HOOFDSTUK XXII.

Het ballet van la Merlaison.

Den volgenden dag was er van niets anders te _Parijs_ sprake dan van het

bal, dat heeren schepenen der stad den koning en de koningin zouden

geven, en waarop Hunne Majesteiten het vermaarde ballet van _la

Merlaison_ moesten dansen, dat den koning het meeste genoegen deed.

Sedert acht dagen maakte men ook werkelijk alles op het Stadhuis in

gereedheid voor dezen plechtigen nacht. De stadstimmerman had zijn

stellages reeds getimmerd, op welke de genoodigde dames zouden zitten;

de stadskruidenier had de zalen voorzien van tweehonderd witte

waskaarsen, hetgeen in dien tijd een ongehoorde weelde was; eindelijk

had men twintig vioolspelers besteld en het loon, dat men hun toekende,

was het dubbele van het gewone, omdat, zooals het verslag luidt, zij den

geheelen nacht moesten spelen.

Te tien uur des morgens kwam de vaandrig der gardes van den koning, de

heer de la Coste, gevolgd door twee politiedienaren en eenige schutters

van het korps, den griffier der stad, Clément genaamd, al de sleutels

der deuren van de kamers en bureaux van het hotel vragen. Die sleutels

werden hem onmiddellijk ter hand gesteld. Aan elk hing een kaartje ter

herkenning en van dat oogenblik was de heer de la Coste belast met de

bewaking van al de deuren en toegangen.

Te elf uur kwam op zijn beurt de Hallier, kapitein der gardes, gevolgd

door vijftig schutters, die dadelijk zich in het Stadhuis verspreidden

en zich naar de deuren begaven, welke hun ter bewaking werden

aangewezen.

Te drie uur naderden twee kompagnieën der gardes, een Fransche en een

Zwitsersche. De kompagnie der Fransche garde bestond voor de helft uit

manschappen van den heer de Hallier en voor de andere helft uit die van

den heer des Essarts.

Te zes uur des avonds begonnen de genoodigden te verschijnen. Naarmate

zij binnentraden, werd hun in de groote zaal op de gereedgemaakte

stellages een plaats aangewezen.

Te negen uur kwam de vrouw van den eersten president; daar deze na de

koningin de voornaamste persoon van het feest was, werd zij door de

stadsheeren ontvangen en haar een plaats aangewezen in de loge over die,

waarin de koningin zich zou begeven.

Te tien uur richtte men een tafel met confituren aan voor den koning in

de kleine zaal, aan de zijde der _St.-Janskerk_ en zulks tegenover het

zilveren buffet der stad, dat door vier schutters bewaakt werd.

Te middernacht hoorde men een groot geschreeuw en veelvuldige

vreugdekreten; het was de koning, die de straten doorging, welke van het

Louvre naar het Stadhuis leidden en die alle met gekleurde lantaarns

verlicht waren. Onmiddellijk gingen heeren schepenen, in hun

lakentabbaard gekleed en voorafgegaan door tien sergeanten, elk een

flambouw dragende, den koning tegemoet, dien zij op de trap ontmoetten,

waar de provoost der kooplieden hem verwelkomde, welk kompliment Zijne

Majesteit beantwoordde door zich te verontschuldigen van zoo laat te

zijn gekomen; hij wierp de schuld hiervan op den kardinaal, die hem, met

over staatszaken te spreken, tot elf uur had opgehouden.

Zijne Majesteit, in staatsiekleederen, werd vergezeld door Zijne

Koninklijke Hoogheid _Monsieur_, door den graaf de Soissons, den

groot-provoost, den hertog de Longueville, den hertog d’Elbeuf, den

graaf d’Harcourt, den graaf de la Roche-Guyon, den heer de Liancourt,

den heer de Baradas, den graaf de Cramail en den ridder de Souveray.

Iedereen kon zien, dat de koning verstrooid en droefgeestig was. Een

kabinet was voor den koning en een ander voor _Monsieur_ gereed gemaakt.

In elk dier kabinetten waren maskeradekleederen voorhanden. Evenzoo was

gedaan voor de koningin en voor mevrouw de _présidente_. De heeren en

dames van het gevolg Hunner Majesteiten moesten zich bij paren in de

daarvoor bestemde kamers verkleeden.

Alvorens in het kabinet te gaan, beval de koning, dat men hem zou

waarschuwen, zoodra de kardinaal verscheen.

