HOOFDSTUK XIV.

De man van Meung.

Dat rumoer werd veroorzaakt, niet door de verwachting der volksmenigte

naar een patiënt, die gehangen moest worden, maar door de beschouwing

van een gehangene. Het rijtuig, een oogenblik opgehouden, zette weder

zijn tocht voort te midden van den volksoploop, reed de straat St.

Honoré en daarop de Brave Kinderstraat in en hield voor een kleine deur

stil. Die deur werd geopend, twee gardes ontvingen Bonacieux in hun

armen; door den deurwaarder ondersteund, werd hij in een gang gestooten,

waarna men een trap opging en hem in een voorkamer bracht. Al deze

bewegingen had hij slechts werktuigelijk ondergaan en als iemand, die in

den droom voorttreedt; hij onderscheidde de voorwerpen slechts als door

een nevel, terwijl zijn ooren klanken hoorden zonder ze te verstaan; men

zou hem op dat oogenblik hebben kunnen ter dood brengen, zonder dat hij

de minste poging ter verdediging beproefd had, of een genadekreet

geslaakt zou hebben. Hij bleef onbeweeglijk, met den rug tegen den muur

geleund zitten, en met neerhangende armen, zooals de gardes hem daar

hadden neergezet.

Eindelijk liet hij zijn oogen rondwaren, maar hij bespeurde niet het

minste voorwerp, dat hem schrik kon aanjagen, terwijl niets aanduidde,

dat hij werkelijk in gevaar verkeerde. De bank was behoorlijk gepolijst,

de muur met een fraai, Cordovaansch lederen behangsel bedekt, en voor de

vensters hingen groote, roode damasten gordijnen, die door gouden

knoppen werden opgehouden, zoodat hij begreep, dat zijn angst ongegrond

was, en hij van lieverlede het hoofd links en rechts en de armen van

beneden naar omhoog begon te bewegen. Op die beweging, welke niemand

belette, vatte hij moed en waagde eerst het eene, toen het andere been

tot zich te trekken; eindelijk, zich met beide handen ondersteunende,

stond hij van de bank op en bevond zich op zijn voeten. Tegelijkertijd

lichtte een officier van zeer goed voorkomen het voorhangsel eener deur

op, bleef nog eenige woorden wisselen met den persoon, die zich in het

naaste vertrek bevond, en wendde zich daarop tot den gevangene.

„Zijt gij het, die Bonacieux heet?”--„Ja, mijnheer de officier!”

stamelde de winkelier meer dood dan levend, „om u te dienen.”--„Ga

binnen,” zei de officier. En hij ging ter zijde om Bonacieux door te

laten. Deze gehoorzaamde zonder eenige tegenspraak en ging de kamer

binnen, waar hij scheen verwacht te worden....

Het was een groot vertrek, welks muren voorzien waren van allerhande

soort van wapens, dicht besloten en zeer warm, daar er reeds vuur

brandde, ofschoon men nauwelijks tegen het einde der maand September

was. Een vierkante tafel, met boeken en papieren beladen, en waarop een

zeer groote plattegrond der stad _la Rochelle_ lag uitgespreid, stond

midden in het vertrek. Voor den schoorsteen stond een man van middelbare

grootte, van een zeer forsch en fier voorkomen, met doordringende oogen,

breed voorhoofd, vermagerd gezicht, dat nog verlengd werd door een

snorbaard en een paar knevels. Hoewel die man nauwelijks zes of zeven en

dertig jaar oud was, begonnen snor en baard te vergrijzen. Die man,

zonder degen aan, had het voorkomen van een krijgsman, en zijn

buffellederen laarzen, nog eenigszins met stof bedekt, duidden aan, dat

hij dien dag te paard had gereden. Die man was Armand Jean Duplessis,

kardinaal de Richelieu, niet zooals men hem ons voorstelt, gebukt als

grijsaard, lijdende als een martelaar met verbrijzeld lichaam, zwakke

stem en begraven in een grooten leuningstoel, als in een voorafgaand

graf, alleen met _Europa_, zich staande houdende enkel door de

onafgebroken inspanning zijner denkkracht; maar zooals hij werkelijk op

dat tijdstip was, een aardig en smaakvol cavalier, wel reeds verzwakt

van lichaam, maar ondersteund door die zielskracht, die hem tot een der

meest buitengewone menschen maakte, die er ooit bestaan hebben;

eindelijk zich voorbereidende, om, na den hertog de Nemours in zijn

hertogdom van _Mantua_ te hebben bevestigd, na _Nîmes_, _Castres_ en

_Uzès_ te hebben ingenomen, de Engelschen van het eiland _Ré_ te

verdrijven en de belegering van _la Rochelle_ aan te vangen.

