George Villiers, hertog van Buckingham.
Juffrouw Bonacieux en de hertog werden zonder de minste zwarigheid het
Louvre binnengelaten, dewijl juffrouw Bonacieux bekend stond tot de
dienaressen der koningin te behooren, en omdat de hertog het kostuum der
musketiers aanhad, die, zooals wij gezegd hebben, dien avond de wacht
hadden. Bovendien was Germain de belangen der koningin toegedaan, en
mocht er iets zijn voorgevallen, dan zou juffrouw Bonacieux beschuldigd
zijn geworden, haar minnaar in het Louvre te hebben binnengebracht, en
alles zou zich daarbij bepaald hebben; zij nam de schuld op zich: zij
zou, wel is waar, onteerd zijn, maar welke waarde hechtte de wereld aan
de eer eener geringe winkeliersvrouw? Eenmaal op de binnenplaats
gekomen, volgden de vrouw en de hertog den muur langs een
uitgestrektheid van vijf en twintig schreden; waarop juffrouw Bonacieux
een kleine achterdeur opende, welke op den dag geopend, doch gewoonlijk
’s nachts gesloten was, en den bedienden tot doorgang verstrekte. Beiden
gingen de deur binnen en bevonden zich in de duisternis; maar juffrouw
Bonacieux kende al de kronkelingen en omwegen van dat gedeelte van het
Louvre, hetwelk voor de bedienden bestemd was. Zij sloot de deur achter
haar, nam den hertog bij de hand, deed al tastende eenige schreden
voorwaarts, greep een leuning, zette den voet op een trede en begon een
trap op te klimmen; de hertog telde twee verdiepingen.--Toen sloeg zij
links om, volgde een lange gang, daalde een verdieping lager, deed nog
eenige schreden, stak een sleutel in een slot, opende een deur en stiet
den hertog in een vertrek, dat slechts door een nachtlamp verlicht werd,
hem zeggende: „Blijf hier, mylord! men zal dadelijk bij u zijn.”
Toen verwijderde zij zich door dezelfde deur, welke zij op slot draaide,
zoodat de hertog letterlijk gevangen was.
Wij moeten bekennen, dat, hoe eenzaam ook, de hertog niet de minste
vrees ondervond; het meest uitkomende in zijn karakter was zucht naar
avonturen en liefde voor het romaneske. Dapper, stoutmoedig,
ondernemend, was het niet voor de eerste maal, dat hij zijn leven in een
omstandigheid van den aard als deze waagde; immers, hij had vernomen,
dat die voorgewende boodschap van Anna van Oostenrijk, waarop hij
vertrouwd had, en dus naar _Parijs_ was gekomen, een lokaas was, en, in
plaats van naar _Engeland_ terug te keeren, had hij van de
omstandigheid, waarin men hem geplaatst had, misbruik makende, der
koningin verklaard, dat hij niet vertrekken zou zonder haar eerst gezien
te hebben. De koningin had aanvankelijk stellig geweigerd, doch
eindelijk vreesde zij, dat de opgewondenheid des hertogs hem tot de een
of andere dwaasheid zou brengen. Reeds was zij tot het besluit gekomen
hem te ontvangen en hem te smeeken dadelijk weer te vertrekken, toen op
denzelfden avond van dat besluit juffrouw Bonacieux, die belast was
geworden den hertog te halen en hem naar het Louvre te geleiden,
ontvoerd werd. Gedurende twee dagen wist men volstrekt niet, wat van
haar geworden was; zoodat alles in denzelfden toestand bleef. Maar
eenmaal in vrijheid, eenmaal in verstandhouding met de la Porte, hadden
de dingen hun loop hervat en zij bracht haar gevaarvolle onderneming ten
einde, die, zonder haar ontvoering, reeds drie dagen vroeger volvoerd
zou zijn geworden.
Buckingham, nu alleen zijnde, plaatste zich voor een spiegel. Het
musketiersgewaad stond hem voortreffelijk. Op dat tijdstip was hij vijf
en dertig jaar oud en werd met recht voor een der bevalligste edellieden
en den bekoorlijksten cavalier van _Frankrijk_ en _Engeland_ gehouden.
