D’Artagnan doet zich gelden.
Zooals Athos en Porthos hadden verwacht, kwam d’Artagnan na verloop van
een half uur terug. Wederom was zijn man hem ontgaan en als door
tooverij verdwenen. D’Artagnan had met getrokken degen al de
nabijgelegen straten doorloopen, doch niemand ontmoet, die eenigszins
geleek op den man, dien hij zocht. Vervolgens ging hij over tot datgene,
waarmede hij misschien had moeten beginnen, namelijk: aan de deur te
kloppen, waartegen de vreemdeling had gestaan; maar tevergeefs deed hij
den klopper tien of twaalf malen er op nedervallen, niemand antwoordde,
doch de buren, door het gerucht opmerkzaam gemaakt, waren voor hun
deuren gekomen en staken den neus buiten hun vensters, hem verzekerende,
dat het huis, welks openingen trouwens alle dicht waren, reeds sinds zes
maanden onbewoond was geweest. Terwijl d’Artagnan de straten doorliep en
op de deuren bonsde, had Aramis zich met zijn twee vrienden vereenigd,
zoodat, toen d’Artagnan terugkwam, hij het gezelschap voltallig vond.
„Wel?” riepen eenparig de musketiers, d’Artagnan met een van zweet
druipend voorhoofd en door toorn vertrokken gelaat ziende
binnenkomen.--„Wel!” hernam deze, zijn degen op het bed werpende, „die
kerel moet de duivel in persoon zijn; als een spook, geest, of als een
schim is hij verdwenen.”--„Gelooft gij aan spoken?” vroeg Athos aan
Porthos.--„Ik geloof aan niets anders dan aan hetgeen ik zie, en dewijl
ik nooit spoken heb gezien, geloof ik er niet aan.”--„Volgens den
bijbel,” zeide Aramis, „moeten wij er aan gelooven: de schim van Samuel
verscheen aan Saul en met leedwezen zou ik aan dat geloofspunt
twijfelen, Porthos!”--„Wat hij ook zij, mensch, duivel, stof of geest,
iets werkelijks of schijnbaars, hij is mij tot een vloek geschapen; zijn
verdwijning berooft ons van een kostelijke zaak, die ons misschien
honderd pistolen, ja meer zou hebben bezorgd.”--„Hoezoo?” vroegen
gelijktijdig Porthos en Aramis. Athos echter, getrouw aan zijn stelsel
van stilzwijgendheid, bepaalde zich d’Artagnan met zijn blik te
ondervragen.
„Planchet!” riep d’Artagnan tot zijn knecht, die op dat oogenblik zijn
hoofd tusschen de een weinig geopende deur stak, ten einde eenige
woorden van het gesprek af te luisteren; „ga naar beneden en verzoek den
huisheer ons een half dozijn flesschen Beaugency boven te zenden; die
wijn smaakt mij het best.”--„Ei! ei! hebt gij een doorloopend krediet
bij uw huisheer?” vroeg Porthos.--„Ja,” antwoordde d’Artagnan, „heden
ingegaan en wees gerust, indien zijn wijn slecht is, zullen wij hem
anderen doen halen.”--„Men moet gebruiken en niet misbruiken,” zeide
Aramis op vermanenden toon.--„Ik heb altijd gezegd, dat d’Artagnan de
vindingrijkste van ons allen is,” zeide Athos, die, na zijn meening
geuit te hebben, welk kompliment d’Artagnan met een buiging
beantwoordde, wederom in zijn gewone sprakeloosheid verzonk.
„Maar ter zake, laat hooren; wat is er aan de hand?” vroeg
Porthos.--„Ja,” hernam Aramis, „deel het ons mede, mijn vriend! althans,
indien de eer eener vrouw er niet door wordt gekwetst; want in dat geval
deedt gij beter, de zaak voor u zelven te houden.”--„Wees gerust,”
antwoordde d’Artagnan, „de eer van niemand zal door hetgeen ik u heb
mede te deelen gekrenkt worden.”--En daarop verhaalde hij in de minste
bijzonderheden aan zijn vrienden, wat er tusschen hem en den eigenaar
van het huis gesproken was geworden en hoe de man, die de vrouw des
waardigen winkeliers had ontvoerd, dezelfde was, met wien hij voor de
herberg _de trouwe Molenaar_ twist had gehad.
