Een muizenval in de zeventiende eeuw.
De uitvinding der muizenvallen is niet van onzen tijd; zoodra de
maatschappijen bij hun tot stand koming slechts een of andere politie
hadden uitgevonden, vond de politie op haar beurt de muizenvallen uit.
Daar onze lezers zeker niet bekend zijn met de dieventaal van de
Jeruzalemstraat,[4] en het sedert dat wij schrijven, nu vijftien jaar
geleden, de eerste keer is, dat wij dit woord op die zaak van toepassing
brengen, gaan wij over tot de verklaring van wat een muizenval is:
Wanneer men, in welk huis het ook zij, een persoon heeft in hechtenis
genomen, die van de een of andere misdaad wordt beschuldigd, houdt men
die gevangenneming geheim; men legt vier of vijf politiedienaren in
hinderlaag in het eerste vertrek van het huis: men opent de deur voor
allen die kloppen, sluit ze achter hen, waarna zij worden aangehouden.
Op die wijze heeft men na verloop van twee of drie dagen bijna al de
medeplichtigen des schuldigen in de macht. Ziedaar wat een muizenval is.
[4] Het hoofdbureau van politie is nog heden ten dage gelegen in de
straat van dien naam.
Men maakte dan van het vertrek van baas Bonacieux een muizenval; elk,
die zich dáár vertoonde, werd vastgehouden en door de lieden van den
kardinaal verhoord, maar dewijl een afzonderlijke trap naar de eerste
verdieping leidde, die door d’Artagnan werd bewoond, spreekt het
vanzelf, dat zij, die hem kwamen bezoeken, volstrekt geen onderzoek te
ondergaan hadden. Bovendien, bij hem kwamen niet anders dan de drie
musketiers. Deze hadden, elk van hun zijde, nasporingen gedaan, maar
niets gevonden, niets ontdekt. Athos was zelfs zoo ver gegaan, den heer
de Tréville te ondervragen, hetgeen met het oog op de gewone
stilzwijgendheid van den waardigen musketier, zijn kapitein veel
verwondering had gebaard. Maar de heer de Tréville wist niets dan alleen
dat, toen hij het laatste den kardinaal, den koning en de koningin had
gezien, de kardinaal er zeer zorgvol uitzag, dat de koning onrustig was,
en dat de roode oogen der koningin blijken gaven, dat zij òf gewaakt òf
geweend had. Maar deze laatste bijzonderheid had hem weinig getroffen,
immers de koningin waakte en schreide dikwijls sedert zij gehuwd was. De
heer de Tréville beval evenwel ernstig Athos aan den dienst des konings,
en vooral dien der koningin, ter harte te nemen en verzocht hem dezelfde
aanbeveling aan zijn krijgsmakkers te doen.
Intusschen kwam d’Artagnan het huis niet uit, en had hij zijn kamer
ingericht om van daar uit alles, wat in de nabijheid voorviel,
gemakkelijk te kunnen gadeslaan. Van uit zijn venster zag hij diegenen
naderen, welke in de val gingen loopen; vervolgens had hij de steenen
uit den vloer gelicht, dien hij diep opgroef; en toen, slechts door een
enkele planken zoldering van de kamer gescheiden, waar de verhooren
plaats vonden, hoorde hij alles, wat er tusschen de inquisiteurs en de
beschuldigden voorviel. De verhooren, voorafgegaan door een nauwkeurig
onderzoek van den persoon des aangehoudenen, luidden bijna altijd als
volgt: „Heeft mejuffrouw Bonacieux u iets ter hand gesteld voor haar man
of voor iemand anders?--Heeft de heer Bonacieux u iets ter hand gesteld
voor zijn vrouw of voor iemand anders?--Hebben een van beiden u
mondeling het een of ander geheim toevertrouwd?”
„Indien zij iets wisten, zouden zij het niet vragen,” dacht d’Artagnan.
„Maar wat willen zij weten? Indien de hertog van Buckingham zich niet te
_Parijs_ bevindt, noch met de koningin een samenkomst heeft gehad of
moet hebben....”
