De huishouding der Musketiers.
Toen d’Artagnan buiten het Louvre was, en hij zijn vrienden raadpleegde,
op welke wijze hij van zijn aandeel in de veertig pistolen gebruik moest
maken, gaf Athos hem den raad, een goeden maaltijd in _den Mastappel_ te
bestellen, Porthos dien, van een lakei te nemen en Aramis, een
bekoorlijke minnares te zoeken. Men zat nog dienzelfden dag aan het
maal, terwijl de nieuwe lakei aan tafel bediende. Het maal was door
Athos besteld en de lakei door Porthos bezorgd. Deze was een Picardiër,
dien de prachtlievende musketier dienzelfden dag op de brug de la
Tournelle had aangetroffen, zich vermakende met in het water kringen te
spuwen. Porthos oordeelde, dat deze bezigheid het bewijs was eener
bedachtzame en oplettende zielsgesteldheid, en had hem daarom zonder
eenige verdere aanbeveling aangenomen. De voorname houding van den
edelman, in wiens dienst hij meende te komen, had Planchet (zoo heette
de Picardiër) overgehaald; maar hij was eenigszins teleurgesteld, toen
hij bemerkte, dat de plaats reeds was ingenomen door een anderen knecht,
genaamd Mousqueton, en toen Porthos hem had beduid, dat, hoezeer een
grooten staat voerende, deze echter geen twee dienaren vereischte en hij
in dienst van d’Artagnan moest gaan. Terwijl hij intusschen aan tafel
bediende en zijn meester een handvol goud uit den zak zag halen, om te
betalen, waande hij zijn fortuin gemaakt en dankte hij den hemel, in de
handen van zulk een Cresus gevallen te zijn; hij bleef in dat denkbeeld
tot na den afloop van het feestmaal, door welks overblijfselen hij zich
van een lange vasten herstelde. Maar toen hij des avonds het bed van
zijn meester opmaakte, verdwenen de luchtkasteelen van Planchet. De
woning, die slechts uit een voor- en een slaapkamer bestond, bevatte
niet meer dan één bed, en Planchet moest in de voorkamer op een deken
van het bed van d’Artagnan slapen, waarvan deze zich daarna niet meer
bediende. Athos had van zijn kant een knecht, Grimaud genaamd, dien hij
op een geheel bijzondere wijze tot zijn dienst gevormd had. Die waardige
edelman was zeer stilzwijgend; wij spreken wel te verstaan van Athos.
Sedert vijf of zes jaren, dat hij met zijn wapenbroeders, Porthos en
Aramis, in de grootste vriendschap had verkeerd, herinnerden zich dezen,
hem wel te hebben zien glimlachen, maar nooit hem te hebben hooren
lachen. Zijn woorden waren kort en nadrukkelijk, steeds datgene te
kennen gevende, wat zij moesten en niets meer; geen uitweidingen, geen
zinspelingen, geen bloemspraak; zijn gesprek was een daadzaak zonder de
minste inlassching. Hoewel Athos nauwelijks dertig jaren oud en zeer
schoon, zoowel naar ziel als lichaam was, kende niemand hem een
minnares. Nooit sprak hij over vrouwen. Maar hij belette niet, dat men
er in zijn tegenwoordigheid over sprak; ofschoon het gemakkelijk was te
zien, dat deze soort van gesprekken, waaraan hij niet dan met bittere
woorden en menschhatende beschouwingen deel nam, hem bijzonder
onaangenaam waren. Zijn afgetrokkenheid, zijn menschenhaat en zijn
sprakeloosheid maakten hem bijna tot een grijsaard, en om van zijn
gewoonten niet af te wijken, had hij Grimaud geleerd, op het zien van
een enkelen oogwenk, of eener stomme beweging der lippen, hem te
begrijpen; slechts in gewichtige omstandigheden richtte hij tot hem het
woord. Bijwijlen gebeurde het dan, dat Grimaud, die zijn heer als vuur
vreesde, maar nochtans hem veel genegenheid toedroeg en voor zijn genie
diepen eerbied koesterde, zich verbeeldende de bevelen zijns meesters
volkomen begrepen te hebben, spoed maakte om ze te volvoeren, doch dan
gewoonlijk juist het verkeerde volbracht. Athos trok dan de schouders op
en ranselde Grimaud. Alleen bij die gelegenheden ontvielen hem eenige
woorden.