Een half uur na de komst des konings verhief zich opnieuw een levendig

gejuich, hetwelk de komst der koningin verkondigde; de schepenen deden

evenzoo als zij reeds gedaan hadden, en voorafgegaan door de

stads-sergeanten, gingen zij hun doorluchtige gastvrouw tegemoet. De

koningin trad de zaal binnen; men bemerkte, dat zij even neerslachtig

als de koning was en er bijzonder vermoeid uitzag. Op het oogenblik dat

zij binnentrad, werd de gordijn van een kleine loge, die tot hiertoe was

dicht gebleven, geopend en zag men het bleeke gelaat des kardinaals, die

in een Spaansch ruitergewaad was gekleed; zijn oogen vestigden zich op

die der koningin en een glimlach van akelige vreugde zweefde op zijn

lippen; de koningin was niet met haar diamanten haken getooid. De

koningin hield zich eenigen tijd bezig met de komplimenten van de leden

der vroedschappen aan te hooren en de begroetingen der dames te

beantwoorden.

Eensklaps verscheen de koning met den kardinaal voor een der deuren van

de zaal. De kardinaal sprak zacht met hem, terwijl de koning zeer bleek

was. De koning drong door de menigte, en zonder masker en de linten van

zijn buis nauwelijks dichtgestrikt, naderde hij de koningin en met een

bevende stem zeide hij:

„Mevrouw! waarom, als het u belieft, hebt gij u niet met uw diamanten

getooid, wanneer gij wist, dat het mij aangenaam was ze te zien?”--De

koningin liet haar blik rondwaren en zag, achter den koning, den

kardinaal, op duivelachtige wijze glimlachende.--„Sire!” antwoordde de

koningin met een ontroerde stem, „omdat ik, in het gewoel van dat groote

feest, vreesde er een ongeluk aan te zullen krijgen.”--„Gij hebt

ongelijk, mevrouw! indien ik u dat geschenk heb gedaan, was het om er u

mede te tooien. Ik zeg u, dat gij niet wel hebt gedaan.”--En des konings

stem beefde van toorn; iedereen beschouwde en luisterde met verbazing,

niets begrijpende van hetgeen er voorviel.--„Sire!” zeide de koningin,

„ik kan ze van het Louvre doen halen, waar zij zijn, en alzoo zal de

begeerte Uwer Majesteit vervuld worden.”--„Doe zulks, mevrouw! en wel

zoo spoedig mogelijk; want binnen een uur zal het ballet een aanvang

nemen.”

De koningin neeg, ten teeken van onderwerping en volgde de dames, die

haar naar haar kabinet moesten geleiden. Van zijn kant begaf de koning

zich naar het zijne.

Er heerschte gedurende een oogenblik in de zaal verwarring en

verlegenheid. Al de aanwezigen hadden kunnen bemerken, dat er iets

tusschen den koning en de koningin was voorgevallen; maar beiden hadden

zoo zacht gesproken, dat iedereen eerbiedig eenige schreden was

achteruitgegaan, en dus niemand iets had gehoord. De muzikanten speelden

zoo hard zij konden, maar men luisterde er niet naar.

De koning verliet het eerst zijn kabinet; hij was gekleed in een

allerfraaist jachtgewaad en _Monsieur_ en de overige edellieden waren in

dezelfde kleeding. Dit gewaad stond den koning het best en daarin geleek

hij inderdaad de eerste edelman van zijn rijk.

De kardinaal naderde den koning en stelde hem een doosje ter hand. De

koning opende het en vond er twee diamanten haken in.--„Wat beteekent

dat?” vroeg hij den kardinaal.--„Niets,” antwoordde deze; „alleenlijk

indien de koningin met de diamanten haken is getooid, waaraan ik

twijfel, tel ze dan, Sire! en indien gij er slechts tien vindt, vraag

dan Hare Majesteit, wie haar de twee diamanten haken kan hebben

ontstolen, die hier zijn.”