D’Artagnan bleef bij dat denkbeeld berusten, dat, na al hetgeen hij
vernomen had, niet zoo onwaarschijnlijk was. Intusschen was de muizenval
steeds in werking, en de waakzaamheid van d’Artagnan ook.--Op den avond
van den dag na dien, waarop de arme Bonacieux werd in hechtenis genomen,
terwijl Athos d’Artagnan verliet om zich naar den heer de Tréville te
begeven, en het negen uur had geslagen, en Planchet, die het bed nog
niet had opgemaakt, hieraan begon, hoorde men aan de straatdeur kloppen:
onmiddellijk werd de deur geopend en weder gesloten: iemand was in de
val geloopen. D’Artagnan snelde naar de van steenen ontbloote plek des
vloers, ging op den buik liggen en luisterde.
Weldra werden er angstkreten gehoord, vervolgens een gekerm, dat men
trachtte te smoren. Van een ondervraging was geen sprake.--„Duivelsch!”
zeide d’Artagnan bij zich zelven, „het schijnt, dat het een vrouw is;
men onderzoekt haar kleeding, zij biedt weerstand, men doet haar geweld
aan.... De ellendelingen!”--En d’Artagnan, ondanks zijn voorzichtigheid,
had moeite zich niet bij het tooneel te voegen, dat onder hem plaats
had.--„Maar ik zeg u, mijne heeren, dat ik de vrouw des huizes, dat ik
juffrouw Bonacieux ben; geloof mij, ik ben in dienst der koningin!” riep
de ongelukkige vrouw.--„Juffrouw Bonacieux!” mompelde d’Artagnan, „zou
ik gelukkig genoeg geweest zijn om datgene te vinden, waarnaar allen
zoeken?”--„Gij zijt het juist, die wij wachten,” antwoordden de
ondervragers.
De stem werd hoe langer hoe onduidelijker; een stommelend gerucht deed
het houtwerk kraken. Het slachtoffer verdedigde zich, zooveel als het
aan een vrouw mogelijk was aan vier mannen weerstand te bieden.--„Ik
smeek u, heeren!.... ik....” stamelde de stem, die slechts eenige
onafgebroken woorden deed hooren.--„Zij stoppen haar den mond dicht! zij
gaan haar voortsleepen!” riep d’Artagnan, opspringende als door een
springveer bewogen. „Mijn degen! Ha! ik heb hem op zijde.
Planchet!”--„Mijnheer!”--„Ga spoedig Athos, Porthos en Aramis halen. Eén
van drieën zal zeker te huis zijn, misschien wel alle drie. Laten zij
zich wapenen; dat zij zich spoeden hier te komen. Ha! ik herinner mij,
Athos is bij den heer de Tréville!”--„Maar waarheen gaat gij, mijnheer?
waarheen gaat gij?”--„Ik ga het venster uit om des te eer beneden te
zijn; leg gij de steenen weer op hun plaats, veeg den vloer, ga de
voordeur uit en begeef u daar, waar ik u zeg.”--„O, mijnheer! mijnheer!
gij zult den hals breken!” riep Planchet.--„Zwijg, uilskuiken,” zeide
d’Artagnan. En met de eene hand zich aan den rand van het venster
vasthoudende, liet hij zich van de eerste verdieping op straat vallen,
zonder het minste letsel te bekomen, daar de hoogte niet veel
beteekende. Vervolgens klopte hij aan de deur en mompelde bij zich
zelven: „Ik zal op mijn beurt mij in de val laten vangen; maar
ongelukkig de katten, die zich aan een muis als ik zullen wagen.”
Nauwelijks was de klopper onder de hand des jongelings neergevallen, of
het gerucht hield op en voetstappen naderden, de deur werd opengedaan,
en d’Artagnan stormde met blooten degen het vertrek van baas Bonacieux
binnen, welks deur, waarschijnlijk door een veer, vanzelf achter hem
dichtviel.
Zij, die toen het rampzalig huis van Bonacieux bewoonden en ook de
naaste buren hoorden een luid geschreeuw, voetgetrappel en
degengekletter en een onophoudelijk gedruisch van brekend huisraad. Een
oogenblik daarna konden zij, die opmerkzaam door dat geweld gemaakt aan
de vensters waren gekomen, om er de oorzaak van te ontdekken, de deur
zien openen en vier in het zwart gekleede mannen er niet zien uitgaan,
maar als verschrikte raven uitvliegen, terwijl zij op den grond en op de
hoeken der tafels de veeren hunner vleugels achterlieten, dat is te
zeggen, de lappen van hun kleederen en de slippen van hun mantels.
