Reisplan.
D’Artagnan begaf zich rechtstreeks naar den heer de Tréville. Hij
overwoog, dat de kardinaal na weinige oogenblikken door dien vervloekten
onbekende, die zijn agent scheen te zijn, zou verwittigd worden, en
bedacht, dat er geen oogenblik te verliezen was. Het hart des jongelings
vloeide over van vreugd. Het was een avontuur, dat hem èn roem te
verwerven, èn geld te winnen aanbood, en dat hem als eerste aanmoediging
met een vrouw, die hij aanbad, in nauwere aanraking bracht. Het toeval
schonk hem reeds bij den aanvang meer dan hij van de Voorzienigheid had
durven vragen.
De heer de Tréville was in zijn salon met zijn gewoon gezelschap
edellieden.... D’Artagnan, dien men als een vriend des huizes kende,
begaf zich rechtstreeks naar zijn kabinet en deed hem verwittigen, dat
hij hem over iets zeer gewichtigs te spreken had.
D’Artagnan was nauwelijks vijf minuten daar, toen de heer de Tréville
binnentrad. Bij den eersten aanblik de vreugd opmerkende, die op zijn
gelaat blonk, begreep de waardige kapitein, dat er werkelijk iets nieuws
moest wezen. Den geheelen weg langs had d’Artagnan bij zich zelven
overlegd, of hij alles den heer de Tréville zou toevertrouwen, dan wel
dezen alleen zou vragen hem het noodige verlof te geven ter uitvoering
eener geheime zending. Maar de heer de Tréville was steeds zoo uitermate
goed jegens hem geweest, hij was den koning en de koningin zoo genegen,
terwijl hij den kardinaal zoozeer vijandig was, dat de jongeling besloot
hem alles te zeggen.
„Gij hebt mij laten roepen, mijn jonge vriend?”--„Ja, mijnheer!” zeide
d’Artagnan, „en gij zult mij verschoonen, hoop ik, u gestoord te hebben,
wanneer gij het gewicht der zaak zult kennen, waarvan er sprake
is.”--„Spreek dan, ik luister.”--„Het betreft niets minder,” zeide
d’Artagnan, zijn stem verzachtende, „dan de eer en misschien wel het
leven der koningin.”--„Wat zegt gij daar?” vroeg de heer de Tréville,
rondziende om zich te verzekeren of zij wel alleen waren en daarna zijn
vragenden blik weder op d’Artagnan vestigende.--„Ik zeg u, mijnheer! dat
het toeval mij in het bezit heeft gesteld van een geheim.”--„Dat ik
hoop, jongeling, dat gij uw leven lang zult bewaren.”--„Maar dat ik
aan u, mijnheer, moet toevertrouwen, want gij alleen kunt mij helpen
in de zending, die mij van wege Hare Majesteit is opgedragen
geworden.”--„Behoort u dat geheim?”--„Neen, mijnheer, het behoort
aan de koningin.”--„Is u door Hare Majesteit vergunning verleend het
mij toe te vertrouwen?”--„Neen, mijnheer! integendeel, de grootste
geheimhouding is mij aanbevolen.”--„En waarom wilt gij het dan aan mij
mededeelen?”--„Omdat ik, ik herhaal het, zonder u niets kan doen en
bevreesd ben, dat gij mij de gunst zult weigeren, die ik u kom
verzoeken, indien gij niet weet, met welk oogmerk ik u die vraag
doe.”--„Bewaar uw geheim, jongeling! en zeg mij wat gij verlangt.”--„Ik
verlang, dat gij voor mij van den heer des Essarts een veertiendaagsch
verlof verkrijgt.”--„Voor wanneer?”--„Voor nog dezen nacht.”--„Verlaat
gij _Parijs_?”--„Ik moet een zending volbrengen.”--„Kunt gij mij zeggen
waar?”--„In _Londen_.”--„Heeft iemand er belang bij, dat gij uw doel
niet bereikt?”--„De kardinaal, geloof ik, zou alles ter wereld geven, om
mijn reis te beletten.”--„En vertrekt gij alleen?”--„Ik vertrek
alleen.”--„In dat geval zult gij _Bondy_ niet voorbij komen! dat zeg ik
u, zoo waar ik Tréville heet.”--„Waarom dat?”--„Men zal u
vermoorden.”--„Ik zal sterven in het vervullen van mijn plicht.”--„Maar
uw zending zal niet vervuld zijn.”--„Dat is waar,” zeide d’Artagnan.
