HOOFDSTUK VI.

Zijne Majesteit, koning Lodewijk XIII.

Deze gebeurtenis baarde veel opzien; de heer de Tréville beknorde

overluid en zeer streng zijn musketiers, maar prees hen in stilte; doch

dewijl er geen tijd was te verliezen, om aan Zijne Majesteit de zaak ter

kennisse te brengen, haastte de heer de Tréville zich naar het Louvre te

gaan. Het was reeds te laat, de koning was met den kardinaal alleen, en

men zeide den heer de Tréville, dat hij werkte en in dat oogenblik

niemand kon ontvangen. Des avonds begaf de heer de Tréville zich wederom

tot den koning, die zich met het spel bezig hield. Hij won, en dewijl

Zijne Majesteit tamelijk gierig was, was hij in een zeer goede luim;

nauwelijks zag de koning den heer de Tréville dan ook naderen, of hij

riep: „Nader, kapitein! nader, ik moet u beknorren; weet gij wel, dat

Zijne Eminentie zich bij mij over uw musketiers is komen beklagen, en

Zijne Eminentie was er zoo van aangedaan, dat haar heden avond een

ongesteldheid is overvallen. Maar inderdaad, het zijn geweldenaars,

galgenazen, uw musketiers!”--„Neen, Sire!” antwoordde de Tréville, die

al dadelijk bemerkte, welke wending de zaak nam; „neen, wel integendeel,

het zijn goede schepsels, zacht als lammeren, en slechts met één

begeerte bezield, hiervoor ben ik borg: namelijk, dat hun degen nooit

uit de scheede kome, dan voor den dienst Uwer Majesteit. Maar, wat zal

men er van zeggen, de lijfwacht van mijnheer den kardinaal zoekt gedurig

twist met hen, en om de eer van hun korps op te houden, zijn zij immers

verplicht zich te verdedigen.”--„Hoor den heer de Tréville eens, zou men

niet zeggen, dat hij van een geestelijke broederschap sprak,” zeide de

koning. „Inderdaad, waarde kapitein! ik heb lust, u uw kapiteinschap te

ontnemen, en daarmede mejonkvrouw de Chemerault te begiftigen, die ik

een abdij heb beloofd; maar geloof niet, dat ik zoo lichtgeloovig ben:

men noemt mij Lodewijk den Rechtvaardige, mijnheer de Tréville en fluks,

fluks zullen wij de zaak eens onderzoeken.”--„O, het is door het

vertrouwen op uw rechtvaardigheid, Sire! dat ik gerust en geduldig de

besluiten Uwer Majesteit zal afwachten.”--„Wacht, wacht maar even, ik

zal u niet lang doen wachten.”

En werkelijk, de kans keerde, en dewijl de koning begon te verliezen,

wat hij had gewonnen, was het hem niet onaangenaam een voorwendsel te

vinden, om het spel te staken. De koning stond derhalve eenige

oogenblikken daarna op, en in zijn zak het geld bergende, dat voor hem

lag, en grootendeels van zijn winst voortkwam, zeide hij: „La Vieuville!

neem mijn plaats in; ik moet den heer de Tréville over iets zeer

gewichtigs onderhouden.--Het is waar ook.... Ik had tachtig louis d’or

voor mij liggen. Zet dezelfde som in, opdat zij, die verliezen, niet te

klagen hebben; rechtvaardigheid is alles.”

Vervolgens zich tot den heer de Tréville wendende, en zich met hem naar

een der vensters begevende, ging hij voort: „En gij zegt, mijnheer, dat

het de lijfwacht van Zijne Eminentie is, die met uw musketiers twist

heeft gezocht?”--„Ja, Sire! zooals gewoonlijk.”--„En hoe is die twist

ontstaan? spreek! want gij weet, mijn waarde kapitein! dat een rechter

beide partijen moet hooren.”--„Och, mijn hemel! op de eenvoudigste en

natuurlijkste wijze: Drie mijner beste soldaten, die Uwe Majesteit bij

naam kent, en van welke zij meer dan eens de gehechtheid naar waarde

heeft geschat, en die ook, dit kan ik den koning verzekeren, zijn dienst

zeer ter harte nemen, drie mijner soldaten, zeg ik, de heeren Athos,

Porthos en Aramis, hadden een pleizierpartij voorgenomen met zekeren

jongen Gaskonjischen edelman, dien ik hun dienzelfden morgen had

aanbevolen. Men zoude zich, geloof ik, naar _St. Germain_ begeven,

terwijl men afspraak had gemaakt, elkander bij het klooster der

Barrevoeter-Karmelieten te ontmoeten; maar dáár werden zij overvallen

door de heeren Jussac, Cahussac, Biscarat en twee andere gardes, die

zeker op die plek, in zoo talrijk gezelschap, niet met het doel gekomen

waren, de edikten te handhaven.”--„Ha, ha!” riep de koning, „gij doet er

mij aan denken; ongetwijfeld kwamen zij dáár, om te vechten?”--„Ik

beschuldig hen niet, Sire! maar ik laat het aan het doorzicht Uwer

Majesteit over, om het oogmerk te bevroeden van vijf gewapende lieden,

die zich naar een plek begeven, zoo eenzaam, als de omstreken van het

Karmelieten-klooster zijn.”--„Ja, ja, de Tréville! gij hebt gelijk, gij

hebt gelijk!”--„Maar toen zij mijn musketiers ontmoetten, veranderden

zij van gedachte en vergaten hun bijzonderen haat voor dien, welken zij

dit korps toedragen; immers, het is Uwe Majesteit niet onbekend, dat de

musketiers, die den koning, en alleen den koning zóó verknocht zijn, de

natuurlijke vijanden zijn der lijfwacht van den kardinaal.”--„Ja,

Tréville! ja,” zeide de koning droefgeestig, „het is wel treurig, geloof

mij, in Frankrijk op die wijze twee partijen te zien, twee hoofden van

het koningschap; maar het zal een einde nemen, Tréville! het zal een

einde nemen. Gij zegt alzoo, dat de gardes twist met de musketiers

hebben gezocht?”--„Ik zeg, dat het waarschijnlijk is, dat de zaken zich

dus hebben toegedragen, maar ik wil er geen eed op doen, Sire. Gij weet,

hoe moeilijk het is, de waarheid te doorgronden, althans, wanneer men

niet begaafd is met het bewonderenswaardig talent, dat Lodewijk XIII den

naam van den _Rechtvaardigen_ heeft doen krijgen.”--„Gij hebt gelijk,

Tréville! maar zij waren niet alleen, uw musketiers, er was een knaap in

hun gezelschap?”--„Ja, Sire! ook een gekwetste, zoodat drie musketiers

des konings, waarbij een gekwetste en een jonge knaap, niet alleen het

hoofd hebben geboden aan vijf der verschrikkelijkste gardes van

Zijne Eminentie den kardinaal, maar er zelfs vier van hebben

neergeveld.”--„Inderdaad, dat is een overwinning!” riep de koning met

een gelaat blinkend van vreugd, „een volkomen overwinning!”--„Ja, Sire!