D’Artagnan, dit moet gezegd worden, kostte het weinig moeite overwinnaar
te zijn, want één slechts der politiedienaren was gewapend en verdedigde
zich alleen in schijn. Het is waar, dat de drie anderen den jongeling
met stoelen, zitbankjes en aarden potten naar het hoofd wierpen, maar
een paar schrammen, door de kling van den Gaskonjer hun toegebracht,
hadden hun schrik aangejaagd. Tien minuten waren voldoende geweest om
hen op de vlucht te jagen en d’Artagnan was meester van het slagveld
gebleven. De buren, die hun vensters hadden geopend met die
koelbloedigheid, welke den bewoners van _Parijs_ in die tijden van
oproer en eeuwigdurende vechtpartijen zoo eigen was, sloten ze weer, na
de vier in het zwart gekleede mannen te hebben zien wegloopen, bij zich
zelven verzekerd dat voor het oogenblik alles gedaan was. Bovendien was
het reeds laat en toen, zooals nog tegenwoordig, ging men in de wijk van
het Luxembourg vroegtijdig te bed.
D’Artagnan, nu alleen met juffrouw Bonacieux gebleven, wendde zich tot
haar. De arme vrouw lag op een leuningstoel, bijna in zwijm. D’Artagnan
beschouwde haar met een vluchtigen blik. Zij was een bekoorlijke vrouw
van vijf of zes en twintig jaar, een brunette, met blauwe oogen, een
klein wipneusje, schitterend witte tanden en rozerood, als opaal
schitterend vel. Dit was alles, wat haar voor een voorname dame zou
hebben kunnen doen aanzien; want hoewel blank, waren de handen niet teer
en de voeten duidden geen adellijke afkomst aan.
Gelukkig was d’Artagnan nog zoo ver niet gevorderd, om bij deze
bijzonderheden stil te staan. Terwijl hij juffrouw Bonacieux stond te
beschouwen en, zooals wij zeiden, hiermede tot aan de beenen was
gekomen, zag hij op den grond een fijn batisten zakdoek liggen, op welks
punt hij hetzelfde naamcijfer herkende, dat hij op den zakdoek had
gezien, die bijna de oorzaak van een gevecht tusschen hem en Aramis was
geweest. Sedert dat oogenblik vertrouwde hij de zakdoeken, waarop
geborduurde geslachtswapens stonden, maar zeer weinig meer; hij stak dan
ook zonder één woord te spreken dengene, dien hij had opgeraapt, in den
zak van juffrouw Bonacieux. Juist kwam juffrouw Bonacieux tot haar
zelve; zij opende de oogen en zag angstig rond, bemerkende, dat het
vertrek ontruimd was en zij zich alleen met haar bevrijder bevond.
Dadelijk reikte zij hem glimlachend haar hand toe. Juffrouw Bonacieux
had den bekoorlijksten glimlach, dien men zien kon.
„O, mijnheer!” riep zij, „zijt gij het, die mij gered hebt? Veroorloof
mij u mijn dankbaarheid te betuigen!”--„Juffrouw!” zeide d’Artagnan, „ik
heb niets meer gedaan dan hetgeen ieder edelman in mijn plaats zou
gedaan hebben; gij zijt mij dus niet de minste dankbaarheid
verschuldigd.”--„Ja wel, mijnheer! en ik hoop u het bewijs te geven, dat
gij geen ondankbare een dienst hebt bewezen. Maar wat wilden toch die
lieden, die ik aanvankelijk voor dieven aanzag en hoe komt het, dat de
heer Bonacieux niet hier is?”--„Mejuffrouw! die lieden waren oneindig
gevaarlijker dan dieven zouden kunnen zijn, want het waren
politieagenten van den kardinaal; en wat uw man, den heer Bonacieux
betreft, deze is niet te huis, dewijl men hem gisteren in hechtenis
heeft genomen, om hem naar de Bastille te brengen.”--„Mijn man in de
Bastille!” riep juffrouw Bonacieux. „Ach, mijn God! Wat heeft de goede,
arme man dan toch uitgevoerd? hij, de onschuld zelf.”--En iets, naar een
glimlach gelijkende, zweefde op het nog angstige gelaat der jonge vrouw.
