Het ballet van la Merlaison.
Den volgenden dag was er van niets anders te _Parijs_ sprake dan van het
bal, dat heeren schepenen der stad den koning en de koningin zouden
geven, en waarop Hunne Majesteiten het vermaarde ballet van _la
Merlaison_ moesten dansen, dat den koning het meeste genoegen deed.
Sedert acht dagen maakte men ook werkelijk alles op het Stadhuis in
gereedheid voor dezen plechtigen nacht. De stadstimmerman had zijn
stellages reeds getimmerd, op welke de genoodigde dames zouden zitten;
de stadskruidenier had de zalen voorzien van tweehonderd witte
waskaarsen, hetgeen in dien tijd een ongehoorde weelde was; eindelijk
had men twintig vioolspelers besteld en het loon, dat men hun toekende,
was het dubbele van het gewone, omdat, zooals het verslag luidt, zij den
geheelen nacht moesten spelen.
Te tien uur des morgens kwam de vaandrig der gardes van den koning, de
heer de la Coste, gevolgd door twee politiedienaren en eenige schutters
van het korps, den griffier der stad, Clément genaamd, al de sleutels
der deuren van de kamers en bureaux van het hotel vragen. Die sleutels
werden hem onmiddellijk ter hand gesteld. Aan elk hing een kaartje ter
herkenning en van dat oogenblik was de heer de la Coste belast met de
bewaking van al de deuren en toegangen.
Te elf uur kwam op zijn beurt de Hallier, kapitein der gardes, gevolgd
door vijftig schutters, die dadelijk zich in het Stadhuis verspreidden
en zich naar de deuren begaven, welke hun ter bewaking werden
aangewezen.
Te drie uur naderden twee kompagnieën der gardes, een Fransche en een
Zwitsersche. De kompagnie der Fransche garde bestond voor de helft uit
manschappen van den heer de Hallier en voor de andere helft uit die van
den heer des Essarts.
Te zes uur des avonds begonnen de genoodigden te verschijnen. Naarmate
zij binnentraden, werd hun in de groote zaal op de gereedgemaakte
stellages een plaats aangewezen.
Te negen uur kwam de vrouw van den eersten president; daar deze na de
koningin de voornaamste persoon van het feest was, werd zij door de
stadsheeren ontvangen en haar een plaats aangewezen in de loge over die,
waarin de koningin zich zou begeven.
Te tien uur richtte men een tafel met confituren aan voor den koning in
de kleine zaal, aan de zijde der _St.-Janskerk_ en zulks tegenover het
zilveren buffet der stad, dat door vier schutters bewaakt werd.
Te middernacht hoorde men een groot geschreeuw en veelvuldige
vreugdekreten; het was de koning, die de straten doorging, welke van het
Louvre naar het Stadhuis leidden en die alle met gekleurde lantaarns
verlicht waren. Onmiddellijk gingen heeren schepenen, in hun
lakentabbaard gekleed en voorafgegaan door tien sergeanten, elk een
flambouw dragende, den koning tegemoet, dien zij op de trap ontmoetten,
waar de provoost der kooplieden hem verwelkomde, welk kompliment Zijne
Majesteit beantwoordde door zich te verontschuldigen van zoo laat te
zijn gekomen; hij wierp de schuld hiervan op den kardinaal, die hem, met
over staatszaken te spreken, tot elf uur had opgehouden.
Zijne Majesteit, in staatsiekleederen, werd vergezeld door Zijne
Koninklijke Hoogheid _Monsieur_, door den graaf de Soissons, den
groot-provoost, den hertog de Longueville, den hertog d’Elbeuf, den
graaf d’Harcourt, den graaf de la Roche-Guyon, den heer de Liancourt,
den heer de Baradas, den graaf de Cramail en den ridder de Souveray.
Iedereen kon zien, dat de koning verstrooid en droefgeestig was. Een
kabinet was voor den koning en een ander voor _Monsieur_ gereed gemaakt.
In elk dier kabinetten waren maskeradekleederen voorhanden. Evenzoo was
gedaan voor de koningin en voor mevrouw de _présidente_. De heeren en
dames van het gevolg Hunner Majesteiten moesten zich bij paren in de
daarvoor bestemde kamers verkleeden.
Alvorens in het kabinet te gaan, beval de koning, dat men hem zou
waarschuwen, zoodra de kardinaal verscheen.