„Geloof mij,” vervolgde de Tréville, „in dergelijke ondernemingen moet
men een viertal zijn, opdat er één het doel bereike.”--„O! gij hebt
gelijk, mijnheer!” zeide d’Artagnan; „maar gij kent Athos, Porthos en
Aramis, en gij weet of ik over hen kan beschikken.”--„Zonder hun het
geheim te vertrouwen, dat ik niet wil kennen?”--„Wij hebben elkander
eens voor altijd een blind vertrouwen en onverbreekbare trouw gezworen;
buitendien, gij kunt hun zeggen, dat gij volkomen vertrouwen in mij
stelt, en zij zullen niet minder geloovig zijn dan gij.”--„Ik kan aan
elk hunner een verlof van veertien dagen doen geworden, dat is al; aan
Athos, wiens wonde hem nog steeds doet lijden, om naar de baden van
_Forges_ te gaan; aan Porthos en Aramis, om hun vriend te volgen, dien
zij in een zoo smartelijken toestand niet willen verlaten. Het zenden
hunner verlofpassen zal ten bewijze strekken, dat ik in hun reis
toestem.”--„Ik dank u, mijnheer! voor uw zoo groote goedheid.”--„Ga hen
dus oogenblikkelijk zoeken, en dat nog dezen nacht alles worde
uitgevoerd. Ha! maar schrijf mij eerst uw verzoek aan den heer des
Essarts. Een spion zou wellicht uw schreden gevolgd kunnen hebben, en uw
bezoek, dat in dat geval reeds aan den kardinaal bekend is, wordt
hierdoor verklaard.”
D’Artagnan stelde het verzoek op, en de heer de Tréville, het uit zijn
handen ontvangende, verzekerde, dat vóór twee uur des ochtends de vier
verlofpassen aan de huizen der belanghebbenden zouden zijn bezorgd.
„Wees zoo goed, mijnheer! den mijnen aan het huis van den heer Athos te
doen afgeven,” zeide d’Artagnan. „Ik vrees, naar huis gaande, een
slechte ontmoeting te hebben.”--„Wees gerust, vaarwel en goede reis!....
A propos!” zeide de heer de Tréville, hem terugroepende.--D’Artagnan
keerde op zijn schreden terug.--„Hebt gij geld?”--D’Artagnan liet den
geldzak klinken, dien hij bij zich had.--„Genoeg?” vroeg de heer de
Tréville.--„Driehonderd pistolen.”--„Goed, met zooveel doet men een reis
rondom de wereld; vaarwel dan!”
D’Artagnan groette den heer de Tréville, die hem de hand reikte.
D’Artagnan drukte ze met eerbied en dankbaarheid. Sedert hij te _Parijs_
was gekomen, was deze voortreffelijke man voor hem steeds goed geweest,
en had hij hem nooit anders dan achtenswaardig, trouw en grootmoedig
gevonden.
Zijn eerste bezoek gold Aramis; hij was bij zijn vriend, sedert dien
gewichtigen avond, op welken hij juffrouw Bonacieux was gevolgd, niet
teruggekeerd. En wat meer zegt, nauwelijks had hij den jongen musketier
weergezien, en telkens, wanneer hij hem ontmoette, meende hij een diepe
treurigheid op zijn aangezicht te zien uitgedrukt. Ook dezen avond vond
hij Aramis wakende, in treurige droomerijen verzonken. D’Artagnan deed
hem eenige vragen omtrent deze langdurige droefgeestigheid; Aramis
verontschuldigde zich met een uitlegging van het achttiende kapittel van
den Heiligen Augustinus, dat hij in het Latijn voor de volgende week
moest gereed hebben en dat hem veel hoofdbrekens veroorzaakte.
