De antichambre des heeren de Tréville.
De heer de _Troisville_, zooals zijn geslacht zich nog in _Gaskonje_
noemde, of de Tréville, zooals hij zich eindelijk te _Parijs_ had
genoemd, was inderdaad op dezelfde wijze begonnen als d’Artagnan, dat is
te zeggen, zonder een duit geld in den zak, maar voorzien van dat
kapitaal van moed, geslepenheid en stijfhoofdigheid, door hetwelk het
ouderlijk erfdeel den armsten, geringsten Gaskonjischen edelman soms
meer geeft, dan de rijkste edelman uit _Périgord_ of _Berry_ in
klinkende specie ontvangt. Zijn onbeschrijfelijke moed, zijn nog
onbeschrijfelijker geluk, in een tijd dat de slagen als hagel
neervielen, hadden hem tot op de hoogste sport dier steile ladder
geheschen, die men hofgunst noemt, en van welke hij, vier sporten
tegelijk overschrijdende, het toppunt had bereikt.--Hij was des konings
vriend, die, zooals bekend is, de nagedachtenis van zijn vader, Hendrik
IV, zeer vereerde. De vader van den heer de Tréville had hem zóó
getrouwelijk gediend in zijn oorlogen tegen de Ligue, dat, bij gebreke
van klinkende munt,--iets, dat den Bearnees geheel zijn leven ontbrak,
hem, die steeds zijn schulden betaalde met het eenige, wat hij niet
noodig had te leenen: met geestigheid,--dat, bij gebreke van klinkende
munt, zeggen wij, hij hem na de inneming van _Parijs_, verlof had
gegeven tot zijn wapenschild te nemen een gouden leeuw op een rood veld,
met deze spreuk: _Fidelis et fortis_. Dit was zeer veel voor de eer,
maar weinig voor den lichamelijken welstand. Ook toen de beroemde
lotgenoot van den grooten Hendrik overleed, liet hij niets anders aan
mijnheer zijn zoon na dan zijn degen en die spreuk. Dank zij deze
dubbele gift en den vlekkeloozen naam, die hem vergezelde, werd de heer
de Tréville in het huis van den jongen prins toegelaten, waar hij zich
zoo goed van zijn degen bediende, en zoo getrouw aan zijn devies, dat
Lodewijk XIII, een der behendigste schermmeesters van zijn tijd, de
gewoonte had te zeggen, dat, had hij een vriend, die een tweegevecht zou
moeten aangaan, hij hem den raad zou geven, vooreerst hem zelven als
getuige te nemen en daarna Tréville, misschien wel dezen vóór hem.--Ook
had Lodewijk XIII een oprechte genegenheid voor Tréville: die
genegenheid was, wel is waar, koninklijk, en dus baatzuchtig, maar het
was in allen gevalle genegenheid; want in dien rampzaligen tijd trachtte
men vooral zich te omringen met menschen van den aard als Tréville.
Velen konden het woord _sterk_, dat het tweede gedeelte van zijn spreuk
uitmaakte, maar slechts weinige edellieden konden den bijnaam van
getrouw op zich toepassen, die bij hem voorafging. Tréville was een der
laatsten; hij bezat die zeldzame eigenschap, namelijk verstandig
gehoorzaam te zijn als de dog; hij was begaafd met een blinden moed, een
snellen blik en een behendige hand; het oog was hem slechts gegeven om
te zien, of de koning ook over den een of anderen ontevreden was, en de
hand om dien te treffen, bij voorbeeld een Besme, een Maurevers, een
Poltrot de Méré, een Vitry; kortom, tot hiertoe had aan Tréville slechts
de gelegenheid ontbroken; maar hij wachtte die en was vastbesloten ze
bij haar drie haren te grijpen, indien ze ooit onder het bereik zijner
hand kwam. Lodewijk XIII verhief dan ook de Tréville tot kapitein zijner
musketiers, die voor Lodewijk XIII, wat hun gehechtheid, of liever hun
dwepende verknochtheid betrof, dat waren, hetgeen de _vertrouwelingen_
voor Hendrik III en de Schotsche garde voor Lodewijk XI waren.
