De reis.
Te twee uur verlieten onze vier avonturiers _Parijs_ door de poort van
Saint Denis; gedurende den geheelen nacht spraken zij geen woord;
onwillekeurig ondervonden zij den invloed, dien de duisternis op hen
uitoefende, en zij meenden in alles hinderlagen te zien. Bij de eerste
stralen des dageraads geraakten hun tongen los; met de zon kwam hun
vroolijkheid terug; het was als voor den dag van een veldslag, wanneer
het hart klopt, de oogen glimlachen en men gevoelt, dat het leven,
hetwelk men misschien gaat verliezen, bij slot van rekening toch een
goede zaak is. De aanblik op de karavaan was overigens zeer
ontzaginboezemend: de zwarte paarden der musketiers, hun krijgshaftige
houding, de gewoonte, in gelederen te zijn geschaard, deed die fiere
makkers van den soldaat voortschrijden op een wijze, dat zij het stiptst
bewaarde incognito verraden zouden hebben.--De knechts volgden van top
tot teen gewapend.
Alles ging goed tot aan _Chantilly_, waar men tegen acht uur des
ochtends aankwam. Men wilde ontbijten. Men steeg af voor een herberg,
welke zich aanbeval door een uithangbord, St. Martinus voorstellende, de
helft van zijn mantel aan een arme gevende. Men gelastte de knechts de
paarden niet af te zadelen en zich gereed te houden onmiddellijk weder
te vertrekken. Men trad de gelagkamer binnen en zette zich aan tafel.
Een edelman, die den weg van _Dammartin_ was afgekomen, zat aan dezelfde
tafel en ontbeet. Hij ving het gesprek aan met over regen en zonneschijn
te spreken; de reizigers antwoordden; hij dronk op hun gezondheid, de
reizigers beantwoordden zijn beleefdheid.
Maar op het oogenblik dat Mousqueton kwam berichten, dat de paarden
gereed waren, en men van tafel opstond, stelde de vreemdeling Porthos
voor op de gezondheid van den kardinaal te drinken. Porthos antwoordde,
dat hem niets aangenamer zou zijn, indien de vreemdeling op zijn beurt
op de gezondheid des konings wilde drinken. De vreemdeling riep uit, dat
hij geen anderen koning kende dan Zijne Eminentie. Porthos schold hem
voor een dronkaard uit; de vreemdeling trok zijn degen.
„Gij hebt een dwaasheid begaan,” zeide Athos, „maar het is niet anders,
nu kunt gij niet meer terugtrekken: stoot dien man neer en vereenig u
met ons zoodra mogelijk.”--En alle drie stegen te paard en verwijderden
zich met lossen teugel, terwijl Porthos zijn vriend beloofde, hem met al
de in de schermkunst bekende degenstooten te doorboren.
„Dat is er een,” zeide Athos, na ongeveer vijfhonderd schreden te hebben
afgelegd.--„Maar waarom heeft die man Porthos liever dan een onzer
aangevallen?” vroeg Aramis.--„Omdat hij Porthos, die meer sprak dan wij
allen, als het hoofd beschouwde,” zeide d’Artagnan.--„Ik heb altijd
gezegd, dat die Gaskonjer een put van wijsheid is,” mompelde Athos. En
de reizigers vervolgden hun weg.
Te _Beauvais_ bleef men twee uren stil, zoowel om de paarden te doen
rusten als om Porthos te wachten. Na verloop van twee uren ging men
weder op weg, daar Porthos niet kwam, noch de minste tijding van zich
gaf.
Op een uur afstands van _Beauvais_, bij een plek, waar de weg tusschen
een bergkloof loopt, ontmoette men acht of tien mannen, die, van de
gesteldheid des wegs gebruik makende, welke daar ter plaatse van steenen
was ontbloot, zich hielden, alsof zij er aan werkten door het delven van
gaten en het maken van slijkachtige sporen.