Op het eerste gezicht deed niets den kardinaal vermoeden, en het was hun

niet mogelijk, die zijn gelaat niet kenden, te raden wien zij voor

hadden.... De arme winkelier bleef voor de deur staan, terwijl de blik

van den persoon, dien wij hebben beschreven, zich op hem vestigde en in

het diepste zijner gedachten scheen te willen doordringen.--„Is dat die

Bonacieux?” vroeg hij na een oogenblik zwijgens.--„Ja, Excellentie!”

hernam de officier.--„Het is wel; geef mij zijn papieren en laat ons

alleen.”

De officier nam van de tafel de gevraagde papieren, stelde ze den vrager

ter hand, boog zich tot den grond en vertrok. Bonacieux herkende in deze

papieren zijn verhooren der Bastille. Van tijd tot tijd hief de man, die

voor den schoorsteen stond, de oogen van de papieren op en liet ze als

een paar dolken in het hart van den winkelier dringen. Na verloop van

tien minuten lezing en tien seconden beschouwing, was de kardinaal in

zijn denkbeeld bevestigd.--„In dat hoofd heeft nooit een samenzwering

gebroeid,” mompelde hij; „maar om het even, laten wij eens zien.”

„Gij zijt van hoogverraad beschuldigd,” zeide de kardinaal

langzaam.--„Men heeft mij dit reeds gezegd, Excellentie!” riep

Bonacieux, aan zijn ondervrager den titel gevende, dien hij van den

officier had gehoord; „maar ik zweer u, dat ik er niets van wist.”

De kardinaal onderdrukte een glimlach.--„Gij hebt samengespannen met uw

vrouw, met mevrouw de Chevreuse en met Mylord den hertog van

Buckingham.”--„Inderdaad, Excellentie!” antwoordde de winkelier, „ik heb

haar al die namen hooren noemen.”--„En bij welke gelegenheid?”--„Zij

zeide, dat de hertog de Richelieu den hertog van Buckingham te _Parijs_

had gelokt, om hem te verderven en met hem de koningin.”--„Zij zeide

dat?” riep de kardinaal met hevigheid.--„Ja, Uwe Excellentie! maar ik

antwoordde, dat zij ongelijk had dergelijke gesprekken te voeren, en dat

Zijne Eminentie niet in staat was....”--„Zwijg! gij zijt een dwaas!”

hernam de kardinaal.--„Dat is juist wat mijn vrouw mij heeft geantwoord,

Uwe Excellentie!”--„Weet gij, wie uw vrouw heeft ontvoerd?”--„Neen, Uwe

Excellentie!”--„Gij verdenkt echter iemand?”--„Ja, Uwe Excellentie! maar

dat vermoeden schijnt den heer commissaris onaangenaam te zijn geweest

en nu vermoed ik niets meer.”--„Wist gij, dat uw vrouw ontvlucht

was?”--„Neen, Uwe Excellentie! ik heb dit niet eer gehoord dan in de

gevangenis en altijd door tusschenkomst van den heer commissaris, een

zeer beminnelijk man.”

