HOOFDSTUK X.

Een muizenval in de zeventiende eeuw.

De uitvinding der muizenvallen is niet van onzen tijd; zoodra de

maatschappijen bij hun tot stand koming slechts een of andere politie

hadden uitgevonden, vond de politie op haar beurt de muizenvallen uit.

Daar onze lezers zeker niet bekend zijn met de dieventaal van de

Jeruzalemstraat,[4] en het sedert dat wij schrijven, nu vijftien jaar

geleden, de eerste keer is, dat wij dit woord op die zaak van toepassing

brengen, gaan wij over tot de verklaring van wat een muizenval is:

Wanneer men, in welk huis het ook zij, een persoon heeft in hechtenis

genomen, die van de een of andere misdaad wordt beschuldigd, houdt men

die gevangenneming geheim; men legt vier of vijf politiedienaren in

hinderlaag in het eerste vertrek van het huis: men opent de deur voor

allen die kloppen, sluit ze achter hen, waarna zij worden aangehouden.

Op die wijze heeft men na verloop van twee of drie dagen bijna al de

medeplichtigen des schuldigen in de macht. Ziedaar wat een muizenval is.

[4] Het hoofdbureau van politie is nog heden ten dage gelegen in de

straat van dien naam.

Men maakte dan van het vertrek van baas Bonacieux een muizenval; elk,

die zich dáár vertoonde, werd vastgehouden en door de lieden van den

kardinaal verhoord, maar dewijl een afzonderlijke trap naar de eerste

verdieping leidde, die door d’Artagnan werd bewoond, spreekt het

vanzelf, dat zij, die hem kwamen bezoeken, volstrekt geen onderzoek te

ondergaan hadden. Bovendien, bij hem kwamen niet anders dan de drie

musketiers. Deze hadden, elk van hun zijde, nasporingen gedaan, maar

niets gevonden, niets ontdekt. Athos was zelfs zoo ver gegaan, den heer

de Tréville te ondervragen, hetgeen met het oog op de gewone

stilzwijgendheid van den waardigen musketier, zijn kapitein veel

verwondering had gebaard. Maar de heer de Tréville wist niets dan alleen

dat, toen hij het laatste den kardinaal, den koning en de koningin had

gezien, de kardinaal er zeer zorgvol uitzag, dat de koning onrustig was,

en dat de roode oogen der koningin blijken gaven, dat zij òf gewaakt òf

geweend had. Maar deze laatste bijzonderheid had hem weinig getroffen,

immers de koningin waakte en schreide dikwijls sedert zij gehuwd was. De

heer de Tréville beval evenwel ernstig Athos aan den dienst des konings,

en vooral dien der koningin, ter harte te nemen en verzocht hem dezelfde

aanbeveling aan zijn krijgsmakkers te doen.

Intusschen kwam d’Artagnan het huis niet uit, en had hij zijn kamer

ingericht om van daar uit alles, wat in de nabijheid voorviel,

gemakkelijk te kunnen gadeslaan. Van uit zijn venster zag hij diegenen

naderen, welke in de val gingen loopen; vervolgens had hij de steenen

uit den vloer gelicht, dien hij diep opgroef; en toen, slechts door een

enkele planken zoldering van de kamer gescheiden, waar de verhooren

plaats vonden, hoorde hij alles, wat er tusschen de inquisiteurs en de

beschuldigden voorviel. De verhooren, voorafgegaan door een nauwkeurig

onderzoek van den persoon des aangehoudenen, luidden bijna altijd als

volgt: „Heeft mejuffrouw Bonacieux u iets ter hand gesteld voor haar man

of voor iemand anders?--Heeft de heer Bonacieux u iets ter hand gesteld

voor zijn vrouw of voor iemand anders?--Hebben een van beiden u

mondeling het een of ander geheim toevertrouwd?”

„Indien zij iets wisten, zouden zij het niet vragen,” dacht d’Artagnan.

„Maar wat willen zij weten? Indien de hertog van Buckingham zich niet te

_Parijs_ bevindt, noch met de koningin een samenkomst heeft gehad of

moet hebben....”

