De schouder van Athos, de bandelier van Porthos, en de neusdoek van
Aramis.
Als woedend snelde d’Artagnan de voorkamer door en bereikte in drie
sprongen de trap, van welke hij de treden even snel wilde afspringen,
maar in zijn vaart stormde hij blindelings tegen een musketier aan, die
door een zijdeur het hotel verliet; zijn hoofd stiet zoo geweldig tegen
den schouder des musketiers, dat dezen een kreet, of liever een gebrul
ontglipte.--„Verschoon mij,” zeide d’Artagnan, die zijn loop trachtte te
hervatten, „verschoon mij, ik heb haast.”--Doch nauwelijks had hij den
voet op de eerste trede gezet, of een ijzersterke vuist greep hem bij
zijn sjerp en hield hem staande.--„Gij hebt haast!” riep de musketier,
wit als een lijkkleed, „en gij stoot mij onder dat voorwendsel; gij
zegt, verschoon mij! en gij meent, dat dit voldoende is? Geloof dat
niet, jonkman! Is het, omdat gij den heer de Tréville ons een weinig
hard hebt hooren toespreken, dat gij meent, dat men met ons kan
handelen, zooals hij ons toesprak? Waan dit niet, vriendje! gij! gij
zijt de heer de Tréville niet!”--„Ik verzeker u, ik heb het niet met
opzet gedaan,” antwoordde d’Artagnan, Athos herkennende, die, nadat hij
verbonden was, naar huis ging, „en dewijl ik het niet opzettelijk
deed, vraag ik u om verschooning. Ik meen nu, dat dit genoeg is. Ik
herhaal u intusschen, en misschien is dit voor het oogenblik te veel,
dat ik, op mijn woord van eer, haast heb en zeer veel haast. Laat mij
dus los, ik verzoek het u, en laat mij gaan, waar mijn zaken mij
roepen.”--„Mijnheer!” zeide Athos, hem los latende, „gij zijt niet
beleefd. Men ziet wel aan u, dat gij van verre komt.”--D’Artagnan was
reeds drie of vier treden afgegaan, doch op de aanmerking van Athos
bleef hij plotseling staan.--„_Morbleu_! mijnheer,” zeide hij,
„van hoe verre ik kom, gij zijt het niet, die mij een les in
wellevendheid zult geven, dat verzeker ik u.”--„Misschien,”
hernam Athos.--„O! als ik zooveel haast niet had,” riep d’Artagnan,
„en ik niet iemand op de hielen zat....”--„Mijnheer de haastige!
gij behoeft mij niet na te loopen, om mij te vinden, hoort
gij?”--„En waar, als het u belieft?”--„In den omtrek van het
Barrevoeter-Karmelieten-klooster.”--„Hoe laat?”--„Om twaalf uur.”--„Om
twaalf uur;--het is wel, ik zal er wezen.”--„Tracht mij niet te lang te
laten wachten, want kwartier na twaalven, hoort gij? zal ik het zijn,
die u zal naloopen en al naloopende u de ooren zal afsnijden.”--„Goed!”
riep hem d’Artagnan toe, „men zal er tien minuten voor twaalven zijn.”
Als door den duivel voortgejaagd, spoedde hij zich voort, altijd in de
hoop zijn onbekende te zullen achterhalen, wiens langzame tred hem nog
niet ver kon gebracht hebben. Maar voor de straatdeur stond Porthos, in
gesprek met een der wachtdoende soldaten. Tusschen beide praters was
niet meer ruimte dan ter doorlating van een persoon. D’Artagnan
oordeelde, dat deze ruimte voldoende voor hem was, en als een pijl uit
den boog wierp hij zich tusschen beiden. Maar d’Artagnan had niet op den
wind gerekend; immers juist toen hij zijn vaart nam, spreidde de wind
den grooten mantel van Porthos uit, zoodat d’Artagnan vlak tegen
denzelven inliep. Ongetwijfeld had Porthos reden dit belangrijk gedeelte
van zijn gewaad niet te laten glippen; want in plaats van den slip, dien
hij vasthield, los te laten, trok hij dien tot zich, zoodat d’Artagnan,
door een ronddraaiende beweging, ontstaan ten gevolge van het
halsstarrig vasthouden van Porthos, in het fluweel werd
gerold.--D’Artagnan, die den musketier hoorde vloeken, wilde van onder
den mantel, die hem verblindde, uitkomen, en trachtte in de plooien den
weg te vinden. Hij vreesde vooral de nieuwheid van den prachtigen
bandelier, dien wij kennen, beschadigd te hebben, want schroomvallig de
oogen openende, bevond hij zich met zijn neus tusschen de beide
schouders van Porthos, en wel juist op den bandelier. Helaas! zooals de
waarde der meeste dingen dezer wereld slechts schijnbaar is, zoo was het
ook met den bandelier, die van voren goud, maar van achter eenvoudig van
buffelleder was. Porthos, als een echt pronker, die geen geheel gouden
bandelier kan verkrijgen, had er althans een gedeeltelijk van goud. Men
begrijpt hieruit de noodzakelijkheid eener verkoudheid, en bijgevolg de
behoefte van een mantel.