Aramis, die in dien kunstmatigen modderpoel vreesde zijn laarzen te
zullen bevlekken, sprak hen ongemakkelijk aan. Athos wilde hem
tegenhouden, het was te laat. De werklieden begonnen de reizigers te
bespotten en maakten zelfs het hoofd van den koelen Athos op hol, die
zijn paard tegen een hunner injoeg. Toen weken al die mannen achteruit,
tot aan den kant van den weg, waar zij eenige verborgen musketten
grepen. Hiervan was het gevolg, dat onze zeven reizigers letterlijk een
hagelbui van kogels door gingen. Aramis ontving een kogel, die hem den
schouder doorboorde, en Mousqueton werd door een getroffen, die zich in
het vleezige gedeelte der lendenen vestigde. Intusschen was het alleen
Mousqueton, die van zijn paard viel; niet dat hij zwaar gekwetst was,
maar uit hoofde hij, zijn wonden niet kunnende zien, meende gevaarlijker
gekwetst te zijn dan wezenlijk het geval was.--„Dat is een hinderlaag,”
zeide d’Artagnan, „geven wij geen vuur, maar voorwaarts!”
Aramis, hoezeer gekwetst, greep de manen van zijn paard, dat met de
anderen voortjoeg. Dat van Mousqueton had hen bereikt en galoppeerde los
in het gelid.--„Het zal ons tot een wisselpaard verstrekken,” zeide
Athos.--„Ik had liever een hoed,” zeide d’Artagnan; „want de mijne is
door een kogel weggenomen. Het is wel gelukkig dat de brief, dien ik bij
mij heb, er niet in was.”--„Maar zij zullen dien armen Porthos om het
leven brengen, wanneer hij zal voorbijkomen,” zeide Aramis.--„Indien
Porthos goed ter been was, zou hij ons thans reeds hebben bereikt; ik
geloof, dat, op de plaats des gevechts, de dronkaard nuchter zal zijn
geworden.”--En men galoppeerde nog gedurende een paar uren, hoewel de
paarden zeer vermoeid waren, zoodat het te vreezen stond, dat zij weldra
hun dienst zouden weigeren.
De reizigers hadden een binnenweg ingeslagen, op die wijze hopende
minder verontrust te worden, maar te _Crèvecoeur_ verklaarde Aramis niet
verder te kunnen gaan. En waarlijk, onder zijn bevallig uiterlijk en
zijn beleefde manieren had hij de grootste kracht moeten inspannen om
tot zooverre te geraken. Elk oogenblik verbleekte hij al meer, en men
was genoodzaakt hem op zijn paard te ondersteunen; men hielp hem van
zijn paard af, voor de deur eener herberg, en liet Bazijn bij hem, die
trouwens in een schermutseling lastiger dan nuttig was, en men vertrok,
in de hoop te _Amiëns_ den nacht door te brengen.
„_Morbleu_!” zeide Athos, toen zij weder op weg waren, en de troep
geslonken was tot twee meesters, Grimaud en Planchet. „_Morbleu_! ik zal
mij niet meer laten verleiden; en ik beloof u, dat men niet in staat zal
zijn mij den mond te doen openen of den degen te trekken van hier tot
_Calais_; dat zweer ik.”--„Zweren wij niet,” zeide d’Artagnan,
„galoppeeren, dat is meer noodzakelijk, althans, indien onze paarden
hierin bewilligen.”--En de reizigers drukten hun sporen in de buiken
hunner paarden, die, geweldig geprikt, hun krachten terugvonden.
Men kwam te middernacht in _Amiëns_, waar men voor de herberg de _Gouden
Lelie_ afsteeg.--De herbergier zag er uit als de eerlijkste man der
wereld; hij ontving de reizigers, in de eene hand een blaker en in de
andere zijn katoenen slaapmuts houdende; hij wilde de beide reizigers
elk een fraaie kamer geven; maar ongelukkig was elk dier beide kamers
aan een der einden van de herberg. D’Artagnan en Athos weigerden; de
herbergier verzekerde hun echter, dat hij geen andere had, waardig Hunne
Excellentiën te herbergen; maar de reizigers verklaarden, dat zij in de
gelagkamer op een op den grond gespreide matras zouden slapen; de
herbergier drong nog meer aan.... de reizigers hielden vol.... men moest
doen, wat zij verlangden.
