HOOFDSTUK XII.

George Villiers, hertog van Buckingham.

Juffrouw Bonacieux en de hertog werden zonder de minste zwarigheid het

Louvre binnengelaten, dewijl juffrouw Bonacieux bekend stond tot de

dienaressen der koningin te behooren, en omdat de hertog het kostuum der

musketiers aanhad, die, zooals wij gezegd hebben, dien avond de wacht

hadden. Bovendien was Germain de belangen der koningin toegedaan, en

mocht er iets zijn voorgevallen, dan zou juffrouw Bonacieux beschuldigd

zijn geworden, haar minnaar in het Louvre te hebben binnengebracht, en

alles zou zich daarbij bepaald hebben; zij nam de schuld op zich: zij

zou, wel is waar, onteerd zijn, maar welke waarde hechtte de wereld aan

de eer eener geringe winkeliersvrouw? Eenmaal op de binnenplaats

gekomen, volgden de vrouw en de hertog den muur langs een

uitgestrektheid van vijf en twintig schreden; waarop juffrouw Bonacieux

een kleine achterdeur opende, welke op den dag geopend, doch gewoonlijk

’s nachts gesloten was, en den bedienden tot doorgang verstrekte. Beiden

gingen de deur binnen en bevonden zich in de duisternis; maar juffrouw

Bonacieux kende al de kronkelingen en omwegen van dat gedeelte van het

Louvre, hetwelk voor de bedienden bestemd was. Zij sloot de deur achter

haar, nam den hertog bij de hand, deed al tastende eenige schreden

voorwaarts, greep een leuning, zette den voet op een trede en begon een

trap op te klimmen; de hertog telde twee verdiepingen.--Toen sloeg zij

links om, volgde een lange gang, daalde een verdieping lager, deed nog

eenige schreden, stak een sleutel in een slot, opende een deur en stiet

den hertog in een vertrek, dat slechts door een nachtlamp verlicht werd,

hem zeggende: „Blijf hier, mylord! men zal dadelijk bij u zijn.”

Toen verwijderde zij zich door dezelfde deur, welke zij op slot draaide,

zoodat de hertog letterlijk gevangen was.

Wij moeten bekennen, dat, hoe eenzaam ook, de hertog niet de minste

vrees ondervond; het meest uitkomende in zijn karakter was zucht naar

avonturen en liefde voor het romaneske. Dapper, stoutmoedig,

ondernemend, was het niet voor de eerste maal, dat hij zijn leven in een

omstandigheid van den aard als deze waagde; immers, hij had vernomen,

dat die voorgewende boodschap van Anna van Oostenrijk, waarop hij

vertrouwd had, en dus naar _Parijs_ was gekomen, een lokaas was, en, in

plaats van naar _Engeland_ terug te keeren, had hij van de

omstandigheid, waarin men hem geplaatst had, misbruik makende, der

koningin verklaard, dat hij niet vertrekken zou zonder haar eerst gezien

te hebben. De koningin had aanvankelijk stellig geweigerd, doch

eindelijk vreesde zij, dat de opgewondenheid des hertogs hem tot de een

of andere dwaasheid zou brengen. Reeds was zij tot het besluit gekomen

hem te ontvangen en hem te smeeken dadelijk weer te vertrekken, toen op

denzelfden avond van dat besluit juffrouw Bonacieux, die belast was

geworden den hertog te halen en hem naar het Louvre te geleiden,

ontvoerd werd. Gedurende twee dagen wist men volstrekt niet, wat van

haar geworden was; zoodat alles in denzelfden toestand bleef. Maar

eenmaal in vrijheid, eenmaal in verstandhouding met de la Porte, hadden

de dingen hun loop hervat en zij bracht haar gevaarvolle onderneming ten

einde, die, zonder haar ontvoering, reeds drie dagen vroeger volvoerd

zou zijn geworden.

Buckingham, nu alleen zijnde, plaatste zich voor een spiegel. Het

musketiersgewaad stond hem voortreffelijk. Op dat tijdstip was hij vijf

en dertig jaar oud en werd met recht voor een der bevalligste edellieden

en den bekoorlijksten cavalier van _Frankrijk_ en _Engeland_ gehouden.