Van zijn kant had de kardinaal in dat geval niet voor den koning onder
gedaan. Toen hij de machtige keurbende had gezien, met welke Lodewijk
XIII zich omringde, wilde die tweede, of liever die eerste koning van
_Frankrijk_ ook een wacht om zich zien. Hij had dan ook zijn musketiers,
zooals Lodewijk XIII de zijne, en men kon zien, hoe die twee naijverige
machten voor hun dienst in al de provinciën van _Frankrijk_ en zelfs in
vreemde staten de beroemdste krijgslieden deden werven. Ook twistten
Richelieu en Lodewijk XIII dikwijls des avonds, onder het schaakspel,
over de verdiensten hunner dienaren. Elk roemde het fiere uiterlijk en
den moed der zijnen, en, luide zich tegen de tweegevechten en twisten
verheffende, hitsten zij hen in stilte tegen elkander op, en gevoelden
zij hevig verdriet of buitensporige vreugd over de nederlaag of over de
overwinning der hunnen. Althans zoo luidden de gedenkschriften van hem,
die bij eenige dezer nederlagen en bij vele dier overwinningen
tegenwoordig was.
Tréville kende het zwak zijns meesters; hieraan was de zoo langdurige en
onafgebroken gunst des konings toe te schrijven, die den naam niet had
een zeer getrouw vriend te zijn. Hij liet zijn musketiers voor den
kardinaal Armand du Plessis paradeeren op een zoo tergende wijze, dat de
grijze knevels van Zijne Eminentie van toorn opkrulden. Tréville
verstond den oorlog van dien tijd wonderlijk wel, in welken men, wanneer
men niet ten koste van zijn vijand leefde, zulks ten koste zijner
medeburgers deed: immers zijn krijgslieden vormden een bende
_geweldenaars_, die niet anders dan door hem tot hun plicht konden
gebracht worden. Losbandig, dronken, gehavend verspreidden zich de
musketiers des konings, of liever die van den heer de Tréville, in de
kroegen, op de wandelingen, in de openbare speelhuizen, groot geweld
makende, hun knevels opstrijkende en met hun degens kletterende, terwijl
zij er een wellust in vonden de lijfwacht des kardinaals, wanneer zij
eenigen er van op straat ontmoetten, tegen het lijf te loopen en dan
schertsende den degen te trekken; somwijlen verloren zij bij die
gelegenheid het leven, maar in dat geval waren zij zeker beweend en
gewroken te zullen worden; ook vaak hun vijanden het leven ontnemende,
waren zij verzekerd niet in de gevangenis te zullen beschimmelen; want
de heer de Tréville was steeds dáár, om hen terug te eischen. Ook werd
de heer de Tréville op allerlei wijzen door die lieden, welke hem
aanbaden, geprezen en bezongen, en hoezeer mannen van moord en doodslag,
stonden zij voor hem als scholieren voor den meester, bevend en het
minste bevel gehoorzamend; gereed in den dood te ijlen, om de minste
smet, die op hen mocht kleven, uit te wisschen.
De heer de Tréville had vooreerst van dien machtigen hefboom voor den
koning en van de vrienden des konings gebruik gemaakt, en vervolgens
voor zich zelven en zijn vrienden.--Trouwens, in geen enkel der
gedenkschriften dier tijden, die zoovele gedenkschriften hebben
nagelaten, ontwaart men, dat die eerzame edelman zelfs door zijn
vijanden is beschuldigd geworden--en hij had veel vijanden, zoowel onder
hen die de pen, als onder hen die den degen voerden--nergens ontwaart
men, zeggen wij, dat die waardige edelman beschuldigd is geworden, zich
voor de hulp, door zijn _Seïden_ verleend, te hebben laten betalen. Met
den zeldzaamsten aanleg voor intrigues, waardoor hij zich met de
grootste intriganten kon gelijk stellen, was hij echter eerlijk man
gebleven. En, wat meer zegt, ondanks de geweldige degenstooten, die de
ledematen verstijven, en de meest afmattende krijgsoefeningen, was hij
een der beminnelijkste losbollen, een der netste modepoppen, een der
geestigste zoete-woordjes-zeggers van zijn tijd geworden: men sprak van
de verliefde avonturen van de Tréville, zooals men twintig jaren te
voren van die van Bassompierre had gesproken, en dat beteekende nog al
iets. Alzoo was de kapitein der musketiers bewonderd, gevreesd en
bemind, hetgeen den hoogsten trap van menschelijk geluk daarstelt.