De kardinaal onderdrukte een tweeden glimlach.--„Dus gij weet niet, wat

er van uw vrouw is geworden sedert haar vlucht?”--„Volstrekt niet,

Excellentie! maar zij moet naar het Louvre zijn teruggekeerd.”--„Te één

uur na middernacht was zij er nog niet.”--„Maar, mijn God! wat is er dan

van haar geworden?”--„Men zal dit wel vernemen, wees gerust, men

verbergt den kardinaal niets; de kardinaal weet alles.”--„Als dat zoo

is, Uwe Excellentie! gelooft gij dan, dat het den kardinaal zal believen

mij te zeggen, wat er van mijn vrouw geworden is?”--„Misschien, maar

alvorens behoort gij alles te vertellen, wat gij nopens de betrekkingen

van uw vrouw met mevrouw de Chevreuse weet.”--„Maar, Uwe Excellentie! ik

weet er niets van, ik heb haar nooit gezien.”--„Wanneer gij uw vrouw van

het Louvre gingt halen, keerdet gij dan rechtstreeks naar huis

terug?”--„Bijna nooit, zij had altijd zaken met linnenkoopers, bij wie

ik haar geleidde.”--„En bij hoeveel linnenkoopers begaf zij zich

wel?”--„Bij twee, Excellentie!”--„Waar wonen ze?”--„De een in de straat

Vaugirard, de andere in de straat la Harpe.”--„Volgdet gij haar in

huis?”--„Nooit, Excellentie! ik wachtte haar voor de deur.”--„En wat

voor reden gaf zij u, om dus alleen binnen te gaan?”--„Zij gaf mij geen

reden en zeide mij alleen, dat ik zou wachten, en ik wachtte.”--„Gij

zijt een zeer toegevend echtgenoot, mijn waarde heer Bonacieux!” zeide

de kardinaal.

„Hij heeft mij waarde heer genoemd,” dacht de winkelier bij zich zelven,

„duivelsch! de zaken nemen een goede wending.”

„Zoudt gij die huizen herkennen?”--„Ja.”--„Weet gij de

nummers?”--„Ja.”--„Welke zijn ze?”--„No. 25 in de straat Vaugirard; No.

76 in de straat la Harpe.”--„Goed,” zeide de kardinaal.

Bij deze woorden nam hij een zilveren tafelschel, en een officier trad

binnen.--„Ga,” zeide hij halfluid, „ga Rochefort roepen: dat hij

dadelijk kome, indien hij te huis is.”--„De graaf wacht,” antwoordde de

officier, „en verzoekt dringend Uwe Eminentie te spreken.”

„Uwe Eminentie,” pruttelde Bonacieux, die wist, dat dit de titel was,

dien men gewoonlijk den kardinaal gaf.

„Dat hij kome, dat hij onverwijld kome,” zeide Richelieu driftig.--De

officier snelde het vertrek uit met een overhaasting, welke de dienaren

des kardinaals gewoonlijk in acht namen, om hem te gehoorzamen.

„Uwe Eminentie!” mompelde Bonacieux, groote, verschrikte oogen

opzettende.--Vijf seconden waren er niet verloopen, sedert het vertrek

van den officier, of de deur werd geopend en een nieuw personage trad

binnen.--„Hij is het!” riep Bonacieux.--„Wie?” vroeg de

kardinaal.--„Hij, die mijn vrouw heeft ontvoerd.”

De kardinaal schelde voor de tweede maal. De officier verscheen

opnieuw.--„Stel dien man in de handen zijner twee bewakers, en dat hij

wachte, totdat ik hem terug doe roepen.”--„Neen, Excellentie! neen, hij

is het niet!” riep Bonacieux, „neen, ik heb mij bedrogen, het is een

ander, die hem volstrekt niet gelijkt: mijnheer is een fatsoenlijk

man!”--„Breng dien dwaas weg!” zeide de kardinaal.

De officier nam Bonacieux bij den arm en bracht hem in de voorkamer,

waar hij zijn twee bewakers wedervond. De persoon, dien men had

binnengeleid, volgde met een ongeduldigen blik Bonacieux, totdat deze

vertrokken was; toen zeide hij, den kardinaal driftig naderende:

„Zij hebben elkander gesproken.”--„Wie?” vroeg Zijne Eminentie.--„Zij en

hij.”--„De koningin en de hertog?” riep Richelieu.--„Ja.”--„En waar

dat?”--„In het Louvre.”--„Zijt gij er zeker van?”--„Volkomen.”--„Wie

heeft het u gezegd?”--„Mevrouw de Lannoy, die, zooals gij weet, Uwe

Eminentie volkomen is toegedaan.”--„Waarom heeft zij het niet eer

gezegd?”--„Hetzij toevallig of uit wantrouwen, heeft de koningin mevrouw

de Sargis in haar kamer doen slapen en den geheelen dag bij zich

gehouden.”--„Het is wel, wij zijn overwonnen! Laat ons trachten

weerwraak te nemen.”--„Ik zal Uwe Eminentie uit al mijn vermogen helpen,

wees hieromtrent gerust.”--„Maar hoe heeft het zich toegedragen?”--„Te

middernacht bevond zich de koningin bij haar vrouwen.”--„Waar?”--„In

haar slaapkamer.”--„Goed.”--„Toen is men haar een zakdoek vanwege haar

lijnwaad-opzichtster komen ter hand stellen.”--„Daarna?”--„Onmiddellijk

daarop ontwaarde men aan de koningin een hevige ontroering, en

ondanks het blanketsel, dat haar gelaat bedekte, zag men haar

verbleeken.”--„Vervolgens?”--„Echter stond zij op, en met een gebroken

stem zeide zij: ‚Dames! wacht mij hier gedurende tien minuten, dan zal

ik terug wezen.’ En de deur harer alcove openende, verdween zij er

door.”--„Waarom is mevrouw de Lannoy u hiervan niet op hetzelfde

oogenblik komen verwittigen?”--„Er was geen genoegzame zekerheid;

bovendien, de koningin had gezegd: Dames! wacht mij, en zij durfde de

koningin niet ongehoorzaam wezen.”

„En hoe lang is zij uit de kamer afwezig geweest?”--„Drie

kwartieruurs.”--„Vergezelde haar niet de een of andere

harer vrouwen?”--„Alleen Donna Estefana.”--„En is zij weer

teruggekomen?”--„Ja, maar om een klein, met haar naamcijfer prijkend

rozenhouten kistje te halen, waarmede zij onmiddellijk zich weer

verwijderd heeft.”--„En later terugkeerende, bracht zij toen het kistje

mede?”--„Neen.”--„Wist mevrouw de Lannoy wat dat kistje bevatte?”--„Ja:

de diamanten haken, die de koning aan de koningin ten geschenke heeft

gegeven.”--„En zij is zonder dat kistje teruggekeerd?”--„Ja.”--„Mevrouw

de Lannoy vermeent zeker, dat zij ze aan den hertog van Buckingham heeft

gegeven.”--„Zij is er zeker van.”--„Hoedat?”--„In den loop van den dag

heeft mevrouw de Lannoy, in haar hoedanigheid van bewaarster der

kostbaarheden van de koningin, het kistje gezocht, veinzende over het

gemis er van ongerust te zijn, zoodat zij eindelijk de koningin er naar

vroeg.”--„En wat zeide de koningin?”--„De koningin werd bloedrood en

antwoordde, dat aangezien den vorigen dag een harer diamanten haken

gebroken was, zij die ter herstelling naar een goudsmid had doen

brengen.”--„Men moet dáár aangaan en zich verzekeren, of het waar is of

niet.”--„Ik ben er reeds geweest.”--„En de goudsmid?”--„Weet van

niets.”--„Goed, goed, Rochefort! alles is nog niet verloren, en

misschien is alles ten beste.”--„Het is waar, ik twijfel niet, dat het

genie Uwer Eminentie....”--„De domheid van zijn agent herstelle, niet

waar?”--„Dat was mijn meening, indien Uwe Eminentie mij niet in de rede

ware gevallen.”--„Maar nu, weet gij waar de hertogin de Chevreuse en de

hertog van Buckingham zich verborgen hielden?”--„Neen, Uwe Eminentie!

mijn lieden hebben mij daaromtrent niets stelligs kunnen

mededeelen.”--„Ik weet het.”--„Gij, Uwe Excellentie?”--„Ja, ik

veronderstel ten minste het te weten. Zij bevonden zich, de eene in de

straat Vaugirard, No. 25, en de andere in No. 76 der straat la

Harpe.”--„Verkiest Uwe Excellentie, dat ik ze beiden in hechtenis doe

nemen?”--„Het zal te laat zijn, en zij zullen wel reeds vertrokken

zijn.”--„Om het even, men kan er zich van verzekeren.”--„Neem tien

mijner gardes en doorzoek beide huizen.”--„Ik ga, Uwe Excellentie!”--En

Rochefort spoedde zich voort.