Gunsteling van twee koningen, schatrijk, en alvermogend in een rijk, dat

hij naar willekeur beroerde en naar zijn luimen weer tot rust bracht,

had George Villiers, hertog van Buckingham, een dier fabelachtige

levens, welke, gedurende eeuwen, de bewondering van het nageslacht

gaande maken.--Steunende op zijn kracht, van zijn macht verzekerd,

wetende, dat de wet, waaronder anderen zich bogen, hem niet bereiken

kon, ging hij steeds rechtstreeks op het doel af, dat hij zich

voorstelde, al was dit doel ook nog zoo ver verwijderd, nog zoo

schitterend, dat het voor anderen reeds een dwaasheid zou zijn geweest

er slechts aan te denken. Op die wijze was het hem gelukt meermalen de

schoone en fiere Anna van Oostenrijk te naderen en zich door zijn

schitterende hoedanigheden van haar te doen beminnen.

George de Villiers plaatste zich dan, zooals wij zeiden, voor een

spiegel en gaf aan zijn fraai blond hoofdhaar de golvende lokken weder,

die de zwaarte van zijn hoed het hadden doen verliezen; hij krulde zijn

knevel op, en het hart van blijdschap vervuld, gelukkig en trotsch het

oogenblik te zullen bereiken, dat hij zoo lang gewenscht had, glimlachte

hij tot zich zelven van hoogmoed en hoop.--Op dit oogenblik werd een in

het behangsel verborgene deur geopend, en een vrouw verscheen.

Buckingham ontwaarde deze verschijning in den spiegel; hij slaakte een

kreet.... het was de koningin!

Anna van Oostenrijk was toen zes of zeven en twintig jaar en bevond zich

derhalve in al den glans harer schoonheid. Haar tred geleek dien eener

koningin of eener godin; haar oogen, die een smaragdkleurigen gloed van

zich wierpen, waren van een volkomen schoonheid en tevens vol zachtheid

en majesteit. Haar mond was klein en rood, en hoewel haar onderlip,

zooals die van al de vorsten van het huis van Oostenrijk, een weinig

voor de andere uitstak, was haar glimlach uiterst bevallig, maar,

wanneer afkeer dien vertrok, diep verachtend. Haar vel werd geroemd

wegens de fluweelachtige zachtheid er van; haar handen en armen, van een

bewonderenswaardige schoonheid, werden door de dichters van dien tijd

als iets onovertrefbaars bezongen.--Eindelijk haar hoofdhaar, dat in

haar eerste jeugd blond was en nu kastanjebruin was geworden, omringde,

in luchtige en zwaar gepoederde lokken, op bevallige wijze haar gezicht,

op hetwelk de strengste bediller niets zou hebben kunnen aanmerken, dan

dat het met een weinig te veel blanketsel was bedekt, terwijl de

nauwkeurigste beeldhouwer slechts een iets minder groven neus zou hebben

verlangd.

Buckingham bleef een oogenblik als verblind; nooit was hem Anna van

Oostenrijk zoo schoon voorgekomen, te midden der bals, der feesten, der

caroussels, dan nu zij hem verscheen, gekleed in een eenvoudig gewaad

van wit satijn, vergezeld door Donna Estefana, de eenige der vrouwen,

die de jaloezie des konings en de vervolgingen van Richelieu niet hadden

verjaagd.

Anna van Oostenrijk trad een paar schreden voort; Buckingham wierp zich

voor haar op de knieën, en voordat de koningin zulks kon beletten, kuste

hij den zoom van haar kleed.--„Hertog! het is u reeds bekend, dat ik het

niet ben geweest, die aan u heeft doen schrijven?”--„O ja, mevrouw! ja,

Uwe Majesteit!” riep de hertog, „ik weet, dat ik een dwaas, een

ijlhoofdige ben geweest, te gelooven, dat de sneeuw zich zou

verlevendigen, en het marmer zich zou verwarmen; maar wat wilt gij,

wanneer men bemint, vertrouwt men gemakkelijk op wederliefde; bovendien,

ik heb niet alles door deze reis verloren; want ik zal u....”--„Ja,”