even volkomen als die bij de brug van Cé.”--„Vier personen, van welke er

een gekwetst en een ander een knaap was, zegt gij?”--„Nauwelijks een

knaap; en deze heeft zich zoo moedig gedragen bij die gelegenheid, dat

ik mij veroorloof hem Uwer Majesteit aan te bevelen.”--„Hoe heet

hij?”--„D’Artagnan, Sire! hij is de zoon van een mijner oudste vrienden,

de zoon van een man, die met den koning, uw vader, roemrijker

gedachtenis, als partijganger den oorlog heeft medegemaakt.”--„En gij

zegt, dat die jongeling zich zoo moedig heeft gedragen? Verhaal mij dat

eens, Tréville! gij weet, dat ik een liefhebber ben van krijgsverhalen

en gevechten.” En koning Lodewijk XIII streek trotsch zijn knevel op,

zijn hand op de heup latende rusten.

„Sire!” hernam Tréville, „zooals ik u zeide, is de heer d’Artagnan nog

slechts een knaap,--en daar hij de eer niet heeft onder de musketiers te

staan, was hij in burgerkleeding. De gardes van den kardinaal, zijn

groote jonkheid bemerkende, en daarbij ziende, dat hij niet tot het

korps behoorde, verzochten hem zich te verwijderen, alvorens zij zouden

aanvallen.”--„Gij ziet dus wel, Tréville! dat zij het zijn, die het

eerst hebben aangevallen.”--„Dat is ook zoo, Sire! er is hieraan niet

meer te twijfelen; zij bevalen hem zich te verwijderen; maar hij

antwoordde, dat hij, in zijn hart musketier, en vol gehechtheid aan den

koning zijnde, in het gezelschap der heeren musketiers zou

blijven.”--„Een moedig jongeling!” mompelde de koning.--„En werkelijk,

hij bleef, zoodat Uwe Majesteit in hem een zeer geduchten voorvechter

bezit. Want hij was het, die Jussac dien vreeselijken degenstoot

toebracht, welke den kardinaal zoo vertoornd heeft.”--„Is hij het, die

Jussac heeft gewond?” riep de koning, „die knaap? Neen, Tréville, dat is

niet mogelijk.”--„Het is, zooals ik de eer heb Uwe Majesteit te

zeggen.”--„Jussac, een der behendigste schermmeesters van mijn

rijk!”--„Hij heeft nu zijn meester gevonden.”--„Ik wil den jongeling

zien, Tréville! Ik wil hem zien, en indien men iets voor hem kan doen,

zal men het doen.”--„Wanneer zal het Uwe Majesteit gelegen komen hem te

ontvangen?”--„Morgen, om twaalf uur, Tréville!”--„Moet ik hem alleen

mede brengen?”--„Neen, stel ze mij alle vier gelijktijdig voor;

gehechtheid is zeldzaam, en men moet die beloonen.”--„Om twaalf uur

zullen wij in het Louvre zijn, Sire!”--„Ja, maar langs de kleine trap.

De kardinaal behoeft hiervan niets te weten.”--„Goed, Sire!”--„Gij

begrijpt, Tréville! een edikt blijft een edikt, en bij slot van rekening

zijn de tweegevechten verboden.”--„Maar deze ontmoeting, Sire! is geheel

en al van een gewoon tweegevecht verschillend; het was een gewelddadige

aanranding, en het bewijs hiervan is, dat er vijf gardes van den

kardinaal en slechts drie musketiers en de heer d’Artagnan op de plaats

tegenwoordig waren.”--„Dat is waar!” zeide de koning; „maar het doet er

niet toe, Tréville! kom toch maar langs de kleine trap.”

Tréville glimlachte; maar dewijl het reeds veel voor hem was, dat de

knaap tegen zijn meester was opgestaan, groette hij eerbiedig den koning

en nam, met verlof, afscheid van hem.

Nog dienzelfden avond werden de drie musketiers verwittigd, welke eer

hun zou te beurt vallen. Daar zij sinds lang den koning kenden, waren

zij hiermede niet bovenmatig verblijd. Doch d’Artagnan met zijn

Gaskonjische verbeeldingskracht zag hierin zijn toekomstige fortuin en

bracht den nacht door in gouden droomen. Reeds te acht uur was hij bij

Athos. D’Artagnan trof den musketier geheel gekleed aan en op het punt

om uit te gaan. Dewijl men niet vóór twaalf uur bij den koning behoefde

te wezen, had hij met Porthos en Aramis afgesproken een kaatspartij te

maken in zekere herberg in de nabijheid van het _Luxembourg_. Athos

noodde d’Artagnan uit hem te vergezellen, en hoezeer onbekend met dat

spel, hetwelk hij nooit had gespeeld, nam hij het voorstel aan, niet

wetende waarmede zijn tijd te besteden van negen uur, zooals het

nauwelijks was, tot des middags twaalf uur.

De beide musketiers waren reeds ter plaatse aanwezig en kaatsten

elkander den bal toe. Athos, die zeer sterk was in allerlei soort van

lichaamsoefeningen, ging met d’Artagnan tegenover hen staan en daagde

hen uit. Maar bij den eersten worp, dien hij deed, hoewel hij de

linkerhand gebruikte, voelde hij, dat zijn wond nog te versch was, om

zich een dergelijke uitspanning te veroorloven. D’Artagnan bleef dus

alleen en daar hij verklaarde niet handig genoeg te zijn om een

geregelde partij te maken, wierp men elkander slechts de ballen toe,

zonder de winnende punten aan te teekenen. Maar een der ballen, door de

krachtige vuist van Porthos geworpen, snorde zoo dicht voorbij het

aangezicht van d’Artagnan, dat deze bij zich zelven zeide, dat,

bijaldien de bal, in plaats van voorbij te vliegen, hem in het

aangezicht geraakt had, zijn audiëntie verloren zou zijn, aangezien het

volgens alle waarschijnlijkheid dan onmogelijk zou zijn geweest zich

voor den koning te vertoonen. En dewijl, volgens zijn Gaskonjische

verbeelding, van deze audiëntie geheel zijn toekomst afhing, groette hij

beleefd Porthos en Aramis, met de betuiging dat spel niet weder te

hervatten, alvorens hij zich zou hebben in staat gesteld hun het hoofd

te bieden; en daarop keerde hij achter de omheining terug, waar de

toeschouwers stonden.