De kardinaal, nu alleen zijnde, bleef een oogenblik in overpeinzing en

schelde voor de derde maal. Dezelfde officier trad binnen.

„Laat den gevangene binnenkomen,” beval de kardinaal.

Bonacieux werd opnieuw binnengeleid, en op een wenk van den kardinaal

verwijderde zich de officier.--„Gij hebt mij bedrogen,” zeide de

kardinaal toornig.--„Ik!” riep Bonacieux, „ik, Uwe Eminentie

bedriegen?”--„Uw vrouw, naar de straten Vaugirard en la Harpe gaande,

begaf zich niet naar linnenkoopers.”--„En waarheen dan? gerechte

Hemel!”--„Zij begaf zich tot de hertogin de Chevreuse en tot den hertog

van Buckingham.”--„Ja,” zeide Bonacieux; „ja, het is zoo, Uwe Eminentie

heeft gelijk. Ik heb dikwijls aan mijn vrouw gezegd, dat het

verwonderlijk was, dat linnenkoopers in dergelijke huizen woonden, in

huizen, waarvoor geen uithangbord is; maar telkens begon mijn vrouw dan

te lachen. O, Uwe Excellentie!” ging de heer Bonacieux voort, zich voor

de voeten van Zijne Eminentie werpende. „O, gij zijt wel de kardinaal,

de groote kardinaal, de man van genie, dien de geheele wereld eert!”

De kardinaal, hoe gering de zegepraal ook was, die hij op een zoo nietig

wezen als Bonacieux had behaald, was er echter niettemin door gevleid;

vervolgens en bijna tegelijkertijd, alsof een nieuwe gedachte in hem was

opgekomen, zweefde er een glimlach op zijn lippen, en zijn hand den

winkelier reikende, zeide hij hem: „Sta op, mijn vriend! gij zijt een

braaf man.”--„De kardinaal heeft mij de hand gedrukt! ik heb de hand des

grooten mans gedrukt!” riep Bonacieux. „De groote man heeft mij zijn

vriend genoemd!”--„Ja, mijn vriend! ja,” hernam de kardinaal op dien

goedhartigen toon, welken hij vaak wist aan te nemen, en die alleen hen

bedroog, die hem niet kenden; „en dewijl men u ten onrechte heeft

beschuldigd, welnu, daarvoor moet gij worden schadeloos gesteld.

Ziedaar, neem dien zak met tweehonderd pistolen, en vergeef mij,”--„U

vergeven, Uwe Eminentie!” zeide Bonacieux, die aarzelde den zak aan te

nemen, zeker vreezende, dat deze onbegrijpelijke gift slechts scherts

was. „Het stond u immers wel vrij, mij te doen in hechtenis nemen, gij

kondet mij immers vrijelijk doen folteren, mij doen hangen, gij zijt de

meester, en ik zou geen woord te zeggen hebben gehad. U te vergeven, Uwe

Eminentie! O, dat meent gij niet.”--„Wel, mijnheer Bonacieux! gij toont

u zeer edelmoedig, naar ik zie; ik ben er u erkentelijk voor. Alzoo, gij

neemt dien zak, en gij vertrekt, zonder van vreugde al te onvergenoegd

te zijn?”--„Ik vertrek opgetogen, Uwe Excellentie!”--„Vaarwel dan, of

liever tot weerziens, want ik hoop, dat wij elkander nog zullen

zien.”--„Zoo dikwijls Uwe Eminentie het begeert, en ik stel mij volkomen

ter beschikking Uwer Eminentie.”--„Wees gerust, dat zal menigmaal het

geval zijn; want waarlijk, uw onderhoud heeft mij ten zeerste

bekoord.”--„O, Uwe Eminentie!”--„Tot weerziens, mijnheer Bonacieux! tot

weerziens!”