Porthos, zooals men heeft kunnen opmerken, bezat een geheel anderen aard
dan Athos; niet alleen dat hij veel sprak, maar hij deed zulks zeer
luide; trouwens, hij stoorde er zich niet aan, men moet hem dit recht
laten wedervaren, of men naar hem luisterde of niet; hij sprak alleen
uit praatzucht en om het vermaak zich zelven te hooren. Hij sprak over
alles, behalve over wetenschappelijke zaken, voor welke hij een
aangeboren haat liet blijken, dien hij zeide den geleerden reeds sedert
zijn kindsheid toe te dragen. Van minder voorname houding dan Athos,
deed het gevoel dier minderheid hem vaak jegens dien edelman onbillijk
zijn en trachtte hij dezen door schitterende kleeding in de schaduw te
stellen. Doch in zijn eenvoudig musketiersgewaad, en alleen door de
wijze op welke hij het hoofd achterover wierp en den voet neerzette, nam
Athos vanzelf de plaats in, die hem toekwam, terwijl hij den pralenden
Porthos een trede deed dalen. Porthos troostte zich hierover, door de
voorzaal van Tréville’s hotel en de wachtkamer van het Louvre van zijn
liefdesgevallen te doen weergalmen, zaken waarover Athos nooit sprak. En
voor het oogenblik, na zoowel adellijke als burgerdames over de tong te
hebben laten gaan, sprak Porthos over niets minder dan van zekere
vreemde prinses, die hem ongeloofelijk veel liefde bewees. Het
spreekwoord zegt: zoo meester zoo knecht; gaan wij dus van den knecht
van Athos tot dien van Porthos, van Grimaud op Mousqueton over.
Mousqueton was een Normandiër, wiens vreedzame naam Bonifacius door zijn
meester in den veel meer welluidenden krijgsmansnaam van Mousqueton was
veranderd. De voorwaarde, die hem in dienst van Porthos had doen treden,
was: dat deze hem kleeding en huisvesting zou verschaffen en zulks met
de meeste pracht. Bovendien begeerde hij niets anders, dan twee uren
daags te zijner beschikking te behouden, om die toe te wijden aan zekere
nijverheid, wier opbrengst toereikend was ter bestrijding zijner overige
behoeften. Porthos had het akkoord aangegaan; een heerlijke zaak voor
hem. Hij liet voor Mousqueton uit zijn afgelegde kleedingstukken en
mantels buizen en broeken snijden, dank zij een zeer behendigen
kleermaker, die hem de kleedingstukken als nieuw terug bezorgde door ze
te keeren, en wiens vrouw verdacht werd, Porthos zijn aristocratische
gewoonten somwijlen te doen afleggen; zoo zag Mousqueton, achter zijn
meester voorttredende, er zeer goed uit.
Aramis, van wien wij meenen genoegzaam het karakter te hebben
beschreven, een karakter trouwens, dat wij, zooals dat zijner
wapenbroeders, in zijn ontwikkeling kunnen volgen, had een knecht, die
Bazijn werd genoemd. Uit hoofde der hoop zijns meester, om eenmaal tot
den geestelijken stand over te gaan, was hij altijd in het zwart
gekleed, zooals het den dienaar eens geestelijken betaamt. Hij was
geboortig uit Berry en vijf en dertig tot veertig jaar oud, van
zachtmoedigen, vreedzamen aard en mollig van lichaam; hij besteedde de
vrije oogenblikken, die hem zijn meester liet, met het lezen van
stichtelijke boeken; als het vereischt werd, maakte hij een maal voor
twee personen gereed, dat wel is waar uit weinig gerechten bestond, maar
overheerlijk was. Overigens was hij stom, blind, doof, kortom van een
beproefde trouw.