Ongelukkig voor d’Artagnan bevond zich onder hen een der lijfwachten van

Zijne Eminentie, die, nog gloeiend van gramschap over de nederlaag daags

te voren door zijn wapenbroeders geleden, bij zich zelven had gezworen

van de eerste gelegenheid de beste gebruik te maken, hen te wreken. Hij

meende nu, dat deze gelegenheid dáár was, en zich tot zijn nevenman

richtende, zeide hij: „Het is niet te verwonderen, dat deze jongeling

voor een kogel bevreesd is; hij is ongetwijfeld een aankomend

musketier.”--D’Artagnan keerde zich om alsof een slang hem gebeten had,

en bezag met strakken blik den garde, die deze hoonende woorden had

uitgesproken.

„_Pardieu_!” hernam deze, tartend zijn knevel opstrijkende, „bezie mij

zooveel gij wilt, jonge heer! ik heb gezegd, wat ik gezegd heb.”--„En

dewijl hetgeen gij hebt gezegd te duidelijk is, om van uw woorden nadere

verklaring te vragen,” antwoordde d’Artagnan met gesmoorde stem,

„verzoek ik u mij te volgen.”--„En wanneer?” vroeg de garde op

denzelfden spottenden toon.--„Oogenblikkelijk als het u belieft.”--„Gij

weet zeker wie ik ben?”--„Ik, ik ken u volstrekt niet, en dat is mij

volkomen onverschillig.”--„Gij hebt ongelijk; want indien gij mijn naam

kendet, zoudt gij misschien minder haastig zijn.”--„Hoe is uw

naam?”--„Bernajoux, om u te dienen.”--„Welnu, mijnheer Bernajoux!” zeide

d’Artagnan bedaard, „ik zal u aan de deur wachten!”--„Goed, mijnheer! ik

volg u.”--„Haast u niet te veel, mijnheer! opdat men niet bemerke, dat

wij beiden tegelijk vertrekken; gij begrijpt, dat voor hetgeen wij

willen doen een te groot gezelschap hinderlijk zou zijn.”--„Het is wel,”

antwoordde de garde, verwonderd dat zijn naam niet meer uitwerking op

den jongeling had gemaakt.

Inderdaad, de naam van Bernajoux was aan geheel de wereld bekend, alleen

misschien aan d’Artagnan niet, want hij was een dergenen, die het meest

in de bijna dagelijksche geweldenarijen en vechterijen, welke noch de

koning, noch de kardinaal hadden kunnen onderdrukken, een voorname rol

speelde.... Porthos en Aramis waren te veel aan hun spel overgegeven, en

Athos beschouwde het met een te groote aandacht, om hun jeugdigen vriend

te zien vertrekken, die, zooals hij het aan de garde Zijner Eminentie

had gezegd, voor de deur wachtte. Een oogenblik daarna verwijderde deze

zich ook. Daar d’Artagnan geen tijd had te verliezen, uit hoofde van des

konings audiëntie, die te twaalf uur was bepaald, liet hij zijn blik

rondgaan, en bemerkende, dat de straat eenzaam was, zeide hij tot zijn

vijand: „Op mijn woord, mijnheer! gij zijt wel gelukkig, ofschoon gij

Bernajoux heet, dat gij slechts met een aankomenden musketier te doen

hebt; doch wees gerust, ik zal mijn best doen. Verdedig u.”--„Maar,”

zeide hij, dien d’Artagnan op deze wijze uitdaagde, „deze plaats schijnt

mij al zeer slecht gekozen, en ik meen, dat wij ons beter zouden

bevinden achter de abdij van _St. Germain_ of in de Pré aux

Clercs.”--„Wat gij zegt is zeer verstandig,” antwoordde d’Artagnan,

„ongelukkig heb ik weinig tijd, daar ik juist te twaalf uur een bezoek

moet afleggen. Dus verdedig u, mijnheer, verdedig u.”

Bernajoux was de man niet, om zich een dergelijk compliment te doen

herhalen. Onmiddellijk blonk dan ook zijn degen in zijn hand, en hij

deed een uitval, waarmede hij hoopte de groote jeugd zijns vijands vrees

aan te jagen. Maar d’Artagnan had den vorigen dag zijn proefstuk

volbracht, en door zijn zegepraal nog geheel opgewonden, terwijl zijn

toekomstig geluk hem het hoofd op hol bracht, was hij vast besloten geen

duimbreed te wijken; ook waren de uitvallen zoo hevig, dat beide

gevesten elkander raakten; en daar d’Artagnan onwrikbaar op zijn plaats

bleef, was het zijn tegenpartij, die een schrede achteruit deinsde.

Intusschen maakte d’Artagnan van het oogenblik gebruik, dat de degen van

Bernajoux, toen deze zich oprichtte, van de rechte lijn afweek, om

onmiddellijk weder een uitval te doen, tengevolge van welken hij den arm

van zijn tegenpartij doorstak; daarop trad d’Artagnan op zijn beurt een

schrede achteruit en hief zijn degen op, doch Bernajoux riep hem toe,

dat het niets was, en toen hij daarop een verwoeden uitval deed, stortte

hij zich zelven in den vijandelijken degen. Daar hij echter niet viel

noch zich overwonnen gaf, maar naar de zijde van het hotel des heeren de

la Trémouille, in wiens dienst een zijner aanverwanten was, achteruit

deinsde, en daar d’Artagnan volstrekt onbewust was van de gevaarlijkheid

der laatste wonde, welke hij hem had toegebracht, vervolgde deze hem

halsstarrig, en zoude hem waarschijnlijk door een derden stoot het leven

hebben ontnomen, indien niet twee vrienden van de garde, die hem eenige

woorden met d’Artagnan hadden hooren wisselen en hem daarop hadden zien

vertrekken, door het straatgerucht opmerkzaam gemaakt, dat tot in het

speelhuis doordrong, met uitgetrokken degen naar buiten waren gesneld en

den overwinnaar hadden aangevallen. Doch op hetzelfde oogenblik

vertoonden zich op hun beurt Athos, Porthos en Aramis, en dwongen de

twee gardes, die hun jongen vriend aanvielen, achteruit te gaan. Daarop

viel Bernajoux ter aarde, en dewijl de gardes twee tegen vier waren,

begonnen zij te roepen: „Te hulp! Te hulp! La Trémouille!”

