HOOFDSTUK VII.

De huishouding der Musketiers.

Toen d’Artagnan buiten het Louvre was, en hij zijn vrienden raadpleegde,

op welke wijze hij van zijn aandeel in de veertig pistolen gebruik moest

maken, gaf Athos hem den raad, een goeden maaltijd in _den Mastappel_ te

bestellen, Porthos dien, van een lakei te nemen en Aramis, een

bekoorlijke minnares te zoeken. Men zat nog dienzelfden dag aan het

maal, terwijl de nieuwe lakei aan tafel bediende. Het maal was door

Athos besteld en de lakei door Porthos bezorgd. Deze was een Picardiër,

dien de prachtlievende musketier dienzelfden dag op de brug de la

Tournelle had aangetroffen, zich vermakende met in het water kringen te

spuwen. Porthos oordeelde, dat deze bezigheid het bewijs was eener

bedachtzame en oplettende zielsgesteldheid, en had hem daarom zonder

eenige verdere aanbeveling aangenomen. De voorname houding van den

edelman, in wiens dienst hij meende te komen, had Planchet (zoo heette

de Picardiër) overgehaald; maar hij was eenigszins teleurgesteld, toen

hij bemerkte, dat de plaats reeds was ingenomen door een anderen knecht,

genaamd Mousqueton, en toen Porthos hem had beduid, dat, hoezeer een

grooten staat voerende, deze echter geen twee dienaren vereischte en hij

in dienst van d’Artagnan moest gaan. Terwijl hij intusschen aan tafel

bediende en zijn meester een handvol goud uit den zak zag halen, om te

betalen, waande hij zijn fortuin gemaakt en dankte hij den hemel, in de

handen van zulk een Cresus gevallen te zijn; hij bleef in dat denkbeeld

tot na den afloop van het feestmaal, door welks overblijfselen hij zich

van een lange vasten herstelde. Maar toen hij des avonds het bed van

zijn meester opmaakte, verdwenen de luchtkasteelen van Planchet. De

woning, die slechts uit een voor- en een slaapkamer bestond, bevatte

niet meer dan één bed, en Planchet moest in de voorkamer op een deken

van het bed van d’Artagnan slapen, waarvan deze zich daarna niet meer

bediende. Athos had van zijn kant een knecht, Grimaud genaamd, dien hij

op een geheel bijzondere wijze tot zijn dienst gevormd had. Die waardige

edelman was zeer stilzwijgend; wij spreken wel te verstaan van Athos.

Sedert vijf of zes jaren, dat hij met zijn wapenbroeders, Porthos en

Aramis, in de grootste vriendschap had verkeerd, herinnerden zich dezen,

hem wel te hebben zien glimlachen, maar nooit hem te hebben hooren

lachen. Zijn woorden waren kort en nadrukkelijk, steeds datgene te

kennen gevende, wat zij moesten en niets meer; geen uitweidingen, geen

zinspelingen, geen bloemspraak; zijn gesprek was een daadzaak zonder de

minste inlassching. Hoewel Athos nauwelijks dertig jaren oud en zeer

schoon, zoowel naar ziel als lichaam was, kende niemand hem een

minnares. Nooit sprak hij over vrouwen. Maar hij belette niet, dat men

er in zijn tegenwoordigheid over sprak; ofschoon het gemakkelijk was te

zien, dat deze soort van gesprekken, waaraan hij niet dan met bittere

woorden en menschhatende beschouwingen deel nam, hem bijzonder

onaangenaam waren. Zijn afgetrokkenheid, zijn menschenhaat en zijn

sprakeloosheid maakten hem bijna tot een grijsaard, en om van zijn

gewoonten niet af te wijken, had hij Grimaud geleerd, op het zien van

een enkelen oogwenk, of eener stomme beweging der lippen, hem te

begrijpen; slechts in gewichtige omstandigheden richtte hij tot hem het

woord. Bijwijlen gebeurde het dan, dat Grimaud, die zijn heer als vuur

vreesde, maar nochtans hem veel genegenheid toedroeg en voor zijn genie

diepen eerbied koesterde, zich verbeeldende de bevelen zijns meesters

volkomen begrepen te hebben, spoed maakte om ze te volvoeren, doch dan

gewoonlijk juist het verkeerde volbracht. Athos trok dan de schouders op

en ranselde Grimaud. Alleen bij die gelegenheden ontvielen hem eenige

woorden.