Een half uur na de komst des konings verhief zich opnieuw een levendig
gejuich, hetwelk de komst der koningin verkondigde; de schepenen deden
evenzoo als zij reeds gedaan hadden, en voorafgegaan door de
stads-sergeanten, gingen zij hun doorluchtige gastvrouw tegemoet. De
koningin trad de zaal binnen; men bemerkte, dat zij even neerslachtig
als de koning was en er bijzonder vermoeid uitzag. Op het oogenblik dat
zij binnentrad, werd de gordijn van een kleine loge, die tot hiertoe was
dicht gebleven, geopend en zag men het bleeke gelaat des kardinaals, die
in een Spaansch ruitergewaad was gekleed; zijn oogen vestigden zich op
die der koningin en een glimlach van akelige vreugde zweefde op zijn
lippen; de koningin was niet met haar diamanten haken getooid. De
koningin hield zich eenigen tijd bezig met de komplimenten van de leden
der vroedschappen aan te hooren en de begroetingen der dames te
beantwoorden.
Eensklaps verscheen de koning met den kardinaal voor een der deuren van
de zaal. De kardinaal sprak zacht met hem, terwijl de koning zeer bleek
was. De koning drong door de menigte, en zonder masker en de linten van
zijn buis nauwelijks dichtgestrikt, naderde hij de koningin en met een
bevende stem zeide hij:
„Mevrouw! waarom, als het u belieft, hebt gij u niet met uw diamanten
getooid, wanneer gij wist, dat het mij aangenaam was ze te zien?”--De
koningin liet haar blik rondwaren en zag, achter den koning, den
kardinaal, op duivelachtige wijze glimlachende.--„Sire!” antwoordde de
koningin met een ontroerde stem, „omdat ik, in het gewoel van dat groote
feest, vreesde er een ongeluk aan te zullen krijgen.”--„Gij hebt
ongelijk, mevrouw! indien ik u dat geschenk heb gedaan, was het om er u
mede te tooien. Ik zeg u, dat gij niet wel hebt gedaan.”--En des konings
stem beefde van toorn; iedereen beschouwde en luisterde met verbazing,
niets begrijpende van hetgeen er voorviel.--„Sire!” zeide de koningin,
„ik kan ze van het Louvre doen halen, waar zij zijn, en alzoo zal de
begeerte Uwer Majesteit vervuld worden.”--„Doe zulks, mevrouw! en wel
zoo spoedig mogelijk; want binnen een uur zal het ballet een aanvang
nemen.”
De koningin neeg, ten teeken van onderwerping en volgde de dames, die
haar naar haar kabinet moesten geleiden. Van zijn kant begaf de koning
zich naar het zijne.
Er heerschte gedurende een oogenblik in de zaal verwarring en
verlegenheid. Al de aanwezigen hadden kunnen bemerken, dat er iets
tusschen den koning en de koningin was voorgevallen; maar beiden hadden
zoo zacht gesproken, dat iedereen eerbiedig eenige schreden was
achteruitgegaan, en dus niemand iets had gehoord. De muzikanten speelden
zoo hard zij konden, maar men luisterde er niet naar.
De koning verliet het eerst zijn kabinet; hij was gekleed in een
allerfraaist jachtgewaad en _Monsieur_ en de overige edellieden waren in
dezelfde kleeding. Dit gewaad stond den koning het best en daarin geleek
hij inderdaad de eerste edelman van zijn rijk.
De kardinaal naderde den koning en stelde hem een doosje ter hand. De
koning opende het en vond er twee diamanten haken in.--„Wat beteekent
dat?” vroeg hij den kardinaal.--„Niets,” antwoordde deze; „alleenlijk
indien de koningin met de diamanten haken is getooid, waaraan ik
twijfel, tel ze dan, Sire! en indien gij er slechts tien vindt, vraag
dan Hare Majesteit, wie haar de twee diamanten haken kan hebben
ontstolen, die hier zijn.”