Op dit geroep snelden allen, die het hotel van de la Trémouille

bewoonden, er uit, en drongen elkander tegen de vier wapenbroeders, die

van hun kant begonnen te roepen: „Te hulp, musketiers! te hulp!”--Dat

geroep werd gewoonlijk gehoord; want men kende de vijandigheid, welke de

musketiers Zijne Eminentie toedroegen, en juist uit hoofde van dien haat

voor den kardinaal was men hen genegen. Derhalve kozen de krijgslieden

der overige kompagnieën, die niet tot den rooden hertog behoorden,

zooals Aramis hem genoemd had, wanneer die soort van schermutselingen

plaats vonden, gewoonlijk partij voor de musketiers des konings.

Van drie gardes der kompagnie des heeren des Essarts, die daar langs

kwamen, snelden twee de vier strijdmakkers te hulp, terwijl de derde

naar het hotel Tréville liep, uitroepende: „Te hulp, musketiers! te

hulp!”

Als gewoonlijk was het huis van den heer de Tréville vol krijgslieden,

die zich haastten hun vrienden bijstand te verleenen; het gevecht werd

algemeen, doch de musketiers behielden de overhand. Des kardinaals

lijfwachten en de dienaren van den heer de la Trémouille trokken af naar

het hotel, waarvan zij de deuren tijdig genoeg sloten, om te beletten

dat hun vijand niet tevens met hen naar binnen drong. De gekwetste

Bernajoux was er reeds vroeger in gebracht, en, gelijk wij zeiden, in

deerniswaardigen toestand.

Er heerschte een buitengewone opgewondenheid onder de musketiers en hun

bondgenooten; reeds beraadslaagde men, ter bestraffing des euvelmoeds

der dienaren van den heer de la Trémouille, die de musketiers des

konings hadden aangevallen, of men zijn hotel niet in brand zou steken.

Dat voorstel was met evenveel geestdrift gedaan als aangenomen, toen het

gelukkig elf uur sloeg, wat aan d’Artagnan en zijn vrienden hun

audiëntie herinnerde; en daar zij spijt zouden hebben gevoeld, dat een

zoo fraaie vermakelijkheid in hun afwezigheid mocht plaats hebben,

slaagden zij in hun pogingen om de belhamels te doen bedaren. Men

vergenoegde zich met eenige straatsteenen tegen de deuren te werpen,

maar de deuren boden weerstand en men begon moede te worden; bovendien,

zij die als de aanvoerders van het bedrijf moesten worden aangezien,

hadden reeds een oogenblik geleden de groep verlaten en richtten nu hun

schreden naar het hotel des heeren de Tréville, die hen wachtte en het

bericht der nieuwe baldadigheid reeds ontvangen had.

„Spoedig naar het Louvre,” zeide hij, „naar het Louvre, zonder een

oogenblik te verliezen; zorgen wij den koning te spreken, alvorens hij

den kardinaal heeft gezien. Wij zullen hem het gebeurde als een gevolg

van het gisteren plaats gehad hebbende voorstellen, het zal dan voor één

zaak doorgaan.”

De heer de Tréville, vergezeld van de vier jongelieden, begaf zich naar

het Louvre; doch tot zijn groote verwondering berichtte men den kapitein

der musketiers, dat de koning zich naar het bosch van _St. Germain_ ter

hertenjacht had begeven. De Tréville liet zich dat nieuws tot tweemaal

toe herhalen, waarbij telkens zijn krijgslieden zijn gelaat zagen

verduisteren.--„Had Zijne Majesteit,” vroeg hij, „gisteren reeds het

voornemen ter jacht te gaan?”--„Neen, Uwe Excellentie!” antwoordde de

kamerdienaar, „heden morgen kwam de opperwachtmeester tijding brengen,

dat men des nachts een vijfjarig hert voor hem had opgejaagd.

Aanvankelijk weigerde hij er aan deel te nemen, maar eindelijk haalde

het voorbereid vermaak hem over en na het middagmaal is hij

vertrokken.”--„En heeft de koning den kardinaal gesproken?” vroeg de

heer de Tréville.--„Waarschijnlijk,” antwoordde de kamerdienaar: „want

dezen morgen heb ik de paarden voor het rijtuig van Zijne Eminentie

gezien. Ik vroeg werwaarts hij voornemens was te gaan, en men antwoordde

mij: naar _St. Germain_.”--„Men is ons vóór geweest, mijne heeren!”

zeide de heer de Tréville, „ik zal den koning van avond spreken en wat u

betreft, heeren! ik raad u, zulks niet te wagen.”

Die raad was te verstandig en werd bovendien door een man gegeven, die

al te wel den koning kende, om door de vier jongelieden niet te worden

gevolgd. De heer de Tréville verzocht hen dan naar huis terug te keeren,

in afwachting van nadere tijding van hem. In zijn hotel teruggekomen,

overtuigde zich de Tréville, dat hij zich de zaak aantrekken en het

eerst zijn klacht moest doen. Hij zond derhalve een zijner dienaren tot

den heer de la Trémouille met een brief, waarin hij hem verzocht den

lijfwacht des kardinaals zijn huis te doen ontruimen en zijn lieden te

bestraffen over hun euvelmoed, de musketiers des konings te hebben

aangevallen. Maar de heer de la Trémouille, reeds door zijn schildknaap,

den bloedverwant van Bernajoux, onderricht, liet hem antwoorden, dat de

heer de Tréville noch zijn musketiers reden hadden tot klagen, maar hij

integendeel, daar zijn lieden door de musketiers waren aangevallen

geworden, die daarenboven zijn hotel in brand hadden willen steken.--En

dewijl de twist dier edellieden van langen duur had kunnen zijn, daar

beiden meenden recht te hebben, ging de Tréville tot een maatregel over,

die ten doel had alles in der minne te schikken: namelijk dien, van den

heer de la Trémouille in persoon te gaan spreken. Diensvolgens begaf hij

zich onverwijld naar deszelfs hotel en liet zich aanmelden.

