Tabbaard en degen.
Den dag na dien, op welken het verhaalde was voorgevallen en Athos nog
niet was teruggekeerd, werd den heer de Tréville door d’Artagnan en
Porthos van zijn verdwijning kennis gegeven. Wat Aramis betreft, deze
had een verlof van vijf dagen verzocht en bevond zich te _Rouaan_,
zooals men zeide wegens familiezaken.
De heer de Tréville was de vader zijner soldaten. De geringste, de minst
bekende van hen was, eenmaal in het gewaad der kompagnie gehuld, even
zeker van zijn hulp en zijn ondersteuning, als zijn broeder zelf zou
hebben kunnen zijn. Hij begaf zich dus oogenblikkelijk naar den
luitenant-geweldiger.
Men liet den officier komen, die den post van het Roode Kruis
kommandeerde en de verkregen inlichtingen bevestigden, dat Athos voor
het oogenblik in het fort _l’Evêque_ gevangen zat. Athos had alles
doorstaan, hetgeen wij Bonacieux hebben zien ondergaan. Wij hebben het
tooneel van het in tegenwoordigheid stellen van beide gevangenen
bijgewoond. Athos, die tot hiertoe niets had gezegd, uit vrees dat
d’Artagnan, op zijn beurt verontrust wordende, de noodige tijd zou
ontbreken, verklaarde van af dat oogenblik, dat hij Athos heette en niet
d’Artagnan. Hij voegde er bij, dat hij noch den heer, noch mejuffrouw
Bonacieux kende en nooit een van beiden gesproken had; dat hij tegen
tien uur des avonds naar den heer d’Artagnan, zijn vriend, was gegaan,
om hem een bezoek te brengen en dat hij tot dat uur ten huize van den
heer de Tréville was geweest, zijnde daar ten middagmaal genoodigd;
twintig getuigen, voegde hij er bij, konden dit bevestigen; en hij
noemde verschillende voorname edellieden, onder anderen den hertog de la
Trémouille.
De tweede commissaris was in even groote verlegenheid als de eerste
tengevolge der eenvoudige en standvastige verklaring van den musketier,
op wien hij wel het overwicht had willen doen gelden, dat de tabbaard
zoo gaarne op den degen behield, maar de naam van den heer de Tréville
en die van den hertog de Trémouille verdienden in aanmerking genomen te
worden. Athos werd naar den kardinaal gebracht, doch ongelukkigerwijze
was de kardinaal in het Louvre bij den koning. Dit was juist het
oogenblik, waarop de heer de Tréville, den luitenant-geweldiger en den
gouverneur van het fort _l’Evêque_ verlatende, zonder Athos gevonden te
hebben, bij Zijne Majesteit binnentrad.
Als kapitein der musketiers was het den heer de Tréville geoorloofd zich
altijd voor den koning te vertoonen. Men kent de vooringenomenheid des
konings tegen de koningin, een vooringenomenheid die behendig door den
kardinaal werd gevoed, daar deze, in zaken van intrigues, oneindig meer
de vrouwen dan de mannen vreesde. Een der voornaamste oorzaken dezer
vooringenomenheid was de vriendschap van Anna van Oostenrijk voor
mevrouw de Chevreuse. Die twee vrouwen verwekten hem meer ongerustheid,
dan de oorlog met Spanje, de twist met Engeland en de geldelijke
verlegenheid, waarin men zich toen bevond. In zich zelven was hij
overtuigd, dat mevrouw de Chevreuse niet alleen der koningin in haar
politieke intrigues de behulpzame hand bood, maar, hetgeen hem nog meer
hinderde, ook in haar verliefde intrigue.
