De heer Bonacieux.
Intusschen was er onder dit alles, zooals men heeft kunnen bemerken, een
persoon, omtrent wien men, ondanks de vele gevaren die hem omringden,
zich tamelijk weinig scheen te bekommeren; dat personage was de heer
Bonacieux, de eerbiedwaardige martelaar der politieke- en
liefde-intrigues, die zoo wèl bij elkander pasten in die tevens
ridderlijke en galante dagen.--Gelukkig, of de lezer het zich herinnere
of niet, gelukkig hebben wij beloofd, hem niet uit het oog te zullen
verliezen.
De gerechtsdienaars, die hem hadden gevangen genomen, geleidden hem
rechtstreeks naar de Bastille, waar men hem bevende voorbij een troep
soldaten voerde, die hun musketten laadden. Van daar in een half
onderaardsche gang gebracht, werd hij het voorwerp der gemeenste
beleedigingen en der wreedaardigste behandelingen van de zijde van hen,
die hem gebracht hadden. De politiemannen, ziende dat zij met geen
edelman te doen hadden, leefden met hem als de kat met de muis.--Nadat
dit ongeveer een half uur geduurd had, kwam een griffier aan deze
folteringen, maar niet aan zijn ongerustheid, een einde maken door het
bevel, den heer Bonacieux in de verhoorkamer te geleiden. Gewoonlijk
ondervroeg men de gevangenen in hun huis, maar met den heer Bonacieux
werden niet zooveel plichtplegingen gemaakt. Twee dienaren maakten zich
meester van den winkelier, brachten hem in een gang, waar drie
schildwachten stonden, openden een deur en stieten hem in een
benedenkamer, waarin geen ander huisraad was dan één tafel, één stoel en
één commissaris. De commissaris zat op den stoel en schreef op de tafel.
De twee dienaren geleidden den gevangene voor de tafel, en op een wenk
van den commissaris verwijderden dezen zich tot buiten het gehoor.
De commissaris, die tot hiertoe zijn gezicht op de voor hem liggende
papieren had gehouden, richtte het hoofd op, om te zien met wien hij te
doen had. Die commissaris was een man van een zeer onbehagelijk
voorkomen, met een puntigen neus, gele, uitstekende oogbeenderen,
kleine, maar levendige en doordringende oogen, en een gezicht, waarin
tevens iets van den vos en van den marter lag. Zijn hoofd, staande op
een langen, rekbaren hals, stak uit een zwart gewaad en waggelde bijna
als een schildpad, die den kop uit de schaal steekt.--Hij begon den heer
Bonacieux zijn naam, voornaam, ouderdom, beroep en woonplaats af te
vragen.--De beschuldigde antwoordde, dat hij Jacques Michel Bonacieux
heette, 51 jaar oud was, vroeger winkelier, thans van zijn renten leefde
en in de Doodgraversstraat, No. 11, woonde.
De commissaris, in plaats van met het verhoor voort te gaan, hield hem
een lange rede over het gevaar, dat er voor een eenvoudigen burger in
was gelegen, om zich met staatkundige zaken te bemoeien. Hij vervolgde
deze voorafspraak met een voorstelling, in welke hij de macht en de
daden des kardinaals deed uitblinken, van dien onvergelijkelijken
minister, van dien al de vorige ministers overtreffenden minister, en
van dat voorbeeld der toekomstige ministers: van wien de macht en daden
nooit door iemand ongestraft gehoond werden. Na dit tweede gedeelte
zijner rede, terwijl hij zijn sperwersblik op den armen Bonacieux
vestigde, noopte hij dezen het gewicht van zijn toestand te overwegen.
De winkelier had alles reeds diep doordacht; hij wenschte het oogenblik
naar den duivel, dat bij den heer de la Porte het denkbeeld ontstond hem
zijn pleegdochter ten huwelijk te geven; en vooral dat oogenblik, toen
die pleegdochter als opzichtster over het lijnwaad in dienst der
koningin was getreden. De grondtrek van meester Bonacieux’s karakter was
alleen baatzucht en verregaande gierigheid. De liefde, welke hem zijn
jonge vrouw had ingeboezemd, was slechts een bijkomend gevoel, dat niet
in staat was zich te verheffen boven de hartstochten, die wij vermeld
hebben. Bonacieux overwoog inderdaad hetgeen hem gezegd werd.
