De man van Meung.
Dat rumoer werd veroorzaakt, niet door de verwachting der volksmenigte
naar een patiënt, die gehangen moest worden, maar door de beschouwing
van een gehangene. Het rijtuig, een oogenblik opgehouden, zette weder
zijn tocht voort te midden van den volksoploop, reed de straat St.
Honoré en daarop de Brave Kinderstraat in en hield voor een kleine deur
stil. Die deur werd geopend, twee gardes ontvingen Bonacieux in hun
armen; door den deurwaarder ondersteund, werd hij in een gang gestooten,
waarna men een trap opging en hem in een voorkamer bracht. Al deze
bewegingen had hij slechts werktuigelijk ondergaan en als iemand, die in
den droom voorttreedt; hij onderscheidde de voorwerpen slechts als door
een nevel, terwijl zijn ooren klanken hoorden zonder ze te verstaan; men
zou hem op dat oogenblik hebben kunnen ter dood brengen, zonder dat hij
de minste poging ter verdediging beproefd had, of een genadekreet
geslaakt zou hebben. Hij bleef onbeweeglijk, met den rug tegen den muur
geleund zitten, en met neerhangende armen, zooals de gardes hem daar
hadden neergezet.
Eindelijk liet hij zijn oogen rondwaren, maar hij bespeurde niet het
minste voorwerp, dat hem schrik kon aanjagen, terwijl niets aanduidde,
dat hij werkelijk in gevaar verkeerde. De bank was behoorlijk gepolijst,
de muur met een fraai, Cordovaansch lederen behangsel bedekt, en voor de
vensters hingen groote, roode damasten gordijnen, die door gouden
knoppen werden opgehouden, zoodat hij begreep, dat zijn angst ongegrond
was, en hij van lieverlede het hoofd links en rechts en de armen van
beneden naar omhoog begon te bewegen. Op die beweging, welke niemand
belette, vatte hij moed en waagde eerst het eene, toen het andere been
tot zich te trekken; eindelijk, zich met beide handen ondersteunende,
stond hij van de bank op en bevond zich op zijn voeten. Tegelijkertijd
lichtte een officier van zeer goed voorkomen het voorhangsel eener deur
op, bleef nog eenige woorden wisselen met den persoon, die zich in het
naaste vertrek bevond, en wendde zich daarop tot den gevangene.
„Zijt gij het, die Bonacieux heet?”--„Ja, mijnheer de officier!”
stamelde de winkelier meer dood dan levend, „om u te dienen.”--„Ga
binnen,” zei de officier. En hij ging ter zijde om Bonacieux door te
laten. Deze gehoorzaamde zonder eenige tegenspraak en ging de kamer
binnen, waar hij scheen verwacht te worden....
Het was een groot vertrek, welks muren voorzien waren van allerhande
soort van wapens, dicht besloten en zeer warm, daar er reeds vuur
brandde, ofschoon men nauwelijks tegen het einde der maand September
was. Een vierkante tafel, met boeken en papieren beladen, en waarop een
zeer groote plattegrond der stad _la Rochelle_ lag uitgespreid, stond
midden in het vertrek. Voor den schoorsteen stond een man van middelbare
grootte, van een zeer forsch en fier voorkomen, met doordringende oogen,
breed voorhoofd, vermagerd gezicht, dat nog verlengd werd door een
snorbaard en een paar knevels. Hoewel die man nauwelijks zes of zeven en
dertig jaar oud was, begonnen snor en baard te vergrijzen. Die man,
zonder degen aan, had het voorkomen van een krijgsman, en zijn
buffellederen laarzen, nog eenigszins met stof bedekt, duidden aan, dat
hij dien dag te paard had gereden. Die man was Armand Jean Duplessis,
kardinaal de Richelieu, niet zooals men hem ons voorstelt, gebukt als
grijsaard, lijdende als een martelaar met verbrijzeld lichaam, zwakke
stem en begraven in een grooten leuningstoel, als in een voorafgaand
graf, alleen met _Europa_, zich staande houdende enkel door de
onafgebroken inspanning zijner denkkracht; maar zooals hij werkelijk op
dat tijdstip was, een aardig en smaakvol cavalier, wel reeds verzwakt
van lichaam, maar ondersteund door die zielskracht, die hem tot een der
meest buitengewone menschen maakte, die er ooit bestaan hebben;
eindelijk zich voorbereidende, om, na den hertog de Nemours in zijn
hertogdom van _Mantua_ te hebben bevestigd, na _Nîmes_, _Castres_ en
_Uzès_ te hebben ingenomen, de Engelschen van het eiland _Ré_ te
verdrijven en de belegering van _la Rochelle_ aan te vangen.
