Dezen brief lezende, voelde d’Artagnan zijn hart zwellen en weder
inkrimpen door die teedere aandoeningen, welke het hart der minnenden
tevens folteren en streelen.--Het was het eerste briefje, dat hij
ontving, de eerste samenkomst, die hem werd aangeboden. Zijn hart, door
de dronkenschap der vreugd vervuld, was gereed te bezwijmen op den
drempel van dat aardsche paradijs, dat men liefde noemt.
„Welnu, mijnheer!” zeide Planchet, die zijn meester beurtelings had zien
blozen en verbleeken; „welnu, heb ik het niet geraden? het is zeker een
slechte zaak.”--„Gij bedriegt u, Planchet!” antwoordde d’Artagnan, „en
tot bewijs, ziedaar een kroon, waarvoor gij op mijn gezondheid kunt
drinken.”--„Ik bedank mijnheer voor de kroon, die hij mij geeft, en ik
beloof hem, getrouw zijn voorschrift na te komen; maar het is niettemin
raar, dat de brieven op zoodanige wijze in de gesloten huizen
komen....”--„Uit den hemel vallen, mijn vriend! uit den hemel
vallen.”--„Dus is mijnheer tevreden?” vroeg Planchet.--„Mijn waarde
Planchet! ik ben de gelukkigste der menschen.”--„En kan ik van het geluk
van mijnheer gebruik maken om te gaan slapen?”--„Ja, ga.”--„Dat de zegen
des Hemels op mijnheer neerdale; maar het is niettemin waar, dat die
brief....”--En Planchet verwijderde zich, het hoofd schuddende met een
zweem van twijfeling, die de gulheid van d’Artagnan niet geheel had
kunnen verdrijven.
Alleen zijnde, las en herlas d’Artagnan het briefje, hij kuste en
herkuste twintig malen die regels, door de hand zijner schoone minnares
geschreven. Eindelijk begaf hij zich te bed, sliep in en deed gouden
droomen.
Te zeven uur des morgens stond hij op en riep Planchet, die op een
tweeden roep de deur opende met een gezicht, waarvan de ongerustheid des
vorigen daags nog niet was afgewischt.
„Planchet!” zeide d’Artagnan tot hem, „ik ga misschien voor den heelen
dag uit, gij zijt dus vrij tot zeven uur van avond; maar te zeven uur
houd u dan gereed met twee paarden.”--„Komaan,” zeide Planchet, „het
schijnt, dat wij wederom eenige gaten in onze huid gaan opdoen.”--„Gij
moet uw pistolen en musket medenemen.”--„Wel, wat zeide ik?” riep
Planchet. „Ja, ik was er zeker van, vervloekte brief.”--„Maar
verontrust u toch niet, domkop! het betreft niets anders dan een
pleizierpartij.”--„Ja, zooals het pleiziertochtje van laatst, toen het
kogels regende en valstrikken groeide.”--„Maar, indien gij bang zijt,
Planchet!” hernam d’Artagnan, „zal ik zonder u gaan; ik ga liever
alleen, dan vergezeld van een reisgezel, die beeft.”--„Mijnheer
beleedigt mij,” zeide Planchet, „ik meen toch, dat hij mij aan het werk
heeft gezien?”--„Ja, maar ik geloof, dat gij uw moed in een keer
versleten hebt.”--„Mijnheer zal zien, dat, wanneer de gelegenheid zich
voordoet, mij er nog van overblijft; ik verzoek mijnheer alleen, dien
niet te verspillen, indien hij wil, dat ik hem lang behoude.”--„Gelooft
gij er van avond nog iets van te kunnen missen?”--„Ik hoop
het.”--„Welnu, ik reken op u.”--„Op het bepaalde uur zal ik gereed zijn;
maar ik dacht, dat mijnheer slechts één paard in den stal der gardes
voorhanden had?”--„Misschien is er op dit oogenblik niet meer dan één;
maar heden avond zullen er vier zijn.”--„Het schijnt, dat onze reis
gestrekt heeft, om van paarden te verwisselen.”--„Juist,” zeide
d’Artagnan; en na Planchet opnieuw bemoedigend toegewenkt te hebben,
vertrok hij.
