De audiëntie.
De heer de Tréville was op dat oogenblik in een zeer kwade luim; echter
groette hij zeer beleefd den jongeling, die een zeer diepe buiging
maakte, en glimlachte hij, toen hij zich in den Bearneeschen tongval
hoorde aanspreken, die hem èn zijn jeugd èn zijn geboorteland
herinnerde; een tweevoudige herinnering, die altijd bij den mensch, in
welken leeftijd ook, een glimlach op het gelaat brengt. Maar bijna
tegelijkertijd de voorkamer naderende, en d’Artagnan een teeken met de
hand gevende, als om hem verlof te verzoeken met de anderen te eindigen
alvorens met hem te beginnen, riep hij tot driemalen, bij elken uitroep
de stem verheffende, zoodat hij al de tusschentonen doorliep van den
gebiedenden tot den vergramden: „Athos! Porthos! Aramis!”
De twee musketiers, met wie wij reeds hebben kennis gemaakt, en die op
de beide laatste dezer drie namen antwoordden, verlieten onmiddellijk
hierop de groep, waartoe zij behoorden, en traden het kabinet binnen,
welks deur achter hen toeviel, zoodra zij over den drempel waren. Hun
houding, hoewel niet volkomen gerust, wekte echter, door de even
waardige als onderworpen ongedwongenheid, de bewondering van d’Artagnan,
die in hen halve goden, en in hun opperhoofd een Olympischen Jupiter,
zijn bliksems zwaaiende, zag.
Toen beide musketiers de kamer waren binnengetreden, en de deur achter
hen was dichtgevallen, toen het gonzend gemompel in de antichambre,
hetwelk door de plaats gehad hebbende oproeping nog meer voedsel had
verkregen, opnieuw begonnen was, toen eindelijk de heer de Tréville drie
of vier malen zijn kabinet in de geheele lengte, in stilte en met
gefronste wenkbrauwen, had doorgewandeld, telkens voorbij Porthos en
Aramis gaande, die onbeweeglijk en stom als op de parade, en als
vastgeworteld stonden, bleef hij eensklaps voor hen staan en hen met
zijn vergramden blik van het hoofd tot de voeten metende, riep hij uit:
„Weet gij wel, wat mij de koning heeft gezegd, en dat niet later dan
gisteren avond, weet gij ’t, mijne heeren?”--„Neen,” antwoordden na een
oogenblik zwijgens beide musketiers; „neen, mijnheer, wij weten het
niet.”--„Maar wij hopen, dat gij ons de eer zult aandoen, het ons te
zeggen,” voegde Aramis er bij op den beminnelijksten toon en met de
bevalligste buiging, die hem mogelijk was.--„Hij heeft mij gezegd, dat
hij in het vervolg zijn musketiers onder de lijfwachten van den
kardinaal zal zoeken.”--„Onder de lijfwachten van den kardinaal, en
waarom dat?” vroeg Porthos driftig.--„Omdat hij wel ziet, dat zijn
krachtelooze wijn door een vermenging met goeden verbeterd moet worden.”
De twee musketiers werden rood tot in het wit hunner oogen. D’Artagnan
voelde zich zelven niet meer en had gaarne honderd voeten onder den
grond willen zijn.--„Ja, ja,” vervolgde de heer de Tréville, met meer en
meer hevigheid, „ja, en Zijne Majesteit heeft gelijk; want op mijn eer,
de musketiers maken een misselijk figuur aan het hof. De kardinaal
verhaalde gisteren, toen hij met den koning speelde, en met een zweem
van medelijden, die mij zeer mishaagde, dat die vervaarlijke musketiers,
die geweldmakers, en hij sprak dat woord op een schamperen toon uit, die
mij nog veel meer mishaagde; ‚die koppenhakkers,’ voegde hij er bij, mij
met zijn tijgerkattenoogen aanziende, ‚zaten eergisteren nog laat in den
nacht in de kroeg der straat Férou, terwijl--en het scheen alsof hij mij
in het gezicht uitlachte--‚een patrouille zijner lijfwacht genoodzaakt
werd die rustverstoorders aan te houden.’ _Parbleu_! daar moet ge iets
van weten! Musketiers aan te houden! Ge waart er bij, loochent het niet,
men heeft u herkend, de kardinaal heeft u genoemd. En het komt immers op
mij neer, het is immers mijn schuld; want ik ben het, die de keuze
mijner manschappen doe.--Spreek, Aramis, wat duivel! waarom vroegt gij
mij om den soldatenrok, terwijl u het priesterkleed zoo wel zou gepast
hebben. En gij, Porthos! hebt gij alleen een zoo schitterenden
bandelier, om er een degen van stroo aan te hangen. En Athos! Ik zie
Athos niet! Waar is hij?”