Op de eerste woorden van den kardinaal, die hij den koning toesprak en
door welke hij hem berichtte, dat mevrouw de Chevreuse, die men meende
dat te _Tours_, de plaats harer ballingschap, zich ophield, naar
_Parijs_ was gekomen en gedurende de vijf dagen van haar verblijf aldaar
de politie het spoor bijster had weten te maken, geraakte de koning in
hevigen toorn. Grillig en ontrouw, wilde de koning echter Lodewijk de
Rechtvaardige en Lodewijk de Kuische worden genoemd. Het nageslacht zal
moeilijk zich een denkbeeld van dat karakter kunnen vormen, hetwelk de
geschiedenis alleen door daden, maar nooit door redeneeringen zal kunnen
verklaren. Maar toen de kardinaal er bijvoegde, dat niet alleen mevrouw
de Chevreuse te _Parijs_ was gekomen, maar dat ook de koningin opnieuw
in verstandhouding met haar was geraakt door middel van een dier
geheimzinnige briefwisselingen, welke men in die tijden een _kabaal_
noemde; toen de kardinaal bevestigde dat, op het oogenblik van de
fijnste draden van het weefsel te ontwarren en, voorzien van al de
bewijzen, den zendeling der koningin bij de bannelinge op heeter daad te
betrappen, een musketier gewelddadig den loop der justitie had gestuit,
door met ontblooten degen eenige brave gerechtslieden aan te vallen, die
belast waren met onpartijdigheid de geheele zaak te onderzoeken, ten
einde ze aan Zijne Majesteit, Lodewijk XIII, voor te leggen, naderde
deze een schrede het vertrek der koningin met die bleeke en stomme
verontwaardiging, die, wanneer zij uitbarstte, den jongen vorst tot de
verregaandste wreedaardigheid bracht. Echter, bij dit alles had de
kardinaal niet eens den naam van den hertog van Buckingham genoemd.
Het was op dat oogenblik, dat de heer de Tréville binnentrad, koel,
beleefd en in een onberispelijke kleederdracht. Door de tegenwoordigheid
des kardinaals en door de ontstelde gelaatstrekken des konings
verwittigd van hetgeen er had plaats gehad, gevoelde zich de heer de
Tréville sterk als Simson tegenover de Philistijnen. Lodewijk XIII had
reeds de hand op den knop der deur gelegd. Op het gerucht, door de komst
des heeren de Tréville veroorzaakt, wendde hij het hoofd om.
„Gij komt juist te goeder ure, mijnheer!” riep de koning, die, wanneer
zijn drift tot zekere hoogte was gestegen, niet kon veinzen, „ik hoor
daar fraaie zaken van uw musketiers.”--„En ik,” zeide de heer de
Tréville koel, „heb er Uwe Majesteit fraaie te verhalen van uw
gerechtslieden.”--„Wat belieft?” vroeg de koning op hoogen toon.--„Ik
heb de eer Uwer Majesteit ter kennis te brengen,” ging de Tréville op
denzelfden toon voort, „dat een zwerm van procureurs, commissarissen en
politiedienaars, overigens allen zeer achtenswaardige lieden, maar die,
naar het schijnt, het krijgsgewaad zeer vijandig zijn, zich veroorloofd
hebben een mijner musketiers, of liever een der uwe, Sire! in zeker
huis, op straat te brengen en naar het fort _l’Evêque_ te voeren en dat
alles op een bevelschrift, hetwelk men mij heeft geweigerd te vertoonen,
een man van een onberispelijk gedrag en van een bijna beroemd geslacht,
die aan Uwe Majesteit bovendien gunstig bekend is: den heer
Athos.”--„Athos!” zeide de koning werktuigelijk, „inderdaad, ik ken dien
naam.”--„Dat Uwe Majesteit zich herinnere,” hernam de heer de Tréville,
„de heer Athos is de musketier, die in dat noodlottig tweegevecht,
hetwelk u bekend is, het ongeluk heeft gehad, den heer de Cahussac een
zoo gevaarlijke wonde toe te brengen. A propos!” ging de heer de
Tréville voort, zich tot den kardinaal wendende, „de heer de Cahussac is
geheel hersteld, niet waar?”--„Ik dank u,” zeide de kardinaal, van toorn
op zijn lippen bijtende.--„De heer Athos was een zijner vrienden gaan
bezoeken,” hernam de heer de Tréville, „een jongen Bearneeschen kadet
bij de gardes Uwer Majesteit, in de kompagnie van mijnheer des Essarts,
doch de kadet was op dat oogenblik afwezig; nauwelijks had hij zich in
de kamer zijns vriends, hem afwachtende, tot lezen neergezet, of een
zwerm van gerechtsdienaars en soldaten kwam het huis belegeren en de
deuren openstooten.”