„O, juffrouw! wat hij heeft uitgevoerd,” zeide d’Artagnan, „ik geloof,
dat zijn eenige misdaad die is, van tegelijk het geluk en het ongeluk te
hebben uw man te zijn.”--„Hoe, mijnheer! gij weet dan....?”--„Ik weet,
mejuffrouw! dat men u heeft ontvoerd.”--„En door wien, weet gij dat? O,
indien gij het weet, zeg het mij dan!”--„Door een man van tusschen de
veertig en vijf en veertig jaar, zwart van haar, bruin van gelaat en met
een litteeken op den linkerslaap des hoofds.”--„Dat is zoo, maar hoe is
zijn naam?”--„O, zijn naam, dien ken ik niet.”--„En is het mijn man
bekend, dat ik ontvoerd ben?”--„Hiervan was hem kennis gegeven door een
brief, dien hem de ontvoerder zelf geschreven had.”--„En vermoedt hij,”
vroeg juffrouw Bonacieux eenigszins aarzelende, „de reden dezer
ontvoering?”--„Hij schreef het, geloof ik, aan staatkunde toe.”--„Ik heb
er al dadelijk aan getwijfeld en nu geloof ik het ook.... Dus heeft de
goede mijnheer Bonacieux niet een oogenblik mij gewantrouwd?”--„O, verre
van daar, juffrouw! hij was al te hoovaardig op uw deugd en vooral op uw
liefde.”--Een tweede, bijna onmerkbare glimlach teekende zich op de
rooskleurige lippen der schoone, jonge vrouw.--„Maar hoe,” vroeg
d’Artagnan, „hoe is het u mogelijk geweest te ontvluchten?”--„Ik heb van
een oogenblik gebruik gemaakt, dat ik alleen was; en daar ik sinds heden
morgen wist, wat ik omtrent mijn ontvoering moest denken, liet ik mij
met behulp mijner bedlakens uit het venster zakken, en in de verbeelding
mijn man hier te zullen vinden, spoedde ik mij herwaarts.”--„Om u onder
zijn bescherming te stellen?”--„Och! mijn arme man! ik wist wel, dat hij
niet in staat zou zijn mij te verdedigen; maar daar hij ons in andere
opzichten van dienst kon zijn, wilde ik hem van iets kennis
geven.”--„Waarvan?”--„O, dat geheim behoort mij niet, ik mag het u dus
niet zeggen.”--„Buitendien,” zeide d’Artagnan,--„ik verzoek u,
mejuffrouw! mij te willen verschoonen, dat, hoezeer krijgsman, ik u
voorzichtigheid aanraad,--buitendien geloof ik, dat het hier geen zeer
geschikte plaats is om elkander geheimen mede te deelen. De lieden,
welke ik op de vlucht heb gejaagd, zullen spoedig met versterking
terugkeeren, en wanneer zij ons dan vonden, waren wij verloren. Ik heb
wel drie mijner vrienden doen roepen, maar wie weet of men hen heeft te
huis gevonden.”--„Ja, ja, gij hebt gelijk!” riep de opnieuw beangstigde
juffrouw Bonacieux; „vluchten wij, redden wij ons!”
Bij die woorden nam zij den arm van d’Artagnan en trok hem haastig
voort.--„Maar waarheen vluchten wij?” zeide d’Artagnan,
„waarheen?”--„Verwijderen wij ons eerst van dit huis, vervolgens zullen
wij zien.”--En de jonge vrouw en de jongeling, zonder zich de moeite te
geven de deur te sluiten, liepen haastig de Doodgraversstraat door,
begaven zich in de straat Fossés-Monsieur-le-Prince, en bleven niet eer
staan dan op het plein St. Sulpice.