Thans, nu wij ten minste oppervlakkig zoowel meesters als knechts
kennen, kunnen wij tot de door elk hunner bewoond wordende vertrekken
overgaan. Athos woonde in de straat Férou, op een paar schreden afstands
van het Luxembourg. Zijn vertrekken bestonden uit twee kleine, van zeer
net huisraad voorziene kamers--van welke de eigenares, die nog jong en
inderdaad schoon was, vruchteloos hem verliefde lonken toewierp. Eenige
overblijfselen van vroegeren luister blonken hier en daar op de muren
van dat eenvoudig verblijf: bij voorbeeld een degen, rijk gedamasceerd,
die, naar het model te oordeelen, tot den tijd van Frans I opklom, en
waarvan de greep, die met edelsteenen was bezet, alleen op tweehonderd
pistolen kon worden geschat en dien Athos, zelfs in oogenblikken van
hoogen nood, nooit had willen beleenen of verkoopen; deze degen had lang
de begeerlijkheid van Porthos geprikkeld; hij zou tien jaren van zijn
leven hebben willen geven voor het bezit van dien degen.
Op zekeren tijd, dat hij een samenkomst met een hertogin had
afgesproken, trachtte hij dien zelfs van Athos ter leen te verkrijgen.
Athos, zonder één woord te spreken, ledigde zijn zakken, bracht al zijn
kostbaarheden bij elkander, beurzen, rijgsnoeren en gouden kettingen en
bood dit alles Porthos aan; „maar wat den degen betreft,” zeide hij,
„die is op zijn plaats vastgeklonken en verlaat die niet, dan wanneer de
eigenaar de woning verlaat.”
Behalve dien degen bezat hij nog een portret, een edelman uit den tijd
van Hendrik III voorstellende, prachtig gekleed en versierd met de orde
van den Heiligen Geest. Het gelaat van dat portret had wel eenige
gelijkenis met dat van Athos en bezat een soort van familietrek, die
genoegzaam aanduidde, dat die groote heer, ridder der koninklijke orden,
een zijner voorvaders was geweest. Eindelijk stond een kostbaar gouden
kistje, met hetzelfde wapen versierd, dat zich ook op den degen en het
portret bevond, midden op den schoorsteenmantel en stak niet weinig af
bij het overige huisraad. Athos droeg steeds den sleutel van dat kistje,
dat niets anders dan brieven en andere papieren bevatte, ongetwijfeld
minnebrieven en familiepapieren.
Porthos bewoonde zeer ruime vertrekken in een huis van een zeer prachtig
aanzien, in de straat _Vieux Colombier_. Telkens wanneer hij met eenige
vrienden zijn vensters voorbijging, voor een van welke Mousqueton steeds
in groote livrei te zien was, hief Porthos het hoofd op en met de hand
het huis aanwijzende, zeide hij: „_Ziedaar mijn woning!_” Maar nooit
vond men hem te huis, nooit verzocht hij iemand bij zich en niemand was
er, die zich een denkbeeld vormen kon van de werkelijke schatten, die
deze oogenschijnlijk prachtige woning bevatte.
Aramis bewoonde eenige kleine vertrekken, bestaande in een klein salon,
een eetzaal en een slaapkamer, welke laatste, evenals de overige, het
benedengedeelte van het huis besloeg en op een kleinen, frisschen,
groenen, lommerrijken en voor het oog der geburen ondoordringbaren tuin
uitkwam.
Wat d’Artagnan betreft, wij weten op wat wijze hij was gehuisvest en
hebben reeds met zijn lakei, meester Planchet, kennis gemaakt.
D’Artagnan, die zeer nieuwsgierig was, zooals trouwens allen, die den
geest van intrigue bezitten, stelde alle pogingen in het werk om er
achter te komen, wie toch eigenlijk Athos, Porthos en Aramis waren; want
onder deze oorlogsnamen verborg elk hunner zijn adellijken
geslachtsnaam, vooral Athos, die in al zijn handelingen den edelman
vertoonde. Hij wendde zich tot Porthos om een en ander nopens Athos en
Aramis te vernemen, en tot Aramis om Porthos te leeren kennen.
