Minnaar en echtgenoot.
„O, lieve juffrouw!” zeide d’Artagnan, door de deur binnenkomende,
welke de jonge vrouw voor hem opende, „veroorloof mij het u te zeggen;
gij bezit al een raren echtgenoot.”--„Hebt gij dan ons gesprek
gehoord?” vroeg juffrouw Bonacieux haastig, d’Artagnan met
ongerustheid beschouwende.--„Geheel en al.”--„Maar op welke wijze,
mijn God!”--„Door een aan mij alleen bekend middel, en door hetwelk
ik ook het meer geruchtmakend gesprek van u met de gerechtslieden
des kardinaals hoorde.”--„En wat hebt gij verstaan van hetgeen wij
zeiden?”--„Duizenderlei zaken: vooreerst, dat uw man een zot, een dwaas
is; gelukkig, dat gij in verlegenheid zijt, waarover ik zeer verheugd
ben, immers dit stelt mij in de gelegenheid u van dienst te zijn, en God
is het bekend, hoe ik er naar streef, om voor u door het vuur te loopen,
en eindelijk dat de koningin een moedigen, verstandigen en trouwen
dienaar behoeft om voor haar een reis naar Londen te doen. Ik heb ten
minste twee der hoedanigheden, die er vereischt worden, en ik ben
gereed.”
Juffrouw Bonacieux antwoordde niet; maar haar hart klopte van blijdschap
en een heimelijke hoop schitterde in haar oogen.--„En welken waarborg
zult gij mij geven, indien ik u met deze zending belast?” vroeg
zij.--„Mijn liefde voor u. Welaan! spreek, beveel, wat moet ik
doen?”--„Mijn God! mijn God!” mompelde de jonge vrouw, „moet ik u een
dergelijk geheim toevertrouwen, mijnheer, gij zijt nog zoo jong.”--„Nu,
ik zie, dat gij iemand verlangt, die voor mij verantwoordelijk
blijft.”--„Ik beken, dat zulks mij zou gerust stellen.”--„Kent gij
Athos?”--„Neen.”--„Porthos?”--„Neen.”--„Aramis?”--„Neen; wie zijn die
heeren?”--„Musketiers van den koning. Kent gij den heer de Tréville, hun
kapitein?”--„O ja, hem ken ik, wel niet persoonlijk, maar door dikwijls
de koningin over hem te hebben hooren spreken, als van een moedigen en
trouwen edelman.”--„Gij vreest niet, dat hij u aan den kardinaal zal
verraden, niet waar?”--„O, neen, volstrekt niet.”--„Welnu, openbaar hem
uw geheim en vraag hem of gij, hoe gewichtig, hoe vreeselijk, hoe
kostbaar dit geheim ook zij, het mij kunt vertrouwen.”--„Maar dat geheim
behoort mij niet; en ik mag het zoo maar niet openbaren.”--„Gij wildet
het wel aan den heer Bonacieux mededeelen,” zeide d’Artagnan
gebelgd.--„Zooals men een brief aan de holte van een boom,
aan den vleugel eens vogels, of aan den halsband van een hond
toevertrouwt.”--„En echter gij ziet wel, dat ik u bemin.”--„Gij zegt
het.”--„Ik ben een man van eer.”--„Ik wil het gelooven.”--„Ik ben
moedig.”--„O, hiervan ben ik overtuigd.”--„Welnu, stel mij dan op de
proef.”
Juffrouw Bonacieux beschouwde den jongeling met een laatste weifeling.
Maar in zijn oogen schitterde een zoo vurige gloed, in zijn stem lag
zooveel overtuiging, dat zij zich eindelijk overgehaald voelde op hem te
vertrouwen. Bovendien bevond zij zich in een dier omstandigheden, waarin
men alles moet wagen. De koningin was even goed verloren door een te ver
gedrevene achterhoudendheid, als door een al te groot vertrouwen.
Vervolgens, wij moeten het bekennen, de onwillekeurige gewaarwording,
die zij voor dien jongen beschermer gevoelde, noopte haar te spreken.