„En wat zullen wij nu doen?” vroeg d’Artagnan, „en waar wilt gij dat ik
u brenge?”--„Ik weet het, om u de waarheid te zeggen, zelve niet,” zeide
juffrouw Bonacieux; „mijn voornemen was den heer de la Porte door mijn
man te laten verwittigen, opdat die ons nauwkeurig mededeelen zoude, wat
er sedert drie dagen in het Louvre was voorgevallen; en of er geen
gevaar voor mij was er mij te vertoonen.”--„Maar ik, ik kan den heer de
la Porte gaan waarschuwen.”--„Ja, echter is er één beletsel; den heer
Bonacieux, dien men daar kent, zal men binnenlaten, maar voor u, die er
niet bekend zijt, zal men de deur dicht houden.”--„O ja,” zeide
d’Artagnan; „maar gij kent wel aan de een of andere achterdeur
van het Louvre een u genegen portier, die op zeker teeken of
wachtwoord....”--Juffrouw Bonacieux beschouwde den jongeling met
strakken blik.--„En indien ik u het wachtwoord mededeelde,” zeide zij,
„zoudt gij het dan willen vergeten, onmiddellijk na u er van bediend te
hebben?”--„Op mijn woord van eer, zoo waar ik edelman ben,” antwoordde
d’Artagnan op een zoo overtuigenden toon, dat aan de waarheid niet te
twijfelen was.--„Welaan, ik wil u gelooven, gij schijnt mij een braaf
jongeling. Buitendien zal deze dienstbewijzing misschien uw fortuin
zijn.”--„Ik wil, zonder eenige beloften en naar mijn geweten, alles doen
wat den koning dienstig en der koningin aangenaam kan zijn,” zeide
d’Artagnan; „beschik dus over mij als over een vriend.”--„Maar waar zult
gij mij in dien tusschentijd laten?”--„Kent gij niemand, waar de heer de
la Porte u kan komen afhalen?”--„Neen, ik durf mij op niemand
vertrouwen.”--„Wacht,” hernam d’Artagnan, „wij zijn in de nabijheid van
het huis van Athos. Ja, ik geloof het is wel zoo.”--„Wie is
Athos?”--„Een mijner vrienden.”--„Maar als hij te huis is zal hij mij
zien.”--„Hij is niet te huis, en ik zal den sleutel medenemen, zoodra
gij in zijn kamer zult zijn.”--„Maar als hij terugkomt?”--„Hij zal niet
terugkomen; bovendien, men zal hem zeggen, dat ik een vrouw heb
medegebracht, en dat die vrouw zich in zijn kamer bevindt.”--„Maar wat
zal men wel van mij denken?”--„Wat geeft gij daarom, men kent u niet; en
daarenboven de omstandigheden, waarin wij ons bevinden, moeten ons over
eenige welvoegelijkheden doen heenstappen.”--„Welaan dan, naar uw
vriend! Waar woont hij?”--„Straat Férou, twee schreden van
hier.”--„Welaan!”
En beiden hervatten hun tocht.
Zooals d’Artagnan wel had voorzien, was Athos niet te huis; hij nam den
sleutel, dien men de gewoonte had hem, als een vriend des huizes, ter
hand te stellen, ging de trap op en geleidde juffrouw Bonacieux in de
kleine kamer, van welke wij reeds de beschrijving hebben gegeven.--„Hier
zijt gij te huis,” zeide hij, „sluit nu de deur van binnen en doe voor
niemand open, althans indien men niet tot driemaal op deze wijze klopt;
hoor.”--En hij klopte driemaal, tweemaal tamelijk hard en snel achter
elkander, en vervolgens nogmaals, maar na een tusschenpoos en wat
zachter.
„Goed,” sprak juffrouw Bonacieux. „Nu is het mijn beurt u te
onderrichten.”--„Ik luister.”--„Vertoon u voor de kleine deur van het
Louvre, aan de zijde der Ladderstraat, en vraag naar Germain.”--„Goed;
en dan?”--„Hij zal u vragen, wat gij begeert, en gij zult hem deze twee
woorden zeggen: _Tours en Brussel_. Daarop zal hij dadelijk u zijn
dienst aanbieden.”--„En waarmede moet ik hem belasten?”--„Den heer de la
Porte, kamerdienaar der koningin, te roepen.”--„En wanneer hij den heer
de la Porte geroepen zal hebben en deze zal gekomen zijn?”--„Dan moet
gij hem tot mij zenden?”--„Het is wel; maar waar en op welke wijze zal
ik u weerzien?”--„Zijt gij er zeer op gesteld om mij weer te
zien?”--„Ongetwijfeld.”--„Welnu, laat aan mij de zorg hieromtrent over,
en wees gerust.”--„Ik maak staat op uw woord.”--„Reken er op.”