D’Artagnan bleef bij dat denkbeeld berusten, dat, na al hetgeen hij

vernomen had, niet zoo onwaarschijnlijk was. Intusschen was de muizenval

steeds in werking, en de waakzaamheid van d’Artagnan ook.--Op den avond

van den dag na dien, waarop de arme Bonacieux werd in hechtenis genomen,

terwijl Athos d’Artagnan verliet om zich naar den heer de Tréville te

begeven, en het negen uur had geslagen, en Planchet, die het bed nog

niet had opgemaakt, hieraan begon, hoorde men aan de straatdeur kloppen:

onmiddellijk werd de deur geopend en weder gesloten: iemand was in de

val geloopen. D’Artagnan snelde naar de van steenen ontbloote plek des

vloers, ging op den buik liggen en luisterde.

Weldra werden er angstkreten gehoord, vervolgens een gekerm, dat men

trachtte te smoren. Van een ondervraging was geen sprake.--„Duivelsch!”

zeide d’Artagnan bij zich zelven, „het schijnt, dat het een vrouw is;

men onderzoekt haar kleeding, zij biedt weerstand, men doet haar geweld

aan.... De ellendelingen!”--En d’Artagnan, ondanks zijn voorzichtigheid,

had moeite zich niet bij het tooneel te voegen, dat onder hem plaats

had.--„Maar ik zeg u, mijne heeren, dat ik de vrouw des huizes, dat ik

juffrouw Bonacieux ben; geloof mij, ik ben in dienst der koningin!” riep

de ongelukkige vrouw.--„Juffrouw Bonacieux!” mompelde d’Artagnan, „zou

ik gelukkig genoeg geweest zijn om datgene te vinden, waarnaar allen

zoeken?”--„Gij zijt het juist, die wij wachten,” antwoordden de

ondervragers.

De stem werd hoe langer hoe onduidelijker; een stommelend gerucht deed

het houtwerk kraken. Het slachtoffer verdedigde zich, zooveel als het

aan een vrouw mogelijk was aan vier mannen weerstand te bieden.--„Ik

smeek u, heeren!.... ik....” stamelde de stem, die slechts eenige

onafgebroken woorden deed hooren.--„Zij stoppen haar den mond dicht! zij

gaan haar voortsleepen!” riep d’Artagnan, opspringende als door een

springveer bewogen. „Mijn degen! Ha! ik heb hem op zijde.

Planchet!”--„Mijnheer!”--„Ga spoedig Athos, Porthos en Aramis halen. Eén

van drieën zal zeker te huis zijn, misschien wel alle drie. Laten zij

zich wapenen; dat zij zich spoeden hier te komen. Ha! ik herinner mij,

Athos is bij den heer de Tréville!”--„Maar waarheen gaat gij, mijnheer?

waarheen gaat gij?”--„Ik ga het venster uit om des te eer beneden te

zijn; leg gij de steenen weer op hun plaats, veeg den vloer, ga de

voordeur uit en begeef u daar, waar ik u zeg.”--„O, mijnheer! mijnheer!

gij zult den hals breken!” riep Planchet.--„Zwijg, uilskuiken,” zeide

d’Artagnan. En met de eene hand zich aan den rand van het venster

vasthoudende, liet hij zich van de eerste verdieping op straat vallen,

zonder het minste letsel te bekomen, daar de hoogte niet veel

beteekende. Vervolgens klopte hij aan de deur en mompelde bij zich

zelven: „Ik zal op mijn beurt mij in de val laten vangen; maar

ongelukkig de katten, die zich aan een muis als ik zullen wagen.”

Nauwelijks was de klopper onder de hand des jongelings neergevallen, of

het gerucht hield op en voetstappen naderden, de deur werd opengedaan,

en d’Artagnan stormde met blooten degen het vertrek van baas Bonacieux

binnen, welks deur, waarschijnlijk door een veer, vanzelf achter hem

dichtviel.

Zij, die toen het rampzalig huis van Bonacieux bewoonden en ook de

naaste buren hoorden een luid geschreeuw, voetgetrappel en

degengekletter en een onophoudelijk gedruisch van brekend huisraad. Een

oogenblik daarna konden zij, die opmerkzaam door dat geweld gemaakt aan

de vensters waren gekomen, om er de oorzaak van te ontdekken, de deur

zien openen en vier in het zwart gekleede mannen er niet zien uitgaan,

maar als verschrikte raven uitvliegen, terwijl zij op den grond en op de

hoeken der tafels de veeren hunner vleugels achterlieten, dat is te

zeggen, de lappen van hun kleederen en de slippen van hun mantels.