„Luister,” zeide zij. „Ik geloof uw betuigingen en onderwerp mij aan uw
verzekering.... Maar ik zweer u voor God, die ons hoort, dat, indien gij
mij verraadt en mijn vijanden mij al mochten vergeven, ik mij echter het
leven zal ontnemen en u van mijn dood beschuldigen.”--„En ik zweer u
voor God, mejuffrouw!” zeide d’Artagnan, „dat indien ik gevangen word
genomen, terwijl ik de bevelen zal ten uitvoer brengen, welke gij mij
geeft, ik liever zal sterven, dan iets te zeggen of te doen, wat iemand
in gevaar zou kunnen brengen.”
Toen deelde de jonge vrouw hem het verschrikkelijke geheim mede, waarvan
het toeval hem reeds een gedeelte vóór de _Samaritaine_ had geopenbaard.
Het was een wederzijdsche liefdesverklaring. D’Artagnan’s gelaat blonk
van vreugde en hoogmoed. Dat geheim, hetwelk hij bezat, die vrouw, welke
hij beminde, het vertrouwen en de liefde maakten hem tot een reus.
„Ik vertrek,” zeide hij, „ik vertrek oogenblikkelijk.”--„Hoe, gij
vertrekt!” riep juffrouw Bonacieux, „en uw kompagnie? uw kapitein?”--„Op
mijn eer, gij hebt mij dat alles doen vergeten, lieve Constance! ja, gij
hebt gelijk, ik heb een verlof noodig.”--„Wederom een hinderpaal,”
lispte juffrouw Bonacieux smartelijk.--„O, dien!” riep d’Artagnan, na
een oogenblik van overweging, „dien zal ik weten te overkomen, wees
gerust.”--„Op wat wijze?”--„Ik zal nog heden avond den heer de Tréville
een bezoek brengen, ik zal hem belasten, die gunst voor mij van zijn
schoonbroeder, den heer des Essarts, te verzoeken.”--„Maar nu iets
anders!”--„Wat?”--„Gij hebt misschien geen geld.”--„Misschien, is te
veel,” zeide d’Artagnan glimlachende.--„Dan,” hernam juffrouw Bonacieux,
een kast openende en daaruit den zak halende, dien een half uur te voren
haar echtgenoot met zooveel teederheid streelde, „neem dien zak.”--„Dien
van den kardinaal!” riep d’Artagnan, in gelach uitbarstende, want zooals
men zich zal herinneren, was hem, tengevolge der uitgehaalde plaveien,
geen woord ontgaan van het gesprek des winkeliers met zijn vrouw.--„De
zak van den kardinaal,” antwoordde juffrouw Bonacieux; „gij ziet wel,
dat hij zich onder een tamelijk achtenswaardig uiterlijk
voordoet.”--„_Pardieu_!” riep d’Artagnan, „het zal voor mij dubbel
vermakelijk zijn, de koningin te redden met het geld Zijner
Eminentie.”--„Gij zijt een beminnelijk en bevallig jongeling,” zeide
juffrouw Bonacieux, „geloof, dat Hare Majesteit niet ondankbaar zal
zijn.”--„O, ik ben al rijkelijk beloond!” riep d’Artagnan; „ik
bemin u, gij veroorlooft mij u zulks te zeggen, dat is al meer
geluk dan ik durfde hopen....”--„Stil,” zeide juffrouw Bonacieux
verschrikt.--„Wat?”--„Men spreekt op straat. Het is de stem van mijn
man. Ja, ik heb haar herkend.”
D’Artagnan liep naar de deur en schoof den grendel er op.--„Hij zal niet
eer binnenkomen, alvorens ik mij verwijderd heb,” zeide hij, „en dan
kunt gij hem de deur openen.”--„Maar ik had ook moeten vertrokken zijn;
en hoe de verdwijning van dien zak gelds te verklaren, indien ik er nog
ben?”--„Gij hebt gelijk, gij moet ook van hier.”--„Maar hoe, hij zal ons
zien uitgaan.”--„Dan moet gij in mijn kamer gaan.”--„O!” riep juffrouw
Bonacieux, „gij zegt mij dit op een toon, die mij verschrikt.”
Juffrouw Bonacieux sprak deze woorden uit met tranen in de oogen.
