Een hofintrigue.
Intusschen waren de 40 pistolen van koning Lodewijk XIII, zooals al het
wereldsche, na een begin te hebben gehad, ten einde geraakt en met dat
einde bevonden zich de vier vrienden in verlegenheid. Athos had
aanvankelijk de vereeniging met zijn geld ondersteund. Porthos was hem
opgevolgd en dank zij een dier afwezigheden, aan welke men gewoon was,
had hij gedurende nog veertien dagen in de behoeften van allen voorzien;
eindelijk was de beurt aan Aramis gekomen, die zich bevallig hieraan
onderwierp, en, zooals hij zeide, er in geslaagd was, door het verkoopen
zijner godgeleerde werken, zich eenige pistolen te verschaffen. Men nam
ook gewoonlijk zijn toevlucht tot den heer de Tréville, die eenige
voorschotten op de soldij deed; maar deze hielpen niet veel aan drie
musketiers, die reeds veel achterstallig waren en aan een garde, die nog
geen soldij genoot. Eindelijk, toen men zag, dat men dra niets meer zou
bezitten, bracht men door een laatste inspanning acht of tien pistolen
bij elkaar, die Porthos aan het spel waagde. Ongelukkig was de fortuin
hem tegen, hij verloor alles en daarenboven vijf en twintig pistolen op
zijn woord. Toen werd de verlegenheid nood en men zag de uitgehongerden,
door hun lakeien gevolgd, de kaden en de wachthuizen afloopen, hun
vrienden zooveel mogelijk tot het geven van maaltijden aansporende;
want, volgens het oordeel van Aramis, moest men in voorspoedstijden
links en rechts uitnoodigingen tot maaltijden zaaien, om er eenige in
tijd van nood te kunnen oogsten.
Athos werd vier maal genoodigd en bracht telkens zijn vrienden met hun
dienaren mede. Porthos had zes gelegenheden, waaraan hij zijn vrienden
liet deel nemen. Aramis acht. Dit was iemand, zooals men reeds heeft
kunnen zien, die weinig drukte maakte, maar veel uitvoerde. Wat
d’Artagnan betreft, die in de hoofdstad niemand kende, deze vond bij een
priester van zijn land een ontbijt met chocolaad, en bij een kornet der
garde een middagmaal. Hij voerde zijn leger naar den priester, wiens
voorraad van twee maanden verslonden werd, en naar den kornet, die
wonderen verrichtte; maar zooals Planchet zeide: men eet slechts eens,
zelfs wanneer men veel eet. D’Artagnan beschouwde zich dus niet weinig
vernederd slechts anderhalf maal aan zijn vrienden te kunnen aanbieden,
want het ontbijt bij den priester kon niet voor meer dan een half maal
doorgaan, tegenover de feestmalen, welke Athos, Porthos en Aramis hadden
bezorgd. Hij beschouwde zich als een bezwaar voor de kompagnieschap en
zijn jeugdige goedhartigheid deed hem over het hoofd zien, dat hij de
vennootschap gedurende een maand had onderhouden; zijn onrustige geest
begon nu ijverig werkzaam te zijn. Hij overwoog, dat een bondgenootschap
van vier jonge, dappere, ondernemende en bedrijvige mannen zich een
ander doel moest voorstellen dan baldadige wandelingen, schermpartijen
en min of meer geestige gesprekken. En waarlijk vier mannen zooals zij,
vier aan elkander, van de beurs tot aan het leven verknochte mannen,
vier mannen die elkander steeds hulp verleenden, nooit weken en, hetzij
alleen of gezamenlijk, de gemeenschappelijk genomen besluiten ten
uitvoer brachten: vier armen, die dreigend zich naar de vier
hemelstreken uitstrekten, of zich op één punt vestigden, moesten
onvermijdelijk, hetzij in het duister, of bij het daglicht, of langs
mijnen, of door loopgraven, of door list, of door geweld, zich een weg
banen tot het doel, dat zij wilden bereiken, hoe goed het dan ook
verdedigd, of hoe verwijderd het ook mocht zijn.
