer, dat daar
ginds blinkt? Als wij een weinig het hoofd bogen.”--„Inderdaad,”
mompelde d’Artagnan, wien de aanbeveling van den heer de Tréville in het
geheugen kwam; „inderdaad, die snaak zou mij eindelijk bang doen
worden.”--En hij zette zijn paard in den draf.
Planchet volgde de beweging van zijn meester, volkomen alsof hij diens
schaduw ware geweest, en draafde naast hem voort.--„Rijden wij op die
wijze geheel den nacht door, mijnheer?” vroeg hij.--„Neen, Planchet!
want gij zijt ter plaatse uwer bestemming gekomen.”--„Wat, mijnheer! ben
ik aangekomen? en mijnheer?”--„Ik ga nog eenige schreden verder.”--„En
laat mijnheer mij hier alleen?”--„Zijt gij bang, Planchet?”--„Neen, maar
ik moet mijnheer alleen doen opmerken, dat de nacht zeer koud zal zijn,
dat de koelte rheumatiek doet ontstaan, en dat een lakei, door
rheumatiek gekweld, een treurig dienaar is, vooral voor een zoo vluggen
meester als mijnheer.”--„Welnu, wanneer gij kou gevoelt, Planchet, ga
dan in een dier herbergen, welke gij daar ginds ziet; gij kunt er mij
morgenochtend te zes uur voor de deur wachten!”--„Mijnheer, ik heb met
uw verlof voor de kroon, die gij mij dezen ochtend hebt gegeven, gegeten
en gedronken, zoodat mij geen enkele penning in den zak is overgebleven,
om mij voor de koude te gaan beschutten.”--„Daar hebt gij een halve
pistool. Tot morgen!”
D’Artagnan klom van zijn paard, wierp den toom op den arm van Planchet
en verwijderde zich haastig, zich in zijn mantel wikkelende.--„God! wat
is het koud!” riep Planchet, zoodra hij zijn meester uit het oog had
verloren; en ongeduldig zich te verwarmen, haastte hij zich aan de deur
van een huis te kloppen, dat met al de kenteekenen eener dorpsherberg
prijkte.
Intusschen had d’Artagnan een smallen binnenweg ingeslagen en _St.
Cloud_ bereikt; maar in plaats van de groote straat te volgen, sloeg hij
achter het kasteel om, ging een soort van steeg door, en bevond zich dra
voor het aangeduide paviljoen. Het was in een geheel eenzame plek
gelegen. Een groote muur, aan welks hoek dat paviljoen stond, liep langs
een der zijden van de steeg, terwijl aan de andere zijde een haag een
kleinen tuin beschutte, aan welks einde een ellendige hut stond.
Hij was op de plaats der samenkomst gekomen, en dewijl men hem niet
gezegd had, zijn tegenwoordigheid door een of ander teeken aan te
kondigen, wachtte hij.--Geen enkel gerucht werd vernomen; men zou
gemeend hebben op honderd uren afstands van de hoofdstad te zijn.
D’Artagnan ging tegen de heg staan, na een blik achter zich te hebben
geworpen. Achter die heg, dien tuin en die hut hulde een donkere nevel
in zijn plooien die uitgestrektheid, waarin _Parijs_ slaapt, die
gapende, onafzienbare ruimte, waarin slechts eenige lichtende punten
blonken, als even zoovele vonken uit de hel. Maar voor d’Artagnan namen
alle gedaanten een liefelijken vorm aan; al zijn denkbeelden glimlachten
hem toe; de dichtste duisternis was voor hem doorschijnend. Het uur der
samenkomst zou slaan.
Inderdaad, na eenige oogenblikken deed de klok van _St. Cloud_ langzaam
tien slagen uit haar brullenden, gapenden muil klinken. Er lag iets
akeligs in die bronzen stem, die dus weeklaagde te midden van den
nacht.... Maar elk dier slagen, welke het verwachte uur aankondigde,
trilde welluidend in het hart des jongelings. Zijn oogen waren gevestigd
op het kleine paviljoen aan den hoek van den muur, welks vensters alle
door luiken gesloten waren, behalve een der eerste verdieping. Door dit
venster blonk een zacht licht, dat het trillende gebladerte van twee of
drie lindeboomen verzilverde, die zich buiten het park groepsgewijze
verhieven. Ongetwijfeld wachtte hem achter dat zoo liefelijk verlichte
venster de lieve juffrouw Bonacieux.