Lodewijk XIV verdoofde al de kleine sterren van zijn hof door zijn zich
wijd uitspreidenden stralenglans; maar zijn vader, een zon _pluribus
impar_[2], liet aan elk zijner gunstelingen zijn persoonlijken glans
behouden, en aan elk zijner hovelingen zijn eigen waarde. Behalve de
ochtendbezoeken bij den koning en den kardinaal, telde men toen te
_Parijs_ meer dan tweehonderd huizen, waar men dergelijke bezoeken, die
zeer in de mode waren, ontving, en onder deze waren die van de Tréville
de talrijkste.--De binnenplaats van zijn hotel, in de straat de Oude
Duiventil, geleek een legerkamp, zoodra het des zomers zes en des
winters acht uur had geslagen; vijftig tot zestig musketiers, die zich
daar schenen af te lossen, om steeds een ontzagwekkend getal te vormen,
wandelden er op en neer, steeds in volle krijgstoerusting en op alles
voorbereid. Langs een dier groote trappen, op welks grond onze
tegenwoordige beschaving een geheel huis zou bouwen, gingen de Parijsche
jagers naar een of anderen voordeeligen post, de landedellieden,
begeerig in dienst te treden, en de met allerlei kleuren opgesmukte
lakeien, die den heer de Tréville de boodschappen hunner meesters kwamen
brengen, op en af. In de voorkamer zaten de uitverkorenen, dat is te
zeggen, zij die genoodigd waren, op lange banken, die een halven cirkel
vormden. Van des morgens tot des avonds hoorde men dáár een onafgebroken
gemompel, terwijl de heer de Tréville in zijn aangrenzend kabinet
bezoeken ontving, klachten aanhoorde, bevelen gaf, en, evenals de koning
op zijn balkon van het Louvre, zich slechts voor het venster behoefde te
plaatsen, om zijn manschappen en hun wapens in oogenschouw te nemen.
[2] De schrijver doelt op de spreuk van Lodewijk XIV, die tot wapen
had aangenomen een zon met dit devies: „_nec pluribus impar_”; d.
i. voor zeer vele dingen ben ik genoegzaam; dit kenschetst geheel
den trotschen aard van Lodewijk XIV en ook den meer zedigen aard
van Lodewijk XIII, dien de schrijver tot spreuk schijnt te geven:
„_pluribus impar_”; d. i. voor de meeste dingen ben ik niet
berekend.
Op den dag, toen d’Artagnan zich dáár vertoonde, maakte het gezelschap,
vooral op een bewoner der provincie, die voor het eerst in de hoofdstad
komt, niet weinig indruk; het is waar, dat die buitenman een Gaskonjer
was, en dat toen de landgenooten van d’Artagnan den naam hadden niet erg
vatbaar voor blooheid te zijn: en waarlijk, zoodra men de zware, met
groote, vierkante spijkers beslagene deur door was gegaan, bevond men
zich te midden van een troep krijgslieden, die op de binnenplaats op en
neer wandelden, elkander toeriepen, met elkander twistten of zich
vermaakten. Om zich door dit als bruisende baren woelend gedrang een weg
te banen, moest men officier, voornaam heer, of schoone dame zijn. Het
was dan te midden van dat gedrang en dien bajert, dat onze jongeling met
een kloppend hart voorttrad, zijn langen degen met de eene hand tegen
zijn mager been, en met de andere zijn vilten hoed bij den rand
houdende, op zijn gelaat den flauwen, verlegen en boerschen glimlach
vertoonende van hem, die zijn verlegenheid tracht te verbergen. Zoodra
hij een groep voorbij was, schepte hij weder adem, hoewel hij begreep,
dat men zich omkeerde om hem na te zien; en voor het eerst van zijn
leven vond d’Artagnan, die tot hiertoe van zich zelven een vrij goed
denkbeeld had gekoesterd, zich belachelijk. Voor de trap gekomen, was
hij in nog grootere verlegenheid; er stonden namelijk op de eerste
treden een viertal musketiers, die zich met de volgende uitspanning
verlustigden, terwijl tien of twaalf hunner wapenbroeders in het portaal
hun beurt afwachtten, om aan het spel deel te nemen. Een hunner, eenige