Zij waren juist gereed met hun bed in orde te brengen en de deur van
binnen te grendelen en te versperren, toen er op een der vensterluiken,
die op de plaats uitkwamen, geklopt werd; zij vroegen, wie er was,
herkenden de stem hunner knechts en openden.--Inderdaad, het waren
Planchet en Grimaud.--„Grimaud zal voldoende zijn om de paarden op te
passen,” zeide Planchet, „als de heeren het verkiezen, zal ik voor de
deur gaan liggen; op die wijze zullen wij zeker zijn, dat men hen niet
zal overvallen.”--„En waarop zult gij liggen?” vroeg d’Artagnan.--„Dat
is mijn bed,” antwoordde Planchet, en hij vertoonde een bos stroo.--„Kom
dan,” zeide d’Artagnan, „gij hebt gelijk, het gezicht van dien
herbergier bevalt mij niet, het is al te vriendelijk.”--„Noch aan mij,”
zeide Athos.
Planchet klom het venster in en ging voor de deur liggen, terwijl
Grimaud zich in den stal opsloot, zijn woord gevende dat, te vijf uur
des ochtends, hij en de vier paarden bij de hand zouden zijn. De nacht
was tamelijk rustig; men trachtte wel, tegen twee uur in den morgen, de
deur te openen, maar daar Planchet ijlings ontwaakte en riep: Wie dáár!
werd geantwoord, dat men zich vergist had en men verwijderde zich.
Des morgens te vier uur hoorde men een groot geweld in den stal. Grimaud
had de stalknechts willen wekken en dezen ranselden hem af. Toen men het
venster opende, ontwaarde men den armen jongen, buiten kennis liggend,
met een gat in het hoofd, hem door den steel van een hooivork
toegebracht. Planchet ging naar beneden op de plaats en wilde de paarden
zadelen; maar de paarden waren verstijfd. Dat van Grimaud alleen,
hetwelk zonder ruiter vijf of zes uren den vorigen dag geloopen had, zou
de reis hebben kunnen vervolgen; maar door een onbegrijpelijke
vergissing had de veearts, dien men was gaan halen, naar het schijnt, in
plaats van het paard des herbergiers dat van Grimaud een aderlating
gedaan. Dat begon onrustwekkend te worden; al die opeenvolgende
tegenspoeden waren toevalligerwijze ontstaan, maar zij konden evenzeer
de gevolgen van een complot zijn.
Athos en d’Artagnan gingen uit, terwijl Planchet ging vernemen, of er
niet een drietal paarden in den omtrek te koop waren. Voor de deur
stonden twee paarden getoomd en gezadeld, frisch en sterk. Dat was juist
wat men zocht. Hij vroeg naar de eigenaars en men antwoordde hem, dat de
eigenaars den nacht in de herberg hadden doorgebracht en nu bezig waren
den herbergier te betalen.
Athos ging naar beneden om ook de vertering te betalen, terwijl
d’Artagnan en Planchet voor de deur op straat bleven; de herbergier
bevond zich in een zeer afgelegen benedenvertrek; men verzocht Athos
zich ook derwaarts te begeven. Athos trad zonder achterdocht binnen en
haalde twee geldstukken te voorschijn, om te betalen. De herbergier was
alleen en zat voor zijn schrijftafel, van welke een der laden geopend
was. Hij nam het geld aan, dat Athos hem aanbood, keerde het om en om in
zijn hand en riep eensklaps uit, dat het stuk valsch was, verklarende,
dat hij hem en zijn makker als valsche munters zou doen gevangen nemen.
„Snaak,” zeide Athos, hem naderende, „ik zal u de ooren
afsnijden.”--Maar de herbergier bukte, nam twee pistolen uit de lade en
richtte ze op Athos, tevens om hulp roepende.
Tegelijkertijd traden vier goed gewapende mannen door de zijdeuren
binnen en wierpen zich op Athos.--„Ik ben overweldigd!” riep Athos, uit
al de kracht zijner longen, „maak u voort, d’Artagnan! voort,
voort!”--En hij schoot zijn beide pistolen af.
D’Artagnan en Planchet lieten het zich geen tweemaal zeggen; zij maakten
de beide paarden los, die voor de deur stonden, sprongen er op, staken
ze hun sporen diep in de zijden en vloden in een driedubbelen galop.