D’Artagnan, dit moet gezegd worden, kostte het weinig moeite overwinnaar

te zijn, want één slechts der politiedienaren was gewapend en verdedigde

zich alleen in schijn. Het is waar, dat de drie anderen den jongeling

met stoelen, zitbankjes en aarden potten naar het hoofd wierpen, maar

een paar schrammen, door de kling van den Gaskonjer hun toegebracht,

hadden hun schrik aangejaagd. Tien minuten waren voldoende geweest om

hen op de vlucht te jagen en d’Artagnan was meester van het slagveld

gebleven. De buren, die hun vensters hadden geopend met die

koelbloedigheid, welke den bewoners van _Parijs_ in die tijden van

oproer en eeuwigdurende vechtpartijen zoo eigen was, sloten ze weer, na

de vier in het zwart gekleede mannen te hebben zien wegloopen, bij zich

zelven verzekerd dat voor het oogenblik alles gedaan was. Bovendien was

het reeds laat en toen, zooals nog tegenwoordig, ging men in de wijk van

het Luxembourg vroegtijdig te bed.

D’Artagnan, nu alleen met juffrouw Bonacieux gebleven, wendde zich tot

haar. De arme vrouw lag op een leuningstoel, bijna in zwijm. D’Artagnan

beschouwde haar met een vluchtigen blik. Zij was een bekoorlijke vrouw

van vijf of zes en twintig jaar, een brunette, met blauwe oogen, een

klein wipneusje, schitterend witte tanden en rozerood, als opaal

schitterend vel. Dit was alles, wat haar voor een voorname dame zou

hebben kunnen doen aanzien; want hoewel blank, waren de handen niet teer

en de voeten duidden geen adellijke afkomst aan.

Gelukkig was d’Artagnan nog zoo ver niet gevorderd, om bij deze

bijzonderheden stil te staan. Terwijl hij juffrouw Bonacieux stond te

beschouwen en, zooals wij zeiden, hiermede tot aan de beenen was

gekomen, zag hij op den grond een fijn batisten zakdoek liggen, op welks

punt hij hetzelfde naamcijfer herkende, dat hij op den zakdoek had

gezien, die bijna de oorzaak van een gevecht tusschen hem en Aramis was

geweest. Sedert dat oogenblik vertrouwde hij de zakdoeken, waarop

geborduurde geslachtswapens stonden, maar zeer weinig meer; hij stak dan

ook zonder één woord te spreken dengene, dien hij had opgeraapt, in den

zak van juffrouw Bonacieux. Juist kwam juffrouw Bonacieux tot haar

zelve; zij opende de oogen en zag angstig rond, bemerkende, dat het

vertrek ontruimd was en zij zich alleen met haar bevrijder bevond.

Dadelijk reikte zij hem glimlachend haar hand toe. Juffrouw Bonacieux

had den bekoorlijksten glimlach, dien men zien kon.

„O, mijnheer!” riep zij, „zijt gij het, die mij gered hebt? Veroorloof

mij u mijn dankbaarheid te betuigen!”--„Juffrouw!” zeide d’Artagnan, „ik

heb niets meer gedaan dan hetgeen ieder edelman in mijn plaats zou

gedaan hebben; gij zijt mij dus niet de minste dankbaarheid

verschuldigd.”--„Ja wel, mijnheer! en ik hoop u het bewijs te geven, dat

gij geen ondankbare een dienst hebt bewezen. Maar wat wilden toch die

lieden, die ik aanvankelijk voor dieven aanzag en hoe komt het, dat de

heer Bonacieux niet hier is?”--„Mejuffrouw! die lieden waren oneindig

gevaarlijker dan dieven zouden kunnen zijn, want het waren

politieagenten van den kardinaal; en wat uw man, den heer Bonacieux

betreft, deze is niet te huis, dewijl men hem gisteren in hechtenis

heeft genomen, om hem naar de Bastille te brengen.”--„Mijn man in de

Bastille!” riep juffrouw Bonacieux. „Ach, mijn God! Wat heeft de goede,

arme man dan toch uitgevoerd? hij, de onschuld zelf.”--En iets, naar een

glimlach gelijkende, zweefde op het nog angstige gelaat der jonge vrouw.