Porthos, zooals men heeft kunnen opmerken, bezat een geheel anderen aard

dan Athos; niet alleen dat hij veel sprak, maar hij deed zulks zeer

luide; trouwens, hij stoorde er zich niet aan, men moet hem dit recht

laten wedervaren, of men naar hem luisterde of niet; hij sprak alleen

uit praatzucht en om het vermaak zich zelven te hooren. Hij sprak over

alles, behalve over wetenschappelijke zaken, voor welke hij een

aangeboren haat liet blijken, dien hij zeide den geleerden reeds sedert

zijn kindsheid toe te dragen. Van minder voorname houding dan Athos,

deed het gevoel dier minderheid hem vaak jegens dien edelman onbillijk

zijn en trachtte hij dezen door schitterende kleeding in de schaduw te

stellen. Doch in zijn eenvoudig musketiersgewaad, en alleen door de

wijze op welke hij het hoofd achterover wierp en den voet neerzette, nam

Athos vanzelf de plaats in, die hem toekwam, terwijl hij den pralenden

Porthos een trede deed dalen. Porthos troostte zich hierover, door de

voorzaal van Tréville’s hotel en de wachtkamer van het Louvre van zijn

liefdesgevallen te doen weergalmen, zaken waarover Athos nooit sprak. En

voor het oogenblik, na zoowel adellijke als burgerdames over de tong te

hebben laten gaan, sprak Porthos over niets minder dan van zekere

vreemde prinses, die hem ongeloofelijk veel liefde bewees. Het

spreekwoord zegt: zoo meester zoo knecht; gaan wij dus van den knecht

van Athos tot dien van Porthos, van Grimaud op Mousqueton over.

Mousqueton was een Normandiër, wiens vreedzame naam Bonifacius door zijn

meester in den veel meer welluidenden krijgsmansnaam van Mousqueton was

veranderd. De voorwaarde, die hem in dienst van Porthos had doen treden,

was: dat deze hem kleeding en huisvesting zou verschaffen en zulks met

de meeste pracht. Bovendien begeerde hij niets anders, dan twee uren

daags te zijner beschikking te behouden, om die toe te wijden aan zekere

nijverheid, wier opbrengst toereikend was ter bestrijding zijner overige

behoeften. Porthos had het akkoord aangegaan; een heerlijke zaak voor

hem. Hij liet voor Mousqueton uit zijn afgelegde kleedingstukken en

mantels buizen en broeken snijden, dank zij een zeer behendigen

kleermaker, die hem de kleedingstukken als nieuw terug bezorgde door ze

te keeren, en wiens vrouw verdacht werd, Porthos zijn aristocratische

gewoonten somwijlen te doen afleggen; zoo zag Mousqueton, achter zijn

meester voorttredende, er zeer goed uit.

Aramis, van wien wij meenen genoegzaam het karakter te hebben

beschreven, een karakter trouwens, dat wij, zooals dat zijner

wapenbroeders, in zijn ontwikkeling kunnen volgen, had een knecht, die

Bazijn werd genoemd. Uit hoofde der hoop zijns meester, om eenmaal tot

den geestelijken stand over te gaan, was hij altijd in het zwart

gekleed, zooals het den dienaar eens geestelijken betaamt. Hij was

geboortig uit Berry en vijf en dertig tot veertig jaar oud, van

zachtmoedigen, vreedzamen aard en mollig van lichaam; hij besteedde de

vrije oogenblikken, die hem zijn meester liet, met het lezen van

stichtelijke boeken; als het vereischt werd, maakte hij een maal voor

twee personen gereed, dat wel is waar uit weinig gerechten bestond, maar

overheerlijk was. Overigens was hij stom, blind, doof, kortom van een

beproefde trouw.