antwoordde Anna; „maar gij weet waarom, en op welke wijze gij mij ziet,

mylord! Ik vertoon mij aan u uit medelijden voor u; ik vertoon mij aan

u, omdat gij ongevoelig voor al mijn verdriet, halsstarrig in een stad

zijt gebleven, waar gij in gevaar zijt het leven te verliezen, en gij

mijn eer in de waagschaal stelt; ik vertoon mij aan u, om u te zeggen,

dat alles ons scheidt: de diepte der zee, de vijandschap der

koninkrijken, de heiligheid der eeden! Het zoude heiligschennis zijn,

mylord! tegen die beletselen te worstelen. Ik vertoon mij eindelijk aan

u, om u te zeggen, dat wij elkander niet mogen wederzien.”--„Spreek,

mevrouw, spreek, koningin!” zeide Buckingham, „de zachtheid uwer stem

bedekt de hardheid uwer woorden.... Gij spreekt van heiligschennis; maar

heiligschennis bestaat alleen in de scheiding der harten, welke God voor

elkander geschapen heeft.”--„Mylord! gij vergeet!” riep de koningin,

„dat ik u nooit gezegd heb, dat ik u beminde.”--„Maar gij hebt mij ook

niet gezegd, dat gij mij niet bemindet, en waarlijk, mij iets dergelijks

te zeggen, zou, van den kant Uwer Majesteit, een zeer groote

ondankbaarheid zijn. Want, zeg mij, waar een liefde te vinden zooals de

mijne; een liefde, die verwijdering, wanhoop, noch tijd hebben kunnen

uitdooven, een liefde, die zich tevreden stelt met een verloren lint,

een enkelen blik, een onbedacht woord.... Nu drie jaren geleden,

mevrouw! zag ik u voor de eerste maal, en sedert drie jaren is het, dat

ik u op die wijze bemin. Wilt gij, dat ik u zeg, hoe gij gekleed waart,

toen ik u het eerst zag? Wilt gij, dat ik al de versierselen van uw

gewaad opsom? O, ik zie u nog: Gij waart, op Spaansche wijze, op kussens

gezeten; gekleed in een groen satijnen kleed met gouden en zilveren

borduursels, met wijde, opgestroopte mouwen op uw schoone, op uw zoo

wonderschoone armen met groote diamanten versierd; een nauwe halskraag

omsloot uw hals en een klein mutsje met een reigersveer, en van dezelfde

kleur als uw kleed, hadt gij op het hoofd. Luister! wanneer ik de oogen

sluit, aanschouw ik u zooals gij toen waart, en die weer openende, zie

ik u, zooals gij thans voor mij staat, namelijk: honderdmaal schooner!”

„Wat dwaasheid!” lispte Anna van Oostenrijk, die echter niet verstoord

was, dat hij zoo lang haar beeltenis in zijn hart had bewaard; „wat

dwaasheid! een zoo nutteloozen hartstocht door dergelijke herinneringen

te voeden.”--„En waarmede wilt gij dan, dat ik mijn leven slijt? mij

blijven niets dan herinneringen over. Zij bevatten mijn geluk, mijn

schat, mijn toekomst. Telkens, wanneer ik u zie, is het een diamant te

meer, dien ik in het juweelkistje mijns harten sluit. Deze is de vierde,

dien gij laat ontvallen en dien ik opraap, want gedurende drie jaren,

mevrouw! heb ik u slechts vier malen mogen zien: den eersten keer,

zooals ik u daareven zeide. De tweede maal bij mevrouw de Chevreuse, de

derde maal in den tuin van _Amiëns_.”--„Hertog!” zeide de koningin,

„spreek niet meer over dien avond.”--„O, spreken wij er integendeel van;

het is de gelukkigste, de heilrijkste avond mijns levens geweest.

Herinnert gij u dien heerlijken avondstond niet meer? Hoe zacht en

balsemgeurig was de lucht, hoe blauw de met sterren bezaaide hemel....

O, toen, mevrouw! had ik een oogenblik met u alleen kunnen zijn; toen

waart gij gereed mij alles te vertrouwen: de eenzaamheid uws levens, uw

harteleed. Gij hingt aan mijn arm. Zie, aan dezen. Ik voelde, mijn hoofd

naar uw zijde neigende, uw schoone lokken mijn gezicht streelen, en

telkens, wanneer ze mij raakten, voelde ik een trilling mijn gansche

lichaam doorloopen. O, mevrouw! Uwe Majesteit weet niet, wat hemelsche

zaligheid, wat aardsch geluk zoodanig oogenblik bevat. Zie, mijn

schatten, mijn roem, mijn overige levensdagen zou ik voor een dergelijk

oogenblik, voor zulk een nacht willen geven; want in dien nacht,

mevrouw! in dien nacht, ik bezweer het u, bemindet gij mij.”--„Mylord!