De heer Bonacieux stond voor de deur; het voornemen van d’Artagnan was
den waardigen winkelier voorbij te gaan zonder hem aan te spreken; maar
deze groette hem zoo nederig en goedhartig, dat zijn huurder niet alleen
zich verplicht vond hem wederkeerig te groeten, maar zelfs een gesprek
met hem aan te knoopen. En daarenboven, waarom zou men niet vriendelijk
zijn jegens een man, met wiens vrouw men een afspraak heeft gemaakt tot
een samenkomst tegenover het klein paviljoen van den heer d’Estrées.
D’Artagnan naderde hem dus op de meest beleefde wijze. Het gesprek viel
natuurlijk op de gevangenneming van den armen man. De heer Bonacieux,
wien het onbekend was, dat d’Artagnan zijn gesprek met den onbekende van
_Meung_ had beluisterd, verhaalde aan zijn jongen huurder de
vervolgingen van dat gedrocht, dien heer de Lassman, dien hij gedurende
zijn geheele verhaal onophoudelijk den titel van beul des kardinaals
gaf, terwijl hij lang uitweidde over de Bastille, de grendels, de
deuren, de luchtgaten, de tralies en de folter-werktuigen.
D’Artagnan luisterde naar hem met een voorbeeldige welwillendheid;
vervolgens, toen hij gedaan had: „En mejuffrouw Bonacieux,” zeide hij
eindelijk, „weet gij, wie haar ontvoerd heeft? want ik vergeet niet, dat
het tengevolge dezer noodlottige omstandigheid was, dat ik het genoegen
uwer kennismaking heb gehad.”--„O!” riep de heer Bonacieux, „zij hebben
zich wel gewacht mij zulks te zeggen, en mijn vrouw van haar zijde heeft
mij bij alle goden gezworen, het niet te weten.... Maar gij zelf,”
vervolgde Bonacieux op den toon van volkomen goedhartigheid, „waar hebt
gij toch al die dagen gezeten? Ik heb u, noch uw vrienden gezien, en het
is toch niet in het slijk van _Parijs_, dat gij al het stof hebt
opgedaan, dat Planchet gisteren van uw laarzen stofte.”--„Gij hebt
gelijk, mijn beste heer Bonacieux! mijn vrienden en ik hebben een klein
reisje gedaan.”--„Ver van hier!”--„Och, mijn God! neen, niet meer dan
een veertig uur van hier. Wij hebben den heer Athos naar de baden van
_Forges_ gebracht, waar mijn vrienden zijn gebleven.”--„En gij zijt
teruggekomen, gij, niet waar?” hernam de heer Bonacieux, aan zijn
gezicht de slimst mogelijke uitdrukking gevende. „Een knappe jongen,
zooals gij, verkrijgt geen lang verlof van zijn minnares, en men wachtte
u met ongeduld te _Parijs_ terug, niet waar?”--„Op mijn woord,”
antwoordde de jongeling lachende, „ik vertrouw het te eerder aan u, mijn
waarde heer Bonacieux! daar ik zie, dat men u niets kan verbergen; ja,
ik word verwacht en wel met ongeduld, dat verzeker ik u.”--Een lichte
wolk zweefde op het voorhoofd van Bonacieux, maar zoo licht dat
d’Artagnan die niet bemerkte.
„En men zal u voor uw spoed beloonen,” vervolgde de winkelier met eenige
ontroering in de stem; een ontroering, die d’Artagnan evenmin bespeurde
als de voorbijgaande wolk, die een oogenblik te voren het gezicht van
den waardigen man verduisterd had.--„Och kom, houdt u nu maar goed!”
zeide d’Artagnan lachende.--„Maar wat ik u zeg,” hernam Bonacieux, „is
alleen om te weten, of gij laat te huis zult komen.”--„Waarom vraagt gij
dat, mijn waarde huisheer?” vroeg d’Artagnan; „zijt gij voornemens mij
te wachten?”--„Neen, maar sedert mijn inhechtenisneming en den diefstal,
die bij mij gepleegd is, schrik ik telkens, wanneer ik een deur hoor
opendoen en vooral des nachts.... Duivelsch! wat wilt gij, ik ben geen
krijgsman.”--„Welnu, schrik niet, indien ik te een, twee of drie uur van
nacht te huis kom; en wanneer ik in het geheel niet te huis kom, schrik
dan nog niet.”