„Maar mijnheer de commissaris!” zeide hij schroomvallig, „wees
verzekerd, dat ik de verdiensten van den onvergelijkelijken kardinaal,
door wien wij de eer hebben geregeerd te worden, ken en naar waarde
schat.”--„Zoo?” vroeg de commissaris op twijfelenden toon: „maar als dat
waar is, hoe komt gij dan in de Bastille?”--„Hoe ik er kom, of liever,
waarom ik er ben!” hernam Bonacieux, „ziedaar iets, dat mij niet
mogelijk is u te zeggen, omdat ik het zelf niet weet; maar dit verzeker
ik u, dat het niet is omdat ik den kardinaal, althans bij mijn weten,
mishaagd heb.”--„Gij moet een misdaad hebben bedreven, omdat gij hier
zijt beschuldigd van hoogverraad.”--„Van hoogverraad!” riep Bonacieux
verschrikt uit, „van hoogverraad! en hoe wilt gij, dat een arme
winkelier, die de Hugenooten verfoeit en voor de Spanjaarden den
grootsten afschuw heeft, van hoogverraad kan worden beschuldigd?
Overweeg, mijnheer! de zaak is tastbaar onmogelijk.”--„Mijnheer
Bonacieux!” zeide de commissaris, den beschuldigde aanziende, alsof zijn
kleine oogen de macht hadden in het diepste des harten te dringen:
„Mijnheer Bonacieux! gij hebt een vrouw?”--„Ja, mijnheer!” antwoordde de
winkelier bevende, reeds vooruitziende dat dit het punt was, waar de
knoop lag; „dat is te zeggen, ik had er eene.”--„Hoe? gij hadt er eene?
Wat hebt gij met haar gedaan, indien gij ze niet meer hebt?”--„Men heeft
ze mij ontvoerd, mijnheer!”--„Men heeft ze u ontvoerd!” herhaalde de
commissaris. „Zoo!”
Bonacieux begreep op dat: Zoo! dat de zaken hoe langer hoe meer zich
verwikkelden.--„Men heeft ze u ontvoerd,” hernam de commissaris, „en
kent gij den man, die dien roof heeft bedreven?”--„Ik meen hem te
kennen.”--„Wie is hij?”--„Bedenk, dat ik niets bevestig en ik slechts
vermoed, mijnheer de commissaris!”--„Wien verdenkt gij? Kom, antwoord
openhartig!”
De heer Bonacieux bevond zich in de grootste verlegenheid: moest hij
alles ontkennen of alles openbaren? Door alles te ontkennen, zou men
hebben kunnen denken, dat hij al te veel wist, om iets te bekennen; door
alles te zeggen, gaf hij blijk van een goeden wil. Hij besloot dus alles
te zeggen.
„Ik heb vermoeden op een grooten, bruinen man, van een trotsch voorkomen
en die al het uiterlijke van een edelman heeft,” zeide hij, „hij heeft
ons menigmaal gevolgd, naar het mij toescheen, wanneer ik mijn vrouw
voor de poort van het Louvre wachtte, om haar naar huis te brengen.”--De
commissaris scheen eenige ongerustheid te koesteren.--„En zijn naam?”
vroeg hij.--„O, zijn naam ken ik volstrekt niet; maar als ik hem ooit
weer ontmoet, zal ik hem dadelijk herkennen, dat verzeker ik u, al was
hij onder duizend.”--Het gelaat van den commissaris verduisterde.--„Gij
zoudt hem onder duizend herkennen, zegt gij?” ging hij voort.--„Dat is
te zeggen,” hernam Bonacieux, die bemerkte, dat hij een verkeerden weg
insloeg; „dat is te zeggen....”--„Gij hebt geantwoord, dat gij hem zoudt
herkennen,” zeide de commissaris, „dat is goed, en nu voor vandaag
hebben wij gedaan. Alvorens verder te gaan dient er iemand bericht te
worden, dat gij den ontvoerder uwer vrouw kent.”--„Maar ik heb u niet
gezegd dat ik hem kende!” riep Bonacieux, tot wanhoop gebracht. „Ik heb
u het tegendeel gezegd.”
„Brengt den gevangene weg,” zeide de commissaris tot de beide
gardes.--„En waarheen moet hij gebracht worden?” vroeg de griffier.--„In
een cachot.”--„In welk?”--„Och, mijn God! in het eerste het beste, als
het maar goed sluit,” antwoordde de commissaris met een
onverschilligheid, die den armen Bonacieux van schrik deed verstijven.