ja, het is mogelijk, dat de indruk, het romantisch oord, de bekoorlijke

avondstond, de tooverkracht van uw blik, kortom, dat die duizenden

bijzonderheden, welke zich vaak vereenigen om een vrouw ten verderve te

brengen, mij in dien noodlottigen nacht bestormden; maar gij hebt het

gezien, mylord! de koningin kwam de zich zelve vergetende vrouw te hulp;

op het eerste woord, dat ik moest beantwoorden, op de eerste stoutheid,

die gij u veroorloofdet, heb ik geroepen.”--„O, ja, ja, dat is waar, een

andere liefde dan de mijne zou door deze proef bezweken zijn; maar de

mijne, mijn liefde werd er te vuriger, te onverdelgbaarder door. Gij

meendet mij te ontgaan door naar _Parijs_ terug te keeren; gij meendet,

dat ik den schat, waarover mijn meester mij had belast te waken, niet

zou hebben durven verlaten. O, wat raken mij al de schatten der wereld,

al de koningen der aarde! Acht dagen later was ik terug, mevrouw! Toen

kondet gij mij niets zeggen; ik had de gunst des konings, mijn leven er

aan gewaagd, om u één seconde te zien; ik mocht zelfs uw hand niet

drukken, en gij hebt mij vergiffenis geschonken, mij zoo onderworpen,

zoo berouwvol ziende.”

„Ja, maar de laster heeft zich bij al die dwaasheden gemengd, waaraan ik

geen deel had, dat immers weet gij, mylord! de koning, door den

kardinaal aangehitst, heeft er een vreeselijke ruchtbaarheid aan

gegeven; mevrouw de Vernet is weggejaagd geworden, Putange gebannen,

mevrouw de Chevreuse is in ongenade gevallen, en toen gij als

ambassadeur naar _Frankrijk_ wildet terugkeeren, heeft de koning,

herinner het u wel, mylord! heeft de koning zich hiertegen

verzet.”--„Ja, _Frankrijk_ zal met een oorlog de weigering zijns konings

boeten. En dewijl ik u niet meer mag zien, mevrouw! wil ik, dat elke dag

u van mij doet hooren spreken. Wat oogmerk, vooronderstelt gij, dat die

onderneming op _Ré_ en dat bondgenootschap met de protestanten van _la

Rochelle_, welke ik tracht te bewerken, hebben? Alleen het genot u te

zien: Ik heb de macht niet om gewapenderhand _Parijs_ binnen te dringen,

dat weet ik wel; maar op dien oorlog zal een vrede volgen; die vrede zal

een onderhandeling vereischen, en de onderhandelaar zal ik zijn.... Dan

zal men mij niet meer durven weigeren, en ik zal te _Parijs_

terugkeeren, ik zal u wederzien en een oogenblik gelukkig zijn. Het is

waar, duizenden menschen zullen mijn geluk met hun leven betaald hebben;

wat raakt mij dat, wanneer ik u slechts wederzie. Dat alles is misschien

zeer dwaas, zeer onverstandig; maar, zeg mij, welke vrouw heeft ooit een

meer verliefden minnaar, welke koningin ooit vuriger dienaar gehad?”

„Mylord! mylord! gij brengt te uwer verdediging zaken te berde, die uw

schuld nog vergrooten; mylord! al de liefdebewijzen, welke gij mij wilt

geven, zijn bijna misdaden.”--„Omdat gij mij niet bemint, mevrouw!

indien gij mij bemindet, zoudt gij ze alle met een geheel ander oog

beschouwen; indien gij mij bemindet, ach! indien gij mij bemindet, zou

ik te gelukkig zijn en krankzinnig worden. O, mevrouw de Chevreuse, van

wie gij daareven spraakt, mevrouw de Chevreuse is minder wreedaardig dan

gij zijt.... Lord Holland beminde haar, en zij heeft zijn liefde

beantwoord.”--„Mevrouw de Chevreuse is geen koningin,” lispte Anna van

Oostenrijk, onwillekeurig overwonnen door de uitdrukking eener zoo

innige liefde.--„Gij zoudt mij dan beminnen, indien gij het niet waart,

mevrouw! Spreek, gij zoudt mij dan beminnen? Ik kan dus gelooven, dat

alleen de waardigheid van uw rang u wreed voor mij doet zijn; ik kan dus

mij vleien dat, wanneer gij in de plaats van mevrouw de Chevreuse waart

geweest, de arme Buckingham had mogen hopen? Ik dank u voor die zoete

woorden, mijn schoone koningin! ik dank u honderd malen.”--„Ach, mylord!

gij hebt kwalijk verstaan, kwalijk begrepen; dat heb ik niet willen

zeggen....”--„Stil! stil!” hernam de hertog, „indien een dwaling mij

gelukkig maakt, wees dan zoo wreed niet mij die te ontnemen.--Gij hebt

het zelve gezegd, men heeft mij in een valstrik gelokt, ik zal er het

leven misschien in verliezen; want, zonderling, sedert eenigen tijd heb

ik een voorgevoel, dat ik weldra zal ophouden te leven.”