Het eenige, wat d’Artagnan verwonderde, was, dat zijn vrienden hieraan
nog niet hadden gedacht. Maar hij dacht er aan in vollen ernst, zich de
hersens kwellende, ten einde die viervoudige tot één gebrachte kracht
een richting te geven, niet twijfelende of hij zou daarmede, zooals met
den hefboom, gelijk Archimedes beweerde, de wereld opheffen. Terwijl hij
hieraan dacht, werd er zacht aan de deur geklopt. D’Artagnan wekte
Planchet en beval hem te openen. De lezer verbeelde zich niet, door deze
woorden: d’Artagnan wekte Planchet, dat het nacht was, of dat de dag nog
niet gekomen was. Neen, het was vier uur in den namiddag. Twee uren te
voren was Planchet zijn meester om zijn middagmaal komen verzoeken, die
hem met het spreekwoord had geantwoord: Die slaapt, die eet. En Planchet
at en sliep nu. Een persoon van een eenvoudig uiterlijk, blijkbaar een
burgerman, werd binnengeleid. Planchet had gaarne tot dessert het
gesprek willen afluisteren, maar de burger verklaarde aan d’Artagnan,
dat hetgeen hij hem te zeggen had van het uiterste belang was en slechts
in vertrouwen hem kon worden medegedeeld, zoodat hij een afzonderlijk
gesprek verlangde. D’Artagnan liet Planchet vertrekken en verzocht zijn
bezoeker plaats te nemen. Er heerschte een oogenblik een diepe stilte,
gedurende welke beide mannen elkander beschouwden, als om vooraf
elkander te doorgronden, waarna d’Artagnan zich boog, ten teeken dat hij
zich tot luisteren gereed hield.
„Ik heb van den heer d’Artagnan hooren spreken als van een zeer dapperen
jongeling,” zeide de burgerman, „en die roem, welken hij zoo rechtmatig
verdient, heeft mij genoopt hem een geheim toe te vertrouwen.”--„Spreek,
mijnheer, spreek!” zeide d’Artagnan, die inwendig hierin iets
voordeeligs meende te bespeuren.--De burger hield een nieuwe pauze en
hernam: „Ik heb een vrouw, mijnheer! die in den dienst der koningin daar
over het lijnwaad het opzicht heeft en aan welke braafheid noch
schoonheid ontbreekt. Men heeft mij haar, ongeveer drie jaar geleden,
ten huwelijk gegeven, hoewel zij niet zeer bemiddeld was, en het was de
heer de la Porte, de slipdrager der koningin, haar pleegvader, die voor
haar zorgde.”--„Welnu, mijnheer?” vroeg d’Artagnan.--„Welnu,
mijnheer!” hernam de burger, „mijn vrouw is gisteren ochtend ontvoerd
geworden, toen zij haar werkkamer verliet.”--„En wie heeft uw
vrouw ontvoerd?”--„Ik weet hiervan niets met zekerheid; maar ik
heb vermoeden op zekeren persoon.”--„En wie is de persoon, dien
gij verdenkt?”--„Iemand, die haar reeds sedert geruimen tijd
volgt.”--„Duivelsch!....”--„Maar laat ik u er bij zeggen, mijnheer!”
ging de burger voort, „ik ben overtuigd, dat hieronder minder liefde dan
staatkunde schuilt.”--„Minder liefde dan staatkunde?” hernam d’Artagnan
op peinzenden toon, „wat vermoedt gij dan?”--„Ik weet niet, of ik u wel
mag zeggen, wat ik vermoed.”--„Mijnheer! ik moet u doen opmerken, dat ik
u volstrekt niets gevraagd heb.... Gij zijt het, die mij een bezoek hebt
komen brengen. Gij zijt het, die mij hebt gezegd, mij een geheim te
willen toevertrouwen.... Doe dus naar uw welgevallen, het is nog tijd u
terug te trekken.”--„Neen, mijnheer! neen, gij schijnt mij een zeer
eerlijk jongeling, ik wil daarom vertrouwen in u stellen.... Neen, ik
geloof niet dat het uit liefde is, dat men mijn vrouw heeft ontvoerd;
maar wel ten gevolge der liefde eener meer voorname vrouw dan
zij.”--„Ha, ha! zou het een gevolg zijn der liefde van mevrouw de
Bois-Tracy?” riep d’Artagnan, die den schijn aannam met de hofzaken goed
bekend te zijn.--„Nog hooger, mijnheer! nog hooger.”--„Van mevrouw
d’Aiguillon?”--„Nog hooger.”--„Van mevrouw de Chevreuse?”--„Nog hooger,
nog veel hooger.”--„Van....?”--D’Artagnan hield op.