Door die zoete gedachte gestreeld, wachtte d’Artagnan een half uur
zonder het minste ongeduld, de oogen op dat klein bevallig verblijf
gevestigd houdende, van hetwelk hij een gedeelte van de met verguld
beeldwerk versierde zoldering kon zien, die de pracht van het overige
der kamer deed vermoeden. De klok van _St. Cloud_ sloeg half elf. Nu,
zonder dat hij zich zulks kon verklaren, liep een rilling door
d’Artagnan’s aderen. Misschien ook wel dat de koude hem overviel en hij
als een zielsgewaarwording beschouwde, hetgeen slechts een lichamelijke
aandoening was.
Vervolgens dacht hij, dat hij kwalijk had gelezen, en de samenkomst niet
vroeger dan te elf uur was bepaald. Hij naderde het venster, plaatste
zich onder een lichtstraal, haalde den brief uit zijn zak en herlas
dien; hij had zich niet bedrogen, de samenkomst was wel degelijk op tien
uur bepaald. Hij hernam zijn plaats, tamelijk ongerust wordende over
deze stilte en eenzaamheid. Het sloeg elf uur....
D’Artagnan begon nu wezenlijk te vreezen, dat juffrouw Bonacieux eenig
ongeluk mocht zijn overkomen. Hij klapte driemaal in zijn handen, het
gewone sein der verliefden, maar niemand antwoordde hem, zelfs niet de
echo. Toen dacht hij met zekere spijt, of misschien, al wachtende, de
jonge vrouw in slaap gevallen was. Hij naderde den muur en beproefde
dien te beklimmen; maar daar hij kortelings vernieuwd was, sleet
d’Artagnan er tevergeefs zijn nagels op.
Op dat oogenblik bemerkte hij de boomen, welker bladeren het licht bleef
verzilveren, en daar een hunner op den weg vooruitstak, dacht hij, te
midden der takken, een blik in het paviljoen te kunnen werpen. De boom
was gemakkelijk te beklimmen.... Buitendien, d’Artagnan was nauwelijks
twintig jaar, en bijgevolg herinnerde hij zich nog zeer goed zijn
bedrijf als schoolknaap. In een oogenblik was hij tusschen de takken en
door de heldere glasruiten wierp hij een blik in het binnenste van het
paviljoen. Het was iets zonderlings, dat d’Artagnan aanschouwde en dat
hem van het hoofd tot de voeten deed beven. Dat zachte, kalme lamplicht
verlichtte een tooneel van vreeselijke verwarring; een der glasruiten in
het venster was gebroken, de deur der kamer ingetrapt, hing half
gebroken aan haar hengsels; een tafel, waarop een heerlijk maal was
aangericht geweest, lag omver; gebroken flesschen, vertrapte vruchten
lagen op den vloer verspreid; alles getuigde in deze kamer van een
hevige, wanhopige worsteling. D’Artagnan meende zelfs onder dat
zonderlinge mengelmoes brokken van kleedingstukken en eenige
bloedvlekken te bemerken, die het tafellaken en de gordijnen
bezoedelden. Hij haastte zich den boom af te klimmen, terwijl zijn hart
vreeselijk klopte; hij wilde nu zien, of hij niet meer sporen van
gewelddadigheid zou vinden.
Het kleine zachte licht blonk steeds in de duisternis van den nacht.
D’Artagnan zag toen iets, dat hij aanvankelijk niet had opgemerkt, want
niets had hem tot dat onderzoek gedreven, namelijk dat de grond hier
platgetreden was, elders gaten, sporen van verwarde voetstappen van
menschen en paarden vertoonde. Bovendien hadden de wielen van een
rijtuig, dat van _Parijs_ scheen te zijn gekomen, in de zachte aarde een
diep spoor gegroefd, dat zich niet verder uitstrekte dan tot aan het
paviljoen, en vandaar weder in de richting naar _Parijs_ terugkeerde.
Eindelijk vond d’Artagnan, zijn onderzoek voortzettende, bij den muur
een gescheurden vrouwenhandschoen. Intusschen was die handschoen, overal
waar hij niet door het slijk bezoedeld was geworden, van een
onberispelijke frischheid. Het was een dier welriekende handschoenen,
welke het den minnaars des te aangenamer doet zijn, een fraaie hand te
drukken.
Naarmate d’Artagnan met zijn nazoekingen voortging, parelde een meer
overvloedig en koeler zweet op zijn voorhoofd, zijn hart werd door een
vreeselijken angst toegenepen, en zijn ademhaling was hijgende, echter
zeide hij bij zich zelven, om zich gerust te stellen, dat dit paviljoen
met juffrouw Bonacieux niets gemeens had; dat de jonge vrouw vóór dat
paviljoen, maar niet er in de samenkomst bedoeld had; dat zij misschien,
wegens dienstzaken, te _Parijs_ had moeten blijven, of wellicht ook wel
tengevolge der jaloezie haars mans. Maar al die redeneeringen vervielen,
werden vernietigd, omvergeworpen door dat inwendige smartgevoel, hetwelk
zich in sommige omstandigheden van ons geheele wezen meester maakt, en
door alles wat bestemd is ons iets te kennen te geven, waarschuwt, dat
er een groote ramp boven onze hoofden zweeft.