„Uw zaak is zoo slecht niet,” zeide Athos, na den wijn als een kenner
geproefd en met een hoofdknik de deugd er van te hebben bevestigd, „men
zal van dien braven man een vijftig- of zestigtal pistolen kunnen halen;
maar nu is het de vraag, of zestig pistolen waard zijn vier hoofden te
wagen?”--„Herinner u, dat er een vrouw in betrokken is, een ontvoerde
vrouw, die men zeker bedreigt, misschien wel foltert, alleen omdat zij
haar meesteres getrouw is!”--„Wees voorzichtig, d’Artagnan!” zeide
Aramis, „gij schijnt u met al te veel vuur over het lot van juffrouw
Bonacieux te bekommeren. De vrouw is tot ons verderf geschapen en het is
uit haar, dat al onze ellende voortspruit.”
Die vermaning hoorende, fronste Athos zijn wenkbrauwen en beet zich op
de lippen.--„Het is niet omtrent juffrouw Bonacieux, dat ik mij
verontrust,” riep d’Artagnan, „maar wegens de koningin, die door den
koning verlaten, door den kardinaal vervolgd, een voor een de hoofden
harer vrienden ziet vallen.”--„Waarom bemint zij wat wij bovenal
verfoeien: de Spanjaarden en de Engelschen?”--„Spanje is het land harer
geboorte, het is dus natuurlijk, dat zij de Spanjaarden, kinderen van
hetzelfde land, genegen is. Wat het tweede verwijt betreft, dat gij haar
doet, ik heb gehoord, dat zij niet de Engelschen, maar slechts één
Engelschman bemint.”--„Op mijn woord, men moet bekennen, dat de
Engelschman waardig is bemind te worden. Nooit zag ik voornamere houding
dan de zijne: zonder nog van zijn allerprachtigste kleeding te spreken,
waarbij niets te vergelijken is,” zeide Porthos. „Ik bevond mij in het
Louvre, den dag toen hij zijn paarlen strooide en _pardieu_! ik raapte
er twee van op, die elk mij wel tien pistolen hebben opgebracht. En gij,
Aramis! kent gij hem?”--„Zoo goed als gij, heeren! immers, ik bevond mij
onder degenen, die hem in den tuin van _Amiëns_, waarin de heer de
Pétange, de stalmeester der koningin, mij bracht, gevangen namen. Ik was
destijds in het Seminarie en dat voorval scheen den koning zeer veel
verdriet te veroorzaken.”--„Dat zou mij niet beletten,” zeide
d’Artagnan, „indien ik wist, waar de hertog van Buckingham zich bevond,
hem bij de hand te nemen en voor de koningin te geleiden, al ware het
alleen om den kardinaal woedend te maken; want onze ware, onze eenige,
eeuwige vijand, mijne heeren! is de kardinaal; en indien er een middel
ware, hem een leelijken trek te spelen, ik beken, dat ik daarvoor gaarne
mijn hoofd zou willen wagen.”--„En,” hernam Athos, „heeft de winkelier u
gezegd, dat de koningin vermoedde, dat men den hertog van Buckingham op
een valschen brief heeft doen overkomen?”--„Zij vreest het.”--„Een
oogenblik,” sprak Aramis.--„Hoe!” riep Porthos.--„Ga maar voort, ik
tracht mij eenige bijzonderheden te herinneren.”--„En nu ben ik
overtuigd,” zeide d’Artagnan, „dat de ontvoering dezer dienares der
koningin in verband staat met de gebeurtenissen, waarover wij spreken en
misschien ook wel met de tegenwoordigheid van den hertog van Buckingham
te _Parijs_.”--„Welk een doorzicht heeft die Gaskonjer!” riep Porthos
vol bewondering uit.--„Ik hoor hem gaarne,” zeide Athos, „zijn tongval
bekoort mij.”--„Mijne heeren!” zeide Aramis, „luistert eens!”--En de
drie vrienden zeiden: „Laat ons naar Aramis luisteren.”--„Gisteren
bevond ik mij ten huize van een zeer geleerden doctor in de
godgeleerdheid, dien ik bijwijlen ter voortzetting mijner studiën ga
raadplegen.”--Athos glimlachte.--„Hij woont in een zeer eenzame wijk,”
vervolgde Aramis, „zijn smaak en zijn vak vereischen zulks. Op het
oogenblik, dat ik zijn huis verliet....”--Hier zweeg Aramis.--„En
vervolgens!” riepen zijn hoorders, „toen gij het huis verliet?”--Aramis
scheen in verlegenheid te zijn als iemand, die, bezig met liegen,
eensklaps door iets onverwachts in zijn loop gestuit wordt.