Op het eerste gezicht deed niets den kardinaal vermoeden, en het was hun
niet mogelijk, die zijn gelaat niet kenden, te raden wien zij voor
hadden.... De arme winkelier bleef voor de deur staan, terwijl de blik
van den persoon, dien wij hebben beschreven, zich op hem vestigde en in
het diepste zijner gedachten scheen te willen doordringen.--„Is dat die
Bonacieux?” vroeg hij na een oogenblik zwijgens.--„Ja, Excellentie!”
hernam de officier.--„Het is wel; geef mij zijn papieren en laat ons
alleen.”
De officier nam van de tafel de gevraagde papieren, stelde ze den vrager
ter hand, boog zich tot den grond en vertrok. Bonacieux herkende in deze
papieren zijn verhooren der Bastille. Van tijd tot tijd hief de man, die
voor den schoorsteen stond, de oogen van de papieren op en liet ze als
een paar dolken in het hart van den winkelier dringen. Na verloop van
tien minuten lezing en tien seconden beschouwing, was de kardinaal in
zijn denkbeeld bevestigd.--„In dat hoofd heeft nooit een samenzwering
gebroeid,” mompelde hij; „maar om het even, laten wij eens zien.”
„Gij zijt van hoogverraad beschuldigd,” zeide de kardinaal
langzaam.--„Men heeft mij dit reeds gezegd, Excellentie!” riep
Bonacieux, aan zijn ondervrager den titel gevende, dien hij van den
officier had gehoord; „maar ik zweer u, dat ik er niets van wist.”
De kardinaal onderdrukte een glimlach.--„Gij hebt samengespannen met uw
vrouw, met mevrouw de Chevreuse en met Mylord den hertog van
Buckingham.”--„Inderdaad, Excellentie!” antwoordde de winkelier, „ik heb
haar al die namen hooren noemen.”--„En bij welke gelegenheid?”--„Zij
zeide, dat de hertog de Richelieu den hertog van Buckingham te _Parijs_
had gelokt, om hem te verderven en met hem de koningin.”--„Zij zeide
dat?” riep de kardinaal met hevigheid.--„Ja, Uwe Excellentie! maar ik
antwoordde, dat zij ongelijk had dergelijke gesprekken te voeren, en dat
Zijne Eminentie niet in staat was....”--„Zwijg! gij zijt een dwaas!”
hernam de kardinaal.--„Dat is juist wat mijn vrouw mij heeft geantwoord,
Uwe Excellentie!”--„Weet gij, wie uw vrouw heeft ontvoerd?”--„Neen, Uwe
Excellentie!”--„Gij verdenkt echter iemand?”--„Ja, Uwe Excellentie! maar
dat vermoeden schijnt den heer commissaris onaangenaam te zijn geweest
en nu vermoed ik niets meer.”--„Wist gij, dat uw vrouw ontvlucht
was?”--„Neen, Uwe Excellentie! ik heb dit niet eer gehoord dan in de
gevangenis en altijd door tusschenkomst van den heer commissaris, een
zeer beminnelijk man.”