Beide edellieden groetten elkander vriendelijk; ofschoon er tusschen hen

geen vriendschap bestond, droegen zij elkander wederzijdsche achting

toe. Zij waren beiden dappere, achtenswaardige mannen, en dewijl de heer

de la Trémouille, die Protestantsch was en zelden den koning bezocht,

tot hoegenaamd geene partij behoorde, vertoonde hij meestal in zijn

maatschappelijke betrekkingen niet de minste partijdigheid. Nu echter

was zijn onthaal, hoezeer beleefd, koeler dan gewoonlijk.--„Mijnheer!”

zeide de heer de Tréville, „wij meenen beiden over elkander te klagen te

hebben; ik heb mij daarom in persoon tot u vervoegd, ten einde omtrent

die aangelegenheid elkander in te lichten.”--„Gaarne,” antwoordde de

heer de la Trémouille, „maar ik zeg u vooraf, dat ik zeer goed

onderricht ben en de schuld aan uw musketiers ligt.”--„Gij zijt een al

te rechtvaardig en verstandig man,” zeide de heer de Tréville, „om het

voorstel niet aan te nemen, dat ik u doen zal.”--„Laat hooren, mijnheer!

ik luister.”--„Hoe bevindt zich de heer Bernajoux, de bloedverwant van

uw schildknaap?”--„Wel, mijnheer! zeer slecht; want behalve den

degensteek in den arm, die trouwens niet gevaarlijk is, heeft hij nog

een tweeden ontvangen, die de long heeft gekwetst, zoodat de heelmeester

er niet veel goeds van zegt.”--„Maar heeft de gekwetste zijn bewustzijn

behouden?”--„Volkomen.”--„Kan hij spreken?”--„Moeilijk, maar hij spreekt

toch.”--„Welnu, mijnheer! begeven wij ons dan tot hem. Bezweren wij hem

in den naam Gods, voor wien hij misschien dra zal verschijnen, de

waarheid te zeggen. Laat hem rechter in zijn eigen zaak zijn, mijnheer!

en wat hij zegt zal ik gelooven.”

De heer de la Trémouille bleef een oogenblik nadenken, doch daar het

moeilijk was een redelijker voorstel te doen, nam hij het aan. Beiden

begaven zich diensvolgens in de kamer van den gekwetste. Deze, twee

voorname edellieden ziende binnenkomen om hem een bezoek te brengen,

trachtte zich in zijn bed op te richten; maar te zwak zijnde en uitgeput

door te groote inspanning, viel hij bewusteloos weer op zijn legerstede

neder. De heer de la Trémouille naderde hem en deed hem salmoniak

opsnuiven, hetgeen hem tot kennis terugbracht. Daarop verzocht de heer

de Tréville, vreezende dat men hem zou beschuldigen op den gekwetste

eenigen invloed te hebben uitgeoefend, den heer de la Trémouille, den

gekwetste in persoon te ondervragen. Hetgeen de heer de Tréville had

voorzien gebeurde. Tusschen leven en dood zwevende, had Bernajoux zelfs

niet een oogenblik de gedachte de waarheid te verzwijgen, en hij

verhaalde aan beide heeren oprecht de zaken, zooals zij waren

voorgevallen. Dit was alles, wat de heer de Tréville verlangde; hij

wenschte Bernajoux een spoedige beterschap, nam afscheid van den heer de

la Trémouille, keerde naar zijn hotel terug en deed dadelijk zijn vier

musketiers verwittigen, dat hij hen aan het middagmaal wachtte.

De heer de Tréville ontving zeer voornaam gezelschap, trouwens het

bestond alleen uit kwalijkgezinden jegens den kardinaal. Men begrijpt

dus, dat het gesprek gedurende het maal over de twee nederlagen liep,

welke de lijfwachten des kardinaals hadden ondergaan. En dewijl

d’Artagnan de held dier beide dagen was geweest, was hij het, die al de

gelukwenschen ontving, welke Athos, Porthos en Aramis hem niet alleen

als goede vrienden gunden, maar ook als mannen, die dikwijls genoeg ze

genoten hadden om er nu niet ijverzuchtig op te zijn. Tegen zes uur gaf

de heer de Tréville te kennen, dat hij zich verplicht achtte naar het

Louvre te gaan; maar dewijl het uur, waarop Zijne Majesteit de audiëntie

had bepaald, voorbij was, begaf hij zich met de vier jongelieden, in

plaats van den toegang langs de kleine trap te beproeven, in de

receptiezaal. De koning was van de jacht nog niet teruggekomen. Onze

jongelieden hadden nu ongeveer een half uur gewacht, vermengd onder de

menigte hovelingen, toen de deuren geopend werden en men den koning

aankondigde. Op deze mare ontroerde d’Artagnan tot in het merg zijner

beenderen. Het oogenblik, dat volgen zou, moest naar alle

waarschijnlijkheid zijn toekomstig lot beslissen. Hij vestigde dan ook

zijn oogen angstig op de deur, door welke de koning moest binnenkomen.

Lodewijk XIII verscheen het eerst; hij was nog in jachtgewaad, met stof

bedekt, hooge laarzen aan en een zweep in de hand houdende. Bij den

eersten blik, dien d’Artagnan op hem sloeg, begreep hij, dat de luim des

konings van stormachtigen aard was. Deze zielsgesteldheid van Zijne

Majesteit belette den hovelingen niet, zich op zijn weg in de

koninklijke voorzalen in rangorde te stellen. Het is nog beter met een

toornigen blik te worden beschouwd, dan in het geheel niet te worden

opgemerkt. De drie musketiers aarzelden dus niet en deden een schrede

voorwaarts, terwijl d’Artagnan integendeel zich achter hen verborgen

hield; doch hoewel de koning Athos, Porthos en Aramis persoonlijk kende,

ging hij hen voorbij zonder hen aan te zien, zonder hen toe te spreken

en alsof hij hen nooit gezien had. Wat den heer de Tréville betreft,

deze, toen des konings oogen zich op hem vestigden, verdroeg dien blik

met zooveel standvastigheid, dat het nu de koning was, die zijn gezicht

van hem afwendde, waarop Zijne Majesteit zich al grommende in zijn

vertrekken begaf.

„De zaken staan niet voordeelig,” zeide Athos glimlachende, „en vandaag

zullen wij nog niet tot ridders van ’s konings ridderorde worden

geslagen.”--„Wacht hier gedurende tien minuten,” zeide de heer de

Tréville, „en wanneer gij mij na verloop van dien tijd niet ziet

terugkomen, keert dan naar mijn hotel terug; want het is dan vruchteloos

mij langer te wachten.”