Toen werd d’Artagnan bijna waanzinnig; hij liep den grooten weg op,
sloeg denzelfden weg in, dien hij reeds genomen had, begaf zich naar de
overzetpont en ondervroeg den veerman. Omstreeks zeven uur had de
veerman een vrouw in een zwarten mantel gehuld de rivier overgezet; zij
had alle blijken gegeven er belang bij te hebben niet herkend te worden;
maar juist uit hoofde van alle voorzorgen, welke zij nam, had de veerman
met nog meer oplettendheid haar gadegeslagen en bemerkt, dat de vrouw
jong en schoon was. Destijds zoowel als thans waren er een menigte
jonge, schoone vrouwen, die zich naar _St. Cloud_ begaven en er belang
bij hadden niet gezien te worden, en toch twijfelde d’Artagnan geen
oogenblik, dat het juffrouw Bonacieux was geweest, die de veerman had
opgemerkt.
D’Artagnan maakte gebruik van de lamp, die in de hut des veermans
brandde, om nogmaals het briefje van juffrouw Bonacieux te herlezen en
zich te verzekeren, dat hij zich niet bedrogen had, dat de samenkomst
wel degelijk te _St. Cloud_ en niet elders was bepaald; voor het
paviljoen van den heer d’Estrées en niet in een andere straat. Alles
vereenigde zich om d’Artagnan te bewijzen, dat zijn voorgevoel hem niet
bedroog en er een groot ongeluk was voorgevallen.
Hij sloeg den weg naar het kasteel weer in, hard loopende; het was hem,
alsof gedurende zijn afwezigheid in het paviljoen misschien iets nieuws
zou zijn gebeurd en meer inlichtingen hem daar wachtten. De steeg was
steeds eenzaam, en hetzelfde zachte, rustige licht verspreidde zich uit
het venster. D’Artagnan dacht toen aan die stomme, blinde hut, die
waarschijnlijk had gezien en misschien kon spreken. De deur der
omheining was gesloten, maar hij sprong de heg over, en ondanks het
geblaf van een hond aan den ketting, naderde hij de hut.
Zijn eerste geklop werd niet beantwoord. Een doodsche stilte heerschte
zoowel in de hut als in het paviljoen; intusschen, daar die hut zijn
laatste hulpmiddel was, bleef hij volharden. Dra meende hij een zwak
gerucht van binnen te hooren, een angstig gerucht, dat zelfs scheen te
beven gehoord te worden. Toen hield d’Artagnan op met kloppen en smeekte
zoo angstig, zoo vriendelijk en vleiend, dat zijn stem in staat ware
geweest den beschroomdsten gerust te stellen. Eindelijk opende zich
slechts een vingerbreedte een oud vermolmd luik, doch sloot zich weder
dadelijk, zoodra het schijnsel eener ellendige lamp, die in een hoek
brandde, den bandelier, den degengreep en de loopen der pistolen van
d’Artagnan had verlicht.
Intusschen, hoe snel die beweging ook was geweest, had d’Artagnan echter
den tijd gehad, even het hoofd eens grijsaards te zien.--„In ’s hemels
naam!” zeide hij, „luister naar mij; ik wacht iemand, die niet komt, en
ik sterf van angst. Zou er een ongeluk in de nabijheid zijn
voorgevallen? spreek!”
Het venster werd wederom langzaam geopend, en hetzelfde gezicht
vertoonde zich opnieuw; maar het was nog bleeker dan te voren.
D’Artagnan verhaalde eenvoudig zijn geschiedenis, behalve de namen; hij
zeide een afspraak te hebben gemaakt met een jonge vrouw, om elkander
voor het paviljoen aan te treffen en hoe hij, haar niet ziende komen, in
den lindeboom geklommen was, van waar hij, bij het schijnsel der lamp,
de wanorde in de kamer heerschende gezien had.
De grijsaard luisterde aandachtig, terwijl zijn gebaren te kennen gaven,
dat hij van de zaak iets wist. Vervolgens, toen d’Artagnan geëindigd
had, schudde hij het hoofd op een wijze, die niets goeds voorspelde.