„Ja, mijnheer!” antwoordde de ontstelde burger zoo zacht, dat men hem
nauwelijks kon verstaan.--„En met wien?”--„Met wien kan het anders zijn,
dan met den hertog van....”--„De hertog van....?”--„Ja, mijnheer!”
antwoordde de burger, zijn stem nog meer smorende.--„Maar hoe weet gij
dat toch?”--„Wel! hoe ik het weet?”--„Ja, hoe weet gij het? Geen half
vertrouwen, of.... gij begrijpt.”--„Ik weet het van mijn vrouw, van
niemand anders dan van mijn vrouw.... want zij weet het zeer
goed.”--„Van wien weet zij het?”--„Van den heer de la Porte.... Ik heb u
immers gezegd, dat zij de pleegdochter van den heer de la Porte, den
vertrouweling der koningin is. Welnu, de heer de la Porte heeft haar in
dienst van Hare Majesteit doen treden, opdat onze arme koningin althans
iemand zou hebben, aan wie zij haar vertrouwen kon schenken; verlaten,
zooals zij is, door den koning, bespied door den kardinaal, en door de
geheele wereld verraden.”--„Ha! ha! ziedaar ten minste eenige
lichtpunten,” zeide d’Artagnan.--„En mijn vrouw, mijnheer! kwam vier
dagen geleden te huis, daar een der voorwaarden van haar dienst is, dat
zij mij tweemaal in de week een bezoek moet komen brengen; want, zooals
ik de eer had u te zeggen, mijn vrouw draagt mij veel liefde toe. Mijn
vrouw was dan te huis gekomen en verhaalde mij in vertrouwen, dat op het
oogenblik de koningin in grooten angst verkeerde.”--„Waarlijk?”--„Ja. De
kardinaal schijnt haar meer dan ooit te vervolgen en te plagen. Hij kan
haar de geschiedenis der Sarabanda nog maar in het geheel niet vergeven.
Gij kent die historie immers?”--„_Pardieu_! of ik ze ken!” antwoordde
d’Artagnan, die er volstrekt niets van wist, maar die met alles bekend
wilde schijnen.--„Zoodat het thans geen haat maar wraakzucht
is.”--„Waarlijk?”--„En de koningin gelooft....”--„Wel, wat gelooft de
koningin?”--„Zij gelooft, dat men in haar naam aan den hertog van
Buckingham heeft geschreven.”--„In naam der koningin?”--„Ja, om hem
naar _Parijs_ te doen komen, om hem daar in een valstrik te
lokken.”--„Duivelsch! maar mijn waarde heer! wat heeft uw vrouw met dat
alles te maken?”--„Men kent haar gehechtheid aan de koningin, en men
wil, òf haar van haar meesteres verwijderen, òf haar vrees aanjagen, om
op die wijze van haar de geheimen der koningin te vernemen, òf men wil
haar verleiden, ten einde haar als een bespiedster te gebruiken.”--„Dat
is waarschijnlijk,” zeide d’Artagnan; „maar kent gij den man, die haar
heeft ontvoerd?”--„Ik heb u gezegd, dat ik geloofde hem te
kennen.”--„Zijn naam?”--„Dien ken ik niet; ik weet alleen, dat het een
dienaar des kardinaals is, een zijner vertrouwelingen.”--„Gij hebt hem
gezien?”--„Ja, mijn vrouw heeft hem mij eenmaal aangewezen.”--„Heeft hij
iets buitengewoons, waaraan men hem zou kunnen herkennen?”--„O ja, hij
is een edelman van een verhevene gestalte, met zwart hoofdhaar,
bruinkleurig van gelaat, doordringende oogen, witte tanden en een
litteeken aan den linker slaap des hoofds.”--„Een litteeken aan den
linker slaap,” riep d’Artagnan, „en daarbij witte tanden, bruinkleurig,
zwart haar en verhevene gestalte, dat is mijn man van _Meung_.”--„Dat is
uw man, zegt gij?”--„Ja, ja, doch dat doet niets ter zake. Maar neen, ik
verspreek mij, mijn zaak wordt des te gemakkelijker; want indien uw man
de mijne is, dan volvoer ik twee wraaknemingen in één slag; ziedaar!