Gunsteling van twee koningen, schatrijk, en alvermogend in een rijk, dat
hij naar willekeur beroerde en naar zijn luimen weer tot rust bracht,
had George Villiers, hertog van Buckingham, een dier fabelachtige
levens, welke, gedurende eeuwen, de bewondering van het nageslacht
gaande maken.--Steunende op zijn kracht, van zijn macht verzekerd,
wetende, dat de wet, waaronder anderen zich bogen, hem niet bereiken
kon, ging hij steeds rechtstreeks op het doel af, dat hij zich
voorstelde, al was dit doel ook nog zoo ver verwijderd, nog zoo
schitterend, dat het voor anderen reeds een dwaasheid zou zijn geweest
er slechts aan te denken. Op die wijze was het hem gelukt meermalen de
schoone en fiere Anna van Oostenrijk te naderen en zich door zijn
schitterende hoedanigheden van haar te doen beminnen.
George de Villiers plaatste zich dan, zooals wij zeiden, voor een
spiegel en gaf aan zijn fraai blond hoofdhaar de golvende lokken weder,
die de zwaarte van zijn hoed het hadden doen verliezen; hij krulde zijn
knevel op, en het hart van blijdschap vervuld, gelukkig en trotsch het
oogenblik te zullen bereiken, dat hij zoo lang gewenscht had, glimlachte
hij tot zich zelven van hoogmoed en hoop.--Op dit oogenblik werd een in
het behangsel verborgene deur geopend, en een vrouw verscheen.
Buckingham ontwaarde deze verschijning in den spiegel; hij slaakte een
kreet.... het was de koningin!
Anna van Oostenrijk was toen zes of zeven en twintig jaar en bevond zich
derhalve in al den glans harer schoonheid. Haar tred geleek dien eener
koningin of eener godin; haar oogen, die een smaragdkleurigen gloed van
zich wierpen, waren van een volkomen schoonheid en tevens vol zachtheid
en majesteit. Haar mond was klein en rood, en hoewel haar onderlip,
zooals die van al de vorsten van het huis van Oostenrijk, een weinig
voor de andere uitstak, was haar glimlach uiterst bevallig, maar,
wanneer afkeer dien vertrok, diep verachtend. Haar vel werd geroemd
wegens de fluweelachtige zachtheid er van; haar handen en armen, van een
bewonderenswaardige schoonheid, werden door de dichters van dien tijd
als iets onovertrefbaars bezongen.--Eindelijk haar hoofdhaar, dat in
haar eerste jeugd blond was en nu kastanjebruin was geworden, omringde,
in luchtige en zwaar gepoederde lokken, op bevallige wijze haar gezicht,
op hetwelk de strengste bediller niets zou hebben kunnen aanmerken, dan
dat het met een weinig te veel blanketsel was bedekt, terwijl de
nauwkeurigste beeldhouwer slechts een iets minder groven neus zou hebben
verlangd.
Buckingham bleef een oogenblik als verblind; nooit was hem Anna van
Oostenrijk zoo schoon voorgekomen, te midden der bals, der feesten, der
caroussels, dan nu zij hem verscheen, gekleed in een eenvoudig gewaad
van wit satijn, vergezeld door Donna Estefana, de eenige der vrouwen,
die de jaloezie des konings en de vervolgingen van Richelieu niet hadden
verjaagd.
Anna van Oostenrijk trad een paar schreden voort; Buckingham wierp zich
voor haar op de knieën, en voordat de koningin zulks kon beletten, kuste
hij den zoom van haar kleed.--„Hertog! het is u reeds bekend, dat ik het
niet ben geweest, die aan u heeft doen schrijven?”--„O ja, mevrouw! ja,
Uwe Majesteit!” riep de hertog, „ik weet, dat ik een dwaas, een
ijlhoofdige ben geweest, te gelooven, dat de sneeuw zich zou
verlevendigen, en het marmer zich zou verwarmen; maar wat wilt gij,
wanneer men bemint, vertrouwt men gemakkelijk op wederliefde; bovendien,
ik heb niet alles door deze reis verloren; want ik zal u....”--„Ja,”
antwoordde Anna; „maar gij weet waarom, en op welke wijze gij mij ziet,
mylord! Ik vertoon mij aan u uit medelijden voor u; ik vertoon mij aan
u, omdat gij ongevoelig voor al mijn verdriet, halsstarrig in een stad