Ongelukkig wist Porthos omtrent het leven van zijn zwijgenden vriend
niets anders dan datgene, wat er van was uitgelekt. Men zeide, dat hij
zware rampen in zijn liefde had ondervonden en dat een vreeselijk
verraad voor altijd het leven van dien beminnelijken man had vergald.
Maar waarin dat verraad bestond, was voor de geheele wereld een geheim.
Behalve den waren naam van Porthos, dien de heer de Tréville alleen
kende, zoowel als dien zijner beide wapenbroeders, was zijn leven niet
moeilijk te doorgronden. IJdel en praatziek, kon men hem doorzien, alsof
hij van glas ware geweest. Men zou alleen in het onderzoek omtrent hem
op den dwaalweg gebracht kunnen zijn geworden, door aan al het goede
geloof te hechten, dat hij van zich zelven zeide. Wat Aramis betreft,
deze, hoewel den schijn aannemende volstrekt niets geheimzinnigs te
bezitten, was een jongeling, in allerhande geheimen doorkneed, zeer
weinig antwoordende op de vragen, die men hem omtrent anderen deed, en
die hem zelven betroffen ontwijkende.
Op zekeren dag, na hem langdurig over Porthos ondervraagd te hebben
en door hem het gerucht vernemende, dat van de goede vertrouwelijkheid
des musketiers met een prinses in omloop was, wilde nu ook
d’Artagnan een en ander van de verliefde avonturen van hem, dien hij
ondervroeg, weten.--„En gij, mijn waarde vriend!” zeide hij, „gij,
die over de baronessen, de gravinnen en de prinsessen der anderen
spreekt?”--„Vergeef mij,” viel Aramis hem in de rede, „hierover sprak
ik, omdat Porthos er zelf over spreekt, en hij al die fraaiigheden in
mijn tegenwoordigheid voor het publiek heeft uitgekraamd. Maar wees
verzekerd, mijn waarde heer d’Artagnan! dat, indien ik hiermede op een
andere wijze was bekend geraakt, of hij mij zulks had toevertrouwd,
niemand dat geheim strenger bewaard zou hebben dan ik.”--„Ik twijfel
hieraan niet,” hernam d’Artagnan; „maar in alle geval geloof ik, dat gij
zelf tamelijk gemeenzaam zijt met zeker geslachtswapen, waarvoor de
geborduurde zakdoek niet weinig grond geeft, en die mij de eer heeft
bezorgd, met u in kennis te raken.”
Nu werd Aramis niet meer boos, maar hij nam een zeer nederige houding
aan en antwoordde vriendelijk: „Mijn waarde! houd toch in het oog, dat
ik tot de kerk behoor en alle wereldsche zaken vlied. De zakdoek, dien
gij mij hebt zien ontvallen, was mij niet gegeven geworden, maar werd
door een mijner vrienden bij mij achtergelaten. Ik nam hem mede, opdat
daardoor de goede naam der dame, die hij bemint, niet verloren zou gaan.
Wat mij betreft, ik heb noch wil een minnares hebben en volg hierin het
zeer verstandig voorbeeld van Athos, die er evenmin eene heeft als
ik.”--„Maar wat duivel! gij zijt geen pastoor, maar een
musketier.”--„Musketier, voorloopig, mijn waarde! zooals de kardinaal
zegt; musketier, in afwachting van iets anders en tegen mijn wil, maar
geestelijke in mijn hart, geloof mij. Athos en Porthos hebben mij er toe
overgehaald, om mij eenige bezigheid te verschaffen; want ik had op het
oogenblik mijner priesterwijding een kleine onaangenaamheid met.... Maar
dat is voor u van volstrekt geen belang en ik ontneem u een kostbaren
tijd.”--„In het geheel niet, ik stel er integendeel zeer veel belang
in,” riep d’Artagnan, „en voor het oogenblik heb ik volstrekt niets te
doen.”--„Ja, maar ik moet mijn brevier gaan lezen,” antwoordde Aramis,
„vervolgens eenige dichtregelen schrijven voor mevrouw d’Aiguillon, die
mij die verzocht heeft, dan moet ik naar de straat St. Honoré, om voor
mevrouw de Chevreuse blanketsel te koopen; gij ziet dus wel, mijn waarde
vriend! dat, indien gij volstrekt geen haast hebt, ik integendeel het
zeer druk heb.”--En Aramis reikte zijn jongen makker vriendelijk de hand
en nam van hem afscheid.
