HOOFDSTUK XIX.

Reisplan.

D’Artagnan begaf zich rechtstreeks naar den heer de Tréville. Hij

overwoog, dat de kardinaal na weinige oogenblikken door dien vervloekten

onbekende, die zijn agent scheen te zijn, zou verwittigd worden, en

bedacht, dat er geen oogenblik te verliezen was. Het hart des jongelings

vloeide over van vreugd. Het was een avontuur, dat hem èn roem te

verwerven, èn geld te winnen aanbood, en dat hem als eerste aanmoediging

met een vrouw, die hij aanbad, in nauwere aanraking bracht. Het toeval

schonk hem reeds bij den aanvang meer dan hij van de Voorzienigheid had

durven vragen.

De heer de Tréville was in zijn salon met zijn gewoon gezelschap

edellieden.... D’Artagnan, dien men als een vriend des huizes kende,

begaf zich rechtstreeks naar zijn kabinet en deed hem verwittigen, dat

hij hem over iets zeer gewichtigs te spreken had.

D’Artagnan was nauwelijks vijf minuten daar, toen de heer de Tréville

binnentrad. Bij den eersten aanblik de vreugd opmerkende, die op zijn

gelaat blonk, begreep de waardige kapitein, dat er werkelijk iets nieuws

moest wezen. Den geheelen weg langs had d’Artagnan bij zich zelven

overlegd, of hij alles den heer de Tréville zou toevertrouwen, dan wel

dezen alleen zou vragen hem het noodige verlof te geven ter uitvoering

eener geheime zending. Maar de heer de Tréville was steeds zoo uitermate

goed jegens hem geweest, hij was den koning en de koningin zoo genegen,

terwijl hij den kardinaal zoozeer vijandig was, dat de jongeling besloot

hem alles te zeggen.

„Gij hebt mij laten roepen, mijn jonge vriend?”--„Ja, mijnheer!” zeide

d’Artagnan, „en gij zult mij verschoonen, hoop ik, u gestoord te hebben,

wanneer gij het gewicht der zaak zult kennen, waarvan er sprake

is.”--„Spreek dan, ik luister.”--„Het betreft niets minder,” zeide

d’Artagnan, zijn stem verzachtende, „dan de eer en misschien wel het

leven der koningin.”--„Wat zegt gij daar?” vroeg de heer de Tréville,

rondziende om zich te verzekeren of zij wel alleen waren en daarna zijn

vragenden blik weder op d’Artagnan vestigende.--„Ik zeg u, mijnheer! dat

het toeval mij in het bezit heeft gesteld van een geheim.”--„Dat ik

hoop, jongeling, dat gij uw leven lang zult bewaren.”--„Maar dat ik

aan u, mijnheer, moet toevertrouwen, want gij alleen kunt mij helpen

in de zending, die mij van wege Hare Majesteit is opgedragen

geworden.”--„Behoort u dat geheim?”--„Neen, mijnheer, het behoort

aan de koningin.”--„Is u door Hare Majesteit vergunning verleend het

mij toe te vertrouwen?”--„Neen, mijnheer! integendeel, de grootste

geheimhouding is mij aanbevolen.”--„En waarom wilt gij het dan aan mij

mededeelen?”--„Omdat ik, ik herhaal het, zonder u niets kan doen en

bevreesd ben, dat gij mij de gunst zult weigeren, die ik u kom

verzoeken, indien gij niet weet, met welk oogmerk ik u die vraag

doe.”--„Bewaar uw geheim, jongeling! en zeg mij wat gij verlangt.”--„Ik

verlang, dat gij voor mij van den heer des Essarts een veertiendaagsch

verlof verkrijgt.”--„Voor wanneer?”--„Voor nog dezen nacht.”--„Verlaat

gij _Parijs_?”--„Ik moet een zending volbrengen.”--„Kunt gij mij zeggen

waar?”--„In _Londen_.”--„Heeft iemand er belang bij, dat gij uw doel

niet bereikt?”--„De kardinaal, geloof ik, zou alles ter wereld geven, om

mijn reis te beletten.”--„En vertrekt gij alleen?”--„Ik vertrek

alleen.”--„In dat geval zult gij _Bondy_ niet voorbij komen! dat zeg ik

u, zoo waar ik Tréville heet.”--„Waarom dat?”--„Men zal u

vermoorden.”--„Ik zal sterven in het vervullen van mijn plicht.”--„Maar

uw zending zal niet vervuld zijn.”--„Dat is waar,” zeide d’Artagnan.