De vier jongelingen wachtten tien minuten, een kwartier, twintig

minuten; maar den heer de Tréville niet ziende terugkeeren, vertrokken

zij, zeer ongerust over hetgeen gebeuren zou. De heer de Tréville was

stoutmoedig het kabinet des konings binnengetreden en vond Zijne

Majesteit in een zeer slechte luim, zittende op een leuningstoel en op

zijn laarzen met den steel van zijn zweep slaande, hetgeen niet belette,

dat hij hem met de grootste koelbloedigheid naar den staat zijner

gezondheid vroeg.--„Slecht, zeer slecht, mijnheer!” antwoordde de

koning, „ik verveel mij.”--Dit was inderdaad de ergste ziekte van

Lodewijk XIII, die vaak den een of anderen zijner hovelingen tot zich

riep, hem bij een venster trok en dan zeide: „Mijnheer die en die, laten

wij ons samen vervelen.”

„Hoe, verveelt Uwe Majesteit zich?” vroeg de heer de Tréville. „Is zij

dan heden niet op de jacht geweest?”--„Een fraaie uitspanning, mijnheer!

Bij mijn ziel! alles verslimmert, en ik kan niet zeggen, of het wild

geen spoor meer volgt, of dat de honden hun neus hebben verloren. Wij

jagen een vijfjarig hert, wij vervolgen het gedurende zes uren, en toen

het bijna in onze macht was en St. Simon reeds den waldhoorn aan den

mond zette, om de overwinning te blazen, krak! daar veranderen eensklaps

al de honden hun loop en zetten een jong hert achterna. Gij zult zien,

dat ik van de lange jacht afzie, zooals ik van de valkenjacht heb

afgezien. Ach! ik ben een zeer ongelukkig koning, mijnheer de Tréville!

Ik had nog slechts een giervalk, maar hij is eergisteren

gestorven.”--„Waarlijk, Sire! ik besef uw wanhoop, want het ongeluk is

groot; maar gij hebt nog, verbeeld ik mij, een aantal valken, sperwers

en andere roofvogels.”--„Maar geen schepsel om ze te leeren; de

valkeniers verdwijnen; ik alleen ben er nog, die iets van de jachtkunst

versta. Na mij is het gedaan, en men zal in klemmen, in strikken en in

kuilen het wild gaan vangen. Indien mij maar de tijd overbleef, om

leerlingen te vormen. Maar jawel! de kardinaal zorgt wel, dat mij geen

oogenblik rust overblijft, onophoudelijk vermoeit hij mijn ooren, nu

over _Spanje_, dan weer over _Oostenrijk_ of _Engeland_. Ha! over den

kardinaal gesproken, mijnheer de Tréville, ik moet u mijn ontevredenheid

betuigen.”

De heer de Tréville was voorbereid op dezen uitval. Hij kende den koning

sinds lang en begreep, dat al die jeremiades slechts als inleiding

strekten, een soort van prikkel waren om zich zelven aan te hitsen, en

dat hij eindelijk het punt bereikt had, waarbij hij wilde

stilstaan.--„En waarin ben ik ongelukkig genoeg geweest Uwe Majesteit te

mishagen?” vroeg de heer de Tréville, de grootste verwondering

veinzende.--„Is het op die wijze, dat gij uw plicht vervult, mijnheer?”

ging de koning voort, zonder rechtstreeks de vraag van de Tréville te

beantwoorden; „is het, omdat ik u tot kapitein mijner musketiers heb

benoemd, dat deze een man vermoorden, een geheele wijk in oproer brengen

en _Parijs_ in brand willen steken, zonder dat gij mij hiervan een enkel

woord zegt? Maar trouwens,” vervolgde de koning, „ongetwijfeld haast ik

mij te veel, u te beschuldigen; waarschijnlijk zijn de rustverstoorders

in de gevangenis, en komt gij mij berichten, dat er recht is

gedaan.”--„Sire,” antwoordde de Tréville bedaard, „ik kom er u om

verzoeken.”--„En tegen wie?”--„Tegen de lasteraars,” antwoordde de heer

de Tréville.--„Ha, ziedaar wat nieuws!” hernam de koning. „Wilt gij mij

nu vertellen, dat uw drie onafscheidbare musketiers, Athos, Porthos en

Aramis, en uw Bearneesche kadet, niet als razenden den armen Bernajoux

hebben aangevallen, en hem dermate hebben mishandeld, dat hij

allerwaarschijnlijkst op dit oogenblik op sterven ligt? Wilt gij zeggen,

dat zij daarna het hotel van den hertog de la Trémouille niet hebben

belegerd, noch het in brand wilden steken? Dit zou, wel is waar, in tijd

van oorlog een niet zeer groote ramp zijn geweest, omdat het een

geuzennest is; maar in vredestijd strekt het tot een zeer slecht

voorbeeld. Zeg, wilt gij dit alles loochenen?”--„En wie heeft u die

fraaie historie verhaald, Sire?” vroeg de Tréville rustig.--„Wie mij die

fraaie historie verhaald heeft, mijnheer? en wie anders wilt gij, dat

het zij, dan hij, die waakt wanneer ik slaap, die arbeidt wanneer ik mij

vermaak, die, zoowel binnen als buiten het rijk, in _Frankrijk_ zoowel

als in geheel _Europa_, alles bestiert.”--„Uwe Majesteit bedoelt zeker

God,” zeide de heer de Tréville, „want ik ken niemand dan God, die zoo

hoog boven Uwe Majesteit verheven is.”--„Neen, mijnheer! ik bedoel den

steun des staats, mijn eenigen dienaar, mijn eenigen vriend, Zijne

Eminentie den kardinaal.”--„Zijne Eminentie is Zijne Heiligheid niet,

Sire!”--„Wat bedoelt gij hiermede, mijnheer?”--„Dat alleen de paus

onfeilbaar is, en dat deze onfeilbaarheid zich niet tot de kardinalen

uitstrekt.”--„Gij wilt zeggen, dat hij mij bedriegt, dat hij mij

verraadt? dus beschuldigt gij hem. Welaan, spreek! beken openhartig, dat

gij hem beschuldigt.”--„Neen, Sire, maar ik zeg, dat hij zich bedriegt,

dat hij niet wel is onderricht geworden; ik zeg, dat hij zich heeft

gehaast de musketiers Uwer Majesteit, voor wie hij onrechtvaardig is, te

beschuldigen, en dat hij het nieuws niet uit een goede bron heeft

geput.”--„Het nieuws is hem medegedeeld door den heer de la Trémouille,

door den hertog in persoon. Wat zegt gij daarvan?”--„Ik zou u kunnen

antwoorden, Sire! dat hij te veel belang heeft in de zaak, om een

onpartijdig getuige te kunnen zijn; maar verre van mij, Sire! ik ken den

hertog voor een rechtgeaard edelman, en ik wil mij aan zijn getuigenis

onderwerpen; maar op één voorwaarde, Sire!”--„Welke is die?”--„Dat Uwe

Majesteit hem doe ontbieden en hem ondervrage; maar Uwe Majesteit in

persoon, afzonderlijk, zonder getuigen, en dat ik Uwe Majesteit moge

zien onmiddellijk nadat zij den hertog gesproken zal hebben.”--„Het is

wèl,” antwoordde de koning, „en gij zult u onderwerpen aan de getuigenis

van den heer de la Trémouille?”--„Ja, Sire!”--„Gij zult zijn oordeel

aannemen?”--„Ongetwijfeld.”--„En de genoegdoening geven, die hij zal

eischen?”--„Volkomen.”