Intusschen waren de blikken zijner drie vrienden op hem gevestigd,
terwijl zij hun gehoor scherpten; er was geen middel meer voor Aramis
zich terug te trekken.
„Die godgeleerde heeft een nicht,” vervolgde Aramis....--„Zoo! heeft hij
een nicht?” viel Porthos hem in de rede.--„Een zeer achtenswaardige
dame.” antwoordde Aramis.
De drie mannen begonnen te lachen.--„O! als gij lacht of twijfelt,”
hernam Aramis, „dan hoort gij niets meer.”--„Wij zijn geloovig als
Mahomedanen en stom als grafzerken,” zeide Athos.--„Dan zal ik
voortgaan,” hernam Aramis. „Die nicht bezoekt nu en dan haar oom;
toevallig was zij gisteren, gelijktijdig met mij, bij hem, zoodat ik mij
verplicht vond, toen zij vertrok, haar tot aan haar koets te
geleiden.”--„Zoo, zoo! heeft de nicht van den godgeleerde een koets?”
riep Porthos, wiens grootste gebrek een buitengewone lostongigheid was;
„een heerlijke ontmoeting, mijn vriend!”--„Porthos!” hernam Aramis, „ik
heb u reeds meer dan eens doen opmerken, dat gij al te praatziek zijt en
zulks u bij de vrouwen tot nadeel strekt.”--„Mijne heeren! mijne
heeren!” riep d’Artagnan, die meer doorzicht in de zaak begon te
krijgen, „het is iets ernstigs; laat ons dus trachten zoo mogelijk
ernstig te blijven. Ga voort, ga voort, Aramis!”--„Een groote kerel,
bruin van gelaat en fier van houding.... met manieren als een edelman,
zoo een van de soort als de uwe, d’Artagnan!”--„Misschien dezelfde,”
zeide deze.--„Licht mogelijk,” antwoordde Aramis en hij hervatte: „deze
naderde mij, vergezeld van vijf of zes mannen, die hem op een afstand
van tien schreden volgden. Op den beleefdsten toon der wereld zeide hij
mij:
„‚Mijnheer de hertog!’ en zich toen tot de dame richtende, die ik den
arm gaf, vervolgde hij: ‚en gij! mevrouw!’”--„Tot de nicht van den
godgeleerde?”--„Stil toch, Porthos! gij zijt onverdragelijk,” zeide
Athos.--„‚Wees zoo goed in de koets te stijgen en dat zonder den minsten
weerstand te bieden, of het minste gerucht te maken.’”
„Hij zag u aan voor Buckingham,” riep d’Artagnan.--„Ik geloof het ook,”
zeide Aramis.--„Maar die dame?” vroeg Porthos.--„In deze meende hij de
koningin te herkennen,” zeide d’Artagnan.--„Juist,” antwoordde
Aramis.--„Die duivelsche Gaskonjer!” riep Athos, „niets ontsnapt
hem.”--„Inderdaad,” hernam Porthos, „Aramis is van dezelfde grootte en
heeft in zijn houding wel iets van den fraaien hertog; maar het schijnt
mij dat het musketiersgewaad....”--„Ik was in een ongewoon grooten
mantel gehuld,” zeide Aramis.--„In de maand Juli?” riep Porthos; „vreest
de doctor, dat men u zoude herkennen?”--„Ik begrijp volkomen,” hernam
Athos, „dat de spion door de houding is misleid geworden; maar het
gezicht?”--„Ik had een zeer breeden hoed op,” antwoordde Aramis.--„O,
mijn God! wat voorzorgen voor de godgeleerde studiën!”--„Och, heeren!