zijt gebleven, waar gij in gevaar zijt het leven te verliezen, en gij
mijn eer in de waagschaal stelt; ik vertoon mij aan u, om u te zeggen,
dat alles ons scheidt: de diepte der zee, de vijandschap der
koninkrijken, de heiligheid der eeden! Het zoude heiligschennis zijn,
mylord! tegen die beletselen te worstelen. Ik vertoon mij eindelijk aan
u, om u te zeggen, dat wij elkander niet mogen wederzien.”--„Spreek,
mevrouw, spreek, koningin!” zeide Buckingham, „de zachtheid uwer stem
bedekt de hardheid uwer woorden.... Gij spreekt van heiligschennis; maar
heiligschennis bestaat alleen in de scheiding der harten, welke God voor
elkander geschapen heeft.”--„Mylord! gij vergeet!” riep de koningin,
„dat ik u nooit gezegd heb, dat ik u beminde.”--„Maar gij hebt mij ook
niet gezegd, dat gij mij niet bemindet, en waarlijk, mij iets dergelijks
te zeggen, zou, van den kant Uwer Majesteit, een zeer groote
ondankbaarheid zijn. Want, zeg mij, waar een liefde te vinden zooals de
mijne; een liefde, die verwijdering, wanhoop, noch tijd hebben kunnen
uitdooven, een liefde, die zich tevreden stelt met een verloren lint,
een enkelen blik, een onbedacht woord.... Nu drie jaren geleden,
mevrouw! zag ik u voor de eerste maal, en sedert drie jaren is het, dat
ik u op die wijze bemin. Wilt gij, dat ik u zeg, hoe gij gekleed waart,
toen ik u het eerst zag? Wilt gij, dat ik al de versierselen van uw
gewaad opsom? O, ik zie u nog: Gij waart, op Spaansche wijze, op kussens
gezeten; gekleed in een groen satijnen kleed met gouden en zilveren
borduursels, met wijde, opgestroopte mouwen op uw schoone, op uw zoo
wonderschoone armen met groote diamanten versierd; een nauwe halskraag
omsloot uw hals en een klein mutsje met een reigersveer, en van dezelfde
kleur als uw kleed, hadt gij op het hoofd. Luister! wanneer ik de oogen
sluit, aanschouw ik u zooals gij toen waart, en die weer openende, zie
ik u, zooals gij thans voor mij staat, namelijk: honderdmaal schooner!”
„Wat dwaasheid!” lispte Anna van Oostenrijk, die echter niet verstoord
was, dat hij zoo lang haar beeltenis in zijn hart had bewaard; „wat
dwaasheid! een zoo nutteloozen hartstocht door dergelijke herinneringen
te voeden.”--„En waarmede wilt gij dan, dat ik mijn leven slijt? mij
blijven niets dan herinneringen over. Zij bevatten mijn geluk, mijn
schat, mijn toekomst. Telkens, wanneer ik u zie, is het een diamant te
meer, dien ik in het juweelkistje mijns harten sluit. Deze is de vierde,
dien gij laat ontvallen en dien ik opraap, want gedurende drie jaren,
mevrouw! heb ik u slechts vier malen mogen zien: den eersten keer,
zooals ik u daareven zeide. De tweede maal bij mevrouw de Chevreuse, de
derde maal in den tuin van _Amiëns_.”--„Hertog!” zeide de koningin,
„spreek niet meer over dien avond.”--„O, spreken wij er integendeel van;
het is de gelukkigste, de heilrijkste avond mijns levens geweest.
Herinnert gij u dien heerlijken avondstond niet meer? Hoe zacht en
balsemgeurig was de lucht, hoe blauw de met sterren bezaaide hemel....
O, toen, mevrouw! had ik een oogenblik met u alleen kunnen zijn; toen
waart gij gereed mij alles te vertrouwen: de eenzaamheid uws levens, uw
harteleed. Gij hingt aan mijn arm. Zie, aan dezen. Ik voelde, mijn hoofd
naar uw zijde neigende, uw schoone lokken mijn gezicht streelen, en
telkens, wanneer ze mij raakten, voelde ik een trilling mijn gansche
lichaam doorloopen. O, mevrouw! Uwe Majesteit weet niet, wat hemelsche
zaligheid, wat aardsch geluk zoodanig oogenblik bevat. Zie, mijn
schatten, mijn roem, mijn overige levensdagen zou ik voor een dergelijk
oogenblik, voor zulk een nacht willen geven; want in dien nacht,
mevrouw! in dien nacht, ik bezweer het u, bemindet gij mij.”--„Mylord!