„Wat wilt gij zeggen?” riep d’Artagnan. „In ’s hemels naam! laat hooren,
verklaar u!”--„Ach, mijnheer!” zeide de grijsaard, „vraag mij niets;
indien ik u verhaalde, wat ik gezien heb, zou er voor mij zeker niets
goeds uit voortspruiten.”--„Hebt gij dan iets gezien?” hernam
d’Artagnan. „Zoo ja,” ging hij voort, hem een pistool toewerpende, „in
’s hemels naam! zeg, zeg mij dan, wat gij gezien hebt en ik geef u mijn
woord als edelman, dat geen enkel uwer woorden over mijn lippen zal
komen.”
De grijsaard las zooveel openhartigheid en smart op het gezicht van
d’Artagnan, dat hij een teeken gaf te luisteren en tot hem met zachte
stem zeide: „Het zal ongeveer negen uur zijn geweest, toen ik, eenig
gerucht op straat hoorende en begeerig te weten wat er voorviel, naar de
deur liep; daar ontwaarde ik, dat men trachtte binnen te komen. Arm
zijnde en niet vreezende bestolen te worden, opende ik en zag op eenigen
afstand drie mannen. In de schaduw stond een bespannen koets en
gezadelde paarden. Die gezadelde paarden behoorden blijkbaar aan de drie
mannen, welke als ruiters waren gekleed.
„‚Ach, goede heeren!’ riep ik, ‚wat verlangt gij?’--‚Gij hebt zeker een
ladder?’ zeide mij degene, die de aanvoerder scheen te zijn.--‚Ja,
heeren! die waarmede ik mijn vruchten pluk.’--‚Geef ons die en ga in
huis; ziedaar een kroon voor de moeite, die wij u veroorzaken. Herinner
u echter, indien gij een woord spreekt over hetgeen gij zult zien en
hooren, want welke bedreigingen wij u doen, zult gij toch zien en
luisteren, hiervan ben ik zeker, zijt gij verloren.’
„Na dit gezegd te hebben, wierp hij mij een kroon voor de voeten, die ik
opraapte, en hij nam mijn ladder. En werkelijk, na de deur der omheining
achter hen gesloten te hebben, hield ik mij, alsof ik naar huis wilde
terugkeeren, maar ik ging onmiddellijk de achterdeur weer uit en in de
schaduw voortsluipende, bereikte ik de groep vlierboomen, uit welke ik
alles kon zien zonder gezien te worden. De drie mannen hadden in stilte
de koets doen naderen; zij lieten er een klein, dik, kort, grijs
mannetje uit komen, die op een belachelijke wijze in een donkerkleurig
gewaad was gekleed; deze klom behoedzaam de ladder op, zag gluipend de
kamer in, klom weder stil af en mompelde half luid: ‚Zij is het!’
Onmiddellijk naderde toen degene, die mij had toegesproken, de deur van
het paviljoen, opende die met een sleutel, dien hij bij zich had, sloot
de deur weder en verdween. Tegelijkertijd klommen beide andere mannen de
ladder op. De kleine man bleef bij het portier staan; de koetsier hield
de teugels der koetspaarden en een lakei de gezadelde paarden vast.
Eensklaps werd een luid geschreeuw uit het paviljoen gehoord, een vrouw
liep naar het venster en opende het, als om er zich uit te werpen; maar
toen zij de twee mannen zag, trad zij schielijk achteruit; en de beide
mannen sprongen achter haar de kamer binnen. Toen zag ik niets meer,
maar ik hoorde een gerucht als van brekend huisraad.--De vrouw
schreeuwde en riep om hulp. Maar spoedig werden haar kreten gesmoord; de
drie mannen naderden het venster, de vrouw in hun armen wegdragende;
twee gingen de ladder af en droegen haar in het rijtuig, waarin de
kleine oude zich na haar begaf. Hij, die in het paviljoen was gebleven,
sloot het venster, trad een oogenblik daarna uit de deur en verzekerde
zich, dat de vrouw in het rijtuig was; zijn beide gezellen wachtten hem
reeds te paard, hij sprong op zijn beurt in den zadel; de lakei zette
zich naast den koetsier; de koets verwijderde zich in galop, begeleid
door de drie ruiters, en alles was geëindigd. Van toen af heb ik niets
meer gezien, niets meer gehoord.”
D’Artagnan, verpletterd door een zoo vreeselijke tijding, bleef
onbeweeglijk, sprakeloos staan, terwijl al de duivels des toorns en der
jaloezie in zijn hart brulden.