„Weet gij, wat er van Athos is geworden?” vroeg d’Artagnan aan
Planchet.--„Ik heb er twee zien vallen op beide schoten, en door de
glazen deur meende ik hem met de anderen te zien schermen.”--„Dappere
Athos!” mompelde d’Artagnan. „En wanneer men er aan denkt, dat men hem
aan zijn lot moet overlaten! Trouwens, misschien wacht ons hetzelfde lot
op tien schreden van hier. Voorwaarts, Planchet! voorwaarts! gij zijt
een moedige kerel.”--„Ik heb het gezegd, mijnheer! de Pikardiërs leert
men in het gebruik kennen; daarenboven, ik ben hier in mijn land, en dat
moedigt mij aan.”
Opnieuw hun rossen aansporende, kwamen beiden te _Saint-Omer_ zonder
zich te hebben opgehouden. Te _Saint-Omer_ lieten zij hun paarden
uitrusten, den toom aan hun armen vasthoudende, uit vrees van eenig
ongeval, en aten een stuk uit de hand op straat, waarna zij verder
togen.
Op honderd schreden van de poort van _Calais_ viel het paard van
d’Artagnan neer; er was geen middel om het weer te doen opstaan, het
bloed kwam hem uit neus en oogen. Nu bleef dat van Planchet nog over;
maar het was stil blijven staan, en er was evenmin middel om het weer
aan het loopen te krijgen. Gelukkig, zooals wij zeiden, waren zij op
honderd schreden afstands van de stad. Zij lieten de beide paarden op
den weg staan en snelden naar de haven.
Planchet maakte zijn meester opmerkzaam op een edelman, die op een
afstand van slechts vijftig schreden voor hen uit liep. Overhaast
naderden zij den edelman, die ook veel haast scheen te hebben. Zijn
laarzen waren met stof bedekt en hij deed onderzoek, of hij niet
onmiddellijk naar _Engeland_ kon oversteken.
„Niets ware gemakkelijker,” antwoordde de kapitein van een vaartuig, dat
zeilklaar lag; „maar dezen ochtend is er bevel ontvangen, niemand te
laten vertrekken, zonder een uitdrukkelijk verlof van den
kardinaal.”--„Ik heb dat verlof,” zeide de edelman, een papier te
voorschijn halende, „ziedaar.”--„Laat het door den gouverneur voor
gezien teekenen,” zeide de kapitein, „en geef mij de voorkeur.”--„Waar
kan ik den gouverneur vinden?”--„Op zijn buiten.”--„En waar ligt dat
buiten?”--„Op een kwartieruurs afstand van de stad; dáár, gij kunt het
van hier zien, aan den voet van die hoogte, dat leien dak.”--„Zeer
goed,” zeide de edelman. En door zijn lakei gevolgd, sloeg hij den weg
in naar het buitenverblijf des gouverneurs.
D’Artagnan en Planchet volgden den edelman op vijfhonderd schreden
afstands. Eenmaal buiten de stad zijnde, verdubbelde d’Artagnan zijn
schreden en bereikte den edelman op het oogenblik, dat hij in een klein
boschje trad.
„Mijnheer,” sprak d’Artagnan tot hem, „gij schijnt zeer veel haast te
hebben.”--„Men kan niet meer haast hebben, mijnheer!”--„Het doet mij
leed,” zeide d’Artagnan, „want evenals gij heb ik ook veel haast; ik
wilde u daarom verzoeken, mij een dienst te bewijzen.”--„Welken?”--„Mij
te laten voorgaan.”--„Ik heb zestig mijlen in vier en veertig uur
afgelegd en ik moet morgen op den middag te _Londen_ zijn.”--„Ik heb
dienzelfden weg in veertig uur afgelegd en ik moet morgenochtend om tien
uur te _Londen_ zijn.”--„Het spijt mij, mijnheer! maar ik ben de eerste
hier geweest, en ik zal mij niet laten voorbijgaan. ’s Konings dienst?”
vroeg de edelman.--„Voor mijn eigen dienst,” antwoordde
d’Artagnan.--„Maar het schijnt, alsof gij met mij twist wilt
zoeken.”--„_Pardieu_! wat denkt gij, dat het anders zij?”--„Wat begeert
gij?”--„Wilt gij het weten?”--„Zeker.”--„Welnu, ik begeer het
bevelschrift, dat gij bij u hebt, omdat ik er geen heb en er een moet
hebben.”--„Gij schertst, veronderstel ik.”--„Ik scherts nooit. Laat mij
voorbij.”--„Gij zult mij niet voorgaan, mijn beste jongen! ik zal u het
hoofd aan stukken slaan. Hola, Lubijn, geef mijn pistolen.”--„Planchet!”
zeide d’Artagnan, „zorg gij voor den knecht, ik zal mij met den meester
belasten.”