De kardinaal gaf den koning een teeken, dat beteekende: „Het betreft de
zaak, waarover ik u heb gesproken.”--„Wij weten dit altemaal wel,”
hernam de koning; „want zulks heeft op ons bevel plaats gehad.”--„Dan is
het ook voor den dienst Uwer Majesteit, dat men een zijner musketiers
onschuldig heeft gevangen genomen, als een misdadiger tusschen twee
gerechtsdienaars geplaatst, en te midden eener brutale volksmenigte dien
eervollen man heeft vervoerd, die tienmaal zijn bloed in den dienst Uwer
Majesteit heeft vergoten en gereed is hetzelve nog te storten!”--„Wel
zoo!” riep de koning, reeds aan het wankelen gebracht, „heeft zich de
zaak aldus toegedragen?”--„De heer de Tréville voegt er niet bij,”
hernam de kardinaal met de grootste bedaardheid, „dat die fatsoenlijke
man een uur te voren vier commissarissen, door mij ter onderzoek eener
zeer gewichtige zaak afgezonden, met blooten degen heeft aangevallen en
verjaagd.”--„Ik tart Uwe Excellentie het te bewijzen,” riep de heer de
Tréville met zijn Gaskonjische vrijmoedigheid en krijgsmansruwheid,
„want een uur te voren bewees mij de heer Athos, die, ik wil het aan Uwe
Majesteit toevertrouwen, van zeer hoogen rang is, mij de eer, na bij mij
het middagmaal te hebben genoten, zich in gesprek te begeven met den
hertog de la Trémouille en den graaf de Châlus, die zich in de zaal van
mijn hotel bevonden.”
De koning zag den kardinaal aan.--„Een procesverbaal strekt tot bewijs,”
zeide de kardinaal, luide de stomme vraag Zijner Majesteit
beantwoordende, „en de beleedigde personen hebben dit opgesteld, wat ik
de eer heb Uwer Majesteit aan te bieden.”--„Een procesverbaal van
gerechtslieden, is dat wichtiger dan het eerewoord eens
krijgsmans?”--„Kom, kom, Tréville, zwijg!” zeide de koning.--„Indien
Zijne Eminentie eenig vermoeden heeft op een mijner musketiers,” zeide
de Tréville, „wil ik zelf een onderzoek uitlokken en mij aan de geroemde
rechtvaardigheid van den kardinaal onderwerpen.”--„In dat huis,” ging de
kardinaal even bedaard voort, „waar de justitie zich heeft begeven,
woont, geloof ik, een Bearnees, een vriend der musketiers.”--„Uwe
Eminentie bedoelt den heer d’Artagnan?”--„Ik bedoel een jongeling, dien
gij beschermt, mijnheer de Tréville!”--„Ja, Uwe Eminentie!
dezelfde.”--„Vermoedt gij niet, dat die jongeling een slechten raad
heeft gegeven?....”--„Aan den heer Athos, aan iemand, die eens zoo oud
is als hij?” viel de heer de Tréville hem in de rede; „neen, Uwe
Eminentie! Daarenboven, de heer d’Artagnan heeft den avond bij mij
doorgebracht. Zou Zijne Eminentie aan mijn woord twijfelen?” vroeg de
Tréville, terwijl het rood des toorns zijn voorhoofd kleurde.--„Neen,
God beware mij!” zeide de kardinaal, „maar ik zou gaarne willen weten,
hoe laat hij bij u was.”--„O, wat dat betreft, dat kan ik Uwe Eminentie
nauwkeurig opgeven; want op het oogenblik, dat hij binnentrad, wees de
pendule half tien, hoewel ik meende dat het later was.”--„En hoe laat
heeft hij uw hotel verlaten?”--„Te half elf, juist een uur na het
gebeurde.”--„Maar, eindelijk,” hernam de kardinaal, die niet een
oogenblik de waarheidsliefde van de Tréville in twijfel trok, doch
tevens gevoelde, dat de overwinning hem ontglipte; „maar, in alle geval,
Athos is in dat huis der Doodgraversstraat gevonden geworden.”--„Is het
een vriend verboden zijn vriend te bezoeken? een musketier mijner
kompagnie, met een garde der kompagnie van den heer des Essarts zich te
verbroederen?”--„Ja, wanneer het huis, waarin die vriend woont, verdacht
is.”