Thans, nu wij ten minste oppervlakkig zoowel meesters als knechts

kennen, kunnen wij tot de door elk hunner bewoond wordende vertrekken

overgaan. Athos woonde in de straat Férou, op een paar schreden afstands

van het Luxembourg. Zijn vertrekken bestonden uit twee kleine, van zeer

net huisraad voorziene kamers--van welke de eigenares, die nog jong en

inderdaad schoon was, vruchteloos hem verliefde lonken toewierp. Eenige

overblijfselen van vroegeren luister blonken hier en daar op de muren

van dat eenvoudig verblijf: bij voorbeeld een degen, rijk gedamasceerd,

die, naar het model te oordeelen, tot den tijd van Frans I opklom, en

waarvan de greep, die met edelsteenen was bezet, alleen op tweehonderd

pistolen kon worden geschat en dien Athos, zelfs in oogenblikken van

hoogen nood, nooit had willen beleenen of verkoopen; deze degen had lang

de begeerlijkheid van Porthos geprikkeld; hij zou tien jaren van zijn

leven hebben willen geven voor het bezit van dien degen.

Op zekeren tijd, dat hij een samenkomst met een hertogin had

afgesproken, trachtte hij dien zelfs van Athos ter leen te verkrijgen.

Athos, zonder één woord te spreken, ledigde zijn zakken, bracht al zijn

kostbaarheden bij elkander, beurzen, rijgsnoeren en gouden kettingen en

bood dit alles Porthos aan; „maar wat den degen betreft,” zeide hij,

„die is op zijn plaats vastgeklonken en verlaat die niet, dan wanneer de

eigenaar de woning verlaat.”

Behalve dien degen bezat hij nog een portret, een edelman uit den tijd

van Hendrik III voorstellende, prachtig gekleed en versierd met de orde

van den Heiligen Geest. Het gelaat van dat portret had wel eenige

gelijkenis met dat van Athos en bezat een soort van familietrek, die

genoegzaam aanduidde, dat die groote heer, ridder der koninklijke orden,

een zijner voorvaders was geweest. Eindelijk stond een kostbaar gouden

kistje, met hetzelfde wapen versierd, dat zich ook op den degen en het

portret bevond, midden op den schoorsteenmantel en stak niet weinig af

bij het overige huisraad. Athos droeg steeds den sleutel van dat kistje,

dat niets anders dan brieven en andere papieren bevatte, ongetwijfeld

minnebrieven en familiepapieren.

Porthos bewoonde zeer ruime vertrekken in een huis van een zeer prachtig

aanzien, in de straat _Vieux Colombier_. Telkens wanneer hij met eenige

vrienden zijn vensters voorbijging, voor een van welke Mousqueton steeds

in groote livrei te zien was, hief Porthos het hoofd op en met de hand

het huis aanwijzende, zeide hij: „_Ziedaar mijn woning!_” Maar nooit

vond men hem te huis, nooit verzocht hij iemand bij zich en niemand was

er, die zich een denkbeeld vormen kon van de werkelijke schatten, die

deze oogenschijnlijk prachtige woning bevatte.

Aramis bewoonde eenige kleine vertrekken, bestaande in een klein salon,

een eetzaal en een slaapkamer, welke laatste, evenals de overige, het

benedengedeelte van het huis besloeg en op een kleinen, frisschen,

groenen, lommerrijken en voor het oog der geburen ondoordringbaren tuin

uitkwam.

Wat d’Artagnan betreft, wij weten op wat wijze hij was gehuisvest en

hebben reeds met zijn lakei, meester Planchet, kennis gemaakt.

D’Artagnan, die zeer nieuwsgierig was, zooals trouwens allen, die den

geest van intrigue bezitten, stelde alle pogingen in het werk om er

achter te komen, wie toch eigenlijk Athos, Porthos en Aramis waren; want

onder deze oorlogsnamen verborg elk hunner zijn adellijken

geslachtsnaam, vooral Athos, die in al zijn handelingen den edelman

vertoonde. Hij wendde zich tot Porthos om een en ander nopens Athos en

Aramis te vernemen, en tot Aramis om Porthos te leeren kennen.