„Geloof mij,” vervolgde de Tréville, „in dergelijke ondernemingen moet

men een viertal zijn, opdat er één het doel bereike.”--„O! gij hebt

gelijk, mijnheer!” zeide d’Artagnan; „maar gij kent Athos, Porthos en

Aramis, en gij weet of ik over hen kan beschikken.”--„Zonder hun het

geheim te vertrouwen, dat ik niet wil kennen?”--„Wij hebben elkander

eens voor altijd een blind vertrouwen en onverbreekbare trouw gezworen;

buitendien, gij kunt hun zeggen, dat gij volkomen vertrouwen in mij

stelt, en zij zullen niet minder geloovig zijn dan gij.”--„Ik kan aan

elk hunner een verlof van veertien dagen doen geworden, dat is al; aan

Athos, wiens wonde hem nog steeds doet lijden, om naar de baden van

_Forges_ te gaan; aan Porthos en Aramis, om hun vriend te volgen, dien

zij in een zoo smartelijken toestand niet willen verlaten. Het zenden

hunner verlofpassen zal ten bewijze strekken, dat ik in hun reis

toestem.”--„Ik dank u, mijnheer! voor uw zoo groote goedheid.”--„Ga hen

dus oogenblikkelijk zoeken, en dat nog dezen nacht alles worde

uitgevoerd. Ha! maar schrijf mij eerst uw verzoek aan den heer des

Essarts. Een spion zou wellicht uw schreden gevolgd kunnen hebben, en uw

bezoek, dat in dat geval reeds aan den kardinaal bekend is, wordt

hierdoor verklaard.”

D’Artagnan stelde het verzoek op, en de heer de Tréville, het uit zijn

handen ontvangende, verzekerde, dat vóór twee uur des ochtends de vier

verlofpassen aan de huizen der belanghebbenden zouden zijn bezorgd.

„Wees zoo goed, mijnheer! den mijnen aan het huis van den heer Athos te

doen afgeven,” zeide d’Artagnan. „Ik vrees, naar huis gaande, een

slechte ontmoeting te hebben.”--„Wees gerust, vaarwel en goede reis!....

A propos!” zeide de heer de Tréville, hem terugroepende.--D’Artagnan

keerde op zijn schreden terug.--„Hebt gij geld?”--D’Artagnan liet den

geldzak klinken, dien hij bij zich had.--„Genoeg?” vroeg de heer de

Tréville.--„Driehonderd pistolen.”--„Goed, met zooveel doet men een reis

rondom de wereld; vaarwel dan!”

D’Artagnan groette den heer de Tréville, die hem de hand reikte.

D’Artagnan drukte ze met eerbied en dankbaarheid. Sedert hij te _Parijs_

was gekomen, was deze voortreffelijke man voor hem steeds goed geweest,

en had hij hem nooit anders dan achtenswaardig, trouw en grootmoedig

gevonden.

Zijn eerste bezoek gold Aramis; hij was bij zijn vriend, sedert dien

gewichtigen avond, op welken hij juffrouw Bonacieux was gevolgd, niet

teruggekeerd. En wat meer zegt, nauwelijks had hij den jongen musketier

weergezien, en telkens, wanneer hij hem ontmoette, meende hij een diepe

treurigheid op zijn aangezicht te zien uitgedrukt. Ook dezen avond vond

hij Aramis wakende, in treurige droomerijen verzonken. D’Artagnan deed

hem eenige vragen omtrent deze langdurige droefgeestigheid; Aramis

verontschuldigde zich met een uitlegging van het achttiende kapittel van

den Heiligen Augustinus, dat hij in het Latijn voor de volgende week

moest gereed hebben en dat hem veel hoofdbrekens veroorzaakte.