maar waar dien man te vinden?”--„Dat weet ik volstrekt niet.”--„Hebt
gij niet de minste aanwijzing omtrent zijn woonplaats?”--„Niet de
minste. Op zekeren dag, dat ik mijn vrouw naar het Louvre terugbracht,
kwam hij er uit, op het oogenblik dat zij binnentrad, en toen wees
zij hem mij aan.”--„Duivelsch! duivelsch!” mompelde d’Artagnan, „dat
alles helpt ons nog niets. Wie heeft u van de ontvoering uwer
vrouw kennis gegeven?”--„De heer de la Porte.”--„Heeft hij u eenige
bijzonderheden medegedeeld?”--„Hij kende er zelf volstrekt geene.”--„En
hebt gij niets van een andere zijde vernomen?”--„Ja, wel, ik
ontving....”--„Wat?”--„Maar ik weet niet, of ik niet een groote
onvoorzichtigheid bega.”--„Begint gij opnieuw daarover? intusschen moet
ik u doen opmerken, dat het een weinig te laat is, u nu terug te
trekken.”--„Ik ga niet terug, _mordieu_!” riep de burger, vloekende, om
zich zelven aan te sporen. „Bovendien, zoo waar ik Bonacieux
heet....”--„Gij heet Bonacieux?” viel d’Artagnan hem in de rede.--„Ja,
dat is mijn naam.”--„Gij zeidet dan: Zoo waar ik Bonacieux heet. Vergeef
mij uw rede te hebben afgebroken, maar ik meende, dat mij die naam niet
onbekend was.”--„Wel mogelijk, mijnheer! want ik ben de eigenaar van dit
huis.”--„O! o!” riep d’Artagnan, even van zijn stoel opstaande en
groetende. „Ha! gij zijt mijn huisheer?”--„Ja, mijnheer! ja. En dewijl
sedert drie maanden, dat gij bij mij inwoont, uw gewichtige bezigheden u
zeker hebben doen verzuimen mij de huur te voldoen, en dewijl, zeg ik,
ik u niet een oogenblik ben lastig gevallen, meende ik, dat gij mijn
kieschheid zoudt in aanmerking nemen.”--„Wel hoe, mijn waarde heer
Bonacieux!” hernam d’Artagnan, „wees verzekerd, dat ik vol
erkentelijkheid ben voor zulk een handelwijze, en dat, zooals ik u
gezegd heb, indien ik u in iets van dienst kan zijn....”--„Ik geloof u,
mijnheer en, zooals ik u wilde zeggen: zoo waar ik Bonacieux heet, ik
stel in u vertrouwen.”--„Voleind dan hetgeen gij mij wildet zeggen.”
De burger haalde een papier uit zijn zak en bood het d’Artagnan
aan.--„Een brief!” zeide de jongeling.--„Dien ik hedenochtend heb
ontvangen.”--D’Artagnan opende hem, en wijl de avond begon te vallen,
naderde hij het venster. De burger volgde hem.
„_Zoek uw vrouw niet_,” las d’Artagnan, „_zij zal u worden teruggegeven,
wanneer men haar niet meer zal noodig hebben. Indien gij één enkelen
stap doet, om haar weer te vinden, zijt gij verloren_.”