verbeuzelen wij den tijd niet met scherts; begeven wij ons liever, elk
voor zich, langs verschillende zijden, ter opsporing der vrouw van den
winkelier. Zij is de sleutel der _intrigue_.”--„Een vrouw van dien
nederigen stand! Gelooft gij dat, d’Artagnan?” vroeg Porthos, den mond
verachtelijk samentrekkende.--„Zij is de pleegdochter van de la Porte,
den vertrouwden kamerdienaar der koningin. Ik heb u dit reeds gezegd,
mijne heeren! En buitendien, Hare Majesteit kan opzettelijk haar
helpsters in een zoo lagen stand gezocht hebben; hoofden, die uitsteken
boven anderen, ziet men van verre, en de kardinaal heeft een scherp
gezicht.”--„Welnu,” zeide Porthos, „bepaal vooreerst maar den prijs met
den winkelier; maar vooral een goeden prijs.”--„Dat is niet noodig,”
zeide d’Artagnan; „want ik geloof, dat, indien hij ons niet betaalt, wij
van een anderen kant ruimschoots zullen voldaan worden.”
Op dit oogenblik werd een haastig geloop op de trap gehoord; de deur
vloog kletterend open, en de ongelukkige winkelier stortte de kamer
binnen, waar de raadsvergadering gehouden werd.--„O, mijne heeren!” riep
hij, „redt mij in ’s hemels naam! redt mij! Beneden zijn vier mannen,
die gekomen zijn, om mij in hechtenis te nemen; redt mij! redt mij!”
Porthos en Aramis stonden van hun stoelen op.--„Een oogenblikje!”
riep d’Artagnan, hun een teeken gevende den degen weder in de
scheede te laten zinken, waaruit zij hem ten halve getrokken
hadden, „een oogenblikje; hier wordt geen moed vereischt, maar wel
voorzichtigheid.”--„Wij zullen toch niet....!” riep Porthos.--„Gij zult
d’Artagnan laten begaan,” zei Athos; „hij is, ik herhaal het, de slimste
kop van ons allen, en ik, wat mij betreft, verklaar, dat ik hem zal
gehoorzamen.... Handel naar goedvinden, d’Artagnan!”
Bij die woorden verschenen de vier wachten voor de deur der voorkamer;
maar vier musketiers ziende staan, met den degen op zijde, aarzelden zij
nader te treden.--„Komt binnen, heeren! komt binnen,” riep
d’Artagnan.... „Gij zijt hier ten mijnent, en wij zijn allen trouwe
dienaars van den koning en den kardinaal.”--„Welaan, heeren! gij zult
niet beletten, dat wij de bevelen ten uitvoer brengen, die men ons
gegeven heeft?” vroeg degene, die de aanvoerder der kleine bende scheen
te zijn.--„Integendeel, heeren! en wij zullen u bijstand verleenen,
indien zulks noodig mocht zijn.”--„Maar wat praat hij toch?” mompelde
Porthos.--„Gij zijt een ezel,” zeide Athos, „stil!”--„En gij hebt mij
beloofd....” zeide de winkelier zoo zacht mogelijk.--„Wij kunnen u niet
redden dan wanneer wij vrij blijven,” antwoordde haastig en even zacht
d’Artagnan; „want indien wij den schijn aannemen u te verdedigen, neemt
men ons tegelijk met u gevangen.”--„Ik meen echter....”--„Treedt nader,
heeren!” zeide d’Artagnan luid, „ik heb geen de minste reden, mijnheer
te verdedigen. Het is heden, dat ik hem voor het eerst heb gezien, en
nog wel bij gelegenheid, dat hij mij om de huur kwam vragen; hij zal het
u zelf zeggen.... Niet waar, mijnheer Bonacieux? antwoord!”--„Dat is de
zuivere waarheid!” riep de winkelier; „maar mijnheer zegt u
niet....”--„Zwijg over mij, over mijn vrienden en vooral over de
koningin, of gij zoudt ons allen in het verderf storten, zonder u zelven
te redden.--Welaan, heeren! brengt dien man weg.”
