De verliefde samenkomst.
D’Artagnan spoedde zich naar huis; en hoewel het reeds later dan drie
uur in den nacht was, en hij de slechtst befaamde wijken van _Parijs_
had door te gaan, ontmoette hem niets kwaads. Men weet, er bestaat een
God voor de dronkaards en voor de verliefden. Hij vond de deur van zijn
gang open, klom de trap op en klopte zachtjes, op een met zijn knecht
overeengekomene wijze, aan de deur. Planchet, dien hij twee uren vroeger
van het Stadhuis had gezonden, met het bevel hem te wachten, kwam de
deur openen.
„Is er iemand geweest, die een brief voor mij heeft gebracht?” vroeg
d’Artagnan haastig.--„Niemand heeft een brief gebracht, mijnheer!”
antwoordde Planchet; „maar een is er geheel alleen gekomen.”--„Wat wilt
gij zeggen, zot?”--„Ik wil zeggen, dat, toen ik te huis kwam, en hoewel
ik den sleutel van uw kamer in den zak had en die sleutel mij niet
verlaten heeft, ik een brief op het groene kleed uwer tafel in de
slaapkamer gevonden heb.”--„En waar is die brief?”--„Ik heb hem gelaten,
waar hij lag, mijnheer! Het is niet natuurlijk, dat de brieven op die
wijze bij de lieden komen. Als het raam open of met een reet geopend was
geweest, dan was het te verklaren; maar neen! alles was potdicht,
mijnheer! wees voorzichtig, er schuilt zeker tooverij onder.”
Ondertusschen was de jongeling de kamer binnengestormd, en opende hij
den brief. Hij was van mejuffrouw Bonacieux en luidde als volgt:
„Men heeft u hartelijke dankbetuigingen te doen en over te brengen;
bevind u, heden avond te tien uur, te _St. Cloud_, tegenover het
paviljoen, dat zich aan den hoek van het huis des heeren d’Estrées
verheft.”