„Dat huis is verdacht, Tréville!” zeide de koning; „misschien wist gij
het niet.”--„Inderdaad, Sire! het was mij onbekend. In alle geval, het
kan in elk gedeelte van hetzelve verdachte lieden bevatten: maar ik
ontken, dat zulks het geval is in dat gedeelte, hetwelk de heer
d’Artagnan bewoont, dit kan ik u bevestigen, Sire! want indien ik zijn
woorden kan gelooven, bestaat er geen trouwer onderdaan Uwer Majesteit
of grooter bewonderaar van den kardinaal.”--„Is het niet die zekere
d’Artagnan, die eenigen tijd geleden Jussac een wonde toebracht, bij
gelegenheid van een tweegevecht in de nabijheid van het
Barrevoeter-Karmelieten klooster?” vroeg de koning, den kardinaal
aanziende, die van spijt dacht te barsten. „En den volgenden dag
Bernajoux?”--„Ja, Sire! ja, dezelfde. Uwe Majesteit heeft een goed
geheugen.”--„Welaan, wat besluiten wij?” vroeg de koning.--„Dat hangt
van Uwe Majesteit meer af dan van mij,” zeide de kardinaal; „ik zou de
schuld durven bevestigen.”--„En ik ontken ze,” zeide de Tréville. „Maar
Uwe Majesteit heeft rechters, en die rechters moeten beslissen.”--„Dat
is het!” hernam de koning, „geven wij de zaak den rechter in handen,
deze behoort te oordeelen en hij zal oordeelen.”
„Intusschen,” ging de Tréville voort, „is het zeer treurig, dat in dezen
jammerlijken tijd het reinste leven, de onloochenbaarste deugd niet
iemand voor schande en vervolging kan vrijwaren. Ook zal het leger niet
zeer tevreden wezen, dit kan ik verzekeren, blootgesteld te zijn aan
strenge behandelingen wegens politiezaken.”
Dit was een gewaagd gezegde, maar de Tréville uitte het, van zijn zaak
zeker. Hij wilde een uitbarsting uitlokken, omdat er alsdan vuur
ontstaat, en het vuur licht geeft.--„Politiezaken!” riep de koning, op
de woorden van de Tréville drukkende, „politiezaken! en hoe weet gij
dat? Bemoei u met uw musketiers en breek mij het hoofd niet. Het
schijnt, naar u te hooren, dat wanneer men een musketier in hechtenis
neemt, _Frankrijk_ in gevaar zou zijn. Wat geweld voor één musketier! Ik
zal, _ventrebleu_! tien, honderd, ja, de geheele kompagnie in hechtenis
doen nemen, zonder dat men één woord zal spreken!”--„Van af het
oogenblik dat Uwe Majesteit hen verdacht houdt,” zeide de Tréville,
„zijn de musketiers schuldig; daarom ook, Sire! ben ik bereid u mijn
degen over te geven; want, na mijn soldaten beschuldigd te hebben, zal,
hieraan twijfel ik niet, de kardinaal er toe overgaan mij zelven te
beschuldigen, het is daarom beter dat ik mij gevangen stel met den heer
Athos, die reeds in hechtenis is, en den heer d’Artagnan, dien men
ongetwijfeld in hechtenis zal nemen.”--„Koppige Gaskonjer! wilt gij
zwijgen!” riep de koning.--„Sire!” hernam de Tréville, zonder in het
minst zich aan dat bevel te storen, „beveel dat men mijn musketier in
vrijheid, of dat men hem terechtstelle.”--„Men zal hem terechtstellen,”
zeide de kardinaal.--„Welnu, des te beter! want in dat geval zal ik aan
Zijne Majesteit het verlof verzoeken om voor hem te pleiten.”
De koning vreesde voor ruchtbaarheid.--„Indien Zijne Eminentie,” zeide
hij, „geen persoonlijke redenen had....”--De kardinaal begreep des
konings meening en voorkwam hem: „Vergeef mij,” zeide hij, „van het
oogenblik dat Uwe Majesteit een partijdigen rechter vermoedt, verwijder
ik mij.”--„Laat hooren,” hernam de koning, „zweert gij mij bij mijn
vader, dat de heer Athos ten uwent was, toen het voorval plaats had, en
hij er geen deel aan heeft genomen?”--„Bij uw roemrijken vader en ook
bij u zelven, dien ik bemin en hoogacht boven alles wat er op aarde is,
ik zweer het!”