De kardinaal onderdrukte een tweeden glimlach.--„Dus gij weet niet, wat
er van uw vrouw is geworden sedert haar vlucht?”--„Volstrekt niet,
Excellentie! maar zij moet naar het Louvre zijn teruggekeerd.”--„Te één
uur na middernacht was zij er nog niet.”--„Maar, mijn God! wat is er dan
van haar geworden?”--„Men zal dit wel vernemen, wees gerust, men
verbergt den kardinaal niets; de kardinaal weet alles.”--„Als dat zoo
is, Uwe Excellentie! gelooft gij dan, dat het den kardinaal zal believen
mij te zeggen, wat er van mijn vrouw geworden is?”--„Misschien, maar
alvorens behoort gij alles te vertellen, wat gij nopens de betrekkingen
van uw vrouw met mevrouw de Chevreuse weet.”--„Maar, Uwe Excellentie! ik
weet er niets van, ik heb haar nooit gezien.”--„Wanneer gij uw vrouw van
het Louvre gingt halen, keerdet gij dan rechtstreeks naar huis
terug?”--„Bijna nooit, zij had altijd zaken met linnenkoopers, bij wie
ik haar geleidde.”--„En bij hoeveel linnenkoopers begaf zij zich
wel?”--„Bij twee, Excellentie!”--„Waar wonen ze?”--„De een in de straat
Vaugirard, de andere in de straat la Harpe.”--„Volgdet gij haar in
huis?”--„Nooit, Excellentie! ik wachtte haar voor de deur.”--„En wat
voor reden gaf zij u, om dus alleen binnen te gaan?”--„Zij gaf mij geen
reden en zeide mij alleen, dat ik zou wachten, en ik wachtte.”--„Gij
zijt een zeer toegevend echtgenoot, mijn waarde heer Bonacieux!” zeide
de kardinaal.
„Hij heeft mij waarde heer genoemd,” dacht de winkelier bij zich zelven,
„duivelsch! de zaken nemen een goede wending.”
„Zoudt gij die huizen herkennen?”--„Ja.”--„Weet gij de
nummers?”--„Ja.”--„Welke zijn ze?”--„No. 25 in de straat Vaugirard; No.
76 in de straat la Harpe.”--„Goed,” zeide de kardinaal.
Bij deze woorden nam hij een zilveren tafelschel, en een officier trad
binnen.--„Ga,” zeide hij halfluid, „ga Rochefort roepen: dat hij
dadelijk kome, indien hij te huis is.”--„De graaf wacht,” antwoordde de
officier, „en verzoekt dringend Uwe Eminentie te spreken.”
„Uwe Eminentie,” pruttelde Bonacieux, die wist, dat dit de titel was,
dien men gewoonlijk den kardinaal gaf.
„Dat hij kome, dat hij onverwijld kome,” zeide Richelieu driftig.--De
officier snelde het vertrek uit met een overhaasting, welke de dienaren
des kardinaals gewoonlijk in acht namen, om hem te gehoorzamen.
„Uwe Eminentie!” mompelde Bonacieux, groote, verschrikte oogen
opzettende.--Vijf seconden waren er niet verloopen, sedert het vertrek
van den officier, of de deur werd geopend en een nieuw personage trad
binnen.--„Hij is het!” riep Bonacieux.--„Wie?” vroeg de
kardinaal.--„Hij, die mijn vrouw heeft ontvoerd.”
De kardinaal schelde voor de tweede maal. De officier verscheen
opnieuw.--„Stel dien man in de handen zijner twee bewakers, en dat hij
wachte, totdat ik hem terug doe roepen.”--„Neen, Excellentie! neen, hij
is het niet!” riep Bonacieux, „neen, ik heb mij bedrogen, het is een
ander, die hem volstrekt niet gelijkt: mijnheer is een fatsoenlijk
man!”--„Breng dien dwaas weg!” zeide de kardinaal.