„La Chesnaye!” riep de koning, „la Chesnaye!”--En de vertrouwde

kamerdienaar van Lodewijk XIII, die steeds aan de deur bleef staan, trad

binnen.--„La Chesnaye!” zeide de koning, „dat men oogenblikkelijk den

heer de la Trémouille ontbiede; ik wil hem nog heden avond spreken.”

„Verzekert mij Uwe Majesteit, dat zij niemand anders zal spreken dan den

heer de la Trémouille en mij?”--„Niemand, op mijn woord van

edelman.”--„Dan tot morgen, Sire!”--„Tot morgen, mijnheer!”--„Hoe laat

behaagt het Uwe Majesteit?”--„Welk uur gij verkiest.”--„Maar door te

vroeg te komen, zou ik vreezen Uwe Majesteit in den slaap te

storen.”--„Mijn slaap storen! Slaap ik dan? Ik slaap niet meer,

mijnheer! ik droom wel eens, en dat is al.... Kom dus zoo vroeg gij

wilt; te zeven uur, maar wees op uw hoede, indien uw musketiers schuld

hebben.”--„Indien mijn musketiers schuldig zijn, Sire! zullen de

schuldigen in de handen Uwer Majesteit worden overgeleverd, die over hen

naar goedvinden zal beschikken.... Indien Uwe Majesteit meer mocht

verlangen, gelieve zij te bevelen, ik zal gehoorzamen.”--„Neen,

mijnheer! neen; het is niet zonder reden dat men mij Lodewijk den

Rechtvaardige heeft genoemd. Dus tot morgen, mijnheer!”--„God behoede

Uwe Majesteit!”

Hoe weinig de koning ook sliep, de heer de Tréville sliep nog minder;

hij had nog dienzelfden avond zijn drie musketiers en hun jongen vriend

doen verwittigen, dat zij den volgenden morgen, te half zeven, in het

hotel tegenwoordig moesten zijn.... Op dat uur nam hij hen mede, zonder

hun iets te verzekeren of te beloven, het niet verbergende, dat de gunst

des konings voor hen, zoowel als voor hem, van een toevalligheid afhing.

Aan de kleine trap gekomen, liet hij hen daar staan. Indien de koning

steeds op hen vertoornd mocht zijn, zouden zij, zonder gezien te zijn

geworden, zich verwijderen; indien de koning er genoegen in nam hen te

ontvangen, behoefde men hen slechts te laten roepen.... In de bijzondere

receptiezaal des konings gekomen, ontmoette de heer de Tréville la

Chesnaye, die hem mededeelde, dat men den vorigen avond den heer de la

Trémouille niet had te huis gevonden, dat hij te laat was teruggekomen,

om zich nog in het Louvre te kunnen vertoonen, maar dat hij op dat

oogenblik zich bij den koning bevond. Deze omstandigheid was den heer de

Tréville zeer aangenaam, die hierdoor verzekerd werd, dat geen vreemde

inblazingen tusschen de getuigenis des heeren de la Trémouille en de

zijne konden plaats hebben.

Nauwelijks waren er tien minuten verloopen, of de deur van het kabinet

des konings werd geopend, en de heer de Tréville zag den hertog de la

Trémouille hetzelve verlaten, hem naderen en hem zeggen: „Mijnheer de

Tréville! Zijne Majesteit heeft mij doen ontbieden, ten einde te weten,

hoe de zaken zich gisteren morgen in mijn hotel hebben toegedragen. Ik

heb de waarheid gezegd; namelijk, dat mijn lieden schuldig waren en ik

bereid was, u deswege verschooning te vragen. Dewijl ik u nu ontmoet,

verzoek ik u die te willen aannemen, en mij steeds als een uwer vrienden

te beschouwen.”--„Mijnheer de hertog!” zeide de heer de Tréville, „ik

had zooveel vertrouwen in uw edelaardigheid, dat ik geen anderen

verdediger dan u bij den koning zou begeerd hebben. Ik zie, dat ik mij

niet bedrogen heb, en het verheugt mij, dat er nog een man te vinden is,

van wien men kan zeggen, zonder zich te bedriegen, wat ik van u heb

gezegd.”--„Al wel, al wel!” riep de koning, die deze plichtplegingen

voor de deur had aangehoord; „zeg hem alleen nog, Tréville! dewijl hij

vermeent tot uw vrienden te behooren, dat ik ook een der zijnen zou

willen wezen; maar dat hij mij veronachtzaamt, zijnde het nu bijna drie

jaar geleden, dat ik hem het laatst heb gezien, en dat alleen door hem

te ontbieden. Zeg hem dat uit mijn naam, want het zijn van die zaken,

die een koning niet zeggen kan.”--„Ik dank u, Sire!” zeide de hertog;

„maar Uwe Majesteit zij verzekerd, dat het niet altijd diegenen zijn,

welke zij elk uur van den dag ziet, die haar het trouwste zijn.”--„Zoo,

gij hebt gehoord wat ik heb gezegd: des te beter,” zeide de koning, tot

aan de deur komende. „Ha! zijt gij daar, Tréville! waar zijn uw

musketiers? ik had u eergisteren gezegd ze mij voor te stellen, waarom

hebt ge het niet gedaan?”--„Zij zijn beneden, Sire! en met uw verlof zal

la Chesnaye hun gaan zeggen, boven te komen.”--„Goed, goed, dat zij

onmiddellijk komen; het is dra acht uur en om negen uur wacht ik bezoek.

Ga, mijnheer de hertog! maar keer vooral terug. Tréville, kom binnen.”