Terwijl de beide vrienden eenige oogenblikken aldus gesproken hadden,
trad een dienaar des heeren de Tréville met een verzegeld pakket
binnen.--„Wat is dat?” vroeg Aramis.--„Het verlof, waarom mijnheer heeft
verzocht,” antwoordde de lakei.--„Ik? ik heb geen verlof
gevraagd.”--„Zwijg en neem aan!” zeide d’Artagnan. „En ziedaar, mijn
vriend! hebt gij een halve pistool voor uw moeite; gij zult den heer de
Tréville zeggen, dat de heer Aramis hem van harte laat bedanken.
Ga!”--De lakei maakte een diepe buiging en vertrok.
„Wat beteekent dat?” vroeg Aramis.--„Neem het noodige voor een reis van
veertien dagen en volg mij.”--„Maar ik kan _Parijs_ voor het oogenblik
niet verlaten, zonder te weten....”--Aramis zweeg.--„Wat er van haar
geworden is, niet waar?” vroeg d’Artagnan.--„Van wie?” hernam
Aramis.--„Van de vrouw, die hier was, de vrouw met den geborduurden
zakdoek.”--„Wie heeft u gezegd, dat hier een vrouw is geweest?” vroeg
Aramis, als een doode verbleekende.--„Ik heb haar gezien.”--„En gij
weet wie zij is?”--„Ik vermoed het.”--„Welnu,” zeide Aramis,
„dewijl gij zooveel zaken weet, weet gij dan ook wat er van die
vrouw geworden is?”--„Ik veronderstel, dat zij naar _Tours_ is
teruggekeerd.”--„_Tours_? ja, dat is het, gij kent haar! Maar hoe komt
het, dat zij naar _Tours_ teruggekeerd is, zonder mij te
verwittigen?”--„Omdat zij vreesde te worden aangehouden.”--„Waarom heeft
zij mij niet geschreven?”--„Omdat zij vreesde u in ongelegenheid te
brengen.”--„D’Artagnan, gij geeft mij het leven weder!” riep Aramis. „Ik
meende verraden te zijn; ik was zoo gelukkig haar weder te zien! ik kon
niet gelooven, dat zij haar vrijheid voor mij zou wagen, en toch, voor
welke andere reden zou zij te _Parijs_ zijn gekomen?”--„Voor dezelfde
reden, die ons naar _Engeland_ doet gaan.”--„En wat is die reden?” vroeg
Aramis.--„Gij zult het eenmaal weten, Aramis! maar voor het oogenblik
zal ik de stilzwijgendheid in acht nemen omtrent de _nicht van den
doctor in de godgeleerdheid_.”
Aramis glimlachte, want hij herinnerde zich het sprookje, dat hij op
zekeren avond aan zijn vrienden had verhaald.--„Welnu, dewijl zij
_Parijs_ heeft verlaten en gij er zeker van zijt, d’Artagnan! houdt mij
niets meer terug en ik ben bereid u te volgen. Gij zegt, dat wij
gaan....”--„Voor het oogenblik naar Athos, en als gij wilt medegaan,
verzoek ik u haast te maken, want wij hebben reeds veel tijd verloren. A
propos! neem Bazijn mede.”--„Moet Bazijn ons vergezellen?” vroeg
Aramis.--„Misschien; in alle geval is het noodzakelijk, dat hij ons nu
naar Athos volgt.”
Aramis riep Bazijn, en na hem bevolen te hebben ten huize van den heer
Athos zich bij hem te voegen, zeide hij: „Laat ons vertrekken,” en hij
nam zijn mantel, zijn degen en zijn pistolen; toen trok hij drie of vier
laden open, om te zien of er niet een of ander vergeten geldstuk in
verscholen was. Vervolgens, toen hij zich overtuigd had, dat deze
nazoeking vruchteloos was, volgde hij d’Artagnan, zich zelven
afvragende, hoe de jonge kadet der garde even goed wist als hij, wie de
vrouw was, aan welke hij de gastvrijheid had aangeboden en beter dan hij
wist, wat er van haar geworden was.
Toen zij de kamer verlieten, legde Aramis zijn hand op den arm van
d’Artagnan en hem strak aanziende, vroeg hij: „Hebt gij aan niemand over
die vrouw gesproken? Aan niemand ter wereld, zelfs niet aan Athos of
Porthos?”--„Ik heb er geen woord van gezegd.”--„Des te beter!”--En
omtrent dit gewichtig punt gerustgesteld, vervolgde Aramis zijn weg met
d’Artagnan en beiden kwamen dra bij Athos.