treden hooger staande, belette, of trachtte althans, met den degen in de
vuist, de drie anderen het opklimmen van de trap te beletten. De degens
van deze drie kliefden als weerlichten de lucht. D’Artagnan hield die
klingen aanvankelijk voor schermdegens, welker punten waren verstompt,
maar hij bespeurde dra aan eenige schrammen, dat elks wapen integendeel
naar eisch was gescherpt en gepunt, en dat bij het toebrengen dier
schrammen, niet alleen de toeschouwers, maar ook de strijders een woest
gejuich aanhieven. Degene, die op dit oogenblik de trap verdedigde,
hield op verwonderlijke wijs de aanvallers tegen. Een drom van
toeschouwers omringde de strijders. De voorwaarden van dit spel waren:
hij, die geraakt werd, moest zich verwijderen, terwijl ten voordeele van
dengene, door wien hij was geraakt, zijn beurt om ter audiëntie te gaan
verloren was. In vijf minuten tijds werden er drie licht gekwetst; een
aan de hand, de andere aan de kin, de derde aan het oor; alle door den
verdediger van de trap, die zelve ongedeerd bleef, welke behendigheid,
volgens de bepaalde voorwaarden, hem drie audiëntie-beurten verschafte.
Deze uitspanning, inderdaad zoo moeilijk niet als zij verwonderlijk zijn
wilde, verbaasde niet weinig onzen jongen reiziger, die in zijn land,
waar trouwens de driften zoo spoedig ontvlammen, wat meer
voorbereidselen tot een tweegevecht had zien nemen, zoodat de
Gaskonjische bluf dezer vier strijders hem alles scheen te overtreffen,
wat hij tot hiertoe daarvan, zelfs in _Gaskonje_, had gezien of gehoord.
Hij waande zich in dat vermaarde reuzenland, werwaarts in lateren tijd
zich Gulliver begaf, en zooveel angst doorstond.
Intusschen bleef er voor d’Artagnan nog veel te zien en te ondervinden
over; hij moest nog het portaal over en de antichambre binnen. Op het
portaal vocht men niet; men sprak er over liefdes-histories, en in de
antichambre over hof-intrigues. Op het portaal bloosde d’Artagnan, in de
voorkamer beefde hij; zijn opgewekte en ijlende verbeelding, die hem in
_Gaskonje_ voor de jeugdige kameniers niet alleen, maar ook voor hun
mevrouwen gevaarlijk maakte, had nooit, zelfs niet in haar oogenblikken
van geestvervoering, de helft der liefdewonderen, noch het vierde
gedeelte der galante heldendaden gedroomd, welke de beroemdste namen en
de minst omsluierde bijzonderheden zoozeer deden uitkomen. En, werd op
het portaal zijn zedelijkheid gekwetst, niet minder werd in de voorkamer
zijn eerbied voor den kardinaal gekrenkt. Dáár hoorde d’Artagnan tot
zijn groote verbazing de staatkunde, welke _Europa_ deed beven, luide
gispen, zoowel als de bijzondere leefwijze van den kardinaal, van welke
poging ze te doorgronden, zoo vele voorname en machtige edellieden
geboet hadden; die groote, door den ouden heer d’Artagnan zoo hoog
geschatte man strekte hier ten spot aan de musketiers des heeren de
Tréville, en dezen schertsten met zijn kromme beenen en zijn hoogen rug;
enkelen zongen schimpliedjes op mevrouw d’Aiguillon, zijn minnares, en
mevrouw de Combalet, zijn nicht, en anderen smeedden plannen tegen de
pages en de lijfwacht van den hertog-kardinaal; welk een en ander
d’Artagnan voor de ongerijmdste dolligheid hield. Intusschen hoorde men
bijwijlen den naam des konings onder het geschimp op den kardinaal
uitkomen, doch dan was het, alsof een prop eensklaps, voor een poos, al
die spottende monden stopte; en men zag schroomvallig rond, den muur van
het kabinet des heeren de Tréville wantrouwende. Dra echter deed opnieuw
een toespeling het gesprek op Zijne Eminentie neerkomen; het gelach werd
dan oorverdoovend, terwijl alle handelingen van den kardinaal zooveel
mogelijk toegelicht werden.