De koning beschouwde den kardinaal, als om hem te ondervragen; maar hij
had den tijd niet hem een enkele vraag te doen.--Een kreet van
bewondering ontglipte aller monden: Geleek de koning de eerste edelman
van zijn rijk, dan was ongetwijfeld de koningin de schoonste vrouw van
_Frankrijk_. Inderdaad, haar jachtgewaad stond haar voortreffelijk: zij
had een vilten hoed met blauwe veeren op; een parelgrijs fluweelen
kleed, opgeheven door diamanten haken en een blauw satijnen rok, geheel
met zilver geborduurd. Op haar linker schouder schitterden de diamanten
haken op een strik van dezelfde kleur als de veeren en de rok. De koning
trilde van blijdschap en de kardinaal van toorn; echter op den afstand,
dien zij van de koningin verwijderd waren, konden zij de diamanten niet
tellen; de koningin bezat ze; maar had zij er tien of twaalf?
Op dit oogenblik gaven de muzikanten het sein voor het ballet. De koning
naderde mevrouw de _présidente_, met wie hij zou dansen en Zijne
koninklijke Hoogheid _Monsieur_ de koningin. Men nam plaats en het
ballet begon.
De koning was over de koningin geplaatst en telkens, wanneer hij haar
voorbijging, verslond hij met zijn blikken de diamanten, wier aantal hij
niet kon te weten komen. Een koud zweet bedekte het voorhoofd van den
kardinaal. Het ballet duurde één uur. Het eindigde onder het gejuich der
geheele zaal, ieder geleidde zijn dame naar haar plaats; maar de koning
maakte van zijn voorrecht gebruik, om de zijne te laten waar zij was en
naderde haastig de koningin.
„Ik dank u, mevrouw!” zeide hij, „voor de bereidwilligheid, waarmede gij
hebt getoond aan mijn begeerten te voldoen, maar ik geloof, dat u twee
diamanten ontbreken en ik kom ze u brengen.”--Bij die woorden gaf hij de
koningin de beide diamanten, die hem de kardinaal had ter hand
gesteld.--„Hoe, Sire!” riep de koningin, verwondering veinzende, „geeft
gij mij nog twee andere, ik zal er dan veertien hebben?”
En de koning, ze tellende, vond wel degelijk twaalf diamanten op den
schouder Harer Majesteit. De koning riep den kardinaal.--„Wel, wat
beteekent dat, mijnheer de kardinaal?” vroeg de koning op strengen
toon.--„Het beteekent, Sire!” antwoordde de kardinaal, „dat ik die beide
diamanten haken Hare Majesteit wenschte te doen aannemen; doch ze in
persoon niet durvende te geven, heb ik dit middel te baat genomen.”--„En
ik ben er Uwe Eminentie te meer erkentelijk voor,” antwoordde Anna van
Oostenrijk met een glimlach, die bewees, dat zij niet misleid werd door
deze aardige beminnelijkheid, „daar ik zeker ben, dat deze twee
diamanten u evenveel kosten, als de twaalf aan Zijne Majesteit hebben
gekost.”--Vervolgens den koning en den kardinaal gegroet hebbende,
hernam de koningin den weg naar haar kamer, waar zij zich had verkleed,
en waar zij zich weer zou omkleeden.
De aandacht, welke wij hebben moeten vestigen, bij het begin van dit
hoofdstuk, op de doorluchtige personen, die wij er in voorstelden, heeft
ons hem voor een oogenblik doen uit het oog verliezen, aan wien Anna van
Oostenrijk de onbegrijpelijke overwinning was verschuldigd, die zij op
den kardinaal had behaald, hij, die verloren, onopgemerkt, onder de
menigte was gemengd, welke zich voor de deuren verdrong, en van dáár dat
tooneel beschouwde, alleen voor vier personen begrijpelijk, namelijk
voor den koning, de koningin, Zijne Eminentie en voor hem.
De koningin was in haar kamer teruggekeerd, en d’Artagnan maakte zich
gereed om te vertrekken, toen hij zich zacht op den schouder voelde
tikken; hij keerde zich om en bespeurde een jonge vrouw, die hem wenkte
haar te volgen. Deze jonge vrouw had haar gelaat bedekt met een masker
van zwart fluweel, maar ondanks deze voorzorg, die trouwens meer was
genomen voor anderen dan voor hem, herkende hij oogenblikkelijk zijn
gewonen gids, die lichtzinnige, geestige juffrouw Bonacieux. Den vorigen
dag hadden zij elkander even bij den portier van het Louvre, Germain,
gesproken, waar d’Artagnan haar had laten roepen. De haast der jonge
vrouw, om aan de koningin de heerlijke tijding mede te deelen van de
gelukkige terugkomst van haar bode was de oorzaak, dat beide gelieven
slechts een paar woorden wisselden.