„Mijnheer!” antwoordde Aramis treurig, „hij is ziek, zeer ziek.”--„Ziek!
zeer ziek, zegt gij! en wat deert hem?”--„Men vreest, dat het de
kinderpokken zijn!” antwoordde Porthos, op zijn beurt een woord in het
gesprek willende mengen, „dat zeer jammer zou zijn, want zijn gezicht
zou er ongetwijfeld door geschonden worden.”--„De kinderpokken! dat is
wederom een fraaie geschiedenis, die gij mij verhaalt, Porthos! Op zijn
jaren de pokken te krijgen? Neen, neen, hij is zeker gekwetst, misschien
wel dood!.... O! als ik er zeker van was.... _Sangdieu_! mijne heeren
musketiers! ik duld niet, dat men die slechte huizen bezoekt, dat men
twist op straat maakt en in afgelegen hoeken den degen trekt. Kortom, ik
wil niet, dat men der lijfwacht van den kardinaal ten spot verstrekke;
want dat zijn brave lieden, rustige, knappe lieden, die zich wel wachten
aangehouden te worden, en die zich bovendien niet zouden laten
aanhouden, daarvan ben ik zeker.... Zij zouden liever op de plaats het
leven laten, dan één voetstap te wijken.... Op den loop gaan, zich uit
de voeten maken, vluchten.... dat doen alleen de musketiers des
konings!”
Porthos en Aramis beefden van woede. Zij zouden gaarne den heer de
Tréville geworgd hebben, indien zij niet in die woorden de groote
genegenheid hadden opgemerkt, die hem noopte ze aldus toe te spreken.
Zij stampvoetten op het tapijt, ze beten zich op de lippen, tot bloedens
toe, en omknelden uit al hun macht de gevesten hunner degens.
In de voorkamer had men, zooals wij gezegd hebben, hooren roepen: Athos!
Porthos! Aramis! en naar den toon der stem des heeren de Tréville te
oordeelen, begreep men, dat hij blakende van gramschap was. Tien
nieuwsgierige hoofden waren tegen het behangsel gedrukt en werden bleek
van woede; want de luisterende ooren voor de deur lieten geen woord,
geen lettergreep verloren gaan van hetgeen er binnen gezegd werd,
terwijl hun monden achtereenvolgens de beleedigende woorden des
kapiteins ten aanhoore der geheele antichambre herhaalden. In één
oogenblik was het geheele hotel, van de deur van het kabinet tot aan de
voordeur, in een geweldige gisting.
„Welzoo! laten de musketiers des konings zich door de lijfwachten van
den kardinaal gevangen nemen!” vervolgde de heer de Tréville, die even
woedend was in zijn kabinet als zijn krijgslieden daar buiten; en op
zijn woorden drukkend en elk, om zoo te spreken, als zoovele dolksteken
in de borst zijner hoorders stootende, ging hij voort: „Welzoo! nemen
zes lijfwachten van Zijne Eminentie zes musketiers van Zijne Majesteit
gevangen! _Morbleu_! ik heb mijn besluit genomen: Nog in dit uur begeef
ik mij naar het Louvre; ik neem mijn ontslag als kapitein des konings,
om een luitenantsplaats in dienst des kardinaals te verzoeken, en indien
hij ze mij weigert, word ik monnik.”