Ongelukkig wist Porthos omtrent het leven van zijn zwijgenden vriend

niets anders dan datgene, wat er van was uitgelekt. Men zeide, dat hij

zware rampen in zijn liefde had ondervonden en dat een vreeselijk

verraad voor altijd het leven van dien beminnelijken man had vergald.

Maar waarin dat verraad bestond, was voor de geheele wereld een geheim.

Behalve den waren naam van Porthos, dien de heer de Tréville alleen

kende, zoowel als dien zijner beide wapenbroeders, was zijn leven niet

moeilijk te doorgronden. IJdel en praatziek, kon men hem doorzien, alsof

hij van glas ware geweest. Men zou alleen in het onderzoek omtrent hem

op den dwaalweg gebracht kunnen zijn geworden, door aan al het goede

geloof te hechten, dat hij van zich zelven zeide. Wat Aramis betreft,

deze, hoewel den schijn aannemende volstrekt niets geheimzinnigs te

bezitten, was een jongeling, in allerhande geheimen doorkneed, zeer

weinig antwoordende op de vragen, die men hem omtrent anderen deed, en

die hem zelven betroffen ontwijkende.

Op zekeren dag, na hem langdurig over Porthos ondervraagd te hebben

en door hem het gerucht vernemende, dat van de goede vertrouwelijkheid

des musketiers met een prinses in omloop was, wilde nu ook

d’Artagnan een en ander van de verliefde avonturen van hem, dien hij

ondervroeg, weten.--„En gij, mijn waarde vriend!” zeide hij, „gij,

die over de baronessen, de gravinnen en de prinsessen der anderen

spreekt?”--„Vergeef mij,” viel Aramis hem in de rede, „hierover sprak

ik, omdat Porthos er zelf over spreekt, en hij al die fraaiigheden in

mijn tegenwoordigheid voor het publiek heeft uitgekraamd. Maar wees

verzekerd, mijn waarde heer d’Artagnan! dat, indien ik hiermede op een

andere wijze was bekend geraakt, of hij mij zulks had toevertrouwd,

niemand dat geheim strenger bewaard zou hebben dan ik.”--„Ik twijfel

hieraan niet,” hernam d’Artagnan; „maar in alle geval geloof ik, dat gij

zelf tamelijk gemeenzaam zijt met zeker geslachtswapen, waarvoor de

geborduurde zakdoek niet weinig grond geeft, en die mij de eer heeft

bezorgd, met u in kennis te raken.”

Nu werd Aramis niet meer boos, maar hij nam een zeer nederige houding

aan en antwoordde vriendelijk: „Mijn waarde! houd toch in het oog, dat

ik tot de kerk behoor en alle wereldsche zaken vlied. De zakdoek, dien

gij mij hebt zien ontvallen, was mij niet gegeven geworden, maar werd

door een mijner vrienden bij mij achtergelaten. Ik nam hem mede, opdat

daardoor de goede naam der dame, die hij bemint, niet verloren zou gaan.

Wat mij betreft, ik heb noch wil een minnares hebben en volg hierin het

zeer verstandig voorbeeld van Athos, die er evenmin eene heeft als

ik.”--„Maar wat duivel! gij zijt geen pastoor, maar een

musketier.”--„Musketier, voorloopig, mijn waarde! zooals de kardinaal

zegt; musketier, in afwachting van iets anders en tegen mijn wil, maar

geestelijke in mijn hart, geloof mij. Athos en Porthos hebben mij er toe

overgehaald, om mij eenige bezigheid te verschaffen; want ik had op het

oogenblik mijner priesterwijding een kleine onaangenaamheid met.... Maar

dat is voor u van volstrekt geen belang en ik ontneem u een kostbaren

tijd.”--„In het geheel niet, ik stel er integendeel zeer veel belang

in,” riep d’Artagnan, „en voor het oogenblik heb ik volstrekt niets te

doen.”--„Ja, maar ik moet mijn brevier gaan lezen,” antwoordde Aramis,

„vervolgens eenige dichtregelen schrijven voor mevrouw d’Aiguillon, die

mij die verzocht heeft, dan moet ik naar de straat St. Honoré, om voor

mevrouw de Chevreuse blanketsel te koopen; gij ziet dus wel, mijn waarde

vriend! dat, indien gij volstrekt geen haast hebt, ik integendeel het

zeer druk heb.”--En Aramis reikte zijn jongen makker vriendelijk de hand

en nam van hem afscheid.