En de kardinaal gaf hem met de hand een wenk, dien Bonacieux met een

diepe buiging beantwoordde; vervolgens ging hij, achteruit tredende, de

kamer uit, en toen hij in de voorkamer was, hoorde de kardinaal hem in

zijn geestdrift luidkeels uitroepen: „Leve Zijne Eminentie! Leve Zijne

Hoogheid! Leve de groote kardinaal!”

De kardinaal luisterde glimlachende naar deze luidruchtige,

geestdriftvolle ontboezeming van Bonacieux; en toen het gejuich in de

verte wegstierf, zeide hij tot zich zelven: „Goed zoo, dat is een man,

die voor mij in den dood zal gaan.”--En de kardinaal zette zich neder,

om met de grootste nauwkeurigheid den platten grond der stad _la

Rochelle_ te bestudeeren, welke, zooals wij zeiden, op tafel lag

uitgespreid, met een potlood een lijn trekkende, waarlangs de vermaarde

dijk moest loopen, die, achttien maanden later, de haven der belegerde

stad insloot.

Terwijl hij verdiept was in zijn krijgskundige studiën, werd de deur

geopend, en Rochefort trad binnen.--„Wel?” vroeg de kardinaal, met een

drift opstaande, die de mate van gewicht aanduidde, die hij aan de

boodschap hechtte, waarmede hij den graaf had belast. „Wel?”--En deze

antwoordde: „Een vrouw van zes tot acht en twintig jaar en een man van

vijf en dertig tot veertig jaar hebben werkelijk, de eene vier, de

andere vijf dagen, in de door Uwe Eminentie aangeduide huizen gelogeerd;

maar de vrouw is heden nacht, en de man heden ochtend vertrokken.”--„Dat

waren zij!” riep de kardinaal, die tegelijkertijd op de pendule zag;

„maar nu,” ging hij voort, „is het te laat om hen te vervolgen; de

hertogin is te _Tours_, en de hertog te _Boulogne_. Wij moeten ze te

_Londen_ bereiken.”--„Wat beveelt Uwe Excellentie?”--„Geen woord omtrent

het voorgevallene; dat de koningin in de meest volkomene gerustheid

blijve! laat zij niet vernemen, dat wij haar geheim kennen; laat haar

gelooven, dat wij de een of andere samenzwering op het spoor zijn. En

doe nu den zegelbewaarder Séguier bij mij komen.”--„En met dien man? Wat

heeft Uwe Eminentie met dezen gedaan?”--„Met wien?” vroeg de

kardinaal.--„Met dien Bonacieux.”--„Ik heb met hem gedaan wat er mede te

doen was, en van hem den spion zijner vrouw gemaakt.”

De graaf de Rochefort maakte een buiging als voor de meerdere

begaafdheid des meesters, en hij verwijderde zich. Alleen gebleven, ging

de kardinaal opnieuw zitten, schreef een brief, dien hij met zijn

bijzonder zegel zegelde; vervolgens schelde hij. De officier kwam voor

de vierde maal.--„Laat Vitray komen,” beval hij, „en zeg hem, dat hij

zich voor de reis gereed maakt.”

Een oogenblik later stond de man voor hem, gelaarsd en

gespoord.--„Vitray!” zeide hij, „gij moet in allerijl naar _Londen_.

Geen oogenblik moogt gij u op weg ophouden, en onmiddellijk na uw

aankomst dezen brief aan milady ter hand stellen. Ziedaar een briefje

van tweehonderd pistolen; vervoeg u bij mijn rentmeester en doe u

betalen. Gij kunt even veel ontvangen, indien gij binnen zes dagen terug

zijt en gij mijn boodschap goed hebt verricht.”--De Vitray, zonder een

enkel woord te antwoorden, boog, nam den brief, den _bon_ voor

tweehonderd pistolen en vertrok.

Ziehier den inhoud van den brief:

Milady!

„Begeef u naar het eerste bal, waarop zich de hertog van Buckingham

zal bevinden. Hij zal aan zijn gewaad twaalf diamanten haken

hebben; tracht hem te naderen en snijd er twee af. Zoodra deze

diamanten in uw bezit zullen zijn, meld mij dan zulks.”

De Drie Musketiers dl. I en II · 第 22 / 93 题