Terwijl de beide vrienden eenige oogenblikken aldus gesproken hadden,

trad een dienaar des heeren de Tréville met een verzegeld pakket

binnen.--„Wat is dat?” vroeg Aramis.--„Het verlof, waarom mijnheer heeft

verzocht,” antwoordde de lakei.--„Ik? ik heb geen verlof

gevraagd.”--„Zwijg en neem aan!” zeide d’Artagnan. „En ziedaar, mijn

vriend! hebt gij een halve pistool voor uw moeite; gij zult den heer de

Tréville zeggen, dat de heer Aramis hem van harte laat bedanken.

Ga!”--De lakei maakte een diepe buiging en vertrok.

„Wat beteekent dat?” vroeg Aramis.--„Neem het noodige voor een reis van

veertien dagen en volg mij.”--„Maar ik kan _Parijs_ voor het oogenblik

niet verlaten, zonder te weten....”--Aramis zweeg.--„Wat er van haar

geworden is, niet waar?” vroeg d’Artagnan.--„Van wie?” hernam

Aramis.--„Van de vrouw, die hier was, de vrouw met den geborduurden

zakdoek.”--„Wie heeft u gezegd, dat hier een vrouw is geweest?” vroeg

Aramis, als een doode verbleekende.--„Ik heb haar gezien.”--„En gij

weet wie zij is?”--„Ik vermoed het.”--„Welnu,” zeide Aramis,

„dewijl gij zooveel zaken weet, weet gij dan ook wat er van die

vrouw geworden is?”--„Ik veronderstel, dat zij naar _Tours_ is

teruggekeerd.”--„_Tours_? ja, dat is het, gij kent haar! Maar hoe komt

het, dat zij naar _Tours_ teruggekeerd is, zonder mij te

verwittigen?”--„Omdat zij vreesde te worden aangehouden.”--„Waarom heeft

zij mij niet geschreven?”--„Omdat zij vreesde u in ongelegenheid te

brengen.”--„D’Artagnan, gij geeft mij het leven weder!” riep Aramis. „Ik

meende verraden te zijn; ik was zoo gelukkig haar weder te zien! ik kon

niet gelooven, dat zij haar vrijheid voor mij zou wagen, en toch, voor

welke andere reden zou zij te _Parijs_ zijn gekomen?”--„Voor dezelfde

reden, die ons naar _Engeland_ doet gaan.”--„En wat is die reden?” vroeg

Aramis.--„Gij zult het eenmaal weten, Aramis! maar voor het oogenblik

zal ik de stilzwijgendheid in acht nemen omtrent de _nicht van den

doctor in de godgeleerdheid_.”

Aramis glimlachte, want hij herinnerde zich het sprookje, dat hij op

zekeren avond aan zijn vrienden had verhaald.--„Welnu, dewijl zij

_Parijs_ heeft verlaten en gij er zeker van zijt, d’Artagnan! houdt mij

niets meer terug en ik ben bereid u te volgen. Gij zegt, dat wij

gaan....”--„Voor het oogenblik naar Athos, en als gij wilt medegaan,

verzoek ik u haast te maken, want wij hebben reeds veel tijd verloren. A

propos! neem Bazijn mede.”--„Moet Bazijn ons vergezellen?” vroeg

Aramis.--„Misschien; in alle geval is het noodzakelijk, dat hij ons nu

naar Athos volgt.”

Aramis riep Bazijn, en na hem bevolen te hebben ten huize van den heer

Athos zich bij hem te voegen, zeide hij: „Laat ons vertrekken,” en hij

nam zijn mantel, zijn degen en zijn pistolen; toen trok hij drie of vier

laden open, om te zien of er niet een of ander vergeten geldstuk in

verscholen was. Vervolgens, toen hij zich overtuigd had, dat deze

nazoeking vruchteloos was, volgde hij d’Artagnan, zich zelven

afvragende, hoe de jonge kadet der garde even goed wist als hij, wie de

vrouw was, aan welke hij de gastvrijheid had aangeboden en beter dan hij

wist, wat er van haar geworden was.

Toen zij de kamer verlieten, legde Aramis zijn hand op den arm van

d’Artagnan en hem strak aanziende, vroeg hij: „Hebt gij aan niemand over

die vrouw gesproken? Aan niemand ter wereld, zelfs niet aan Athos of

Porthos?”--„Ik heb er geen woord van gezegd.”--„Des te beter!”--En

omtrent dit gewichtig punt gerustgesteld, vervolgde Aramis zijn weg met

d’Artagnan en beiden kwamen dra bij Athos.