Op die woorden ging het gemompel in de antichambre tot een uitbarsting
over. Men hoorde niets anders dan gevloek en godslasteringen. De
_morbleu’s_, de _sangdieu’s_, de _duizend duivels_ en meer dergelijke
fraaie uitroepen vervulden de lucht.--D’Artagnan zag om naar een gordijn
of een behangsel, om zich daar achter te verbergen, en voelde in zich
een bovenmatigen lust om onder de tafel te kruipen.
„Welnu, kapitein!” riep Porthos, van kwaadheid stamelende, „ik zal u dan
maar de waarheid zeggen: Wij waren zes tegen zes, maar werden
verraderlijk overvallen, zoodat, alvorens wij den tijd hadden onze
degens te trekken, reeds twee onzer levenloos neerzonken; Athos, zwaar
gekwetst, was niet veel beter. Gij kent Athos, kapitein! welnu, hij
poogde tot twee malen toe zich op te richten, maar viel beide keeren
weder onmachtig neder. Intusschen hebben wij ons niet gewillig
overgegeven, neen, men heeft ons met geweld voortgesleept. Maar onderweg
gelukte het ons te ontvluchten. Wat Athos betreft, men meende dat hij
dood was en liet hem uit dien hoofde gerust op het slagveld liggen, daar
men oordeelde, dat het de moeite niet waard was hem mede te voeren. En
dat is nu de geheele historie! Wat duivel, kapitein, men wint niet alle
veldslagen. De groote Pompejus heeft dien van _Pharsalus_ wel verloren,
en koning Frans I, die, zooals ik heb hooren zeggen, zijn man onder de
oogen durfde zien, verloor wel dien van _Pavia_.”--„Daarbij heb ik de
eer u te verzekeren, dat ik een der aanvallers met zijn eigen degen heb
doorstoken,” zeide Aramis, „want de mijne brak bij den eersten stoot.
Met den degen of met een stuk er van, om het even, mijnheer!”--„Dat wist
ik niet,” hernam de heer de Tréville op zachter toon: „ik bemerk, dat de
kardinaal de zaak wat overdreven heeft.”--„Maar ik bid u, mijnheer,”
ging Aramis voort, die, ziende dat zijn kapitein bedaarde, tot een
verzoek durfde overgaan, „ik verzoek u, mijnheer! niet te zeggen, dat
Athos gekwetst is; hij zou wanhopig zijn, indien zulks ter oore van den
koning kwam, en dewijl de wond niet zonder gevaar is, daar de degen, na
den schouder te zijn doorgedrongen, de borst heeft geraakt, is het te
vreezen....” Op hetzelfde oogenblik werd het voorhangsel der deur
opgelicht, en een edel en trotsch gelaat, dat er vreeselijk bleek
uitzag, vertoonde zich onder de franjes.
„Athos,” riepen beide musketiers.--„Gij hebt mij ontboden, mijnheer!”
zeide Athos tot den heer de Tréville met een zwakke, hoewel geheel en al
kalme stem; „gij hebt naar mij gevraagd, zooals mijn wapenbroeders mij
hebben gezegd; ik haast mij dus aan uw oproeping te voldoen. Hier ben
ik, mijnheer! Wat is er van uw dienst?”--En op deze woorden trad de
musketier, in behoorlijke tenue, en als naar gewoonte nauw in zijn
kleeding geregen, met tamelijk vasten tred het kabinet binnen.
De heer de Tréville, diep bewogen door dit bewijs van moed, ijlde naar
hem toe.--„Ik was juist bezig aan die heeren te zeggen,” zeide hij, „dat
ik de musketiers verbied hun leven zonder noodzakelijkheid te wagen;
want de koning stelt dappere lieden op zeer hoogen prijs, en de koning
is verzekerd, dat zijn musketiers de dapperste lieden der wereld zijn.