De hertog groette en vertrok. Op het oogenblik, dat hij de deur opende,

verschenen de drie musketiers en d’Artagnan, door la Chesnaye

voorafgegaan, boven aan de trap.--„Nadert, gij dapperen!” zeide de

koning, „ik moet u beknorren.”--De musketiers naderden al buigende;

d’Artagnan volgde hen.--„Hoe duivel! is het mogelijk,” ging de koning

voort, „met u vieren zeven gardes van Zijne Eminentie in twee dagen

tijds buiten gevecht te stellen!.... Dat is te erg, mijne heeren! Dat is

te erg.... Als dat zoo voortging, zou Zijne Eminentie genoodzaakt zijn,

zijn kompagnie binnen drie weken te hernieuwen, en ik, de edikten in al

hun strengheid te doen uitvoeren. Zoo eens bij toeval, daar wil ik niet

van spreken; maar zeven in drie dagen tijds, ik herhaal het, dat is te

erg.”--„Gij ziet dan ook, Sire, dat zij, vol berouw en leedwezen, Uwe

Majesteit om vergiffenis komen smeeken.”--„Vol berouw en leedwezen!

zoo,” zeide de koning, „ik vertrouw niet veel hun huichelachtige

gezichten; vooral niet dat van dien Gaskonjer, die daar achter staat....

Kom eens hier, mijnheer!”

D’Artagnan, die begreep, dat het kompliment aan zijn adres was, naderde,

aan zijn gelaatstrekken de wanhopigste uitdrukking gevende, die hem

mogelijk was.--„Wel, wel! wat zeidet gij toch, mijnheer de Tréville, dat

hij een knaap was? het is nog slechts een kind, niet meer dan een kind.

En is hij het, die aan Jussac dien geweldigen steek heeft

toegebracht?”--„En aan Bernajoux die twee andere fraaie

steken.”--„Inderdaad?”--„Zonder nog te rekenen, dat, indien hij mij niet

uit de handen van Biscarat had gered,” zeide Athos, „ik thans de eer

niet zou genieten Uwer Majesteit mijn zeer onderdanige groeten te

maken.”--„Maar inderdaad, die Bearnees is dan de duivel zelf, _ventre

saint gris_! mijnheer de Tréville! zooals mijn vader zou gezegd hebben,

op die wijze zal hij in niet weinig kleedingstukken gaten maken en

menigen degen breken. En de Gaskonjers zijn immers altijd arm, niet

waar?”--„Sire! ik moet zeggen, dat men nog geen goudmijnen in hun

gebergten heeft ontdekt, hoewel de hemel hun dit wonderwerk wel

verschuldigd is, als belooning voor de wijze, waarop zij de eischen van

den koning, uw vader, ondersteund hebben.”--„Dat wil zeggen, dat het de

Gaskonjers zijn, die mij zelven tot koning hebben gemaakt, dewijl ik de

zoon mijns vaders ben, niet waar Tréville? maar het zij zoo, ik zeg niet

neen. La Chesnaye! doorzoek eens al mijn zakken, of gij er een

veertigtal pistolen in kunt vinden; zoo ja, breng ze mij dan. En nu,

jongeling! verhaal mij nu eens met de hand op het hart, hoe zich een en

ander heeft toegedragen?”

D’Artagnan verhaalde het voorgevallene in alle kleuren: hoe hij, van

blijdschap Zijne Majesteit te zullen zien, niet kunnende slapen, zijn

vrienden drie uren voor de audiëntie een bezoek was gaan brengen; hoe

zij te zamen naar het kaatsspel waren gegaan, en hoe, tengevolge der

vrees, die hij had laten blijken, een bal in het aangezicht te krijgen,

hij door Bernajoux bespot was geworden, die deze scherts bijna met zijn

leven had geboet, en de heer de la Trémouille, wiens schuld het niet

was, met het verlies van zijn hotel.

„Het is wel zoo,” mompelde de koning, „ja, de hertog heeft mij volkomen

hetzelfde verhaald. Arme kardinaal! zeven mannen in twee dagen tijds en

nog wel zijn getrouwsten; maar hoort gij, heeren! het moet hierbij

blijven, hoort gij? het is al wel; gij hebt u een meer dan voldoende

genoegdoening verschaft voor het gebeurde in de straat _Férou_, gij moet

nu voldaan zijn.”--„Indien Uwe Majesteit het is,” zeide Tréville, „wij

zijn het.”--„Ja, ik ben het,” voegde de koning er bij, een handvol gouds

uit de handen van la Chesnaye nemende en ze in die van d’Artagnan

stellende. „Ziedaar,” zeide hij, „een bewijs mijner tevredenheid.”

In dien tijd waren de denkbeelden van trotschheid, welke in onze dagen

boven drijven, nog niet in de mode. Een edelman ontving uit ’s konings

eigen handen een geschenk in geld, en zulks was hem volstrekt niet tot

oneer. D’Artagnan borg dan ook de veertig pistolen in zijn zak zonder de

minste plichtplegingen; maar, integendeel, grootelijks Zijne Majesteit

er voor bedankende.--„Zoo! reeds half negen, verwijdert u nu; want,

zooals ik gezegd heb, ben ik te negen uur bezoek wachtende.... Ik dank u

voor uw trouw, heeren! En ik kan er op blijven rekenen, niet waar?”--„O,

Sire!” riepen eenparig de vier vrienden, „wij zouden voor Uwe Majesteit

ons in stukken doen hakken.”--„Goed, goed; maar blijft geheel, dat is

beter, gij kunt mij op die wijze nuttiger zijn. Tréville!” voegde de

koning er half luid bij, terwijl de anderen zich verwijderden, „dewijl

er bij uw musketiers geen plaats open is, en wij bovendien, om in dat

korps te worden aangenomen, bepaald hebben, dat men reeds in dienst moet

zijn geweest, moest gij dien jongeling in de kompagnie der gardes van

den heer des Essarts, uw schoonbroeder, inlijven. O, Tréville!

_pardieu_! ik kan mij van lachen niet onthouden, wanneer ik denk aan het

leelijke gezicht, dat de kardinaal zal zetten; hij zal woedend zijn,

maar dat is mij onverschillig, ik heb recht.”

En de koning groette met de hand den heer de Tréville, die vertrok en

zich bij zijn musketiers voegde, welke hij met d’Artagnan bezig vond

diens veertig pistolen onder elkander te verdeelen.... En de kardinaal,

zooals de koning had gezegd, was werkelijk zoo woedend, dat hij

gedurende acht dagen met den koning niet speelde, hetgeen den koning

echter niet belette hem het vriendelijkste gezicht ter wereld te

vertoonen, en telkens, wanneer hij hem ontmoette, met een vleiende,

belangstellende stem te vragen: „Wel, Uwe Eminentie! hoe gaat het met uw

armen Bernajoux; en met dien armen Jussac?”

De Drie Musketiers dl. I en II · 第 14 / 93 题