Planchet, door zijn vroegere daad stoutmoedig geworden, viel op Lubijn
aan, en daar hij groot en sterk was, wierp hij hem op den grond en zette
hem de knie op de borst.--„Ga uw gang, mijnheer!” zeide Planchet, „ik
ben klaar.”
Dit ziende trok de edelman zijn degen en viel op d’Artagnan aan; maar
deze was hem te sterk. In drie seconden bracht d’Artagnan hem drie
steken toe, bij elken stoot uitroepende: „Eén voor Athos, één voor
Porthos, één voor Aramis.”
Bij den derden stoot viel de edelman als een levenlooze klomp neer.
D’Artagnan, meenende dat hij dood of ten minste in onmacht gevallen was,
naderde hem, om hem het bevelschrift af te nemen. Maar op het oogenblik
dat hij den arm uitstrekte om zijn zakken te onderzoeken, bracht de
edelman, die zijn degen nog vasthield, hem een steek in de borst toe,
zeggende: „Een voor u!”--„En een voor u! de laatste de beste!” riep
d’Artagnan woedend, en nagelde hem aan den grond met een vierden steek
in den buik.--Nu sloot de edelman zijn oogen en viel in onmacht.
D’Artagnan tastte in den zak, waarin hij hem het bevelschrift ter
overvaart had zien steken en eigende het zich toe. Het was op naam van
den graaf de Wardes. Toen een laatsten blik op den schoonen jongeling
werpende, die nauwelijks vijf en twintig jaar was, en dien hij
bewusteloos en misschien wel dood liet liggen, slaakte hij een zucht bij
de gedachte aan dat zonderlinge lot, dat de menschen er toe brengt
elkander te vernielen, en zulks om de oogmerken te dienen van die hen
geheel vreemd zijn, en die somwijlen zelfs niet eens weten, dat zij
bestaan.
Maar dra werd hij in deze overwegingen gestoord door het gebrul van
Lubijn, die uit al zijn macht om hulp riep. Planchet neep hem met de
hand zoo nauw mogelijk de keel dicht.
„Mijnheer!” zeide hij, „zoolang ik hem op die wijze vasthoud, zal hij
niet schreeuwen, daarvan ben ik zeker; maar zoodra ik hem loslaat, zal
hij wederom beginnen. Ik meen in hem een Normandiër te herkennen en de
Normandiërs zijn koppig.”--En waarlijk, hoe beklemd ook, trachtte Lubijn
nog eenige klanken voort te brengen.--„Wacht maar even,” zeide
d’Artagnan, en zijn zakdoek nemende, stopte hij hem den mond
dicht.--„Thans,” zeide Planchet, „zullen wij hem aan een boom binden.”
Dit werd met de grootste zorgvuldigheid gedaan. Toen trok men den graaf
de Wardes bij zijn knecht, en daar de avond begon te vallen, en de
geknevelde en de gekwetste beiden zich eenige schreden ver in het
boschje bevonden, was het natuurlijk, dat zij daar tot den volgenden
morgen moesten blijven.
„En nu,” zeide d’Artagnan, „naar den gouverneur!”--„Gij schijnt gekwetst
te zijn,” zeide Planchet.--„Dat is niets, bemoeien wij ons met hetgeen
het meeste haast heeft; vervolgens zullen wij aan mijn wonde denken, die
mij trouwens niet zeer gevaarlijk schijnt.”--En beiden begaven zich
ijlings naar het buiten van den waardigen ambtenaar.