Zij vonden hem in de eene hand zijn verlofpas, in de andere den brief

van den heer de Tréville houdende.--„Kunt gij mij verklaren, wat dat

verlof en die brief beteekenen, welke ik zooeven ontvang?” vroeg Athos

verbaasd:

„Mijn waarde Athos! ik wil wel, dewijl uw gezondheid zulks

volstrekt vereischt, dat gij een paar weken uitrust. Ga dus naar

_Forges_ de baden nemen, of elders, waar gij het moogt goedvinden,

en herstel spoedig.

Uw toegenegen Tréville.”

„Wel, dat verlof en die brief beteekenen, dat gij mij moet volgen,

Athos!”--„Naar de mineraalbronnen van _Forges_?”--„Dáár of

elders.”--„Voor den dienst des konings?”--„Des konings of der koningin.

Zijn wij geen dienaren van beiden?”

Op dat oogenblik trad Porthos binnen.--„_Pardieu_!” zeide hij, „ziedaar

iets zonderlings; sedert wanneer is het de gewoonte onder de musketiers

geworden, de lieden verlof te geven, zonder dat zij er om

vragen?”--„Sedert zij vrienden hebben, die het voor hen vragen,”

antwoordde d’Artagnan.--„Zoo!” zeide Porthos, „het schijnt dat er wat

nieuws is voorgevallen.”--„Ja, wij vertrekken,” zeide Aramis.--„Naar

welk land?” vroeg Porthos.--„Op mijn woord, ik weet het niet,” zeide

Athos, „vraag het aan d’Artagnan.”

„Naar _Londen_, mijne heeren!” zeide d’Artagnan.--„Naar _Londen_?” riep

Porthos; „en wat moeten wij te _Londen_ doen?”--„Dat kan ik u niet

zeggen, mijne heeren! en gij moet in mij vertrouwen stellen.”--„Maar om

naar _Londen_ te gaan is er geld noodig, en ik heb het niet.”--„Noch

ik,” zeide Aramis.--„Noch ik,” zeide Athos.--„Maar ik heb het!” zeide

d’Artagnan, zijn schat uit zijn zak halende en dien op tafel leggende.

„Er zijn in dezen zak driehonderd pistolen; nemen wij er elk vijf en

zeventig; dat is genoeg om naar _Londen_ te gaan en weer terug te

keeren. Maar weest gerust, allen komen wij toch niet te _Londen_.”--„En

waarom niet?”--„Omdat, volgens alle waarschijnlijkheid, eenigen onzer

onderweg zullen blijven.”--„Maar gaan wij dan een veldtocht

beginnen?”--„Ja, en wel een zeer gevaarlijken, dat zeg ik u

vooruit.”--„Doch hoor eens,” zeide Porthos, „indien wij het leven wagen,

wilde ik ten minste weten, waarom?”--„Daarmede zoudt gij ver gevorderd

zijn,” hernam Athos.--„Echter,” zeide Aramis, „ben ik van het gevoelen

van Porthos.”--„Heeft de koning de gewoonte u rekenschap te geven? Neen,

hij zegt u eenvoudig: Mijne heeren! men strijdt in _Gaskonje_ of in

_Vlaanderen_; gaat ten oorlog! en gij gaat. Waarom? gij bekommert u

hierover niet eens.”--„D’Artagnan heeft gelijk,” zeide Athos. „Ziedaar

onze drie verlofpassen, die ons de heer de Tréville zendt, en ziedaar

driehonderd pistolen, die komen, ik weet niet van waar. Gaan wij den

dood tegemoet, waar men ons zegt te gaan. Is het leven zooveel vragen

waard? D’Artagnan! ik ben bereid u te volgen.”--„En ik ook!” zeide

Porthos.--„En ik ook!” herhaalde Aramis. „Daarbij, het doet mij geen

leed _Parijs_ te verlaten. Ik moet ontspanning hebben.”--„Welnu, gij

zult ontspanning hebben, mijne heeren! weest gerust,” zeide d’Artagnan.

„En wanneer vertrekken wij?” vroeg Athos.--„Onmiddellijk,” antwoordde

d’Artagnan; „er is geen minuut te verliezen.”