D’Artagnan groette juffrouw Bonacieux, op haar bevallige, kleine
gestalte den verliefdsten blik werpende, die hem mogelijk was, en
terwijl hij de trap afging, hoorde hij de deur achter zich op het
nachtslot draaien. Op een draf snelde hij naar het Louvre; toen hij voor
de poort in de Ladderstraat was, sloeg het tien uur.
Al de gebeurtenissen, die wij hebben verhaald, hadden elkander in een
half uur opgevolgd. Alles viel voor, zooals juffrouw Bonacieux het had
gezegd. Op het geven van het wachtwoord boog zich Germain; tien minuten
later was de la Porte in het portiershuisje; met een paar woorden had
d’Artagnan hem van een en ander kennis gegeven en hem gezegd, waar
juffrouw Bonacieux zich bevond. De la Porte verzekerde zich ten tweeden
male van de nauwkeurigheid der woonplaats en verwijderde zich haastig.
Nauwelijks echter was hij tien schreden ver, of hij keerde
terug.--„Jongeling,” zeide hij tot d’Artagnan, „ik wil u nog een raad
geven.”--„Welken?”--„Het is mogelijk, dat men u onaangenaamheden aandoet
wegens hetgeen er is voorgevallen.”--„Gelooft gij?”--„Ja. Hebt gij ook
een of anderen vriend, wiens uurwerk nagaat?”--„En dan?”--„Ga hem dan
bezoeken, opdat hij voor het gerecht getuigen kan, dat gij te half tien
bij hem waart. In gerechtszaken heet zulks een _alibi_.”
D’Artagnan vond den raad heel voorzichtig, en vliegensvlug snelde hij
naar den heer de Tréville; doch in plaats van in de zaal te gaan, waar
het gezelschap bij elkaar was, verzocht hij in zijn kabinet te worden
binnengelaten. Aan d’Artagnan, als een der huisvrienden bekend, werd
zonder moeilijkheden zijn verzoek toegestaan, en men ging den heer de
Tréville verwittigen, dat zijn jeugdige landgenoot, die hem iets
gewichtigs had mede te deelen, een afzonderlijk gesprek met hem
verlangde te hebben. Vijf minuten later vroeg de heer de Tréville aan
d’Artagnan, waarin hij hem van dienst kon zijn, en wat de reden van zijn
zoo laat bezoek was.
„Ik verzoek u verschooning, mijnheer!” zeide d’Artagnan, die van het
oogenblik gebruik had gemaakt, dat hij alleen was geweest, om de pendule
drie vierde uurs na te zetten; „maar ik dacht: daar het pas vijf minuten
voor half tien was, dat ik mij nog gevoegelijk tot u konde
begeven.”--„Vijf minuten voor half tien!” riep de heer de Tréville op de
pendule ziende; „maar dat is niet mogelijk.”--„Zie slechts, mijnheer!”
zeide d’Artagnan, „daar is het bewijs.”--„Het is zoo,” hernam de heer de
Tréville; „ik dacht dat het later was. Maar laat hooren, wat is er van
uw begeerte?”
Toen sprak d’Artagnan den heer de Tréville wijdloopig over de koningin.
Hij gaf hem de vrees te kennen, die hij voor Hare Majesteit koesterde;
hij verhaalde hem, hetgeen hij had gehoord omtrent de plannen des
kardinaals jegens Buckingham, en dat alles met een kalmte en een
gevatheid door welke de heer de Tréville te meer werd misleid, daar hij
zelf, zooals wij gezegd hebben, had opgemerkt, dat er iets nieuws
tusschen den kardinaal, den koning en de koningin plaats had. Op slag
van tien uur verliet d’Artagnan den heer de Tréville, die hem bedankte
voor zijn mededeelingen, hem aanbevelende, steeds den dienst des konings
en der koningin ter harte te nemen, en die daarop in de zaal
terugkeerde. Maar beneden aan de trap herinnerde zich d’Artagnan zijn
rottingstok te hebben vergeten; en bijgevolg liep hij overhaast weer
naar boven, trad het kabinet binnen, en in een oogwenk draaide hij den
wijzer der pendule op het behoorlijke uur, opdat men den volgenden
morgen niet mocht bemerken, dat ze niet goed ging; en nu verzekerd, dat
hij een getuige had om zijn tegenwoordigheid te bewijzen, ging hij de
trap weder af en was spoedig op straat.