De officier nam Bonacieux bij den arm en bracht hem in de voorkamer,
waar hij zijn twee bewakers wedervond. De persoon, dien men had
binnengeleid, volgde met een ongeduldigen blik Bonacieux, totdat deze
vertrokken was; toen zeide hij, den kardinaal driftig naderende:
„Zij hebben elkander gesproken.”--„Wie?” vroeg Zijne Eminentie.--„Zij en
hij.”--„De koningin en de hertog?” riep Richelieu.--„Ja.”--„En waar
dat?”--„In het Louvre.”--„Zijt gij er zeker van?”--„Volkomen.”--„Wie
heeft het u gezegd?”--„Mevrouw de Lannoy, die, zooals gij weet, Uwe
Eminentie volkomen is toegedaan.”--„Waarom heeft zij het niet eer
gezegd?”--„Hetzij toevallig of uit wantrouwen, heeft de koningin mevrouw
de Sargis in haar kamer doen slapen en den geheelen dag bij zich
gehouden.”--„Het is wel, wij zijn overwonnen! Laat ons trachten
weerwraak te nemen.”--„Ik zal Uwe Eminentie uit al mijn vermogen helpen,
wees hieromtrent gerust.”--„Maar hoe heeft het zich toegedragen?”--„Te
middernacht bevond zich de koningin bij haar vrouwen.”--„Waar?”--„In
haar slaapkamer.”--„Goed.”--„Toen is men haar een zakdoek vanwege haar
lijnwaad-opzichtster komen ter hand stellen.”--„Daarna?”--„Onmiddellijk
daarop ontwaarde men aan de koningin een hevige ontroering, en
ondanks het blanketsel, dat haar gelaat bedekte, zag men haar
verbleeken.”--„Vervolgens?”--„Echter stond zij op, en met een gebroken
stem zeide zij: ‚Dames! wacht mij hier gedurende tien minuten, dan zal
ik terug wezen.’ En de deur harer alcove openende, verdween zij er
door.”--„Waarom is mevrouw de Lannoy u hiervan niet op hetzelfde
oogenblik komen verwittigen?”--„Er was geen genoegzame zekerheid;
bovendien, de koningin had gezegd: Dames! wacht mij, en zij durfde de
koningin niet ongehoorzaam wezen.”
„En hoe lang is zij uit de kamer afwezig geweest?”--„Drie
kwartieruurs.”--„Vergezelde haar niet de een of andere
harer vrouwen?”--„Alleen Donna Estefana.”--„En is zij weer
teruggekomen?”--„Ja, maar om een klein, met haar naamcijfer prijkend
rozenhouten kistje te halen, waarmede zij onmiddellijk zich weer
verwijderd heeft.”--„En later terugkeerende, bracht zij toen het kistje
mede?”--„Neen.”--„Wist mevrouw de Lannoy wat dat kistje bevatte?”--„Ja:
de diamanten haken, die de koning aan de koningin ten geschenke heeft
gegeven.”--„En zij is zonder dat kistje teruggekeerd?”--„Ja.”--„Mevrouw
de Lannoy vermeent zeker, dat zij ze aan den hertog van Buckingham heeft
gegeven.”--„Zij is er zeker van.”--„Hoedat?”--„In den loop van den dag
heeft mevrouw de Lannoy, in haar hoedanigheid van bewaarster der
kostbaarheden van de koningin, het kistje gezocht, veinzende over het
gemis er van ongerust te zijn, zoodat zij eindelijk de koningin er naar
vroeg.”--„En wat zeide de koningin?”--„De koningin werd bloedrood en
antwoordde, dat aangezien den vorigen dag een harer diamanten haken
gebroken was, zij die ter herstelling naar een goudsmid had doen
brengen.”--„Men moet dáár aangaan en zich verzekeren, of het waar is of
niet.”--„Ik ben er reeds geweest.”--„En de goudsmid?”--„Weet van
niets.”--„Goed, goed, Rochefort! alles is nog niet verloren, en
misschien is alles ten beste.”--„Het is waar, ik twijfel niet, dat het
genie Uwer Eminentie....”--„De domheid van zijn agent herstelle, niet
waar?”--„Dat was mijn meening, indien Uwe Eminentie mij niet in de rede
ware gevallen.”--„Maar nu, weet gij waar de hertogin de Chevreuse en de
hertog van Buckingham zich verborgen hielden?”--„Neen, Uwe Eminentie!
mijn lieden hebben mij daaromtrent niets stelligs kunnen
mededeelen.”--„Ik weet het.”--„Gij, Uwe Excellentie?”--„Ja, ik
veronderstel ten minste het te weten. Zij bevonden zich, de eene in de
straat Vaugirard, No. 25, en de andere in No. 76 der straat la
Harpe.”--„Verkiest Uwe Excellentie, dat ik ze beiden in hechtenis doe
nemen?”--„Het zal te laat zijn, en zij zullen wel reeds vertrokken
zijn.”--„Om het even, men kan er zich van verzekeren.”--„Neem tien
mijner gardes en doorzoek beide huizen.”--„Ik ga, Uwe Excellentie!”--En
Rochefort spoedde zich voort.