De koning beschouwde den kardinaal, als om hem te ondervragen; maar hij

had den tijd niet hem een enkele vraag te doen.--Een kreet van

bewondering ontglipte aller monden: Geleek de koning de eerste edelman

van zijn rijk, dan was ongetwijfeld de koningin de schoonste vrouw van

_Frankrijk_. Inderdaad, haar jachtgewaad stond haar voortreffelijk: zij

had een vilten hoed met blauwe veeren op; een parelgrijs fluweelen

kleed, opgeheven door diamanten haken en een blauw satijnen rok, geheel

met zilver geborduurd. Op haar linker schouder schitterden de diamanten

haken op een strik van dezelfde kleur als de veeren en de rok. De koning

trilde van blijdschap en de kardinaal van toorn; echter op den afstand,

dien zij van de koningin verwijderd waren, konden zij de diamanten niet

tellen; de koningin bezat ze; maar had zij er tien of twaalf?

Op dit oogenblik gaven de muzikanten het sein voor het ballet. De koning

naderde mevrouw de _présidente_, met wie hij zou dansen en Zijne

koninklijke Hoogheid _Monsieur_ de koningin. Men nam plaats en het

ballet begon.

De koning was over de koningin geplaatst en telkens, wanneer hij haar

voorbijging, verslond hij met zijn blikken de diamanten, wier aantal hij

niet kon te weten komen. Een koud zweet bedekte het voorhoofd van den

kardinaal. Het ballet duurde één uur. Het eindigde onder het gejuich der

geheele zaal, ieder geleidde zijn dame naar haar plaats; maar de koning

maakte van zijn voorrecht gebruik, om de zijne te laten waar zij was en

naderde haastig de koningin.

„Ik dank u, mevrouw!” zeide hij, „voor de bereidwilligheid, waarmede gij

hebt getoond aan mijn begeerten te voldoen, maar ik geloof, dat u twee

diamanten ontbreken en ik kom ze u brengen.”--Bij die woorden gaf hij de

koningin de beide diamanten, die hem de kardinaal had ter hand

gesteld.--„Hoe, Sire!” riep de koningin, verwondering veinzende, „geeft

gij mij nog twee andere, ik zal er dan veertien hebben?”

En de koning, ze tellende, vond wel degelijk twaalf diamanten op den

schouder Harer Majesteit. De koning riep den kardinaal.--„Wel, wat

beteekent dat, mijnheer de kardinaal?” vroeg de koning op strengen

toon.--„Het beteekent, Sire!” antwoordde de kardinaal, „dat ik die beide

diamanten haken Hare Majesteit wenschte te doen aannemen; doch ze in

persoon niet durvende te geven, heb ik dit middel te baat genomen.”--„En

ik ben er Uwe Eminentie te meer erkentelijk voor,” antwoordde Anna van

Oostenrijk met een glimlach, die bewees, dat zij niet misleid werd door

deze aardige beminnelijkheid, „daar ik zeker ben, dat deze twee

diamanten u evenveel kosten, als de twaalf aan Zijne Majesteit hebben

gekost.”--Vervolgens den koning en den kardinaal gegroet hebbende,

hernam de koningin den weg naar haar kamer, waar zij zich had verkleed,

en waar zij zich weer zou omkleeden.

De aandacht, welke wij hebben moeten vestigen, bij het begin van dit

hoofdstuk, op de doorluchtige personen, die wij er in voorstelden, heeft

ons hem voor een oogenblik doen uit het oog verliezen, aan wien Anna van

Oostenrijk de onbegrijpelijke overwinning was verschuldigd, die zij op

den kardinaal had behaald, hij, die verloren, onopgemerkt, onder de

menigte was gemengd, welke zich voor de deuren verdrong, en van dáár dat

tooneel beschouwde, alleen voor vier personen begrijpelijk, namelijk

voor den koning, de koningin, Zijne Eminentie en voor hem.

De koningin was in haar kamer teruggekeerd, en d’Artagnan maakte zich

gereed om te vertrekken, toen hij zich zacht op den schouder voelde

tikken; hij keerde zich om en bespeurde een jonge vrouw, die hem wenkte

haar te volgen. Deze jonge vrouw had haar gelaat bedekt met een masker

van zwart fluweel, maar ondanks deze voorzorg, die trouwens meer was

genomen voor anderen dan voor hem, herkende hij oogenblikkelijk zijn

gewonen gids, die lichtzinnige, geestige juffrouw Bonacieux. Den vorigen

dag hadden zij elkander even bij den portier van het Louvre, Germain,

gesproken, waar d’Artagnan haar had laten roepen. De haast der jonge

vrouw, om aan de koningin de heerlijke tijding mede te deelen van de

gelukkige terugkomst van haar bode was de oorzaak, dat beide gelieven

slechts een paar woorden wisselden.