„Op mijn woord, al die lieden staan op het punt geëmbastilleerd of
gehangen te worden,” dacht d’Artagnan „en ik zonder twijfel met hen;
want zoodra ik naar hen luister en hun gesprekken bijwoon, zal ik als
hun medeplichtige worden beschouwd. Wat zou mijn vader wel zeggen, hij,
die mij den eerbied voor den kardinaal zoo ernstig heeft aanbevolen,
indien hij wist in wat heidensch gezelschap ik ben?”--Het behoeft
trouwens niet gezegd te worden, dat d’Artagnan zich in het gesprek niet
durfde mengen; hij bepaalde zich dus er toe uit al zijn vermogen te
luisteren en alles gade te slaan, wat er rondom hem gebeurde, hiertoe
van zijn zintuigen met inspanning gebruik makende om vooral niets te
laten verloren gaan, zoodat, ondanks de vaderlijke vermaning, hij zich
door zijn geaardheid gedreven voelde en door zijn neigingen overgehaald,
om hetgeen er plaats had eer te roemen dan te laken. Ondertusschen,
volkomen onbekend aan de vele bezoekers van den heer de Tréville, die
hem voor het eerst daar zagen, kwam men hem dra vragen wat hij begeerde.
Op deze vraag noemde zich d’Artagnan met veel ootmoed, drukte op zijn
hoedanigheid van landgenoot en verzocht den kamerdienaar, die hem deze
vraag was komen doen, den heer de Tréville voor hem een oogenblik gehoor
te verzoeken, welke bede deze op aanmatigenden toon beloofde te zullen
overbrengen, wanneer tijd en gelegenheid zulks toelieten.
D’Artagnan, een weinig van zijn eerste verlegenheid hersteld, had nu den
tijd, eenigszins de gebruiken gade te slaan en de aangezichten der
aanwezenden te beschouwen. Het middelpunt van de luidruchtige groep was
een musketier van een zeer hooge gestalte, met trotsche gelaatstrekken,
en op een zoo zonderlinge wijze gekleed, dat hij de algemeene aandacht
trok. Hij droeg voor het oogenblik niet het uniformbuis, hetwelk in dien
minder vrijen doch meer onafhankelijken tijd niet volstrekt verplichtend
was, maar een hemelsblauw buis, min of meer kaal en verschoten, en op
dat gewaad een prachtigen bandelier met gouden borduursels, schitterende
als een kabbelende vliet bij zonneschijn. Een lange, karmozijnroode,
fluweelen mantel viel bevallig over zijn schouders, alleen van voren den
schitterenden bandelier bloot latende, waaraan een reusachtig rapier
hing.
Die musketier kwam juist van de wacht en klaagde over verkoudheid,
terwijl hij van tijd tot tijd kuchte. Ook had hij zich daarom met zijn
mantel bedekt, zooals hij aan de omstanders zeide. En terwijl hij met
opgeheven hoofd sprak en trotsch zijn knevels opstreek, werd zijn
geborduurde bandelier met niet weinig geestdrift bewonderd, en wel het
meest door d’Artagnan.
„Wat zal ik u zeggen,” riep de musketier, „het wordt de mode; het is een
dwaasheid, dat weet ik wel, maar het is niet anders. Buitendien,
men mag zich ook wel iets voor het geld der ouderlijke erfenis
aanschaffen.”--„O, Porthos!” riep een der omstanders, „tracht ons niet
te doen gelooven, dat gij dien bandelier van de ouderlijke gulheid hebt
verkregen: eerder van de gesluierde dame, met welke ik u voorgaanden
Zondag in den omtrek der poort _St. Honoré_ ontmoette.”--„Neen, ik
verzeker u op mijn eer en op mijn woord van edelman, ik heb hem in
persoon gekocht, en voor mijn eigen geld,” antwoordde degene, dien men
onder den naam Porthos aanduidde.--„Ja, zooals ik die nieuwe beurs heb
gekocht,” zeide een andere musketier, „met hetgeen mijn minnares in de
oude beurs had gedaan.”--„Neen waarlijk,” hernam Porthos, „en tot
bewijs, ik heb er twaalf pistolen voor betaald.”--De bewondering steeg
nog, hoezeer de twijfel bleef bestaan.--„Is het niet waar, Aramis?”
vroeg Porthos, zich tot een anderen musketier wendende.