Uw hand, Athos!”--En zonder te wachten, dat de pas binnengekomene uit
zich zelven dit bewijs van vriendschap beantwoordde, vatte de heer de
Tréville zijn rechterhand en drukte die uit al zijn macht, zonder te
bemerken dat Athos, hoe groot zijn zelfbeheersching ook was, een
smartelijke beweging maakte en nog bleeker werd, hetgeen bijna niet
mogelijk scheen.
De deur was open gebleven, zóó zeer had de komst van Athos, wiens wonde
ondanks de geheimhouding aan allen bekend was, opschudding veroorzaakt.
Een gejuich van tevredenheid smoorde de laatste woorden des kapiteins,
en twee of drie hoofden, door geestdrift vervoerd, verschenen in de
opengelaten deur. Zonder twijfel zou de heer de Tréville deze
veronachtzaming der voorschriften van de wellevendheid ernstig bestraft
hebben, indien hij niet eensklaps de hand van Athos in de zijne had
voelen ineenkrimpen, en de oogen op hem vestigende, ontwaarde hij, dat
hij op het punt was in onmacht te vallen. Onmiddellijk hierop viel
Athos, die al zijn krachten had verzameld om de smart te weerstaan, doch
eindelijk door haar overwonnen was, als dood op den grond neder.--„Een
geneesheer!” riep de heer de Tréville. „De mijne! die des konings, de
beste, dien gij vinden kunt! Spoedig een geneesheer, of _sangdieu_! mijn
moedige Athos sterft!”
Op het geschreeuw van den heer de Tréville stormden allen het kabinet
binnen, zonder dat hij er aan dacht de deur voor iemand te sluiten,
terwijl iedereen naar den gewonde ijlde. Maar al die bedrijvigheid zou
weinig gebaat hebben, indien de verlangde geneesheer niet juist in het
hotel tegenwoordig ware geweest; deze drong zich nu door het gedrang en
naderde den steeds in onmacht liggenden Athos. Maar daar al dat rumoer
en die beweging hem geweldig hinderden, verzocht hij vooreerst en wel
uitdrukkelijk, den musketier naar een aangrenzende kamer te vervoeren.
Dadelijk opende de heer de Tréville een deur en wees den weg aan Porthos
en Aramis, die hun vriend in hun armen wegdroegen. Achter deze groep
volgde de geneesheer, waarop de deur dicht viel.
Toen werd het kabinet van den heer de Tréville, deze gewoonlijk zoo
geëerbiedigde plaats, voor het oogenblik een aanhangsel der voorkamer.
Iedereen praatte, redeneerde, schreeuwde, vloekte en wenschte den
kardinaal en zijn lijfwachten naar alle duivels. Een oogenblik daarna
kwamen Porthos en Aramis terug; de heelmeester en de heer de Tréville
waren alleen bij den gewonde gebleven. Eindelijk kwam ook op zijn beurt
de heer de Tréville terug. De gewonde was tot zich zelven gekomen, en de
heelmeester verklaarde, dat de ongesteldheid des musketiers zijn
vrienden niet de minste bekommering moest wekken, daar zijn flauwte
eenvoudig door bloedverlies veroorzaakt was.
De heer de Tréville gaf nu een teeken met de hand, en allen verwijderden
zich, behalve d’Artagnan, die, niet vergetende dat hij ten gehoore was
toegelaten geworden, met Gaskonjische halsstarrigheid op dezelfde plaats
was blijven staan. Toen allen vertrokken waren en de heer de Tréville de
deur gesloten had, keerde hij zich om en bevond zich met den jongeling
alleen. Hetgeen was voorgevallen, had min of meer den draad zijner
denkbeelden afgebroken. Hij vroeg dus, wat de halsstarrige verzoeker
verlangde. D’Artagnan noemde zich, en de heer de Tréville, zich
eensklaps het tegenwoordige en het verledene herinnerende, wist nu
waarvan er sprake was.--„Vergeef mij,” zeide hij glimlachende, „vergeef
mij, waarde landgenoot! maar ik had u geheel en al vergeten. Gij weet,
een kapitein is niet anders dan een huisvader. Krijgslieden zijn groote
kinderen; maar dewijl ik volstrekt wil, dat de bevelen des konings en
vooral die van Zijne Eminentie den kardinaal stiptelijk worden
opgevolgd....”