„Hola! Grimaud, Planchet, Mousqueton, Bazijn!” schreeuwden de vier

jongelingen, hun lakeien roepende, „poetst onze laarzen en haalt de

paarden uit het hotel,” want elk musketier liet in het hotel der

musketiers, als in een kazerne, zijn paard en dat van zijn lakei

staan.--Planchet, Grimaud, Mousqueton en Bazijn vertrokken in allerijl.

„Maken wij thans een plan van den veldtocht,” zeide Porthos; „werwaarts

gaan wij het eerst?”--„Naar _Calais_,” zeide d’Artagnan, „dat is de

naaste weg om naar _Londen_ te gaan.”--„Welnu,” zeide Porthos, „ziehier

mijn plan.”--„Spreek!”--„Vier mannen, te zamen reizende, zullen

achterdocht opwekken; daarom moet d’Artagnan elk onzer zijn

voorschriften geven. Ik zal den weg van _Boulogne_ nemen als voorhoede;

Athos zal, twee uren later, dien van _Amiëns_ nemen, en Aramis zal ons

langs dien van _Noyon_ volgen; wat d’Artagnan betreft, deze zal den weg

nemen, dien hij verkiest, in de kleederen van Planchet, terwijl Planchet

ons zal volgen in die van d’Artagnan, in de uniform der gardes.”--„Mijne

heeren! naar mijn inzien is het niet betamelijk, lakeien in dergelijke

zaken te mengen; een geheim kan toevalligerwijze door een edelman worden

verraden, maar door lakeien wordt het gewoonlijk verkocht.”--„Het plan

van Porthos schijnt mij onuitvoerbaar te zijn,” zeide d’Artagnan, „daar

ik zelf niet weet, welke voorschriften ik u zou kunnen geven. Ik ben met

een brief belast, dat is alles. Ik heb geen afschriften van dezen brief,

noch kan die er van maken, dewijl hij verzegeld is; wij moeten dus, naar

mijn gedachte, in gezelschap reizen. Die brief is hier, in dezen zak;”

en hij toonde den zak, waarin zich de brief bevond. „Indien ik gedood

word, zal een uwer er zich mede belasten; en gij zult uw weg vervolgen;

indien hij gedood wordt, dan is het de beurt van een anderen, en zoo

vervolgens; als er slechts één aankomt, dat is genoeg.”

„Bravo, d’Artagnan! ik ben met u van hetzelfde gevoelen,” zeide Athos.

„Buitendien, men moet zich gelijk blijven; ik ga de baden gebruiken, en

gij vergezelt mij; in plaats van de bronnen van _Forges_ ga ik de

zeebaden gebruiken; hierin ben ik vrij. Indien men ons wil aanhouden,

dan vertoon ik den brief van den heer de Tréville, en gij vertoont uw

verlofpassen; wanneer men ons aanvalt, verdedigen wij ons; wanneer men

ons veroordeelt, houden wij staande, dat wij geen ander voornemen

hadden, dan om ons een zeker getal keeren in zee te dompelen; men kan

gemakkelijk vier afzonderlijk reizenden overweldigen, maar vier mannen,

die vereenigd zijn, vormen een kleine bende; wij zullen onze vier

lakeien met pistolen en musketten wapenen, indien men een leger op ons

afzendt, zullen wij den slag leveren, en de overblijvende, zooals

d’Artagnan zegt, zal zich met den brief belasten.”--„Goed!” riep Aramis.

„Gij spreekt niet dikwijls, maar wanneer gij spreekt, is het als _Jan

Goudmond_. Ik keur het plan van Athos goed, en gij Porthos?”--„Ik ook,”

zeide Porthos, „als het d’Artagnan bevalt. D’Artagnan, als bewaarder van

den brief, is natuurlijk het hoofd der onderneming; dat hij besluite, en

dat wij ten uitvoer brengen.”--„Welnu,” zeide d’Artagnan, „ik besluit,

dat wij het plan van Athos moeten aannemen en binnen een half uur

vertrekken.”--„Aangenomen!” herhaalden eenstemmig de drie musketiers.

En allen de hand naar den zak uitstrekkende, nam elk voor zich vijf en

zeventig pistolen, waarna ieder zijn toebereidselen maakte om op het

bepaalde uur te vertrekken.

De Drie Musketiers dl. I en II · 第 27 / 93 题