Het was d’Artagnan niet mogelijk, welke moeite hij ook deed, iets naders

nopens zijn drie nieuwe vrienden te vernemen. Hij bepaalde er zich dus

voorloopig toe alles te gelooven, wat men hem over hun verleden

verhaalde, van de toekomst zekerder en vollediger mededeelingen

verwachtende. Intusschen beschouwde hij Athos als een Achilles, Porthos

als een Ajax en Aramis als een Jozef. Overigens was de leefwijze der

vier jongelieden van een vroolijken aard: Athos speelde, doch steeds met

verlies. Echter leende hij nooit van zijn vrienden één penning, hoewel

zijn beurs steeds voor hen geopend was; en wanneer hij op zijn woord had

gespeeld, ging hij altijd zijn schuldeischer des morgens te zes uur

wekken, om hem zijn schuld van den vorigen avond te voldoen. Porthos had

luimen: op de dagen, dat hij won, was hij onbeschoft en tevens mild;

wanneer hij verloor, zag men hem volstrekt niet gedurende eenige dagen,

waarna hij met een bleek en vrij lang gezicht, maar met geld in den zak,

wederom te voorschijn kwam. Aramis speelde nooit. Hij was voorwaar de

ongeschiktste musketier en de ongezelligste jongeling in gezelschap, die

er te vinden was. Hij had altijd iets te doen. Somwijlen gebeurde het,

dat, te midden van een gastmaal, wanneer allen, opgewonden door den

wijn, zich aan vroolijken kout overgaven en men nog een uur of drie aan

tafel dacht te blijven, Aramis op zijn horloge zag, met een bevalligen

glimlach van zijn plaats opstond en afscheid van het gezelschap nam, om,

zooals hij zeide, een samenkomst te gaan houden met een godgeleerde, ter

doorgronding van zekere geschilpunten. Een andermaal keerde hij naar

huis terug, om een thesis af te werken, aan zijn vrienden verzoekende

hem niet te storen. Dan glimlachte Athos met den bevalligen maar

droefgeestigen lach, die zoo wel met zijn gelaatstrekken overeenkwam,

terwijl Porthos zijn glas ledigde, zwerende dat Aramis nooit iets meer

dan een dorpspastoor zou zijn.

Planchet, de knecht van d’Artagnan, verdroeg de weelde goed; hij ontving

dagelijks anderhalve frank, en gedurende een maand kwam hij te huis

vroolijk als een vink en vol voorkomendheid jegens zijn meester. Toen de

wind des tegenspoeds begon te waaien over de huishouding der

Doodgraversstraat, dat is te zeggen, toen de veertig pistolen van koning

Lodewijk XIII zoo niet geheel, althans gedeeltelijk waren verteerd,

begon hij klachten aan te heffen, die Athos akelig, Porthos

onwelvoegelijk en Aramis dwaas vond. Athos gaf dus aan d’Artagnan den

raad den snaak weg te jagen; Porthos, dat men hem vooraf een dracht

slagen zou geven, en Aramis beweerde, dat een meester niets anders dan

het goede, dat men van hem zeide, behoefde af te wachten.