D’Artagnan kon een glimlach niet bedwingen, en de heer de Tréville dien
glimlach bemerkende, oordeelde niet met een onnoozele te doen te hebben;
hij veranderde daarom van onderwerp en ging dadelijk tot de zaak
over.--„Ik was een groot vriend uws vaders,” zeide hij, „wat kan ik nu
voor zijn zoon doen? Haast u; mijn tijd behoort mij niet
toe.”--„Mijnheer!” antwoordde d’Artagnan, „toen ik _Tarbes_ verliet en
mij herwaarts begaf, stelde ik mij voor, uit hoofde dier vriendschap,
van welke gij de herinnering niet hebt verloren, u het musketiersbuis te
verzoeken; maar na al hetgeen ik sedert twee uren heb gezien, begrijp
ik, dat een dergelijke gunst voor mij te groot is, en vrees ik die
onwaardig te zullen zijn.”--„Het is inderdaad een gunst, jonkman!”
antwoordde de heer de Tréville; „maar zij kan voor u zoo onbereikbaar
niet zijn, als gij wel gelooft, of als gij schijnt te gelooven. Trouwens
een besluit van Zijne Majesteit heeft in dit geval voorzien, en ik moet
u met leedwezen te kennen geven, dat men niemand als musketier aanneemt,
zonder dat hij te voren eenige veldtochten met eere heeft medegemaakt,
eenig schitterend wapenfeit bedreven, of twee jaren heeft gediend bij
een ander minder begunstigd regiment dan het onze.”--D’Artagnan boog,
zonder iets te antwoorden. Hij was nog meer begeerig naar het
musketiersbuis, sedert hij zag, dat het zoo moeilijk te verkrijgen
was.--„Maar,” ging de Tréville voort, op zijn landgenoot een
doordringenden blik werpende, alsof hij in het diepste van zijn hart
wilde lezen; „maar uit achting voor uw vader, mijn ouden wapenbroeder!
zooals ik u heb gezegd, wil ik iets voor u doen, mijn jonge vriend! Onze
jonge Bearneesche edellieden zijn gewoonlijk niet rijk, en ik twijfel
zeer, of de zaken veel veranderd zijn sedert mijn vertrek uit de
provincie. Gij zult dus niet veel over hebben van het geld, dat gij hebt
medegebracht om van te leven.”
D’Artagnan hief het hoofd trotsch omhoog, alsof hij zeggen wilde, dat
hij niet kwam bedelen.--„Goed, jonkman! zeer goed,” hernam de Tréville,
„wij kennen die manieren; ik kwam te _Parijs_ met vier kronen in den
zak, en ik zou geduelleerd hebben met ieder, die mij had durven zeggen,
dat ik niet in staat was het Louvre te koopen.”--D’Artagnan stak nog
meer de borst vooruit; want door den verkoop van zijn paard was hij in
staat zijn loopbaan met vier kronen meer te beginnen, dan de heer de
Tréville de zijne begonnen was.--„Gij moet dan,” zeide hij, „zorgen, dat
gij datgene blijft behouden, wat gij hebt, hoe groot deze som ook wezen
moge; maar daarentegen behoort gij u ook te volmaken in al de
oefeningen, welke een edelman moet kennen. Ik zal nog heden aan den
directeur der koninklijke schermschool schrijven, en niet later dan
morgen zal hij u zonder de minste betaling aannemen; weiger die gunst
niet. De voornaamste en rijkste edellieden verzoeken er vaak om, zonder
ze te kunnen verwerven. Gij zult dáár het paardrijden, de schermkunst en
het dansen leeren; bovendien zult gij er goede kennissen maken, en van
tijd tot tijd moet gij mij een bezoek brengen om mij uw vorderingen mede
te deelen en mij te zeggen, waarin ik u van dienst kan zijn.”