Zij vonden hem in de eene hand zijn verlofpas, in de andere den brief
van den heer de Tréville houdende.--„Kunt gij mij verklaren, wat dat
verlof en die brief beteekenen, welke ik zooeven ontvang?” vroeg Athos
verbaasd:
„Mijn waarde Athos! ik wil wel, dewijl uw gezondheid zulks
volstrekt vereischt, dat gij een paar weken uitrust. Ga dus naar
_Forges_ de baden nemen, of elders, waar gij het moogt goedvinden,
en herstel spoedig.
Uw toegenegen Tréville.”
„Wel, dat verlof en die brief beteekenen, dat gij mij moet volgen,
Athos!”--„Naar de mineraalbronnen van _Forges_?”--„Dáár of
elders.”--„Voor den dienst des konings?”--„Des konings of der koningin.
Zijn wij geen dienaren van beiden?”
Op dat oogenblik trad Porthos binnen.--„_Pardieu_!” zeide hij, „ziedaar
iets zonderlings; sedert wanneer is het de gewoonte onder de musketiers
geworden, de lieden verlof te geven, zonder dat zij er om
vragen?”--„Sedert zij vrienden hebben, die het voor hen vragen,”
antwoordde d’Artagnan.--„Zoo!” zeide Porthos, „het schijnt dat er wat
nieuws is voorgevallen.”--„Ja, wij vertrekken,” zeide Aramis.--„Naar
welk land?” vroeg Porthos.--„Op mijn woord, ik weet het niet,” zeide
Athos, „vraag het aan d’Artagnan.”
„Naar _Londen_, mijne heeren!” zeide d’Artagnan.--„Naar _Londen_?” riep
Porthos; „en wat moeten wij te _Londen_ doen?”--„Dat kan ik u niet
zeggen, mijne heeren! en gij moet in mij vertrouwen stellen.”--„Maar om
naar _Londen_ te gaan is er geld noodig, en ik heb het niet.”--„Noch
ik,” zeide Aramis.--„Noch ik,” zeide Athos.--„Maar ik heb het!” zeide
d’Artagnan, zijn schat uit zijn zak halende en dien op tafel leggende.
„Er zijn in dezen zak driehonderd pistolen; nemen wij er elk vijf en
zeventig; dat is genoeg om naar _Londen_ te gaan en weer terug te
keeren. Maar weest gerust, allen komen wij toch niet te _Londen_.”--„En
waarom niet?”--„Omdat, volgens alle waarschijnlijkheid, eenigen onzer
onderweg zullen blijven.”--„Maar gaan wij dan een veldtocht
beginnen?”--„Ja, en wel een zeer gevaarlijken, dat zeg ik u
vooruit.”--„Doch hoor eens,” zeide Porthos, „indien wij het leven wagen,
wilde ik ten minste weten, waarom?”--„Daarmede zoudt gij ver gevorderd
zijn,” hernam Athos.--„Echter,” zeide Aramis, „ben ik van het gevoelen
van Porthos.”--„Heeft de koning de gewoonte u rekenschap te geven? Neen,
hij zegt u eenvoudig: Mijne heeren! men strijdt in _Gaskonje_ of in
_Vlaanderen_; gaat ten oorlog! en gij gaat. Waarom? gij bekommert u
hierover niet eens.”--„D’Artagnan heeft gelijk,” zeide Athos. „Ziedaar
onze drie verlofpassen, die ons de heer de Tréville zendt, en ziedaar
driehonderd pistolen, die komen, ik weet niet van waar. Gaan wij den
dood tegemoet, waar men ons zegt te gaan. Is het leven zooveel vragen
waard? D’Artagnan! ik ben bereid u te volgen.”--„En ik ook!” zeide
Porthos.--„En ik ook!” herhaalde Aramis. „Daarbij, het doet mij geen
leed _Parijs_ te verlaten. Ik moet ontspanning hebben.”--„Welnu, gij
zult ontspanning hebben, mijne heeren! weest gerust,” zeide d’Artagnan.
„En wanneer vertrekken wij?” vroeg Athos.--„Onmiddellijk,” antwoordde
d’Artagnan; „er is geen minuut te verliezen.”