En de hertog glimlachte, treurig en tevens bevallig.--„Ach, mijn God!”

riep Anna van Oostenrijk op verschrikten toon, die bewees, dat haar

belangstelling in den hertog grooter was dan zij het wilde doen

schijnen.--„Ik zeg u zulks niet om u angst aan te jagen, mevrouw! o

neen; het is zelfs belachelijk, dat ik er over spreek; geloof, dat ik

mij met soortgelijke droomerijen niet bezig houd; de woorden intusschen,

welke gij mij hebt doen hooren, die hoop, welke gij mij bijna hebt

gegeven, is mij alles waard, zelfs het offer mijns levens.”--„Welnu,”

zeide Anna van Oostenrijk, „ook ik, hertog! heb voorgevoelens, ook ik

heb droomen. Ik droomde u in uw bloed wentelende gewond ter aarde te

zien uitgestrekt.”--„Aan de linkerzijde, niet waar, een messteek?” viel

Buckingham haar in de rede.--„Ja, juist, mylord! juist, in de

linkerzijde, een messteek. Wie heeft u kunnen zeggen, dat ik dus

gedroomd heb? Ik heb het alleen aan God vertrouwd en slechts in mijn

gebed.”--„Het is mij om het even, mevrouw! gij bemint mij, en dat is

voor mij genoeg.”--„Ik, ik bemin u!”--„Ja, gij! zou God u dezelfde

droomen zenden als aan mij, indien gij mij niet bemindet? Zouden wij

dezelfde voorgevoelens hebben, indien onze harten niet met elkander

overeenstemden? Gij bemint mij, o koningin! en gij zult mij

betreuren!”--„O, mijn God! het is meer dan mijn krachten gedoogen. Hoor,

hertog, in ’s hemels naam! verwijder u; ik weet niet of ik u al dan niet

bemin; maar wat ik weet is, dat ik niet meineedig wil wezen. Heb dus

medelijden met mij en ga.... Ach! indien gij in _Frankrijk_ getroffen

werdt, indien gij in _Frankrijk_ het leven verloort, indien ik kon

veronderstellen dat uw liefde voor mij de oorzaak van uw dood moest

zijn, o, ik zou mij nimmer kunnen troosten; ik zou krankzinnig worden.

Vertrek dus, smeek ik u.”--„O, wat zijt gij schoon, hoe vurig bemin ik u

zóó!” riep Buckingham.--„Vertrek, vertrek, ik smeek u en kom later

terug; kom terug als ambassadeur, als minister; kom terug, omgeven van

een lijfwacht, die u zal verdedigen; van dienaren, die over u zullen

waken; en dan, dan zal ik niet meer voor uw leven vreezen, en ik zal mij

gelukkig achten u weer te zien.”--„O, is het wel waar wat gij mij

zegt?”--„Ja.”--„Welnu, geef mij dan een bewijs uwer toegevendheid, een

voorwerp dat van u komt, iets dat mij verzekert niet gedroomd te hebben;

iets wat gij gedragen hebt en ik op mijn beurt kan dragen: een ring, een

halssnoer, een keten.”--„En zult gij vertrekken, indien ik u geef wat

gij verlangt?”--„Ja.”--„Oogenblikkelijk?”--„Ja.”--„Gij zult _Frankrijk_

verlaten, naar _Engeland_ terugkeeren?”--„Ja, ik zweer het u.”--„Wacht

dan.... Wacht dan even.”

En Anna van Oostenrijk begaf zich naar haar kamer en kwam na een kort

oogenblik weer terug, in de hand een klein rozenhouten kistje houdende,

waarop haar naamcijfer in goud was ingelegd.--„Ziedaar, mylord!” zeide

zij, „bewaar dit te mijner gedachtenis.”--Buckingham nam het kistje aan

en viel voor de tweede maal op de knie.--„Gij hebt mij beloofd te

vertrekken,” zeide de koningin.--„En ik zal woord houden; uw hand,

mevrouw! uw hand, en ik ga.”

Anna van Oostenrijk reikte hem haar hand, terwijl zij de oogen sloot,

met de andere op Estefana leunende; want zij voelde, dat haar krachten

haar gingen verlaten. Buckingham drukte hartstochtelijk zijn lippen op

de schoone hand; toen zich oprichtende, zeide hij: „Voor er zes maanden

zullen verloopen zijn, en indien ik nog in leven ben, dan zal ik u

hebben weergezien, al moest ik de wereld daarvoor omkeeren.”

En getrouw aan de belofte, die hij had gedaan, snelde hij de kamer

uit.--In de gang ontmoette hij juffrouw Bonacieux, die hem wachtte en

hem met dezelfde voorzorgen en even gelukkig buiten het Louvre bracht.

De Drie Musketiers dl. I en II · 第 20 / 93 题