„O, juffrouw! wat hij heeft uitgevoerd,” zeide d’Artagnan, „ik geloof,

dat zijn eenige misdaad die is, van tegelijk het geluk en het ongeluk te

hebben uw man te zijn.”--„Hoe, mijnheer! gij weet dan....?”--„Ik weet,

mejuffrouw! dat men u heeft ontvoerd.”--„En door wien, weet gij dat? O,

indien gij het weet, zeg het mij dan!”--„Door een man van tusschen de

veertig en vijf en veertig jaar, zwart van haar, bruin van gelaat en met

een litteeken op den linkerslaap des hoofds.”--„Dat is zoo, maar hoe is

zijn naam?”--„O, zijn naam, dien ken ik niet.”--„En is het mijn man

bekend, dat ik ontvoerd ben?”--„Hiervan was hem kennis gegeven door een

brief, dien hem de ontvoerder zelf geschreven had.”--„En vermoedt hij,”

vroeg juffrouw Bonacieux eenigszins aarzelende, „de reden dezer

ontvoering?”--„Hij schreef het, geloof ik, aan staatkunde toe.”--„Ik heb

er al dadelijk aan getwijfeld en nu geloof ik het ook.... Dus heeft de

goede mijnheer Bonacieux niet een oogenblik mij gewantrouwd?”--„O, verre

van daar, juffrouw! hij was al te hoovaardig op uw deugd en vooral op uw

liefde.”--Een tweede, bijna onmerkbare glimlach teekende zich op de

rooskleurige lippen der schoone, jonge vrouw.--„Maar hoe,” vroeg

d’Artagnan, „hoe is het u mogelijk geweest te ontvluchten?”--„Ik heb van

een oogenblik gebruik gemaakt, dat ik alleen was; en daar ik sinds heden

morgen wist, wat ik omtrent mijn ontvoering moest denken, liet ik mij

met behulp mijner bedlakens uit het venster zakken, en in de verbeelding

mijn man hier te zullen vinden, spoedde ik mij herwaarts.”--„Om u onder

zijn bescherming te stellen?”--„Och! mijn arme man! ik wist wel, dat hij

niet in staat zou zijn mij te verdedigen; maar daar hij ons in andere

opzichten van dienst kon zijn, wilde ik hem van iets kennis

geven.”--„Waarvan?”--„O, dat geheim behoort mij niet, ik mag het u dus

niet zeggen.”--„Buitendien,” zeide d’Artagnan,--„ik verzoek u,

mejuffrouw! mij te willen verschoonen, dat, hoezeer krijgsman, ik u

voorzichtigheid aanraad,--buitendien geloof ik, dat het hier geen zeer

geschikte plaats is om elkander geheimen mede te deelen. De lieden,

welke ik op de vlucht heb gejaagd, zullen spoedig met versterking

terugkeeren, en wanneer zij ons dan vonden, waren wij verloren. Ik heb

wel drie mijner vrienden doen roepen, maar wie weet of men hen heeft te

huis gevonden.”--„Ja, ja, gij hebt gelijk!” riep de opnieuw beangstigde

juffrouw Bonacieux; „vluchten wij, redden wij ons!”

Bij die woorden nam zij den arm van d’Artagnan en trok hem haastig

voort.--„Maar waarheen vluchten wij?” zeide d’Artagnan,

„waarheen?”--„Verwijderen wij ons eerst van dit huis, vervolgens zullen

wij zien.”--En de jonge vrouw en de jongeling, zonder zich de moeite te

geven de deur te sluiten, liepen haastig de Doodgraversstraat door,

begaven zich in de straat Fossés-Monsieur-le-Prince, en bleven niet eer

staan dan op het plein St. Sulpice.