De kardinaal, nu alleen zijnde, bleef een oogenblik in overpeinzing en
schelde voor de derde maal. Dezelfde officier trad binnen.
„Laat den gevangene binnenkomen,” beval de kardinaal.
Bonacieux werd opnieuw binnengeleid, en op een wenk van den kardinaal
verwijderde zich de officier.--„Gij hebt mij bedrogen,” zeide de
kardinaal toornig.--„Ik!” riep Bonacieux, „ik, Uwe Eminentie
bedriegen?”--„Uw vrouw, naar de straten Vaugirard en la Harpe gaande,
begaf zich niet naar linnenkoopers.”--„En waarheen dan? gerechte
Hemel!”--„Zij begaf zich tot de hertogin de Chevreuse en tot den hertog
van Buckingham.”--„Ja,” zeide Bonacieux; „ja, het is zoo, Uwe Eminentie
heeft gelijk. Ik heb dikwijls aan mijn vrouw gezegd, dat het
verwonderlijk was, dat linnenkoopers in dergelijke huizen woonden, in
huizen, waarvoor geen uithangbord is; maar telkens begon mijn vrouw dan
te lachen. O, Uwe Excellentie!” ging de heer Bonacieux voort, zich voor
de voeten van Zijne Eminentie werpende. „O, gij zijt wel de kardinaal,
de groote kardinaal, de man van genie, dien de geheele wereld eert!”
De kardinaal, hoe gering de zegepraal ook was, die hij op een zoo nietig
wezen als Bonacieux had behaald, was er echter niettemin door gevleid;
vervolgens en bijna tegelijkertijd, alsof een nieuwe gedachte in hem was
opgekomen, zweefde er een glimlach op zijn lippen, en zijn hand den
winkelier reikende, zeide hij hem: „Sta op, mijn vriend! gij zijt een
braaf man.”--„De kardinaal heeft mij de hand gedrukt! ik heb de hand des
grooten mans gedrukt!” riep Bonacieux. „De groote man heeft mij zijn
vriend genoemd!”--„Ja, mijn vriend! ja,” hernam de kardinaal op dien
goedhartigen toon, welken hij vaak wist aan te nemen, en die alleen hen
bedroog, die hem niet kenden; „en dewijl men u ten onrechte heeft
beschuldigd, welnu, daarvoor moet gij worden schadeloos gesteld.
Ziedaar, neem dien zak met tweehonderd pistolen, en vergeef mij,”--„U
vergeven, Uwe Eminentie!” zeide Bonacieux, die aarzelde den zak aan te
nemen, zeker vreezende, dat deze onbegrijpelijke gift slechts scherts
was. „Het stond u immers wel vrij, mij te doen in hechtenis nemen, gij
kondet mij immers vrijelijk doen folteren, mij doen hangen, gij zijt de
meester, en ik zou geen woord te zeggen hebben gehad. U te vergeven, Uwe
Eminentie! O, dat meent gij niet.”--„Wel, mijnheer Bonacieux! gij toont
u zeer edelmoedig, naar ik zie; ik ben er u erkentelijk voor. Alzoo, gij
neemt dien zak, en gij vertrekt, zonder van vreugde al te onvergenoegd
te zijn?”--„Ik vertrek opgetogen, Uwe Excellentie!”--„Vaarwel dan, of
liever tot weerziens, want ik hoop, dat wij elkander nog zullen
zien.”--„Zoo dikwijls Uwe Eminentie het begeert, en ik stel mij volkomen
ter beschikking Uwer Eminentie.”--„Wees gerust, dat zal menigmaal het
geval zijn; want waarlijk, uw onderhoud heeft mij ten zeerste
bekoord.”--„O, Uwe Eminentie!”--„Tot weerziens, mijnheer Bonacieux! tot
weerziens!”