D’Artagnan zag die tranen en ontroerd, verteederd, wierp hij zich voor
haar op de knieën.--„In mijn kamer zult gij zoo zeker als in een tempel
zijn, op mijn woord van edelman!”--„Laat ons dan gaan,” zeide zij, „ik
vertrouw mij aan u, mijn vriend!”
D’Artagnan schoof wederom den grendel van de deur en beiden, licht als
schimmen, slopen door de binnendeur in de gang, klommen stil de trap op
en traden de kamer van d’Artagnan binnen. Zoodra zij in de kamer waren,
grendelde de jongeling tot meer zekerheid de deur; vervolgens naderden
beiden het venster en door een reet van het luik zagen zij den heer
Bonacieux, die met een man in een mantel gewikkeld in gesprek was. Op
het zien van den mantel sprong d’Artagnan op, en zijn degen ten halve
uittrekkende, snelde hij naar de deur. Het was de man van _Meung_.
„Wat wilt gij doen?” riep juffrouw Bonacieux; „gij zult ons in het
verderf storten!”--„Maar ik heb gezworen, dien man om het leven te
brengen!” zeide d’Artagnan.--„Uw leven is op het oogenblik aan den
dienst van een andere gewijd en behoort u niet. In naam der koningin,
verbied ik u volstrekt, u in eenig gevaar te begeven, dat vreemd aan uw
reis is.”--„En beveelt gij niets uit uw naam?”--„In mijn naam,” zeide
juffrouw Bonacieux met levendige aandoening, „in mijn naam smeek ik u er
om. Maar luister, het schijnt dat zij over mij spreken.”
D’Artagnan naderde het venster en luisterde. De heer Bonacieux had de
deur geopend, maar het vertrek ledig ziende, was hij naar den man met
den mantel teruggekeerd, welken hij een oogenblik te voren verlaten had.
„Zij is vertrokken,” zeide hij, „zij zal naar het Louvre zijn
teruggekeerd.”--„Gij zijt immers zeker,” antwoordde de vreemdeling,
„dat zij betreffende het oogmerk van uw uitgaan niets heeft
vermoed?”--„Neen,” antwoordde Bonacieux vol vertrouwen, „zij is een al
te onnoozele vrouw.”--„Is de kadet der gardes te huis?”--„Ik geloof
neen; zooals gij ziet is het raam zijner kamer gesloten, en men ziet
niet het minste licht door de reten schijnen.”--„Dat doet er niet toe,
wij moeten er ons van overtuigen.”--„Op wat wijze?”--„Door aan zijn deur
te kloppen, terwijl ik zijn knecht zal ondervragen.”--„Goed.”
Bonacieux keerde in huis terug, ging dezelfde deur binnen, door welke de
beide vluchtelingen waren vertrokken, klom de trap op tot aan de kamer
van d’Artagnan en klopte. Niemand antwoordde. Porthos had, om meer
pracht ten toon te spreiden, Planchet dien avond in zijn dienst genomen.
Wat d’Artagnan betreft, deze zorgde er wel voor niet het minste teeken
van leven te geven. Op het oogenblik, dat de vinger van Bonacieux op de
deur klonk, voelden de jongelieden hun harten kloppen.
„Er is niemand in zijn kamer,” zeide Bonacieux.--„Het doet er niet toe,
gaan wij liever in huis, wij zullen daar vertrouwelijker kunnen spreken
dan voor de deur.”--„Ach, mijn God!” lispte juffrouw Bonacieux, „wij
zullen nu niets meer hooren.”--„Integendeel,” zeide d’Artagnan, „wij
zullen nu te beter kunnen hooren.”
D’Artagnan lichtte de drie of vier vloersteenen op, wat van zijn kamer
een soort van oor van Dionysius maakte, spreidde een tapijt over den
grond, ging op de knieën liggen en wenkte juffrouw Bonacieux, om zich
over de opening te buigen, zooals hij deed.