„En wat zullen wij nu doen?” vroeg d’Artagnan, „en waar wilt gij dat ik

u brenge?”--„Ik weet het, om u de waarheid te zeggen, zelve niet,” zeide

juffrouw Bonacieux; „mijn voornemen was den heer de la Porte door mijn

man te laten verwittigen, opdat die ons nauwkeurig mededeelen zoude, wat

er sedert drie dagen in het Louvre was voorgevallen; en of er geen

gevaar voor mij was er mij te vertoonen.”--„Maar ik, ik kan den heer de

la Porte gaan waarschuwen.”--„Ja, echter is er één beletsel; den heer

Bonacieux, dien men daar kent, zal men binnenlaten, maar voor u, die er

niet bekend zijt, zal men de deur dicht houden.”--„O ja,” zeide

d’Artagnan; „maar gij kent wel aan de een of andere achterdeur

van het Louvre een u genegen portier, die op zeker teeken of

wachtwoord....”--Juffrouw Bonacieux beschouwde den jongeling met

strakken blik.--„En indien ik u het wachtwoord mededeelde,” zeide zij,

„zoudt gij het dan willen vergeten, onmiddellijk na u er van bediend te

hebben?”--„Op mijn woord van eer, zoo waar ik edelman ben,” antwoordde

d’Artagnan op een zoo overtuigenden toon, dat aan de waarheid niet te

twijfelen was.--„Welaan, ik wil u gelooven, gij schijnt mij een braaf

jongeling. Buitendien zal deze dienstbewijzing misschien uw fortuin

zijn.”--„Ik wil, zonder eenige beloften en naar mijn geweten, alles doen

wat den koning dienstig en der koningin aangenaam kan zijn,” zeide

d’Artagnan; „beschik dus over mij als over een vriend.”--„Maar waar zult

gij mij in dien tusschentijd laten?”--„Kent gij niemand, waar de heer de

la Porte u kan komen afhalen?”--„Neen, ik durf mij op niemand

vertrouwen.”--„Wacht,” hernam d’Artagnan, „wij zijn in de nabijheid van

het huis van Athos. Ja, ik geloof het is wel zoo.”--„Wie is

Athos?”--„Een mijner vrienden.”--„Maar als hij te huis is zal hij mij

zien.”--„Hij is niet te huis, en ik zal den sleutel medenemen, zoodra

gij in zijn kamer zult zijn.”--„Maar als hij terugkomt?”--„Hij zal niet

terugkomen; bovendien, men zal hem zeggen, dat ik een vrouw heb

medegebracht, en dat die vrouw zich in zijn kamer bevindt.”--„Maar wat

zal men wel van mij denken?”--„Wat geeft gij daarom, men kent u niet; en

daarenboven de omstandigheden, waarin wij ons bevinden, moeten ons over

eenige welvoegelijkheden doen heenstappen.”--„Welaan dan, naar uw

vriend! Waar woont hij?”--„Straat Férou, twee schreden van

hier.”--„Welaan!”

En beiden hervatten hun tocht.

Zooals d’Artagnan wel had voorzien, was Athos niet te huis; hij nam den

sleutel, dien men de gewoonte had hem, als een vriend des huizes, ter

hand te stellen, ging de trap op en geleidde juffrouw Bonacieux in de

kleine kamer, van welke wij reeds de beschrijving hebben gegeven.--„Hier

zijt gij te huis,” zeide hij, „sluit nu de deur van binnen en doe voor

niemand open, althans indien men niet tot driemaal op deze wijze klopt;

hoor.”--En hij klopte driemaal, tweemaal tamelijk hard en snel achter

elkander, en vervolgens nogmaals, maar na een tusschenpoos en wat

zachter.

„Goed,” sprak juffrouw Bonacieux. „Nu is het mijn beurt u te

onderrichten.”--„Ik luister.”--„Vertoon u voor de kleine deur van het

Louvre, aan de zijde der Ladderstraat, en vraag naar Germain.”--„Goed;

en dan?”--„Hij zal u vragen, wat gij begeert, en gij zult hem deze twee

woorden zeggen: _Tours en Brussel_. Daarop zal hij dadelijk u zijn

dienst aanbieden.”--„En waarmede moet ik hem belasten?”--„Den heer de la

Porte, kamerdienaar der koningin, te roepen.”--„En wanneer hij den heer

de la Porte geroepen zal hebben en deze zal gekomen zijn?”--„Dan moet

gij hem tot mij zenden?”--„Het is wel; maar waar en op welke wijze zal

ik u weerzien?”--„Zijt gij er zeer op gesteld om mij weer te

zien?”--„Ongetwijfeld.”--„Welnu, laat aan mij de zorg hieromtrent over,

en wees gerust.”--„Ik maak staat op uw woord.”--„Reken er op.”