En de kardinaal gaf hem met de hand een wenk, dien Bonacieux met een
diepe buiging beantwoordde; vervolgens ging hij, achteruit tredende, de
kamer uit, en toen hij in de voorkamer was, hoorde de kardinaal hem in
zijn geestdrift luidkeels uitroepen: „Leve Zijne Eminentie! Leve Zijne
Hoogheid! Leve de groote kardinaal!”
De kardinaal luisterde glimlachende naar deze luidruchtige,
geestdriftvolle ontboezeming van Bonacieux; en toen het gejuich in de
verte wegstierf, zeide hij tot zich zelven: „Goed zoo, dat is een man,
die voor mij in den dood zal gaan.”--En de kardinaal zette zich neder,
om met de grootste nauwkeurigheid den platten grond der stad _la
Rochelle_ te bestudeeren, welke, zooals wij zeiden, op tafel lag
uitgespreid, met een potlood een lijn trekkende, waarlangs de vermaarde
dijk moest loopen, die, achttien maanden later, de haven der belegerde
stad insloot.
Terwijl hij verdiept was in zijn krijgskundige studiën, werd de deur
geopend, en Rochefort trad binnen.--„Wel?” vroeg de kardinaal, met een
drift opstaande, die de mate van gewicht aanduidde, die hij aan de
boodschap hechtte, waarmede hij den graaf had belast. „Wel?”--En deze
antwoordde: „Een vrouw van zes tot acht en twintig jaar en een man van
vijf en dertig tot veertig jaar hebben werkelijk, de eene vier, de
andere vijf dagen, in de door Uwe Eminentie aangeduide huizen gelogeerd;
maar de vrouw is heden nacht, en de man heden ochtend vertrokken.”--„Dat
waren zij!” riep de kardinaal, die tegelijkertijd op de pendule zag;
„maar nu,” ging hij voort, „is het te laat om hen te vervolgen; de
hertogin is te _Tours_, en de hertog te _Boulogne_. Wij moeten ze te
_Londen_ bereiken.”--„Wat beveelt Uwe Excellentie?”--„Geen woord omtrent
het voorgevallene; dat de koningin in de meest volkomene gerustheid
blijve! laat zij niet vernemen, dat wij haar geheim kennen; laat haar
gelooven, dat wij de een of andere samenzwering op het spoor zijn. En
doe nu den zegelbewaarder Séguier bij mij komen.”--„En met dien man? Wat
heeft Uwe Eminentie met dezen gedaan?”--„Met wien?” vroeg de
kardinaal.--„Met dien Bonacieux.”--„Ik heb met hem gedaan wat er mede te
doen was, en van hem den spion zijner vrouw gemaakt.”
De graaf de Rochefort maakte een buiging als voor de meerdere
begaafdheid des meesters, en hij verwijderde zich. Alleen gebleven, ging
de kardinaal opnieuw zitten, schreef een brief, dien hij met zijn
bijzonder zegel zegelde; vervolgens schelde hij. De officier kwam voor
de vierde maal.--„Laat Vitray komen,” beval hij, „en zeg hem, dat hij
zich voor de reis gereed maakt.”
Een oogenblik later stond de man voor hem, gelaarsd en
gespoord.--„Vitray!” zeide hij, „gij moet in allerijl naar _Londen_.
Geen oogenblik moogt gij u op weg ophouden, en onmiddellijk na uw
aankomst dezen brief aan milady ter hand stellen. Ziedaar een briefje
van tweehonderd pistolen; vervoeg u bij mijn rentmeester en doe u
betalen. Gij kunt even veel ontvangen, indien gij binnen zes dagen terug
zijt en gij mijn boodschap goed hebt verricht.”--De Vitray, zonder een
enkel woord te antwoorden, boog, nam den brief, den _bon_ voor
tweehonderd pistolen en vertrok.
Ziehier den inhoud van den brief:
Milady!
„Begeef u naar het eerste bal, waarop zich de hertog van Buckingham
zal bevinden. Hij zal aan zijn gewaad twaalf diamanten haken
hebben; tracht hem te naderen en snijd er twee af. Zoodra deze
diamanten in uw bezit zullen zijn, meld mij dan zulks.”