„O wee! o wee!” zeide hij bij zich zelven, „het ongeluk is op mij
gevallen; mijn vrouw zal de een of andere verschrikkelijke misdaad
hebben bedreven; men houdt mij voor den medeplichtige; zij zal bekend
hebben mij alles te hebben vertrouwd; een vrouw is zoo zwak. In een
cachot! in het eerste het beste! fraai! Een nacht is spoedig voorbij en
morgen op het rad, aan de galg! Ach, mijn God! mijn God! heb medelijden
met mij!”
Zonder in het minst naar de jammerlijke weeklachten van meester
Bonacieux te luisteren, weeklachten trouwens, waaraan zij gewoon waren,
vatten de twee dienaars den gevangene elk bij een arm en voerden hem
weg, terwijl de commissaris overhaast een brief schreef, waarop zijn
griffier wachtte. Bonacieux sloot geen oog, niet omdat zijn kerker hem
te onaangenaam, maar omdat zijn angst te groot was. Hij bleef den
geheelen nacht op zijn bankje zitten, schrikkende bij het minste
gerucht; en toen het eerste daglicht in zijn gevangenis drong, scheen
hem de zon in floers gehuld. Eensklaps hoorde hij de grendels
verschuiven en hij deed een verschrikkelijken sprong. Hij dacht dat men
hem kwam halen om hem naar het schavot te voeren; toen hij dan ook, in
plaats van den scherprechter, den commissaris en den griffier van den
vorigen dag zag verschijnen, was hij op het punt hen om den hals te
vallen.
„Uw zaak is niet weinig verward geworden sedert gisterenavond,
mijn beste man!” zeide hem de commissaris, „en ik raad u, de
oprechte waarheid te zeggen; want uw berouw kan alleen den toorn
des kardinaals doen bedaren.”--„Wel, ik ben bereid alles te zeggen,”
riep Bonacieux, „althans al wat ik weet. Ondervraag mij, als het u
belieft.”--„Vooreerst, waar is uw vrouw?”--„Maar ik heb u immers gezegd,
dat men haar ontvoerd heeft.”--„Ja, maar sedert gisteren namiddag vijf
uur is zij, door u geholpen, ontvlucht.”--„Is mijn vrouw ontvlucht?”
riep Bonacieux. „O, de rampzalige! mijnheer! ik bezweer u, dat indien
zij ontvlucht is, zulks mijn schuld niet is!”--„Wat gingt gij dan toch
bij den heer d’Artagnan, uw buurman, met wien gij u dien dag zoo lang
hebt onderhouden, doen?”--„Och ja, mijnheer de commissaris! dat is waar
en ik beken mijn ongelijk. Ja, ik ben bij den heer d’Artagnan
geweest.”--„Wat was het doel van dat bezoek?”--„Hem te verzoeken mij in
het wedervinden mijner vrouw de behulpzame hand te bieden. Ik meende het
recht te hebben, haar terug te eischen; het schijnt, dat ik mij bedrogen
heb, en ik vraag u er vergiffenis voor.”--„En wat heeft de heer
d’Artagnan geantwoord?”--„De heer d’Artagnan heeft mij zijn hulp
beloofd; maar spoedig bemerkte ik, dat hij mij verried.”--„Gij maakt de
justitie leugens wijs! De heer d’Artagnan heeft een overeenkomst met u
gemaakt, en ten gevolge dier overeenkomst heeft hij de lieden der
politie op de vlucht gejaagd, die uw vrouw hadden in hechtenis genomen
en haar aan haar nasporingen onttrokken.”--„Heeft de heer d’Artagnan
mijn vrouw ontvoerd? Wel zoo! wat zegt gij mij daar!”--„Gelukkig is de
heer d’Artagnan in onze handen en men zal hem in uw tegenwoordigheid
brengen.”--„O, mijn God! ik vraag niet beter!” riep Bonacieux, „het zal
mij niet onaangenaam zijn een bekende te zien.”