Het was d’Artagnan niet mogelijk, welke moeite hij ook deed, iets naders
nopens zijn drie nieuwe vrienden te vernemen. Hij bepaalde er zich dus
voorloopig toe alles te gelooven, wat men hem over hun verleden
verhaalde, van de toekomst zekerder en vollediger mededeelingen
verwachtende. Intusschen beschouwde hij Athos als een Achilles, Porthos
als een Ajax en Aramis als een Jozef. Overigens was de leefwijze der
vier jongelieden van een vroolijken aard: Athos speelde, doch steeds met
verlies. Echter leende hij nooit van zijn vrienden één penning, hoewel
zijn beurs steeds voor hen geopend was; en wanneer hij op zijn woord had
gespeeld, ging hij altijd zijn schuldeischer des morgens te zes uur
wekken, om hem zijn schuld van den vorigen avond te voldoen. Porthos had
luimen: op de dagen, dat hij won, was hij onbeschoft en tevens mild;
wanneer hij verloor, zag men hem volstrekt niet gedurende eenige dagen,
waarna hij met een bleek en vrij lang gezicht, maar met geld in den zak,
wederom te voorschijn kwam. Aramis speelde nooit. Hij was voorwaar de
ongeschiktste musketier en de ongezelligste jongeling in gezelschap, die
er te vinden was. Hij had altijd iets te doen. Somwijlen gebeurde het,
dat, te midden van een gastmaal, wanneer allen, opgewonden door den
wijn, zich aan vroolijken kout overgaven en men nog een uur of drie aan
tafel dacht te blijven, Aramis op zijn horloge zag, met een bevalligen
glimlach van zijn plaats opstond en afscheid van het gezelschap nam, om,
zooals hij zeide, een samenkomst te gaan houden met een godgeleerde, ter
doorgronding van zekere geschilpunten. Een andermaal keerde hij naar
huis terug, om een thesis af te werken, aan zijn vrienden verzoekende
hem niet te storen. Dan glimlachte Athos met den bevalligen maar
droefgeestigen lach, die zoo wel met zijn gelaatstrekken overeenkwam,
terwijl Porthos zijn glas ledigde, zwerende dat Aramis nooit iets meer
dan een dorpspastoor zou zijn.
Planchet, de knecht van d’Artagnan, verdroeg de weelde goed; hij ontving
dagelijks anderhalve frank, en gedurende een maand kwam hij te huis
vroolijk als een vink en vol voorkomendheid jegens zijn meester. Toen de
wind des tegenspoeds begon te waaien over de huishouding der
Doodgraversstraat, dat is te zeggen, toen de veertig pistolen van koning
Lodewijk XIII zoo niet geheel, althans gedeeltelijk waren verteerd,
begon hij klachten aan te heffen, die Athos akelig, Porthos
onwelvoegelijk en Aramis dwaas vond. Athos gaf dus aan d’Artagnan den
raad den snaak weg te jagen; Porthos, dat men hem vooraf een dracht
slagen zou geven, en Aramis beweerde, dat een meester niets anders dan
het goede, dat men van hem zeide, behoefde af te wachten.