Maar nu werd Bonacieux zoo bleek, dat d’Artagnan niet anders kon, of hij
moest het gewaar worden en vragen wat hem deerde.--„Niets,” antwoordde
Bonacieux, „niets. Sedert die ramp ben ik aan flauwten onderhevig, die
mij eensklaps overvallen, en nu voel ik een rilling door mijn lijf
loopen.... Maar let er niet op; gij, die u met niets anders behoeft te
bemoeien, dan om gelukkig te zijn.”--„Dan heb ik bezigheid, want ik ben
het.”--„Nog niet, wacht toch een weinig, gij hebt immers gezegd tot van
avond.”--„Welnu! die avond zal komen, Goddank! en misschien wacht gij
dien met evenveel ongeduld als ik. Misschien zal heden avond juffrouw
Bonacieux wel te huis komen.”--„Juffrouw Bonacieux is heden avond niet
vrij,” antwoordde de echtgenoot ernstig; „zij moet voor dienstzaken in
het Louvre blijven.”--„Zooveel te erger voor u, mijn waarde heer!
zooveel te erger. Wanneer ik gelukkig ben, zie ik gaarne de geheele
wereld gelukkig, maar mij dunkt, dat dit niet mogelijk is.”--En de
jongeling verwijderde zich, luid lachende over de scherts, die hij
alleen, dacht hij, kon begrijpen.
„Vermaak u wel,” antwoordde Bonacieux met een stem, alsof die uit een
graf klonk. Doch d’Artagnan was reeds te ver, om die te hooren; en al
had hij die gehoord, in de gemoedsgesteldheid, waarin hij zich bevond,
zoude hij ze echter zeker niet hebben opgemerkt. Hij richtte zijn
schreden naar het hotel van den heer de Tréville; zijn bezoek van den
vorigen dag was, men herinnere het zich, zeer kort en van zeer weinig
beteekenis geweest.
Hij vond den heer de Tréville in zijn ziel verblijd. De koning en de
koningin waren voor hem op het bal allerbeminnelijkst geweest. Het is
waar, dat de kardinaal integendeel alleronbeleefdst was geweest. Te een
uur had hij zich verwijderd, voorwendende ongesteld te zijn. Hunne
Majesteiten waren niet voor zes uur des morgens in het Louvre
teruggekeerd.
„Thans,” zeide de heer de Tréville, op bijna fluisterenden toon en met
zijn blik al de hoeken van het vertrek doorzoekende, om te zien of zij
wel alleen waren, „thans spreken wij eens over u, mijn jonge vriend!
want het is blijkbaar, dat uw terugkomst van eenigen invloed is geweest
op de vergenoegdheid des konings, de zegepraal der koningin en de
vernedering Zijner Eminentie. Nu is het de zaak u goed te houden.”--„Wat
heb ik te vreezen?” antwoordde d’Artagnan, „zoolang ik de gunst Hunner
Majesteiten geniet.”--„Alles, geloof mij. De kardinaal is de man niet,
om een hem aangedanen trek te vergeten, zoolang hij niet met den
uitvoerder heeft afgerekend; en die uitvoerder lijkt mij wel een
jongeling van mijn kennis te zijn.”--„Gelooft gij, dat de kardinaal zoo
ver is gevorderd als gij en hij weet, dat ik naar _Londen_ ben
geweest?”--„Duivelsch! zijt gij naar _Londen_ geweest? En is het van
_Londen_, dat gij dien schoonen ring hebt medegebracht, die aan uw
vinger schittert? Wees op uw hoede, mijn beste d’Artagnan! het geschenk
eens vijands brengt niet veel goeds. Is hierop niet zeker Latijnsch vers
toepasselijk.... Wacht eens?”--„Ja zeker,” antwoordde d’Artagnan, die
nooit in zijn hersens den eersten regel van zijn Rudimenta had kunnen
stampen en door zijn onwetendheid zijn leermeester wanhopig had gemaakt,
„ja zeker is er een.”--„Ongetwijfeld moet er een zijn,” zeide de heer de
Tréville, die eenige kennis van letterkunde had, „en de heer de
Benserade zeide het nog, eenige dagen geleden, op.... Wacht eens.... Ha,
zoo is het: _Timeo danaos et dona ferentes_.--Dat wil zeggen, wantrouw
den vijand, die u geschenken doet.”