„Gij zijt zeker, dat ons niemand kan beluisteren?”--„Niemand, dat
verzeker ik u,” antwoordde Bonacieux.--„En gij denkt, dat uw vrouw naar
het Louvre is teruggekeerd, zonder iemand anders gesproken te hebben dan
u?”--„Daarvan ben ik zeker.”--„Gij begrijpt, dat het een gewichtig punt
is.”--„Dus heeft het nieuws, dat ik u heb medegedeeld, eenige
waarde?”--„Een zeer groote, mijn waarde Bonacieux! dat ontveins ik u
niet.”--„Dan zal de kardinaal ook zeker tevreden over mij zijn?”--„Daar
twijfel ik niet aan.”--„Die groote kardinaal!”--„Zijt gij zeker, dat uw
vrouw, met u sprekende, zich geen namen heeft laten ontvallen?”--„Ik
meen van neen.”--„Heeft zij mevrouw de Chevreuse, noch den hertog van
Buckingham of mevrouw de Vernet genoemd?”--„Neen, zij heeft mij niets
anders gezegd, dan dat zij mij naar _Londen_ wilde zenden met een
boodschap van een doorluchtig personage.”
„De verrader!” mompelde juffrouw Bonacieux.--„Stil,” zeide d’Artagnan,
haar hand nemende, die zij hem gedachteloos overliet.
„Wat er van zij,” ging de man met den mantel voort, „gij hebt dwaas
gehandeld, den schijn niet aangenomen te hebben, die boodschap te willen
doen, dan zoudt gij thans den brief hebben; de staat, die bedreigd is,
zou gered zijn, en gij....”--„En ik?”--„Wel, de kardinaal zou u brieven
van adeldom hebben verleend.”--„Heeft hij het u gezegd?”--„Ja, ik weet,
dat hij u hiermede wilde verrassen.”--„Wees gerust,” hernam Bonacieux,
„mijn vrouw aanbidt mij, en het is nog tijd.”
„Die zot!” mompelde juffrouw Bonacieux.--„Stil,” herhaalde d’Artagnan,
haar nog sterker de hand drukkende.
„Hoe! is het nog tijd?” hernam de man met den mantel.--„Ik keer naar het
Louvre terug en vraag om juffrouw Bonacieux te spreken, aan wie ik zal
zeggen, dat ik van gedachten veranderd ben; ik knoop de zaak weder aan,
verkrijg den brief en spoed mij naar den kardinaal.”--„Welnu, haast u
dan; ik zal fluks terug zijn, ten einde te vernemen hoe de zaak is
afgeloopen;” en de vreemdeling vertrok.
„Die eerlooze!” zeide juffrouw Bonacieux, wederom haar man dien naam
gevende.--„Stil!” herhaalde d’Artagnan, haar hand nog vuriger drukkende.
Een afgrijselijk gebrul brak op dat oogenblik de overwegingen van
d’Artagnan en van juffrouw Bonacieux af. Het kwam voort van haar man,
die, bemerkt hebbende dat zijn zak met geld was verdwenen, begon te
roepen: „Houdt den dief! houdt den dief!”
Bonacieux schreeuwde een geruime poos maar dewijl naar dergelijke kreten
niemand in de Doodgraversstraat luisterde, en daarenboven het huis van
den winkelier sedert eenigen tijd in geen goede faam stond en hij
niemand zag verschijnen, liep hij het huis uit, al schreeuwende, terwijl
men zijn stem hoorde, die in de verte, in de richting der straat _du
Bac_, wegstierf.
„En thans, nu hij weg is,” zeide juffrouw Bonacieux, „is het uw beurt, u
ook te verwijderen; moed, maar vooral voorzichtigheid, en wees
indachtig, dat gij der koningin behoort.”--„U en haar!” riep d’Artagnan.
„Wees gerust, schoone Constance! ik zal harer erkentelijkheid waardig
worden; maar zal ik, wederkeerende, uw liefde waardig zijn?”--De jonge
vrouw antwoordde slechts door een levendigen blos, die haar wangen
kleurde.
Eenige oogenblikken later verwijderde d’Artagnan zich op zijn beurt, ook
in een wijden mantel gehuld, die van onder werd opgeheven door de
scheede van een langen degen. Juffrouw Bonacieux volgde hem met de oogen
en met dien smachtenden liefdeblik, dien de vrouw, welke voor een man
liefde voelt ontstaan, op dezen werpt, wanneer hij zich verwijdert; maar
toen hij om den hoek der straat verdween, viel zij op de knieën, en de
handen vouwende, riep zij: „O, mijn God! bescherm de koningin! bescherm
mij!”