ja, het is mogelijk, dat de indruk, het romantisch oord, de bekoorlijke
avondstond, de tooverkracht van uw blik, kortom, dat die duizenden
bijzonderheden, welke zich vaak vereenigen om een vrouw ten verderve te
brengen, mij in dien noodlottigen nacht bestormden; maar gij hebt het
gezien, mylord! de koningin kwam de zich zelve vergetende vrouw te hulp;
op het eerste woord, dat ik moest beantwoorden, op de eerste stoutheid,
die gij u veroorloofdet, heb ik geroepen.”--„O, ja, ja, dat is waar, een
andere liefde dan de mijne zou door deze proef bezweken zijn; maar de
mijne, mijn liefde werd er te vuriger, te onverdelgbaarder door. Gij
meendet mij te ontgaan door naar _Parijs_ terug te keeren; gij meendet,
dat ik den schat, waarover mijn meester mij had belast te waken, niet
zou hebben durven verlaten. O, wat raken mij al de schatten der wereld,
al de koningen der aarde! Acht dagen later was ik terug, mevrouw! Toen
kondet gij mij niets zeggen; ik had de gunst des konings, mijn leven er
aan gewaagd, om u één seconde te zien; ik mocht zelfs uw hand niet
drukken, en gij hebt mij vergiffenis geschonken, mij zoo onderworpen,
zoo berouwvol ziende.”
„Ja, maar de laster heeft zich bij al die dwaasheden gemengd, waaraan ik
geen deel had, dat immers weet gij, mylord! de koning, door den
kardinaal aangehitst, heeft er een vreeselijke ruchtbaarheid aan
gegeven; mevrouw de Vernet is weggejaagd geworden, Putange gebannen,
mevrouw de Chevreuse is in ongenade gevallen, en toen gij als
ambassadeur naar _Frankrijk_ wildet terugkeeren, heeft de koning,
herinner het u wel, mylord! heeft de koning zich hiertegen
verzet.”--„Ja, _Frankrijk_ zal met een oorlog de weigering zijns konings
boeten. En dewijl ik u niet meer mag zien, mevrouw! wil ik, dat elke dag
u van mij doet hooren spreken. Wat oogmerk, vooronderstelt gij, dat die
onderneming op _Ré_ en dat bondgenootschap met de protestanten van _la
Rochelle_, welke ik tracht te bewerken, hebben? Alleen het genot u te
zien: Ik heb de macht niet om gewapenderhand _Parijs_ binnen te dringen,
dat weet ik wel; maar op dien oorlog zal een vrede volgen; die vrede zal
een onderhandeling vereischen, en de onderhandelaar zal ik zijn.... Dan
zal men mij niet meer durven weigeren, en ik zal te _Parijs_
terugkeeren, ik zal u wederzien en een oogenblik gelukkig zijn. Het is
waar, duizenden menschen zullen mijn geluk met hun leven betaald hebben;
wat raakt mij dat, wanneer ik u slechts wederzie. Dat alles is misschien
zeer dwaas, zeer onverstandig; maar, zeg mij, welke vrouw heeft ooit een
meer verliefden minnaar, welke koningin ooit vuriger dienaar gehad?”
„Mylord! mylord! gij brengt te uwer verdediging zaken te berde, die uw
schuld nog vergrooten; mylord! al de liefdebewijzen, welke gij mij wilt
geven, zijn bijna misdaden.”--„Omdat gij mij niet bemint, mevrouw!
indien gij mij bemindet, zoudt gij ze alle met een geheel ander oog
beschouwen; indien gij mij bemindet, ach! indien gij mij bemindet, zou
ik te gelukkig zijn en krankzinnig worden. O, mevrouw de Chevreuse, van
wie gij daareven spraakt, mevrouw de Chevreuse is minder wreedaardig dan
gij zijt.... Lord Holland beminde haar, en zij heeft zijn liefde
beantwoord.”--„Mevrouw de Chevreuse is geen koningin,” lispte Anna van
Oostenrijk, onwillekeurig overwonnen door de uitdrukking eener zoo
innige liefde.--„Gij zoudt mij dan beminnen, indien gij het niet waart,
mevrouw! Spreek, gij zoudt mij dan beminnen? Ik kan dus gelooven, dat
alleen de waardigheid van uw rang u wreed voor mij doet zijn; ik kan dus
mij vleien dat, wanneer gij in de plaats van mevrouw de Chevreuse waart
geweest, de arme Buckingham had mogen hopen? Ik dank u voor die zoete
woorden, mijn schoone koningin! ik dank u honderd malen.”--„Ach, mylord!
gij hebt kwalijk verstaan, kwalijk begrepen; dat heb ik niet willen
zeggen....”--„Stil! stil!” hernam de hertog, „indien een dwaling mij
gelukkig maakt, wees dan zoo wreed niet mij die te ontnemen.--Gij hebt
het zelve gezegd, men heeft mij in een valstrik gelokt, ik zal er het
leven misschien in verliezen; want, zonderling, sedert eenigen tijd heb
ik een voorgevoel, dat ik weldra zal ophouden te leven.”