D’Artagnan groette juffrouw Bonacieux, op haar bevallige, kleine

gestalte den verliefdsten blik werpende, die hem mogelijk was, en

terwijl hij de trap afging, hoorde hij de deur achter zich op het

nachtslot draaien. Op een draf snelde hij naar het Louvre; toen hij voor

de poort in de Ladderstraat was, sloeg het tien uur.

Al de gebeurtenissen, die wij hebben verhaald, hadden elkander in een

half uur opgevolgd. Alles viel voor, zooals juffrouw Bonacieux het had

gezegd. Op het geven van het wachtwoord boog zich Germain; tien minuten

later was de la Porte in het portiershuisje; met een paar woorden had

d’Artagnan hem van een en ander kennis gegeven en hem gezegd, waar

juffrouw Bonacieux zich bevond. De la Porte verzekerde zich ten tweeden

male van de nauwkeurigheid der woonplaats en verwijderde zich haastig.

Nauwelijks echter was hij tien schreden ver, of hij keerde

terug.--„Jongeling,” zeide hij tot d’Artagnan, „ik wil u nog een raad

geven.”--„Welken?”--„Het is mogelijk, dat men u onaangenaamheden aandoet

wegens hetgeen er is voorgevallen.”--„Gelooft gij?”--„Ja. Hebt gij ook

een of anderen vriend, wiens uurwerk nagaat?”--„En dan?”--„Ga hem dan

bezoeken, opdat hij voor het gerecht getuigen kan, dat gij te half tien

bij hem waart. In gerechtszaken heet zulks een _alibi_.”

D’Artagnan vond den raad heel voorzichtig, en vliegensvlug snelde hij

naar den heer de Tréville; doch in plaats van in de zaal te gaan, waar

het gezelschap bij elkaar was, verzocht hij in zijn kabinet te worden

binnengelaten. Aan d’Artagnan, als een der huisvrienden bekend, werd

zonder moeilijkheden zijn verzoek toegestaan, en men ging den heer de

Tréville verwittigen, dat zijn jeugdige landgenoot, die hem iets

gewichtigs had mede te deelen, een afzonderlijk gesprek met hem

verlangde te hebben. Vijf minuten later vroeg de heer de Tréville aan

d’Artagnan, waarin hij hem van dienst kon zijn, en wat de reden van zijn

zoo laat bezoek was.

„Ik verzoek u verschooning, mijnheer!” zeide d’Artagnan, die van het

oogenblik gebruik had gemaakt, dat hij alleen was geweest, om de pendule

drie vierde uurs na te zetten; „maar ik dacht: daar het pas vijf minuten

voor half tien was, dat ik mij nog gevoegelijk tot u konde

begeven.”--„Vijf minuten voor half tien!” riep de heer de Tréville op de

pendule ziende; „maar dat is niet mogelijk.”--„Zie slechts, mijnheer!”

zeide d’Artagnan, „daar is het bewijs.”--„Het is zoo,” hernam de heer de

Tréville; „ik dacht dat het later was. Maar laat hooren, wat is er van

uw begeerte?”

Toen sprak d’Artagnan den heer de Tréville wijdloopig over de koningin.

Hij gaf hem de vrees te kennen, die hij voor Hare Majesteit koesterde;

hij verhaalde hem, hetgeen hij had gehoord omtrent de plannen des

kardinaals jegens Buckingham, en dat alles met een kalmte en een

gevatheid door welke de heer de Tréville te meer werd misleid, daar hij

zelf, zooals wij gezegd hebben, had opgemerkt, dat er iets nieuws

tusschen den kardinaal, den koning en de koningin plaats had. Op slag

van tien uur verliet d’Artagnan den heer de Tréville, die hem bedankte

voor zijn mededeelingen, hem aanbevelende, steeds den dienst des konings

en der koningin ter harte te nemen, en die daarop in de zaal

terugkeerde. Maar beneden aan de trap herinnerde zich d’Artagnan zijn

rottingstok te hebben vergeten; en bijgevolg liep hij overhaast weer

naar boven, trad het kabinet binnen, en in een oogwenk draaide hij den

wijzer der pendule op het behoorlijke uur, opdat men den volgenden

morgen niet mocht bemerken, dat ze niet goed ging; en nu verzekerd, dat

hij een getuige had om zijn tegenwoordigheid te bewijzen, ging hij de

trap weder af en was spoedig op straat.

De Drie Musketiers dl. I en II · 第 18 / 93 题