D’Artagnan volgde dan juffrouw Bonacieux, door het dubbel gevoel van

liefde en nieuwsgierigheid gedreven. Langs den geheelen weg en naarmate

de gangen meer en meer ledig werden, wilde d’Artagnan de jonge vrouw

vasthouden, om haar slechts een oogenblik te beschouwen; maar vlug als

een vogel ontglipte zij steeds zijn handen; en toen hij spreken wilde,

herinnerde haar vinger, op zijn mond gelegd, hem er aan, dat hij zich in

de macht bevond van een wezen, hetwelk hij blindelings moest gehoorzamen

en dat hem de geringste klacht verbood.

Mejuffrouw Bonacieux opende een deur en geleidde den jongeling in een

volkomen duister vertrek. Daar gaf zij opnieuw een teeken het

stilzwijgen te bewaren; en een tweede, door een gordijn bedekte deur

openende, waaruit eensklaps een schitterend licht blonk, verdween zij.

D’Artagnan bleef een oogenblik onbeweeglijk en vroeg zich zelven af,

waar hij was; maar spoedig verzekerde hem een lichtstraal, die deze

kamer binnendrong, de zoele en welriekende lucht, die hem naderde, het

tevens eerbiedig en beschaafd gesprek van twee of drie vrouwen en het

dikwijls herhaalde woord van: Hare Majesteit, dat hij zich in een

kabinet bevond, dat de kamer der koningin begrensde.

De jongeling bleef in de schaduw en wachtte. De koningin scheen vroolijk

en vergenoegd, hetgeen de personen, die haar omringden, zeer scheen te

verwonderen, daar zij haar meestal in een zorgvolle gesteldheid

aantroffen. De koningin schreef die vroolijke luim aan de fraaiheid van

het feest en het vermaak, dat het ballet haar had veroorzaakt, toe; en

dewijl een koningin niet mag worden tegengesproken, of zij huilt of

lacht, waren allen uitbundig in den lof over de beminnelijkheid der

heeren schepenen van _Parijs_.

Hoewel d’Artagnan de koningin niet kende, onderscheidde hij dra haar

stem van die der andere, vooreerst door een lichten, vreemden tongval,

vervolgens door dien toon van overheersching, zoo eigenaardig aan

vorstelijke woorden. Hij hoorde haar naderen en dan weer zich van die

geopende deur verwijderen, en twee of driemalen zag hij zelfs de schaduw

van een lichaam het licht onderscheppen. Eindelijk kwam een hand en een

arm, bewonderenswaardig van vorm en blankheid, door het behangsel;

d’Artagnan begreep, dat het zijn belooning gold; hij wierp zich op de

knieën, vatte de hand en drukte er eerbiedig zijn lippen op; toen trok

die hand zich weg, een voorwerp in de zijne latende, dat hij voor een

ring erkende; dadelijk sloot zich de deur weder, en d’Artagnan bevond

zich opnieuw in een diepe duisternis. D’Artagnan stak den ring aan zijn

vinger en wachtte opnieuw, het was blijkbaar, dat alles nog niet was

afgeloopen. Op de belooning zijner opoffering moest die zijner liefde

volgen. Bovendien, hoewel het ballet was geëindigd, was echter het feest

nauwelijks begonnen; men soupeerde te drie uur, en het uurwerk van St.

Jan had reeds eenigen tijd kwart voor twee geslagen. Inderdaad, van

lieverlede verminderde het gerucht der stemmen in de aangrenzende kamer,

vervolgens hoorde men het zich verwijderen; de deur van het kabinet,

waarin zich d’Artagnan bevond, werd weder geopend en juffrouw Bonacieux

huppelde binnen.

„Zijt gij er eindelijk!” riep d’Artagnan.--„Stil!” zeide de jonge vrouw,

op de lippen des jongelings haar hand leggende: „Stil, en vertrek langs

waar gij gekomen zijt.”--„Maar waar en wanneer zal ik u wederzien?”

vroeg d’Artagnan.--„Een briefje, dat ge te huis komende zult vinden, zal

het u zeggen. Vertrek! vertrek!” en op die woorden opende zij de deur

van de gang en stiet d’Artagnan buiten het kabinet. D’Artagnan

gehoorzaamde als een kind, zonder eenig verzet of tegenstand, hetgeen

bewijst, dat hij wel degelijk verliefd was.

De Drie Musketiers dl. I en II · 第 30 / 93 题