„Laat den heer d’Artagnan binnen,” zeide de commissaris tot de drie
dienaren, die Athos binnenlieten. „Mijnheer d’Artagnan,” zeide de
commissaris, zich tot Athos wendende, „verklaar, wat er tusschen u en
mijnheer is voorgevallen.”--„Wel!” riep Bonacieux, „dat is de
heer d’Artagnan niet, dien gij mij voorstelt!”--„Hoe! is dat de
heer d’Artagnan niet!” riep de commissaris.--„Volstrekt niet!”
antwoordde Bonacieux.--„Hoe heet mijnheer?” vroeg de commissaris.--„Ik
kan het u niet zeggen, ik ken hem niet.”--„Hoe! gij kent hem
niet?”--„Neen.”--„Hebt gij hem nooit gezien?”--„Jawel, maar ik weet niet
hoe hij heet.”--„Uw naam,” vroeg de commissaris.--„Athos,” antwoordde de
musketier.--„Maar dat is geen menschennaam, dat is de naam van een
berg!” riep de arme ondervrager, die in de war begon te raken. „Maar gij
hebt gezegd, dat gij d’Artagnan heette.”--„Ik?”--„Ja, gij!”--„Dat is te
zeggen, men heeft mij gezegd: Gij zijt de heer d’Artagnan, en ik heb
geantwoord: Zoudt ge denken? De gardes hebben daarop uitgeroepen, dat
zij er zeker van waren. Ik heb hen niet willen tegenspreken. Bovendien,
ik had mij kunnen bedriegen.”--„Mijnheer! gij beleedigt de majesteit der
justitie!”--„In geenen deele,” antwoordde Athos rustig.--„Gij zijt de
heer d’Artagnan!”--„Ziet gij nu wel, gij zegt het mij immers
zelf?”--„Maar,” riep op zijn beurt de heer Bonacieux, „ik zeg u,
mijnheer de commissaris! dat er geen oogenblik te twijfelen valt. De
heer d’Artagnan heeft van mij kamers gehuurd en bijgevolg, hoewel hij
mij de huur niet betaalt en juist om die reden, dien ik hem wel te
kennen. De heer d’Artagnan is een jongeling van nauwelijks negentien of
twintig jaar en deze heer is ten minste dertig. De heer d’Artagnan dient
bij de gardes van den heer des Essarts en mijnheer behoort tot de
kompagnie musketiers van den heer de Tréville; bezie de uniform maar
eens, mijnheer de commissaris! bezie ze maar eens!”--„Dat is waar,”
mompelde de commissaris, „dat is, _pardieu_! waar.”
Op dat oogenblik werd de deur haastig geopend en een boodschapper, door
een der sleuteldragers der Bastille binnengeleid, stelde den commissaris
een brief ter hand.--„O, die rampzalige!” riep de commissaris.--„Hoe?
wat zegt gij? van wien spreekt gij? Ik hoop niet, dat het mijn vrouw
betreft?”--„Integendeel, het is over haar. Nu, uw zaken staan goed, ik
verzeker u.”--„Maar, stil!” riep de winkelier, buiten zich zelven
gebracht, „doe mij het genoegen en zeg mij eens, mijnheer! hoe mijn zaak
kan verslimmeren door hetgeen mijn vrouw uitvoert, terwijl ik in de
gevangenis ben?”--„Omdat hetgeen zij bedrijft het gevolg is van een
plan, een helsch plan, dat tusschen u en haar is ontworpen!”--„Ik zweer
u, mijnheer de commissaris! dat gij u schromelijk bedriegt; dat ik
volstrekt niets weet van hetgeen mijn vrouw voornemens was te doen; dat
ik volstrekt onbekend ben met hetgeen zij heeft gedaan, en dat, indien
zij dwaasheden heeft begaan, ik haar verloochen, ik haar ontken, ik haar
vervloek!”
„Hoe is het,” vroeg Athos den commissaris, „als gij mij hier niet meer
noodig hebt, zendt mij dan naar elders; want die mijnheer Bonacieux is
vrij vervelend.”--„Brengt de gevangenen weder in hun cachotten,” zeide
de commissaris, gelijktijdig op Athos en Bonacieux wijzende, „en dat men
hen strenger dan ooit bewake.”--„Intusschen,” zeide Athos met zijn
gewone bedaardheid, „indien gij met den heer d’Artagnan iets uitstaande
hebt, zie ik niet in, waarom ik in zijn plaats moet treden.”--„Doe wat
ik beveel!” riep de commissaris, „en de volstrektste geheimhouding.
Verstaat gij?”