D’Artagnan volgde dan juffrouw Bonacieux, door het dubbel gevoel van
liefde en nieuwsgierigheid gedreven. Langs den geheelen weg en naarmate
de gangen meer en meer ledig werden, wilde d’Artagnan de jonge vrouw
vasthouden, om haar slechts een oogenblik te beschouwen; maar vlug als
een vogel ontglipte zij steeds zijn handen; en toen hij spreken wilde,
herinnerde haar vinger, op zijn mond gelegd, hem er aan, dat hij zich in
de macht bevond van een wezen, hetwelk hij blindelings moest gehoorzamen
en dat hem de geringste klacht verbood.
Mejuffrouw Bonacieux opende een deur en geleidde den jongeling in een
volkomen duister vertrek. Daar gaf zij opnieuw een teeken het
stilzwijgen te bewaren; en een tweede, door een gordijn bedekte deur
openende, waaruit eensklaps een schitterend licht blonk, verdween zij.
D’Artagnan bleef een oogenblik onbeweeglijk en vroeg zich zelven af,
waar hij was; maar spoedig verzekerde hem een lichtstraal, die deze
kamer binnendrong, de zoele en welriekende lucht, die hem naderde, het
tevens eerbiedig en beschaafd gesprek van twee of drie vrouwen en het
dikwijls herhaalde woord van: Hare Majesteit, dat hij zich in een
kabinet bevond, dat de kamer der koningin begrensde.
De jongeling bleef in de schaduw en wachtte. De koningin scheen vroolijk
en vergenoegd, hetgeen de personen, die haar omringden, zeer scheen te
verwonderen, daar zij haar meestal in een zorgvolle gesteldheid
aantroffen. De koningin schreef die vroolijke luim aan de fraaiheid van
het feest en het vermaak, dat het ballet haar had veroorzaakt, toe; en
dewijl een koningin niet mag worden tegengesproken, of zij huilt of
lacht, waren allen uitbundig in den lof over de beminnelijkheid der
heeren schepenen van _Parijs_.
Hoewel d’Artagnan de koningin niet kende, onderscheidde hij dra haar
stem van die der andere, vooreerst door een lichten, vreemden tongval,
vervolgens door dien toon van overheersching, zoo eigenaardig aan
vorstelijke woorden. Hij hoorde haar naderen en dan weer zich van die
geopende deur verwijderen, en twee of driemalen zag hij zelfs de schaduw
van een lichaam het licht onderscheppen. Eindelijk kwam een hand en een
arm, bewonderenswaardig van vorm en blankheid, door het behangsel;
d’Artagnan begreep, dat het zijn belooning gold; hij wierp zich op de
knieën, vatte de hand en drukte er eerbiedig zijn lippen op; toen trok
die hand zich weg, een voorwerp in de zijne latende, dat hij voor een
ring erkende; dadelijk sloot zich de deur weder, en d’Artagnan bevond
zich opnieuw in een diepe duisternis. D’Artagnan stak den ring aan zijn
vinger en wachtte opnieuw, het was blijkbaar, dat alles nog niet was
afgeloopen. Op de belooning zijner opoffering moest die zijner liefde
volgen. Bovendien, hoewel het ballet was geëindigd, was echter het feest
nauwelijks begonnen; men soupeerde te drie uur, en het uurwerk van St.
Jan had reeds eenigen tijd kwart voor twee geslagen. Inderdaad, van
lieverlede verminderde het gerucht der stemmen in de aangrenzende kamer,
vervolgens hoorde men het zich verwijderen; de deur van het kabinet,
waarin zich d’Artagnan bevond, werd weder geopend en juffrouw Bonacieux
huppelde binnen.
„Zijt gij er eindelijk!” riep d’Artagnan.--„Stil!” zeide de jonge vrouw,
op de lippen des jongelings haar hand leggende: „Stil, en vertrek langs
waar gij gekomen zijt.”--„Maar waar en wanneer zal ik u wederzien?”
vroeg d’Artagnan.--„Een briefje, dat ge te huis komende zult vinden, zal
het u zeggen. Vertrek! vertrek!” en op die woorden opende zij de deur
van de gang en stiet d’Artagnan buiten het kabinet. D’Artagnan
gehoorzaamde als een kind, zonder eenig verzet of tegenstand, hetgeen
bewijst, dat hij wel degelijk verliefd was.