„Hola! Grimaud, Planchet, Mousqueton, Bazijn!” schreeuwden de vier
jongelingen, hun lakeien roepende, „poetst onze laarzen en haalt de
paarden uit het hotel,” want elk musketier liet in het hotel der
musketiers, als in een kazerne, zijn paard en dat van zijn lakei
staan.--Planchet, Grimaud, Mousqueton en Bazijn vertrokken in allerijl.
„Maken wij thans een plan van den veldtocht,” zeide Porthos; „werwaarts
gaan wij het eerst?”--„Naar _Calais_,” zeide d’Artagnan, „dat is de
naaste weg om naar _Londen_ te gaan.”--„Welnu,” zeide Porthos, „ziehier
mijn plan.”--„Spreek!”--„Vier mannen, te zamen reizende, zullen
achterdocht opwekken; daarom moet d’Artagnan elk onzer zijn
voorschriften geven. Ik zal den weg van _Boulogne_ nemen als voorhoede;
Athos zal, twee uren later, dien van _Amiëns_ nemen, en Aramis zal ons
langs dien van _Noyon_ volgen; wat d’Artagnan betreft, deze zal den weg
nemen, dien hij verkiest, in de kleederen van Planchet, terwijl Planchet
ons zal volgen in die van d’Artagnan, in de uniform der gardes.”--„Mijne
heeren! naar mijn inzien is het niet betamelijk, lakeien in dergelijke
zaken te mengen; een geheim kan toevalligerwijze door een edelman worden
verraden, maar door lakeien wordt het gewoonlijk verkocht.”--„Het plan
van Porthos schijnt mij onuitvoerbaar te zijn,” zeide d’Artagnan, „daar
ik zelf niet weet, welke voorschriften ik u zou kunnen geven. Ik ben met
een brief belast, dat is alles. Ik heb geen afschriften van dezen brief,
noch kan die er van maken, dewijl hij verzegeld is; wij moeten dus, naar
mijn gedachte, in gezelschap reizen. Die brief is hier, in dezen zak;”
en hij toonde den zak, waarin zich de brief bevond. „Indien ik gedood
word, zal een uwer er zich mede belasten; en gij zult uw weg vervolgen;
indien hij gedood wordt, dan is het de beurt van een anderen, en zoo
vervolgens; als er slechts één aankomt, dat is genoeg.”
„Bravo, d’Artagnan! ik ben met u van hetzelfde gevoelen,” zeide Athos.
„Buitendien, men moet zich gelijk blijven; ik ga de baden gebruiken, en
gij vergezelt mij; in plaats van de bronnen van _Forges_ ga ik de
zeebaden gebruiken; hierin ben ik vrij. Indien men ons wil aanhouden,
dan vertoon ik den brief van den heer de Tréville, en gij vertoont uw
verlofpassen; wanneer men ons aanvalt, verdedigen wij ons; wanneer men
ons veroordeelt, houden wij staande, dat wij geen ander voornemen
hadden, dan om ons een zeker getal keeren in zee te dompelen; men kan
gemakkelijk vier afzonderlijk reizenden overweldigen, maar vier mannen,
die vereenigd zijn, vormen een kleine bende; wij zullen onze vier
lakeien met pistolen en musketten wapenen, indien men een leger op ons
afzendt, zullen wij den slag leveren, en de overblijvende, zooals
d’Artagnan zegt, zal zich met den brief belasten.”--„Goed!” riep Aramis.
„Gij spreekt niet dikwijls, maar wanneer gij spreekt, is het als _Jan
Goudmond_. Ik keur het plan van Athos goed, en gij Porthos?”--„Ik ook,”
zeide Porthos, „als het d’Artagnan bevalt. D’Artagnan, als bewaarder van
den brief, is natuurlijk het hoofd der onderneming; dat hij besluite, en
dat wij ten uitvoer brengen.”--„Welnu,” zeide d’Artagnan, „ik besluit,
dat wij het plan van Athos moeten aannemen en binnen een half uur
vertrekken.”--„Aangenomen!” herhaalden eenstemmig de drie musketiers.
En allen de hand naar den zak uitstrekkende, nam elk voor zich vijf en
zeventig pistolen, waarna ieder zijn toebereidselen maakte om op het
bepaalde uur te vertrekken.