Die musketier vormde een buitengewoon kontrast met dengene, die hem
ondervroeg, en hem bij den naam van Aramis toeriep. Het was een
jongeling van nauwelijks twee of drie en twintig jaar, met een
onschuldig en zachtmoedig gelaat, zwarte, kwijnende oogen en
rooskleurige, fluweelzachte wangen, als een perzik in den herfst; zijn
fijne knevel vormde op zijn bovenlip een volkomen rechte lijn; zijn
handen schenen zich niet te durven neerlaten, uit vrees dat hun aderen
mochten opzwellen, en bijwijlen kneep hij zich de ooren, om hen een
zachte, doorschijnende karmijnkleur te doen behouden. Gewoonlijk sprak
hij weinig en langzaam; dikwerf groette hij met een zachten glimlach,
terwijl hij zijn tanden liet zien, die zeer fraai waren en voor welke
hij groote zorg scheen te dragen, zooals voor het overige van geheel
zijn lichaam. Hij beantwoordde de vraag zijns vriends met een
hoofdknik.--Dit bevestigend teeken scheen al de twijfelingen ten aanzien
van den bandelier te hebben doen ophouden; men ging voort hem te
bewonderen, doch men sprak er niet meer over, en door een dier snelle
overgangen van denkbeelden veranderde het gesprek eensklaps van
onderwerp.
„Wat denkt gij van hetgeen de schildknaap van Chalais verhaalt?” vroeg
een ander musketier, zonder zich tot iemand in het bijzonder te richten,
maar integendeel deze vraag aan het geheele gezelschap doende.--„En wat
verhaalt hij?” vroeg Porthos op hoogen toon.--„Hij verhaalt, dat men
Rochefort, den vertrouweling des kardinaals, in het gewaad eens
kapucijners te _Brussel_ heeft gezien; die vervloekte Rochefort heeft
den heer de Laigues, als een ezel die hij is, fraai om den tuin
geleid.”--„Als een waren ezel! maar is de zaak waar?”--„Ik heb het van
Aramis gehoord,” antwoordde de musketier.--„Wel zoo!”--„Och! gij weet
het immers wel, Porthos!” zeide Aramis. „Ik heb het u immers gisteren
verteld, spreken wij er dus niet meer over.”--„Er niet meer over
spreken, ziedaar uw gevoelen,” hernam Porthos. „Er niet meer van te
spreken! Duivelsch! wat neemt gij spoedig zulk een besluit. Hoe! de
kardinaal laat een edelman bespieden, hem zijn brieven ontstelen door
een verrader, een gauwdief, een galgenaas; en met behulp van dien
verrader, en ten gevolge dezer brieven, Chalais den hals afsnijden,
onder het domme voorwendsel dat hij den koning het leven ontnemen en
_Monsieur_[3] met de koningin in het huwelijk wilde doen treden! Niemand
wist een woord van dat raadsel, en tot onzer aller verbazing deeldet gij
het ons gisteren mede, en nu, terwijl wij door die tijding geheel
terneergeslagen zijn, komt gij ons aanraden er niet meer van te
spreken.”--„Welnu, laat ons er dan over spreken, daar gij het begeert,”
hernam Aramis geduldig.--„Indien ik de schildknaap van den armen Chalais
ware,” riep Porthos, „dan zou ik dien Rochefort een leelijk oogenblik
doen doorbrengen!”--„En gij zoudt een leelijk kwartiertje met den rooden
hertog doorbrengen,” hernam Aramis geduldig.--„Ha! ha! de roode hertog!