„Die diamant komt van geen vijand, mijnheer!” hernam d’Artagnan, „hij
komt van de koningin.”--„Van de koningin!” riep de heer de Tréville. „O,
o! Inderdaad, het is waarlijk een koninklijk juweel, dat duizend
pistolen zoo goed als een penning waard is. Door wien heeft de koningin
u dat geschenk doen ter hand stellen?”--„Zij heeft het mij in persoon
gegeven.”--„Waar dan?”--„In het kabinet naast het vertrek, waarin zij
van kleeding heeft verwisseld.”--„Op wat wijze?”--„Door mij haar hand
ten kus aan te bieden.”--„Gij hebt de hand der koningin gekust?” riep de
heer de Tréville, d’Artagnan beschouwende.--„Hare Majesteit heeft mij de
eer bewezen, mij die genade te vergunnen.”--„En dat in tegenwoordigheid
van getuigen! Onvoorzichtige!”--„Neen, mijnheer! wees gerust, niemand
heeft het gezien,” hernam d’Artagnan; en hij verhaalde aan den heer de
Tréville, hoe de zaken zich hadden toegedragen.
„O, de vrouwen! de vrouwen!” riep de oude soldaat, „ik herken ze wel aan
haar romaneske verbeelding; al wat naar het geheimzinnige zweemt,
bekoort haar. Dus hebt gij maar alleen den arm gezien, niets meer? Gij
zoudt de koningin ontmoeten zonder haar te herkennen? of zij zou u
ontmoeten, zonder te weten wie gij waart?”--„Ja, maar door dien
diamant....” hernam de jongeling.--„Luister,” zeide de heer de Tréville,
„wilt gij dat ik u een raad, een goeden, een vriendenraad geef?”--„Gij
zult mij veel eer bewijzen, mijnheer!” zeide d’Artagnan.--„Welnu, ga dan
bij den eersten goudsmid den besten en verkoop hem dien diamant, voor
zooveel hij er u voor zal willen geven; al is hij de grootste jood, gij
zult er altijd wel achthonderd pistolen voor krijgen. Pistolen hebben
geen naam, jongeling! en deze ring heeft er een verschrikkelijken, die
dengene kan verraden, die hem draagt.”--„Dien ring verkoopen,
een ring die van mijn koningin afkomstig is, dat nooit!” riep
d’Artagnan.--„Welaan, keer dan den steen naar binnen, arme dwaas!
want men weet wel, dat een kadet van Gaskonje dergelijke juweelen niet
in het juweelkistje zijner moeder vindt.”--„Gelooft gij dan, dat ik
iets te vreezen heb?” vroeg d’Artagnan.--„Ik kan u zeggen,
jongeling! dat hij, die zich op een kruitmijn te slapen legt, van
welke de lont is aangestoken, zich in zekerheid moet wanen bij u
vergeleken.”--„Duivelsch!” zeide d’Artagnan, wien de overtuigende toon
van den heer de Tréville begon te verontrusten, „duivelsch! wat moet ik
doen?”--„Op uw hoede zijn, altijd en voor alles. De kardinaal heeft een
taai geheugen en een langen arm; geloof mij, hij zal u een poets
spelen.”--„Maar welke?”--„Weet ik het? staan al de listen des duivels
hem niet ten dienste? Het minste, dat u kan overkomen, is gevangen te
worden genomen.”--„Hoe, zou men iemand in hechtenis durven nemen, die in
dienst van Zijne Majesteit is?”--„_Pardieu_! men heeft met Athos weinig
omslag gemaakt; in alle geval, jonge gek! geloof een man, die sedert
dertig jaar aan het hof verkeert, raak niet in slaap in uw gerustheid,
of gij zijt verloren. Integendeel, en ik ben het, die u dit zegt, zie
overal vijanden. Indien men twist met u zoekt, vermijd dien, al ware het
met een kind van tien jaar; indien men u, hetzij des nachts of op den
dag aanvalt, ontwijk zonder te blozen; indien gij een brug over gaat,
bevoel dan de planken, uit vrees dat een der planken onder uw voeten
verzinkt; wanneer gij voorbij een in aanbouw zijnd huis gaat, zie dan
naar boven, uit vrees dat een steen op uw hoofd valt; indien gij laat te
huis komt, laat u dan door uw lakei volgen en zorg, dat hij gewapend is,
althans indien gij op uw lakei kunt rekenen. Stel in niemand ter wereld
vertrouwen, wantrouw uw vriend, uw broeder, uw minnares, maar vooral uw
minnares.”