D’Artagnan, hoe vreemd ook tot hiertoe aan de hofmanieren, bemerkte
echter de koelheid, waarmede hij ontvangen werd.--„Helaas, mijnheer!”
zeide hij, „ik bespeur eerst nu het verlies van den aanbevelingsbrief,
dien mijn vader mij voor u had medegegeven.”--„Inderdaad,” antwoordde de
heer de Tréville, „het verwondert mij, dat gij een zoo verre reis
ondernomen hebt, zonder van dat onontbeerlijk en voor ons Bearneezen
eenig reismiddel voorzien te zijn.”--„Ik had het, mijnheer! goddank! en
in behoorlijken vorm!” riep d’Artagnan uit; „maar men heeft het mij
verraderlijk ontroofd.”--En hij vertelde al het voorgevallen te _Meung_,
schilderde den onbekenden edelman af tot in de geringste bijzonderheden,
en met zooveel vuur, zooveel waarheid, dat de heer de Tréville er door
bekoord werd.
„Dat is al zeer zonderling,” zeide deze laatste peinzend, „gij hadt dus
luid over mij gesproken?”--„Welzeker, mijnheer! ik heb deze
onvoorzichtigheid begaan. Wat wilt gij, een naam als de uwe moest mij
onderweg tot schild verstrekken. Nu kunt gij denken, hoe dikwijls ik er
mij mede bedekt heb.”
Vleitaal was destijds zeer in de mode, en de heer de Tréville hield
van den wierook als een koning of een kardinaal. Hij moest dus
onwillekeurig en met zeker welgevallen glimlachen; maar deze
glimlach verdween spoedig, en uit zich zelven op het avontuur te
Meung terugkomende, vroeg hij verder: „Zeg mij eens, had die edelman
niet een klein litteeken op de wang?”--„Ja, zooals door een
voorbijsnorrenden kogel wordt veroorzaakt.”--„Had hij niet een fiere
gestalte?”--„Ja.”--„Groot?”--„Ja.”--„Bleek van gelaat en bruin van
haar?”--„Ja, ja! hij is het wel! Hoe! kent gij dien man, mijnheer? O,
als ik hem ooit ontmoet! en ik zal hem ontmoeten, dat beloof ik u, al
was het in de hel!”--„Hij wachtte op een vrouw?” vroeg de Tréville
verder.--„Hij is ten minste vertrokken, na een oogenblik met haar te
hebben gesproken, die hij verwachtte.”--„Kent gij het onderwerp niet van
hun gesprek?”--„Hij stelde haar een doos ter hand, haar tevens te kennen
gevende, dat die doos haar schriftelijke bevelen behelsde, en zij ze
niet eer dan te _Londen_ mocht openen.”--„Was die vrouw een
Engelsche?”--„Hij noemde haar _Milady_.”--„Hij is het,” mompelde de
Tréville, „hij is het! Ik dacht, dat hij nog te _Brussel_ was.”--„O,
mijnheer, indien gij dien man kent!” riep d’Artagnan, „noem hem dan, zeg
mij van waar hij is, en gij hebt mij geheel voldaan, zelfs ten aanzien
der belofte mij onder de musketiers te doen inlijven; want vóór alles
wil ik mij wreken.”--„Onthoud u dáárvan vooral, jongeling!” riep de
Tréville; „integendeel, wanneer gij hem ziet naderen langs den eenen
kant der straat, begeef u dan naar den anderen kant; stoot niet tegen
die rots, gij zoudt als glas verbrijzeld worden.”--„Dat zal niet
beletten, wanneer ik hem ooit ontmoet....”--„Zoek hem intusschen niet,
als ik u raden mag.”
Eensklaps hield de Tréville op, door een plotseling vermoeden getroffen.