Men meldde den heer graaf de Wardes aan. D’Artagnan werd
binnengeleid.--„Gij hebt een bevel, door den kardinaal onderteekend?”
vroeg de gouverneur.--„Ja, mijnheer!” antwoordde d’Artagnan,
„ziehier.”--„Ha! het is in goeden vorm en behoorlijk door den kardinaal
geteekend,” zeide de gouverneur.--„Dat is natuurlijk,” antwoordde
d’Artagnan, „ik ben een zijner getrouwsten.”--„Het schijnt, dat Zijne
Eminentie iemand wil beletten naar _Engeland_ over te steken?”--„Ja, een
zekeren d’Artagnan, een Bearneesch edelman, die _Parijs_ heeft
verlaten in gezelschap van drie zijner vrienden, met voornemen
_Londen_ te bereiken.”--„Kent gij hem persoonlijk?” vroeg de
gouverneur.--„Wien?”--„Dien d’Artagnan.”--„Zeker.”--„Geef mij dan zijn
signalement.”--„Niets is gemakkelijker.”
En d’Artagnan gaf trek voor trek het signalement van den graaf de Wardes
op.--„Heeft hij iemand bij zich?” vroeg de gouverneur.--„Ja, een knecht,
Lubijn genaamd.”--„Men zal hen in het oog houden, en wanneer men hen in
handen krijgt, kan Zijne Eminentie gerust zijn; zij zullen, goed
bezorgd, naar _Parijs_ worden teruggevoerd.”--„Hierdoor, mijnheer de
gouverneur!” zeide d’Artagnan, „zult gij u in het oog des kardinaals
niet weinig verdienstelijk maken.”--„Zult gij hem zien bij uw
terugkomst, mijnheer de graaf?”--„Zonder twijfel.”--„Zeg hem, als ik u
verzoeken mag, dat ik zijn onderdanige dienaar ben.”--„Ik zal het niet
verzuimen.”--En, door deze verzekering verheugd, teekende de gouverneur
het paspoort en stelde het d’Artagnan weder ter hand.
D’Artagnan verloor zijn tijd niet in nuttelooze plichtplegingen, hij
groette den gouverneur, bedankte hem en vertrok. Zoodra zij het huis
hadden verlaten, spoedden hij en Planchet zich voort en een langen omweg
makende, vermeden zij het bosch en traden de stad door een andere poort
binnen. Het vaartuig lag nog altijd gereed om onder zeil te gaan; de
kapitein wachtte op de kade.
„Wel?” riep hij, d’Artagnan bespeurende.--„Ziehier mijn paspoort voor
gezien geteekend,” zeide deze.--„En die andere edelman?”--„Hij zal
vandaag niet vertrekken,” zeide d’Artagnan; „maar wees gerust, ik zal de
vracht voor ons beiden betalen.”--„Laat ons in dat geval vertrekken,”
hernam de kapitein.--„Laat ons vertrekken,” herhaalde d’Artagnan. En hij
sprong met Planchet in de boot; vijf minuten later waren zij aan boord.
Het was tijd; op een halve mijl afstand in zee zag d’Artagnan een licht
schitteren en hoorde hij een kanonschot. Het was dat, hetwelk de
sluiting der haven aankondigde. Nu werd het ook tijd, dat hij aan zijn
wonde dacht; gelukkig was zij, zooals d’Artagnan had gedacht, niet zeer
gevaarlijk; de punt des degens was, tegen een rib stootende, daarop
afgegleden, verder was het hemd op de wonde blijven kleven, zoodat er
nauwelijks eenige druppels bloed waren gestort. D’Artagnan was van
vermoeidheid uitgeput; men spreidde een matras voor hem op het dek uit;
hij wierp er zich op en viel in slaap.
Den volgenden dag, bij het opgaan der zon, bevond hij zich slechts op
drie of vier mijlen afstands van de kust van _Engeland_; er was
gedurende den nacht weinig wind geweest en men had niet veel wegs
afgelegd. Te twee uur wierp het vaartuig het anker in de haven van
_Douvres_. Te half drie zette d’Artagnan voet aan wal in _Engeland_,
uitroepende: „Eindelijk ben ik er!” Maar hiermede was nog niet alles
gedaan: hij moest naar _Londen_.