En de hertog glimlachte, treurig en tevens bevallig.--„Ach, mijn God!”
riep Anna van Oostenrijk op verschrikten toon, die bewees, dat haar
belangstelling in den hertog grooter was dan zij het wilde doen
schijnen.--„Ik zeg u zulks niet om u angst aan te jagen, mevrouw! o
neen; het is zelfs belachelijk, dat ik er over spreek; geloof, dat ik
mij met soortgelijke droomerijen niet bezig houd; de woorden intusschen,
welke gij mij hebt doen hooren, die hoop, welke gij mij bijna hebt
gegeven, is mij alles waard, zelfs het offer mijns levens.”--„Welnu,”
zeide Anna van Oostenrijk, „ook ik, hertog! heb voorgevoelens, ook ik
heb droomen. Ik droomde u in uw bloed wentelende gewond ter aarde te
zien uitgestrekt.”--„Aan de linkerzijde, niet waar, een messteek?” viel
Buckingham haar in de rede.--„Ja, juist, mylord! juist, in de
linkerzijde, een messteek. Wie heeft u kunnen zeggen, dat ik dus
gedroomd heb? Ik heb het alleen aan God vertrouwd en slechts in mijn
gebed.”--„Het is mij om het even, mevrouw! gij bemint mij, en dat is
voor mij genoeg.”--„Ik, ik bemin u!”--„Ja, gij! zou God u dezelfde
droomen zenden als aan mij, indien gij mij niet bemindet? Zouden wij
dezelfde voorgevoelens hebben, indien onze harten niet met elkander
overeenstemden? Gij bemint mij, o koningin! en gij zult mij
betreuren!”--„O, mijn God! het is meer dan mijn krachten gedoogen. Hoor,
hertog, in ’s hemels naam! verwijder u; ik weet niet of ik u al dan niet
bemin; maar wat ik weet is, dat ik niet meineedig wil wezen. Heb dus
medelijden met mij en ga.... Ach! indien gij in _Frankrijk_ getroffen
werdt, indien gij in _Frankrijk_ het leven verloort, indien ik kon
veronderstellen dat uw liefde voor mij de oorzaak van uw dood moest
zijn, o, ik zou mij nimmer kunnen troosten; ik zou krankzinnig worden.
Vertrek dus, smeek ik u.”--„O, wat zijt gij schoon, hoe vurig bemin ik u
zóó!” riep Buckingham.--„Vertrek, vertrek, ik smeek u en kom later
terug; kom terug als ambassadeur, als minister; kom terug, omgeven van
een lijfwacht, die u zal verdedigen; van dienaren, die over u zullen
waken; en dan, dan zal ik niet meer voor uw leven vreezen, en ik zal mij
gelukkig achten u weer te zien.”--„O, is het wel waar wat gij mij
zegt?”--„Ja.”--„Welnu, geef mij dan een bewijs uwer toegevendheid, een
voorwerp dat van u komt, iets dat mij verzekert niet gedroomd te hebben;
iets wat gij gedragen hebt en ik op mijn beurt kan dragen: een ring, een
halssnoer, een keten.”--„En zult gij vertrekken, indien ik u geef wat
gij verlangt?”--„Ja.”--„Oogenblikkelijk?”--„Ja.”--„Gij zult _Frankrijk_
verlaten, naar _Engeland_ terugkeeren?”--„Ja, ik zweer het u.”--„Wacht
dan.... Wacht dan even.”
En Anna van Oostenrijk begaf zich naar haar kamer en kwam na een kort
oogenblik weer terug, in de hand een klein rozenhouten kistje houdende,
waarop haar naamcijfer in goud was ingelegd.--„Ziedaar, mylord!” zeide
zij, „bewaar dit te mijner gedachtenis.”--Buckingham nam het kistje aan
en viel voor de tweede maal op de knie.--„Gij hebt mij beloofd te
vertrekken,” zeide de koningin.--„En ik zal woord houden; uw hand,
mevrouw! uw hand, en ik ga.”
Anna van Oostenrijk reikte hem haar hand, terwijl zij de oogen sloot,
met de andere op Estefana leunende; want zij voelde, dat haar krachten
haar gingen verlaten. Buckingham drukte hartstochtelijk zijn lippen op
de schoone hand; toen zich oprichtende, zeide hij: „Voor er zes maanden
zullen verloopen zijn, en indien ik nog in leven ben, dan zal ik u
hebben weergezien, al moest ik de wereld daarvoor omkeeren.”
En getrouw aan de belofte, die hij had gedaan, snelde hij de kamer
uit.--In de gang ontmoette hij juffrouw Bonacieux, die hem wachtte en
hem met dezelfde voorzorgen en even gelukkig buiten het Louvre bracht.