De groote haat, welken de jongeling zoo luid tegen den man openbaarde,
die, hetgeen vrij onwaarschijnlijk was, hem den brief zijns vaders zou
hebben ontstolen, verborg deze haat niet het een of ander verraad? Was
die jongeling niet door Zijne Eminentie uitgezonden? Was hij niet
gekomen, om hem in een strik te doen loopen? Was die gewaande d’Artagnan
niet een zendeling des kardinaals, dien men poogde in zijn huis te doen
aannemen en bij hem te plaatsen, ten einde zijn vertrouwen te winnen en
hem daarna te doen vallen, zooals duizendmaal het geval geweest was?....
Hij beschouwde d’Artagnan voor den tweeden keer met nog meer scherpheid
dan den eersten keer en was maar tamelijk gerustgesteld door dat van
stoutmoedige geestigheid en geveinsde nederigheid getuigende
gelaat.--„Ik weet wel, dat hij een Gaskonjer is,” dacht hij, „maar hij
kan het evengoed voor den kardinaal als voor mij wezen. Laat zien, laat
ons hem eens beproeven.--Mijn vriend!” sprak hij op gerekten toon, „ik
wil tot u als tot den zoon van mijn ouden vriend spreken (ik beschouw
het gebeurde met den verloren brief als waarheid), ik wil, zeg ik, om de
koelheid, welke gij aanvankelijk in mijn ontvangst hebt opgemerkt, u de
geheimen onzer staatkunde openbaren. De koning en de kardinaal zijn de
beste vrienden der wereld; hun schijnbare oneenigheden dienen slechts,
om den onnoozelen een rad voor de oogen te draaien. Ik wil niet, dat een
landgenoot, een ridderlijk, braaf jongeling, die vooral moet worden
voortgeholpen, door al die veinzerij bedrogen wordt en als een lomperd
in den strik valt, waarin zoovelen zich verloren hebben.... Wees
indachtig, dat ik die beide alvermogende meesters geheel en al ben
toegedaan, en dat mijn ernstige bemoeiingen nooit anders ten doel zullen
hebben, dan den dienst des konings en dien van den kardinaal, een der
uitstekendste mannen die _Frankrijk_ heeft voortgebracht. Richt u daarom
hiernaar, en mocht gij, hetzij uit hoofde van familiebeweegredenen of
andere betrekkingen, of zelfs als het ware ingeschapen, den kardinaal
een zekere vijandschap toedragen, zooals men die bij onze edellieden
ziet, zeg mij dan vaarwel en laat ons scheiden. Ik zal u in alle
omstandigheden behulpzaam zijn, maar zonder u aan mijn persoon te
verbinden. Ik hoop, dat in alle geval mijn openhartigheid u tot mijn
vriend zal maken, want tot hiertoe zijt gij de eerste, met wien ik
gesproken heb zooals ik thans doe.”
De Tréville zeide bij zich zelven: „Indien de kardinaal op mij dien
loozen vos heeft afgezonden, zal hij zeker niet in gebreke zijn
gebleven, daar hij zeer goed weet in welke mate ik hem verfoei, hem te
zeggen, dat het beste middel om in mijn gunst te komen hierin bestaat,
mij van hem het ergste te verhalen; ook zal de slimme snaak, ondanks
mijn betuigingen, mij zeker ten antwoord geven, dat hij voor Zijne
Eminentie een onverwinnelijken afschuw heeft.”--Maar het was geheel
anders dan de heer de Tréville zich voorgesteld had. D’Artagnan
antwoordde met de grootste eenvoudigheid: „Mijnheer! ik ben te _Parijs_
gekomen met dezelfde bedoelingen. Mijn vader heeft mij aanbevolen, van
niemand dan van den koning, van den kardinaal en van u iets te
verdragen; want hij beschouwt u drieën als de eerste personen van
_Frankrijk_.”--D’Artagnan, zooals men ziet, voegde den heer de Tréville
bij de twee overigen; want hij begreep dat die toevoeging niet schaden
kon.--„Ik heb dus de grootste achting voor mijnheer den kardinaal,”
vervolgde hij, „en den diepsten eerbied voor zijn daden. Het is des te
beter voor mij, mijnheer! indien gij tot mij openhartig spreekt; want in
dat geval zult gij mij wel de eer aandoen, mij uit hoofde dezer
gelijkheid van denkwijze achting toe te dragen; maar indien gij eenig
wantrouwen mocht gekoesterd hebben, ’t geen trouwens zeer natuurlijk
zoude zijn, gevoel ik, dat ik mij benadeel door de waarheid te zeggen;
des te erger voor mij; intusschen zult gij mij uw achting niet
onthouden; dit is mij ter wereld het meest waard.”