D’Artagnan bloosde.--„Mijn minnares!” herhaalde hij werktuigelijk, „en
waarom haar meer dan een ander?”--„Omdat de minnaressen een der middelen
zijn, die den kardinaal het meest bevallen; hij heeft er geen, dat van
spoediger uitwerking is; een vrouw verkoopt u voor tien pistolen: het
bewijs er van is Dalila. Gij kent immers de heilige schrift, hè?”
D’Artagnan dacht aan de samenkomst, die juffrouw Bonacieux op
dienzelfden avond had bepaald; maar wij moeten tot lof van onzen held
zeggen, dat de slechte denkwijze van de Tréville omtrent de vrouwen in
het algemeen hem niet het minste wantrouwen jegens zijn lieve huisjuffer
inboezemde.--„Maar, à propos!” hernam de heer de Tréville, „wat is er
van uw drie vrienden geworden?”--„Ik wilde u juist vragen, of gij niets
van hen hadt vernomen.”--„Niets, mijnheer.”--„Ik heb hen onderweg
gelaten. Porthos te _Chantilly_, met een tweegevecht op den hals; Aramis
te _Crèvecoeur_, met een kogel in den schouder, en Athos te _Amiëns_,
met een beschuldiging als valsche munter op het lijf.”--„Ziet ge wel!”
zeide de heer de Tréville; „en hoe zijt gij het ontkomen?”--„Door een
wonder, mijnheer! wel is waar met een degensteek in de borst, doch
daarvoor heb ik den graaf de Wardes, bezijden den weg van _Calais_, aan
den grond gestoken, als een vlinder op een behangsel.”--„Ziet ge
wederom wel! De Wardes is een dienaar des kardinaals, een neef van
Rochefort; luister, mijn waarde vriend! Er komt bij mij een denkbeeld
op.”--„Welk, mijnheer?”--„In uw plaats zou ik iets verstandigs
doen.”--„Wat?”--„Terwijl Zijne Eminentie u in _Parijs_ zoeken doet, zou
ik met stille trom den weg naar _Picardië_ inslaan en mijn drie vrienden
gaan zoeken. Wat duivel! zij verdienen van uw kant die kleine
oplettendheid wel.”--„Die raad is goed, mijnheer! en morgen vertrek
ik.”--„Morgen, en waarom niet nog dezen avond?”--„Dezen avond, mijnheer!
word ik te _Parijs_ door een gewichtige zaak opgehouden.”--„O,
jongeling! jongeling! zeker een liefdehandel. Wees op uw hoede! ik
herhaal het u: het is de vrouw, die ons allen, zooals wij zijn, verloren
heeft, en die ons nog, zoolang wij bestaan, zal doen verloren gaan.