In _Engeland_ waren de posterijen in tamelijk goeden staat. D’Artagnan
en Planchet namen elk een paard; een postillon reed voor hen uit en in
vier uren tijds waren zij voor de poorten der hoofdstad. De hertog was
met den koning ter jacht naar _Windsor_. D’Artagnan kende _Londen_ niet
en verstond geen woord Engelsch; maar hij schreef den naam van
Buckingham op een stuk papier en men duidde hem het hotel van den hertog
aan.
D’Artagnan vroeg naar den vertrouwden kamerdienaar van den hertog, die,
wijl hij hem op al zijn reizen vergezelde, volmaakt Fransch sprak; hij
zeide hem, dat hij van _Parijs_ kwam voor een zaak, waarvan dood en
leven afhingen, en dat hij zijn meester oogenblikkelijk moest spreken.
De openhartigheid van d’Artagnan overreedde Patrick, dit was de naam van
den vertrouwden dienaar des ministers. Hij liet twee paarden zadelen en
belastte zich den jongen garde te geleiden. Planchet had men intusschen,
zoo stijf als een plank, van zijn ros geheschen. De krachten van den
armen jongen waren uitgeput. D’Artagnan scheen van ijzer te zijn.
Men kwam aan het kasteel; hier deed men onderzoek; de koning en
Buckingham waren op de valkenjacht in de moerassen, twee of drie uur van
daar verwijderd. In twintig minuten was men ter bestemder plaatse. Dra
hoorde Patrick de stem zijns meesters, die zijn valk terugriep.
„Wien moet ik mylord den hertog aankondigen?” vroeg Patrick.--„Den
jongeling, die op zekeren avond twist met hem heeft gezocht op de
Pont-Neuf over de _Samaritaine_.”--„Een rare aanbeveling!”--„Gij zult
zien, dat zij misschien beter dan een andere is.”
Patrick zette zijn paard in galop, bereikte den hertog en berichtte hem
op de wijze, zooals hem gezegd was, dat een bode hem wachtte.
Buckingham, dadelijk begrijpende, dat het d’Artagnan betrof en er iets
in _Frankrijk_ was voorgevallen, waarvan men hem kennis wilde geven,
gunde zich slechts zooveel tijd om te vragen, waar degene was, die hem
die tijding bracht. In de verte de uniform der gardes herkennende, gaf
hij zijn paard de sporen en reed recht op d’Artagnan aan. Patrick hield
zich betamelijk op eenige schreden afstands.
„Er is der koningin geen ongeluk overkomen?” riep Buckingham, geheel
zijn ziel en zijn liefde in deze vraag uitstortende.--„Ik geloof het
niet; echter vrees ik, dat haar een groot gevaar bedreigt, hetwelk Uwe
Genade alleen van haar kan afwenden.”--„Ik?” riep Buckingham. „Hoe! zou
ik gelukkig genoeg wezen haar van eenigen dienst te kunnen zijn?....
Spreek, spreek!”--„Neem dezen brief,” zeide d’Artagnan.--„Dien brief,
van wien komt die brief?”--„Van Hare Majesteit, geloof ik.”--„Van Hare
Majesteit?” zeide Buckingham, die zoo bleek werd, dat d’Artagnan meende
dat hij in onmacht zou vallen. En hij verbrak het zegel. „Wat beteekent
die scheur?” vroeg hij, d’Artagnan een plek aanwijzende, waar de brief
doorstoken was.--„Ha, ha!” antwoordde d’Artagnan, „ik had het niet eens
gezien: die fraaie steek is door den degen van den graaf de Wardes
veroorzaakt, toen hij mij in de borst kwetste.”--„Zijt gij gekwetst?”
vroeg Buckingham.--„O, het is niets,” zeide d’Artagnan, „een
schram.”--„Gerechte hemel! wat heb ik gelezen?” riep de hertog.
„Patrick! blijf hier, of liever, vergezel den koning overal, waar hij
zich moge begeven en zeg aan Zijne Majesteit, dat ik hem nederig verzoek
mij te willen verontschuldigen; maar dat mij een zaak van het grootste
gewicht te _Londen_ terugroept. Kom, mijnheer! kom.”--En beiden sloegen
galoppeerend den weg naar _Londen_ in.