De heer de Tréville was uiterst verwonderd. Zooveel scherpzinnigheid,
kortom, zooveel openhartigheid brachten hem in bewondering, maar
ontnamen hem echter niet al zijn wantrouwen; hoe meer die jongeling
boven andere jongelieden uitstak, des te meer was hij, ingeval hij zich
in hem bedrogen had, te vreezen.--„Gij zijt een braaf jongeling! maar
voor het oogenblik is het mij niet mogelijk iets meer te doen, dan
hetgeen ik u zooeven aanbood. Mijn deur zal voor u steeds open zijn.
Later, daar gij alle oogenblikken mij iets zult kunnen vragen, zult gij
waarschijnlijk datgene verkrijgen, wat gij verlangt.”--„Dat wil zeggen,
mijnheer! dat gij zult wachten, tot zoolang ik mij dit waardig zal
hebben gemaakt? Maar wees gerust,” voegde hij met Gaskonjische
gemeenzaamheid er bij: „gij zult niet lang wachten,” en hij groette, om
zich te verwijderen, alsof hij voortaan zich zelven met het overige, dat
hem betrof, wel zou belasten.
„Maar wacht toch,” zeide de heer de Tréville, hem tegenhoudende, „ik heb
u immers een brief voor den direkteur der koninklijke schermschool
beloofd. Zijt ge te trotsch om dien aan te nemen, mijn jonge
edelman?”--„Neen, mijnheer!” zeide d’Artagnan, „en ik verzeker u, dat
het met dezen niet zal gaan als met den anderen. Ik zal hem zoo goed
weten te bewaren, dat hij zal komen waar hij behoort, dat bezweer ik u!
en wee hem, die het zou beproeven mij dien te ontnemen.”
De heer de Tréville glimlachte over deze grootspraak, en zijn jongen
landgenoot bij het venster latende, waar zij gestaan en met elkaar
gesproken hadden, zette hij zich aan een tafel en schreef den beloofden
aanbevelingsbrief. Onderwijl trommelde d’Artagnan, die niets anders te
doen had, een marsch op de vensterruiten en keek de musketiers na, die
achtereenvolgens vertrokken, terwijl hij hen zoo lang in het oog hield,
totdat zij om den hoek der straat verdwenen. De heer de Tréville, na den
brief geëindigd te hebben, verzegelde dien, en, opstaande, naderde hij
den jongeling, om hem dien ter hand te stellen; maar op hetzelfde
oogenblik, dat d’Artagnan de hand uitstrekte om hem aan te nemen, was de
heer de Tréville zeer verbaasd, hem een sprong te zien maken, rood van
kwaadheid te zien worden, en het kabinet uit te stormen, uitroepende:
„O, _sangdieu_! nu zal hij mij niet ontkomen.”--„En wie dat?” vroeg de
heer de Tréville.--„Hij, mijn dief!” antwoordde d’Artagnan. „Wacht
verrader!” en hij verdween.
„Duivelsche gek!” mompelde de Tréville. „Ten minste,” voegde hij er bij,
„als dat niet een slimme manier is, om zich uit de voeten te maken, nu
hij ziet, dat zijn poging mislukt is.”