Geloof mij, vertrek nog dezen avond.”--„Onmogelijk, mijnheer.”--„Ge hebt
reeds uw woord gegeven?”--„Ja, mijnheer!”--„Dat is iets anders; maar
beloof mij, indien gij heden nacht niet wordt gedood, dat gij dan morgen
zult vertrekken.”--„Ik beloof het u.”--„Hebt gij geld noodig?”--„Ik heb
nog vijftig pistolen. Dat is zooveel ik noodig heb, geloof ik.”--„Maar
uw vrienden?”--„Ik vertrouw, dat hun geen geld zal ontbreken. Wij hebben
_Parijs_ verlaten elk met vijf en zeventig pistolen in den zak.”--„Zal
ik u vóór uw vertrek nog wederzien?”--„Ik geloof het niet, mijnheer!
althans indien er niets nieuws gebeurt.”--„Welaan, goede reis!”--„Ik
dank u, mijnheer!”--En d’Artagnan nam van den heer de Tréville afscheid,
meer dan ooit getroffen door zijn zoo vaderlijke zorg voor zijn
musketiers.
Hij begaf zich achtereenvolgens naar de woningen van Athos, Porthos en
Aramis. Doch geen hunner was nog te huis gekomen. Ook hun lakeien waren
nog afwezend, en men had van hen niet de minste tijding. Hij zou wel
eenige narichten van hen bij hun minnaressen hebben kunnen inwinnen,
maar hij kende noch die van Porthos noch die van Aramis; wat Athos
betreft, deze had er geen.
Voorbij het hotel der gardes gaande, wierp hij een blik in den stal;
drie van de vier paarden waren reeds aangekomen. Planchet, geheel
verwonderd, was reeds bezig ze te roskammen en had dit reeds aan twee
verricht.
„O, mijnheer!” riep Planchet, d’Artagnan bespeurende: „o, wat ben ik
verheugd u te zien.”--„En waarom dat, Planchet?” vroeg de
jongeling.--„Stelt gij vertrouwen in den heer Bonacieux, onzen
huisheer?”--„Ik! volstrekt niet.”--„O, mijnheer! hieraan doet gij
wel.”--„Maar waartoe die vraag?”--„Omdat, terwijl gij met hem spraakt,
ik u beiden beschouwde, zonder u te beluisteren, mijnheer! zijn gelaat
zag ik twee of drie malen van kleur veranderen.”--„Och!”--„Heeft
mijnheer dat niet opgemerkt? hij was zeker te zeer verstrooid door
dien brief, dien hij ontvangen heeft; maar ik integendeel, die op
mijn hoede ben, tengevolge der zonderlinge wijze waarop die brief in
huis is gekomen, ik heb geen trekking van zijn gezicht mij
laten ontsnappen.”--„En hoe vondt gij het?”--„Verraderlijk,
mijnheer!”--„Waarlijk?”--„En daarenboven, zoodra mijnheer hem verlaten
had en om den hoek der straat verdwenen was, heeft de heer Bonacieux
zijn hoed genomen, de deur gesloten en langs de andere zijde der straat
zich verwijderd.”--„Waarlijk? gij hebt gelijk, Planchet! dat alles komt
mij verdacht voor; maar wees gerust, wij zullen hem de huur niet
betalen, alvorens ons de zaak nauwkeurig zal zijn verklaard
geworden.”--„Mijnheer schertst, maar mijnheer zal wel zien.”--„Wat wilt
gij, Planchet! wat gebeuren moet, staat geschreven.”--„Ziet mijnheer van
zijn avondwandeling niet af?”--„Wel, integendeel Planchet! Hoe meer
verstoord ik op den heer Bonacieux moet wezen, te meer reden zal ik
hebben, om mij naar de samenkomst te begeven, om welke de brief, die u
zoozeer verontrust, mij verzoekt.”--„Als mijnheer er dan toe besloten
heeft....”--„Onveranderlijk, mijn vriend! zorg dus, hier in het hotel
met alles gereed te zijn, ik zal u komen afhalen.”
Planchet, ziende dat er geen hoop meer overbleef zijn meester van
besluit te doen veranderen, slaakte een diepen zucht en begon het derde
paard te roskammen. Wat d’Artagnan betreft, die in den grond een zeer
voorzichtig jongeling was, hij begaf zich naar den Gaskonjischen
priester, die op het oogenblik, dat de vier vrienden in nood verkeerden,
hen op een ontbijt met chocolaad had onthaald, om bij dezen het
middagmaal te gebruiken.