bravo! bravo! de roode hertog!” antwoordde Porthos, in de handen
klappende en goedkeurend met het hoofd knikkende. „Roode hertog! een
allerliefste naam! Wees gerust, mijn waarde! die aardigheid zal opgang
maken. Wat heeft die Aramis toch een vernuft! En hoe ongelukkig, dat gij
uw roeping niet hebt kunnen volgen, mijn waarde! wat een lief abtje zou
er van u geworden zijn.”--„O! het is slechts een kort uitstel,”
antwoordde Aramis, „den een of anderen dag word ik het; gij weet wel,
Porthos! dat ik mij daarom in de godgeleerdheid blijf oefenen.”--„Hij
zal doen, zooals hij zegt,” hernam Porthos, „vroeg of laat gebeurt
het.”--„Vroeg,” zeide Aramis.--„Hij wacht slechts op iets anders, om
zijn voornemen te volvoeren en zijn priesterkleed weder aan te trekken,
dat nu achter zijn uniformrok hangt!” riep een ander musketier.--„En wat
is dat, waarop hij wacht?” vroeg een derde.--„Hij wacht, totdat de
koningin de kroon van _Frankrijk_ een erfgenaam zal geschonken
hebben.”--„Schertsen wij hierover niet, mijne heeren!” zeide Porthos;
„Goddank! de koningin is nog jong genoeg hiervoor.”--„Men zegt, dat de
heer de Buckingham in _Frankrijk_ is,” hernam Aramis met een schalkschen
lach, die aan deze zoo schijnbaar onnoozele woorden een tamelijk
schampere beteekenis gaf.
[3] Dit was de titel van den oudsten broeder des Franschen konings.
„Aramis! mijn vriend! voor dezen keer gaat gij te ver,” viel Porthos hem
hierop in de rede, „en uw geestigheid overschrijdt reeds de grenzen;
indien de heer de Tréville u hoorde, zouden uw woorden u slecht
bekomen.”--„Wilt gij mij een les geven, Porthos!” riep Aramis, in wiens
oogen men iets als een bliksemschicht zag flikkeren.--„Mijn waarde! wees
musketier of abt, het een of ander; maar niet beiden gelijk,” hernam
Porthos. „Zie, Athos zeide het u nog, een paar dagen geleden, dat gij
van alle markten te huis zijt! O, vertoorn u niet, bid ik u, dat dient
tot niets; gij weet immers, wat tusschen ons is overeengekomen, tusschen
u, Athos en mij. En al bezoekt gij mevrouw d’Aiguillon en maakt haar het
hof, of mevrouw de Bois-Tracy, de nicht van mevrouw de Chevreuse, van
welke dame, zooals men zegt, gij de gunst in zoo hooge mate geniet,
daarom, mijn God! behoeft gij uw geluk niet te openbaren, men verlangt
uw geheimen niet te doorgronden; men kent uw bescheidenheid. Maar,
dewijl gij die deugd bezit, wat duivel, waarom beoefent gij die dan niet
ten aanzien Harer Majesteit. Iedereen mag zich, zoo hij wil, met den
koning en den kardinaal bezig houden; maar de koningin is heilig, en,
wanneer men van haar spreekt, dat het dan ten goede zij.”--„Porthos, gij
zijt verwaand als Narcissus. Ik waarschuw u,” antwoordde Aramis, „gij
weet, ik haat het zedenpreeken, behalve als Athos zulks doet. Wat u
betreft, mijn waarde! gij bezit een al te fraaien bandelier, om hierin
uit te munten. Ik zal abt worden, wanneer mij zulks bevalt, intusschen
ben ik musketier; en in deze hoedanigheid zeg ik, wat mij in den mond
komt, en thans behaagt het mij u te zeggen, dat gij mij
verveelt.”--„Aramis!”--„Porthos!”--„Hola! mijne heeren!” riepen de
omstanders.
„De heer de Tréville wacht den heer d’Artagnan.”--Dit kwam, het rumoer
afbrekende, de lakei berichten, die de deur opende. Op deze aankondiging
bewaarden allen het stilzwijgen, terwijl de deur open bleef, en te
midden dier algemeene stilte ging de Gaskonjer de antichambre in een
gedeelte van haar lengte door, en trad hij bij den kapitein der
musketiers binnen, zich van harte geluk wenschende zoo te stade deze
zonderlinge twistpartij verlaten te hebben.