„Overweeg, Sire!” merkte de kardinaal op, „dat indien wij den gevangene
op die wijze ontslaan, wij de waarheid niet zullen ontdekken.”--„De heer
Athos zal steeds tegenwoordig zijn,” hernam de Tréville, „om de
gerechtspersonen te antwoorden, wanneer deze hem willen ondervragen. Hij
zal niet deserteeren, mijnheer de kardinaal! wees gerust, ik ben voor
hem verantwoordelijk.”--„Inderdaad, deserteeren zal hij niet,” zeide de
koning; „en men zal hem altijd wel vinden, zooals de heer de Tréville
zegt. Bovendien,” voegde hij er bij, met zachte stem tot Zijne
Eminentie, dien hij smeekende aanzag, „stellen wij hen gerust, dat is
staatkundiger.”
Die staatkunde van Lodewijk XIII deed op Richelieu’s gelaat een glimlach
verschijnen.--„Beveel, Sire!” zeide hij, „gij hebt het recht gratie te
verleenen.”--„Het recht van gratie is alleen van toepassing op
schuldigen,” zeide de Tréville, die het laatste woord wilde behouden,
„en mijn musketier is onschuldig. Het is dus geen gratie, die gij zult
geven, maar recht.”--„En hij is op het fort _l’Evêque_?” vroeg de
koning.--„Ja, Sire! afgezonderd, in een cachot als de grootste
misdadiger.”--„Duivelsch, duivelsch!” mompelde de koning, „wat moet ik
doen?”--„Het bevel tot invrijheidstelling teekenen en daarmede gedaan,”
hernam de kardinaal; „ik geloof met Uwe Majesteit, dat de borgstelling
des heeren de Tréville meer dan voldoende is.”
De Tréville boog eerbiedig, met een blijdschap, die niet onvermengd van
vrees was; hij zou liever gezien hebben, dat de kardinaal halsstarrig
weerstand had geboden, dan zoo gemakkelijk toe te geven. De koning
teekende het bevel van invrijheidstelling en de Tréville nam het
oogenblikkelijk mede.
Toen hij gereed was zich te verwijderen, glimlachte de kardinaal hem toe
en zeide tot den koning: „Er heerscht een zeer goede verstandhouding
tusschen de hoofden en de soldaten uwer musketiers, Sire! dat is zeer
voordeelig voor den dienst en loffelijk voor allen.”--„Hij zal mij
onvermijdelijk den een of anderen leelijken trek spelen,” dacht de
Tréville; „men heeft nooit het laatste woord met zoo iemand. Doch laat
ons haast maken, want de koning kan alle oogenblikken van denkwijze
veranderen; en bij slot van rekening is het moeilijker iemand in de
_Bastille_ of het fort _l’Evêque_ te brengen, die er uitkomt, dan er een
gevangen in te houden, die er reeds in is.”
De heer de Tréville deed een zegevierenden intocht in het fort
_l’Evêque_, waaruit hij den musketier bevrijdde, wiens kalme
onverschilligheid hem niet één oogenblik verlaten had. Vervolgens, toen
hij voor het eerst d’Artagnan wederzag, zeide hij tot dezen: „Gij zijt
het aardig ontsnapt; uw degenstoot, Jussac toegebracht, is nu betaald.
Nu blijft die van Bernajoux nog over, wees dus op uw hoede.”
Trouwens, de heer de Tréville had gelijk den kardinaal te wantrouwen en
te gelooven, dat alles nog niet gedaan was; want nauwelijks had de
kapitein der musketiers de deur achter zich gesloten, of Zijne Eminentie
zeide tot den koning: „Thans, nu wij slechts alleen met ons beiden zijn,
willen wij eens ernstig spreken, indien Uwe Majesteit dit behaagt, Sire!
de hertog van Buckingham was sedert vijf dagen te _Parijs_ en is niet
vóór heden ochtend vertrokken.”