„Dat kunt gijlieden gemakkelijk zeggen,” zeide d’Artagnan. „Gij, Athos!
die stom voor Grimaud zijt, hem verbiedt te spreken en bijgevolg nooit
iets verkeerds van hem hoort; gij, Porthos! die een prachtig leven leidt
en een God voor uw knecht Mousqueton zijt, en eindelijk gij, Aramis!
die, steeds aan uw godgeleerde studiën overgegeven, een diepen eerbied
aan uw zachtaardigen en vromen dienaar Bazijn inboezemt. Maar ik, die
niets beteeken of eenige middelen heb, ik, die musketier noch lijfwacht
ben, wat moet ik doen, om Planchet genegenheid, vrees of eerbied in te
boezemen?”--„De zaak is teer,” antwoordden de drie vrienden; „het is een
huishoudelijke zaak en het is met de knechts als met de vrouwen, men
moet hen onmiddellijk op den voet stellen, waarop men wil dat zij
blijven zullen.... Overweeg daarom.”
D’Artagnan overwoog en besloot Planchet bij voorbaat een pak slaag te
geven, hetgeen werd uitgevoerd met de nauwgezetheid, welke d’Artagnan
gewoon was in alle dingen in acht te nemen. Toen, na hem duchtig te
hebben afgerost, verbood hij hem zijn dienst te verlaten zonder zijn
verlof; „want,” voegde hij er bij, „de toekomst moet mij geluk schenken,
ik wacht dan ook stellig betere tijden. Uw fortuin is dus gemaakt,
wanneer gij bij mij blijft, en ik ben een al te goed meester, om u uw
fortuin te doen ontgaan, door u verlof te geven om te vertrekken.”
Deze handelwijze boezemde den musketiers voor het doorzicht van
d’Artagnan veel eerbied in. Planchet was niet minder door bewondering
opgetogen en sprak niet meer van te vertrekken. De vier jongelingen
leefden samen; d’Artagnan, aan hoegenaamd geen gewoonten verslaafd,
dewijl hij uit de provincie te midden van een voor hem geheel nieuwe
wereld terechtkwam, maakte zich onmiddellijk de gewoonten zijner
vrienden eigen. Men stond des winters te acht en des zomers tegen zes
uur op, waarna men bij den heer de Tréville naar het wachtwoord ging
vernemen en zien hoe de zaken dáár stonden. D’Artagnan, ofschoon geen
musketier, nam den dienst echter met roerende nauwgezetheid waar; hij
was altijd op de wacht, omdat hij steeds dengenen zijner vrienden
gezelschap hield, wiens wachtbeurt het was. Men kende hem aan het hotel
der musketiers en allen beschouwden hem als een goed kameraad.
De heer de Tréville, die hem op het eerste gezicht naar waarde had
geschat en hem veel vriendschap toedroeg, hield niet op, hem den koning
aan te bevelen. Ook de drie musketiers betoonden van hun kant hun
jeugdigen makker veel genegenheid. Die vriendschap, welke deze vier
mannen vereenigde, en de behoefte elkander drie of viermaal daags te
zien en te spreken, dan nopens een tweegevecht, dan wegens zaken of
uitspanningen, deed hen elkander achterna loopen als de schaduw het
lichaam en men ontmoette steeds de onafscheidbaren, elkander zoekende,
tusschen het Luxembourg en het plein St. Sulpice, of van de straat Vieux
Colombier tot aan het Luxembourg.
Intusschen verwezenlijkten zich de beloften van den heer de Tréville. Op
zekeren dag beval de koning den ridder des Essarts, d’Artagnan als kadet
in zijn gardekompagnie in te lijven. D’Artagnan hulde zich al zuchtende
in die uniform, welke hij voor tien jaren zijns levens tegen den
musketiersrok zoude hebben willen verruilen. De heer de Tréville
beloofde hem echter die gunst na een tweejarigen leertijd, die trouwens
kon verkort worden, indien de gelegenheid zich aanbood, dat d’Artagnan
den koning een of anderen dienst bewijzen of een schitterende daad
verrichten kon. D’Artagnan verwijderde zich op die belofte en den
volgenden dag nam zijn dienst een aanvang. Toen was de beurt aan Athos,
Porthos en Aramis, om met d’Artagnan de wacht te betrekken, wanneer het
de beurt van dezen was: zoodat de kompagnie van den ridder des Essarts,
op den dag dat d’Artagnan werd ingelijfd, vier manschappen in plaats van
één verkreeg.