„Maar, edele heer!” hernam de grijsaard, op wien die stomme wanhoop
zeker meer indruk maakte dan gekerm en geween hadden kunnen
teweegbrengen, „kom, treur niet, zij hebben haar niet om het leven
gebracht, en dat is het voornaamste.”--„Weet gij min of meer,” vroeg
d’Artagnan, „wie de man is, die dien helschen aanslag aanvoerde?”--„Ik
ken hem niet.”--„Maar dewijl gij hem gesproken hebt, moet gij hem gezien
hebben.”--„O, gij meent hoe hij er uitzag?”--„Ja.”--„Een groot, mager,
bruin man, met zwarte knevels, zwarte oogen, en al het uiterlijke van
een edelman.”--„Hij is het!” riep d’Artagnan; „wederom hij! altijd hij!
Hij is mijn duivel! naar het schijnt. En de andere?”--„Wie?”--„De
kleine.”--„O, die was geen edelman, dat verzeker ik u; bovendien, hij
droeg geen degen en de anderen behandelden hem zonder de minste
onderscheiding.”--„Een lakei waarschijnlijk,” mompelde d’Artagnan. „Ach,
arme vrouw, wat hebben zij met haar gedaan?”--„Gij hebt mij
geheimhouding beloofd,” zeide de grijsaard.--„En ik herhaal u mijn
belofte, wees gerust, ik ben edelman. Een edelman heeft slechts één
woord, en ik heb u het mijne gegeven.”
D’Artagnan sloeg, met een door smart verbitterd hart, den weg naar de
overzetpont weer in. Nu eens kon hij niet gelooven, dat het juffrouw
Bonacieux was geweest en hij hoopte haar den volgenden dag in het Louvre
weer te vinden, dan weder vreesde hij, dat zij, in liefdesbetrekking met
een anderen staande, door een jaloerschen minnaar was verrast en
ontvoerd. Hij was onzeker, bedroefde zich en wanhoopte.--„O, indien ik
mijn vrienden bij mij had!” riep hij, „dan bleef mij ten minste eenige
hoop over, haar weer te vinden; maar wie weet wat er van hen is
geworden?”
Het was omstreeks middernacht, en Planchet moest worden opgezocht.
D’Artagnan liet zich achtereenvolgens al de herbergen openen, in welke
hij eenig licht bespeurde, maar in geen van alle ontmoette hij Planchet.
Aan de zesde begon hij te overwegen, dat dergelijk zoeken eenigszins
gewaagd was. Hij had zijn lakei niet vroeger dan tegen zes uur des
morgens bescheiden, en waar hij zich ook mocht bevinden, hij was in zijn
recht. Bovendien het kwam den jongeling in de gedachte, dat, zoo hij in
den omtrek der plaats bleef, waar het tooneel was voorgevallen, hij
misschien eenige nadere inlichting nopens die geheimzinnige zaak zou
krijgen. In de zesde herberg, zooals wij zeggen, bleef hij, vroeg een
flesch besten wijn, ging in den donkersten hoek zitten en besloot aldus
den dag af te wachten; maar ook nu werd hij in zijn verwachting
teleurgesteld, en hoewel hij met de grootste aandacht luisterde, hoorde
hij onder het gevloek, het gelach en het getier der werklieden, lakeien
en voerlieden, waaruit het achtbaar gezelschap bestond, waaraan hij
deelnam, niets dat hem op het spoor der arme ontvoerde vrouw kon
brengen.
Hij was dus genoodzaakt, uit tijdverdrijf en om geen vermoedens op te
wekken, na zijn flesch te hebben geledigd, in zijn hoek de
gemakkelijkste houding aan te nemen en zoo goed als hij kon in te
slapen.
D’Artagnan was twintig jaar, zooals men zich herinnert, en op die jaren
heeft de slaap een onbetwistbaar recht, dat hij zelfs op de wanhopigste
harten doet gelden. Tegen zes uur des ochtends ontwaakte d’Artagnan met
die onaangename gewaarwording, welke gewoonlijk het begin van den dag na
een slechten nacht vergezelt. Hij had niet veel tijd noodig om zich te
kleeden; hij onderzocht, of men van zijn slaap geen gebruik had gemaakt
om hem te bestelen; maar zijn diamant aan zijn vinger, zijn beurs in den
zak en zijn pistolen in den gordelriem vindende, stond hij op, betaalde
zijn flesch en ging naar buiten, om te zien of hij in het terugvinden
van zijn knecht des morgens niet gelukkiger zou zijn dan des nachts; en
waarlijk, het eerste wat hij door den dikken grijzen nevel bespeurde,
was de eerlijke Planchet, die, met beide paarden aan de hand, hem aan de
deur van een onaanzienlijke kroeg wachtte, welke, zonder haar
aanwezigheid te vermoeden, d’Artagnan was voorbijgegaan.