En d’Artagnan stiet den gansch ontstelden winkelier voort en gaf hem in
de handen der dienaren, zeggende: „Gij zijt een schoft, mijn vriend! mij
om geld te komen vragen; van een musketier geld te eischen! Achter de
traliën met hem, heeren! voort, en houdt hem zoo lang achter slot als
gij kunt, dat zal mij een goed uitstel van betaling verschaffen.”
De politiedienaren putten zich uit in dankbetuigingen en voerden hun
prooi mede. Op het oogenblik dat zij de trap afgingen, klopte
d’Artagnan op den schouder van den aanvoerder en zeide, terwijl hij
twee glazen met Beaugency wijn vulde, die hem de edelmoedigheid van
den heer Bonacieux geschonken had: „Willen wij eerst niet eens op
elkanders gezondheid drinken.”--„Dat zal mij veel eer zijn,” zeide
de aanvoerder der politiemannen, „en ik neem dit aanbod met
dankbaarheid aan.”--„Op uw gezondheid dan, mijnheer!.... hoe is uw
naam?”--„Bois-Renard.”--„Mijnheer Bois-Renard!”--„Op de uwe, edele heer!
mag ik ook uw naam weten?”--„D’Artagnan.”--„Op uw gezondheid dus,
mijnheer d’Artagnan!”--„En bovenal de gezondheid,” riep d’Artagnan, als
in geestvervoering, „de gezondheid van den koning en den kardinaal!!”
De aanvoerder der politiedienaren zou misschien aan de oprechtheid van
d’Artagnan getwijfeld hebben, indien de wijn slecht ware geweest; maar
deze was goed, en hij was overtuigd.
„Maar wat vervloekte lafhartigheid hebt gij daar uitgevoerd?” zeide
Porthos, toen de aanvoerder der wacht zich bij zijn manschappen had
gevoegd en de vier vrienden met elkander weder alleen waren. „Wel foei!
vier musketiers laten een ongelukkige, die zich in hun midden bevindt en
hen om hulp smeekt, gevangen nemen! Een edelman met een dievenleider
klinken!”--„Porthos!” zeide Aramis, „Athos heeft u reeds te kennen
gegeven, dat gij een ezel zijt, en ik vereenig mij met zijn gevoelen.
D’Artagnan, gij zijt een groot man! en wanneer gij de plaats van den
heer de Tréville zult bekleeden, zal ik uw bescherming inroepen, om mij
een abdij te doen verkrijgen.”--„Wat is dat? nu begrijp ik er niets meer
van, keurt gij goed wat d’Artagnan heeft uitgevoerd?”--„_Pardieu_! wel
zeker,” zeide Athos, „niet alleen dat ik het goedkeur, maar daarenboven
maak ik hem hierover mijn kompliment.”--„En nu, mijne heeren!” zeide
d’Artagnan, zonder verder zijn gedrag aan Porthos te verklaren, „allen
voor één, één voor allen! dat moet onze leus zijn, niet
waar?”--„Echter....” zeide Porthos.--„Steek op de hand en zweer!” riepen
gelijktijdig Athos en Aramis. Door het voorbeeld gedwongen en bij zich
zelven vloekende, stak Porthos de vingers op, en de vier vrienden
herhaalden eenstemmig de door d’Artagnan voorgestelde leus: „Allen voor
één, één voor allen!”--„Zoo is het goed! dat elk zich nu naar huis
begeve,” zeide d’Artagnan op een toon, alsof hij geheel zijn leven nooit
iets anders gedaan had dan bevelen geven; „en weest op uw hoede; want
van nu aan zijn wij met den kardinaal in oorlog!”