Athos volgde zijn bewakers en haalde de schouders op, terwijl de heer
Bonacieux een geklaag aanhief, in staat het hart van een tijger te
vermurwen. Men bracht den winkelier in hetzelfde cachot, waarin hij den
nacht had doorgebracht en hij bleef er den geheelen dag. Geheel dien dag
schreide Bonacieux als een oprecht winkelier, daar hij volstrekt geen
krijgsman was, hetgeen hij ons zelf heeft gezegd.
Des avonds tegen negen uur, op het oogenblik dat hij zich ter ruste
wilde leggen, hoorde hij voetstappen in de gang. Die voetstappen
naderden zijn cachot; zijn deur werd geopend en wachten traden
binnen.--„Volg mij,” zeide een deurwaarder, die achter de wachten
binnenkwam.--„U volgen?” riep Bonacieux, „en op dit uur! en waarheen,
mijn God!”--„Waar wij bevolen zijn u te geleiden.”--„Maar dat antwoord
beteekent niets.”--„Dat is echter het eenige, dat wij u kunnen
geven.”--„Ach, mijn God! mijn God!” mompelde de arme winkelier, „thans
ben ik verloren.”--En hij volgde werktuigelijk en zonder tegenstand te
bieden de wachten, die hem kwamen halen.
Hij betrad dezelfde gang, die hij reeds was doorgegaan, ging eerst een
binnenplaats over, vervolgens een tweede gebouw binnen; eindelijk vond
hij op het ingangsplein een rijtuig, omringd door vier gardes te paard.
Men liet hem in het rijtuig stappen, de deurwaarder zette zich naast
hem; men deed het portier op slot, en beiden bevonden zich in een
voortrollende gevangenis. Het rijtuig zette zich in beweging, maar zoo
langzaam, alsof het een lijkkoets ware. Door de traliën zag de gevangene
de huizen en de straat; dat was alles; maar als een echt Parijzenaar
herkende Bonacieux de straten aan de palen, de uithangborden en de
lantaarns. Op het oogenblik dat hij St. Paul bereikte, waar de
gevonnisten der Bastille ter dood werden gebracht, meende hij in onmacht
te zullen vallen en hij kruiste zich tweemaal. Hij verbeeldde zich, dat
het rijtuig dáár zou stilhouden. Het rijtuig vervolgde zijn weg. Wat
verder overviel hem wederom een hevige angst; het was toen hij het
kerkhof van St. Jan voorbijkwam, waar de staatsmisdadigers begraven
werden. Een enkele omstandigheid stelde hem eenigszins gerust; het was,
dat men hun, alvorens hen te begraven, het hoofd afhieuw, en dat zijn
hoofd nog op zijn schouders zat. Maar toen hij bemerkte, dat het rijtuig
den weg naar het plein de Grève insloeg en hij de spitse daken van het
stadhuis bespeurde, het rijtuig het gewelf doorreed, meende hij dat het
met hem gedaan was, en hij wilde den deurwaarder zijn biecht spreken;
maar op de weigering van dezen begon hij zulke erbarmelijke kreten uit
te galmen, dat de deurwaarder hem dreigde den mond te stoppen, indien
hij voortging hem op die wijze het oorvlies te verscheuren.... Deze
bedreiging stelde Bonacieux opnieuw een weinig gerust; indien men hem op
het plein de Grève had willen ter dood brengen, was het niet meer de
moeite waard hem een bal in den mond te stoppen, daar men bijna op het
gerechtsplein gekomen was. Inderdaad, het rijtuig reed het akelige plein
over zonder op te houden. Nu bleef er nog slechts de Croix du Trahoir te
vreezen over, en juist sloeg het rijtuig dien weg in. Er was nu geen
twijfel meer; de plaats Croix du Trahoir diende tot gerechtsplaats voor
de minste klasse van misdadigers; Bonacieux had zich zelven gevleid door
zich St. Paul of het plein de Grève waardig te achten. Het was aan de
Croix du Trahoir dat zijn tocht en zijn lot een einde zouden nemen.
Hoewel hij dat noodlottige kruis nog niet ontwaarde, voelde hij het om
zoo te zeggen hem tegemoet komen. Niet meer dan een twintigtal schreden
er van verwijderd hoorde hij een groot rumoer en het rijtuig bleef
staan. Dat was meer dan de arme Bonacieux kon doorstaan, reeds verplet
door de elkander opvolgende schokken, die hij ondervonden had; hij
slaakte een flauw gekerm, alsof het de laatste snik eens stervenden ware
geweest, en viel in onmacht.