„Dat ten minste is duidelijk,” ging d’Artagnan voort; „maar in alle
geval is het niets meer dan een bedreiging.”--„Ja, maar die bedreiging
doet mij beven, mijnheer! ik ben volstrekt geen held en zeer bang voor
de Bastille.”--„Hm!” lispte d’Artagnan, „maar ik ben evenals gij, en kom
liefst niet in aanraking met de Bastille. Indien het een degensteek
betrof, dat kan er nog mede door.”--„Intusschen, mijnheer! had ik
inderdaad in deze omstandigheid op u gerekend.”--„Ja.”--„Daar
ik u steeds in het gezelschap zie van musketiers van een zeer
ontzaginboezemend voorkomen en weet, dat deze musketiers die des heeren
de Tréville en bijgevolg vijanden van den kardinaal zijn, meende
ik, dat gij en uw vrienden, door onze arme koningin te hulp te
komen, verheugd zoudt zijn Zijne Eminentie een leelijken trek te
spelen.”--„Ongetwijfeld.”--„En vervolgens dacht ik aan de drie
maanden huur, die gij mij schuldig zijt, en waarom ik u nooit heb
gevraagd.”--„Ja, ja! gij hebt mij dit reeds te verstaan gegeven en die
reden vind ik voortreffelijk.”--„Daarenboven is het mijn voornemen, zoo
lang gij mij de eer zult aandoen in mijn huis te blijven, u nooit, zelfs
niet in het toekomstige, over de huur aan te spreken.”--„Heel
goed!”--„En voeg daarbij, indien zulks noodig mocht zijn, dat ik bereid
ben u een vijftigtal pistolen aan te bieden, indien gij, tegen alle
waarschijnlijkheid, op dit oogenblik om eenig geld verlegen mocht
zijn.”--„Kostelijk! Gij zijt dus rijk, mijn beste heer Bonacieux?”--„Ik
kan leven, mijnheer! dat kan ik zeggen; ik heb zoo wat twee tot drie
duizend kronen inkomen, bijeengegaard door mijn kleine winkelnering,
maar vooral door het beleggen van eenige gelden in de laatste reis van
den beroemden zeereiziger Jean Mocquet, zoodat gij wel begrijpt,
mijnheer!....”
„Ha! zie!” riep de burger.--„Wat?” vroeg d’Artagnan.--„Wat zie ik
daar!”--„Waar?”--„Op straat, tegenover uw venster, onder den post van
die deur; een man in een mantel gehuld!”--„Hij is het!” riepen
gelijktijdig d’Artagnan en de burger, daar zij elk voor zich zelven hun
man hadden herkend.--„Ha! dezen keer,” riep d’Artagnan, zijn degen
grijpende, „dezen keer zal hij mij niet ontsnappen!”--En zijn degen uit
de scheede trekkende, stortte hij het vertrek uit.
Op de trap ontmoette hij Athos en Porthos, die hem een bezoek kwamen
brengen. Zij gingen op zijde, en d’Artagnan vloog als een pijl tusschen
beiden door.--„Hei daar! waarheen moet dat?” riepen hem eenparig de twee
musketiers na.--„De man van Meung,” antwoordde d’Artagnan, en hij
verdween.
D’Artagnan had meer dan eens aan zijn vrienden zijn ontmoeting met den
vreemdeling verhaald, zoowel als de verschijning van de schoone
reizigster, aan welke die man een zoo gewichtige zending had
toevertrouwd. Het oordeel van Athos hieromtrent was, dat d’Artagnan zijn
brief in de worsteling verloren had. Volgens zijn denkwijze, en te
oordeelen naar het portret, dat d’Artagnan van den vreemdeling had
geschetst, kon deze niet anders dan een edelman zijn geweest, en een
edelman was niet in staat de laagheid te begaan een brief te stelen.
Porthos had in dat alles niets anders dan een verliefde samenkomst
gezien, welke door een dame aan een minnaar of door een minnaar aan een
dame was gegeven, maar die gestoord was geworden door d’Artagnan’s
tegenwoordigheid en die van zijn geel paard. Aramis had gezegd, dat
dergelijke zaken iets geheimzinnigs bevatten en dat het beter was ze
niet te doorgronden.--Zij begrepen diensvolgens uit de weinige woorden,
die aan d’Artagnan ontglipten, waarvan sprake was, en daar zij
veronderstelden, dat d’Artagnan, na zijn man ingehaald of hem uit het
gezicht verloren te hebben, eindelijk weder naar huis zou terugkeeren,
klommen zij verder de trap op.
Toen zij de kamer van d’Artagnan binnentraden, was die verlaten; de
eigenaar, bevreesd voor de gevolgen, welke de ontmoeting tusschen den
jongeling en den vreemdeling zou hebben, had het voorzichtig geoordeeld
zich te verwijderen.