„Dat kunt gijlieden gemakkelijk zeggen,” zeide d’Artagnan. „Gij, Athos!

die stom voor Grimaud zijt, hem verbiedt te spreken en bijgevolg nooit

iets verkeerds van hem hoort; gij, Porthos! die een prachtig leven leidt

en een God voor uw knecht Mousqueton zijt, en eindelijk gij, Aramis!

die, steeds aan uw godgeleerde studiën overgegeven, een diepen eerbied

aan uw zachtaardigen en vromen dienaar Bazijn inboezemt. Maar ik, die

niets beteeken of eenige middelen heb, ik, die musketier noch lijfwacht

ben, wat moet ik doen, om Planchet genegenheid, vrees of eerbied in te

boezemen?”--„De zaak is teer,” antwoordden de drie vrienden; „het is een

huishoudelijke zaak en het is met de knechts als met de vrouwen, men

moet hen onmiddellijk op den voet stellen, waarop men wil dat zij

blijven zullen.... Overweeg daarom.”

D’Artagnan overwoog en besloot Planchet bij voorbaat een pak slaag te

geven, hetgeen werd uitgevoerd met de nauwgezetheid, welke d’Artagnan

gewoon was in alle dingen in acht te nemen. Toen, na hem duchtig te

hebben afgerost, verbood hij hem zijn dienst te verlaten zonder zijn

verlof; „want,” voegde hij er bij, „de toekomst moet mij geluk schenken,

ik wacht dan ook stellig betere tijden. Uw fortuin is dus gemaakt,

wanneer gij bij mij blijft, en ik ben een al te goed meester, om u uw

fortuin te doen ontgaan, door u verlof te geven om te vertrekken.”

Deze handelwijze boezemde den musketiers voor het doorzicht van

d’Artagnan veel eerbied in. Planchet was niet minder door bewondering

opgetogen en sprak niet meer van te vertrekken. De vier jongelingen

leefden samen; d’Artagnan, aan hoegenaamd geen gewoonten verslaafd,

dewijl hij uit de provincie te midden van een voor hem geheel nieuwe

wereld terechtkwam, maakte zich onmiddellijk de gewoonten zijner

vrienden eigen. Men stond des winters te acht en des zomers tegen zes

uur op, waarna men bij den heer de Tréville naar het wachtwoord ging

vernemen en zien hoe de zaken dáár stonden. D’Artagnan, ofschoon geen

musketier, nam den dienst echter met roerende nauwgezetheid waar; hij

was altijd op de wacht, omdat hij steeds dengenen zijner vrienden

gezelschap hield, wiens wachtbeurt het was. Men kende hem aan het hotel

der musketiers en allen beschouwden hem als een goed kameraad.

De heer de Tréville, die hem op het eerste gezicht naar waarde had

geschat en hem veel vriendschap toedroeg, hield niet op, hem den koning

aan te bevelen. Ook de drie musketiers betoonden van hun kant hun

jeugdigen makker veel genegenheid. Die vriendschap, welke deze vier

mannen vereenigde, en de behoefte elkander drie of viermaal daags te

zien en te spreken, dan nopens een tweegevecht, dan wegens zaken of

uitspanningen, deed hen elkander achterna loopen als de schaduw het

lichaam en men ontmoette steeds de onafscheidbaren, elkander zoekende,

tusschen het Luxembourg en het plein St. Sulpice, of van de straat Vieux

Colombier tot aan het Luxembourg.

Intusschen verwezenlijkten zich de beloften van den heer de Tréville. Op

zekeren dag beval de koning den ridder des Essarts, d’Artagnan als kadet

in zijn gardekompagnie in te lijven. D’Artagnan hulde zich al zuchtende

in die uniform, welke hij voor tien jaren zijns levens tegen den

musketiersrok zoude hebben willen verruilen. De heer de Tréville

beloofde hem echter die gunst na een tweejarigen leertijd, die trouwens

kon verkort worden, indien de gelegenheid zich aanbood, dat d’Artagnan

den koning een of anderen dienst bewijzen of een schitterende daad

verrichten kon. D’Artagnan verwijderde zich op die belofte en den

volgenden dag nam zijn dienst een aanvang. Toen was de beurt aan Athos,

Porthos en Aramis, om met d’Artagnan de wacht te betrekken, wanneer het

de beurt van dezen was: zoodat de kompagnie van den ridder des Essarts,

op den dag dat d’Artagnan werd ingelijfd, vier manschappen in plaats van

één verkreeg.

De Drie Musketiers dl. I en II · 第 15 / 93 题