„_Ventrebleu_!” riep Porthos, alle moeite doende zich van d’Artagnan te
ontslaan, die zich op zijn rug verwrong, „zijt gij dan razend, de
menschen zóó op het lijf te vallen!”--„Verschoon mij,” zeide d’Artagnan,
die van onder den schouder van den reus kwam, „ik heb haast, ik loop
iemand na, en....”--„Laat gij bij geval uw oogen te huis, wanneer gij
iemand naloopt?” vroeg Porthos.--„Neen!” antwoordde d’Artagnan
geraakt, „neen, en wel met mijn oogen zie ik iets, dat anderen niet
zien.”--Porthos begreep het of niet; maar hoe het ook zij, hij werd
driftig en riep: „Mijnheer! gij zult u laten afranselen, dat zeg
ik u, indien gij op die wijze met de musketiers in aanraking
komt.”--„Afranselen! mijnheer!” zeide d’Artagnan, „dat woord is niet
zeer kiesch.”--„Dat is de spreekwijze van iemand, die gewoon is zijn
vijanden onder de oogen te zien.”--„O, _pardieu_! ik weet wel, dat gij
de uwe den rug niet toekeert.”--En de jongeling, verheugd over zijn
tergende geestigheid, verwijderde zich, luid lachende.--Porthos
schuimbekte van woede en deed een beweging om d’Artagnan aan te
vallen.--„Later, later!” riep deze, „wanneer gij uw mantel zult hebben
afgelegd.”--„Dus te een uur, achter het Luxembourg.”--„Zeer goed, te een
uur,” antwoordde d’Artagnan, den hoek der straat omslaande.
Maar noch in de straat, die hij was doorgeloopen, noch in die, welke
zijn blik thans overzag, ontwaarde hij iemand. Hoe langzaam de
vreemdeling ook ware voortgetreden, hij had veel wegs afgelegd, of
misschien was hij een of ander huis binnengegaan. D’Artagnan vroeg naar
hem aan al degenen, die hij ontmoette, vervolgde zijn weg tot aan de
overzetpont, keerde terug langs de straat _de Seine_ en _de la Croix
Rouge_, maar hij bespeurde niets, volstrekt niets. Intusschen was deze
tocht hem in zooverre nuttig, dat, hoe meer het zweet zijn voorhoofd
besproeide, zijn bloed meer en meer verkoelde. Hij begon toen over zijn
wedervaren na te denken; het was van velerlei aard en weinig goeds
voorspellend: Immers, nauwelijks te elf uur in den ochtend, had hij zich
reeds de ongenade van den heer de Tréville op den hals gehaald, daar
deze zeker zijn zonderlinge wijze van afscheid te nemen niet zeer
wellevend moest gevonden hebben. Bovendien had hij onder weg een paar
geduchte tweegevechten opgedaan, en wel met twee mannen, die elk voor
zich in staat waren drie d’Artagnans naar de andere wereld te zenden:
namelijk met twee musketiers, dat is te zeggen, met twee dier wezens,
voor welke hij zooveel achting koesterde, dat hij ze bij zich zelven
boven alle andere menschen stelde.--Zijn toestand was treurig. Zeker
door Athos te worden neergeveld, begrijpt men, dat de jongeling zich
niet veel om Porthos bekommerde. Nochtans, daar de hoop het laatste is,
wat in ’s menschen hart wordt uitgedoofd, koesterde hij eindelijk de
hoop in het leven te zullen blijven, wel te verstaan, na hevige wonden
in die beide tweegevechten ontvangen te hebben, en ingeval van
overleving deed hij zich voor de toekomst de navolgende vermaningen:
„Hoe heb ik toch zoo onbedachtzaam kunnen handelen en wat een domkop ben
ik! Dien dapperen, ongelukkigen Athos met mijn hoofd, als met een
stormram, juist tegen zijn gekwetsten schouder te loopen! Zeer
verwondert het mij, dat hij mij niet dadelijk heeft doorstoken; hij had
hiertoe het recht; immers de smart, die ik hem heb veroorzaakt, moet
vreeselijk zijn geweest. Wat Porthos betreft.... ha! op mijn woord, dat
is een vrij koddige geschiedenis!” En onwillekeurig begon de jongeling
te lachen, doch tevens keek hij bedachtzaam rond, of deze onverklaarbare
lachlust niet den een of anderen voorbijganger zou kunnen beleedigen.
„Wat Porthos betreft, dat is een vrij koddige historie, maar ik ben
desniettemin een ellendige dommerik. Mag men derwijze de lieden tegen
het lijf loopen, zonder te voren: maak plaats! te roepen? Neen!.... En
mag men hen onder hun mantel gaan bekijken, om te zien wat er niet is te
zien? Hij zou mij zeker hebben verschoond, en mij hebben laten loopen,
indien ik mij niet op die verbloemde, spottende wijze over dien
vervloekten bandelier had uitgelaten; waarachtig! mijn woorden waren
fraai verbloemd! O! vervloekte Gaskonjer, die ik ben! de lust tot
spotten zal mij nog bekruipen, al word ik gebraden. Welaan, d’Artagnan,
mijn vriend!” ging hij voort, zich toesprekende met al de
welwillendheid, welke hij meende zich zelven verschuldigd te zijn.
„Indien het u gelukt dit gevaar te ontkomen, wat niet waarschijnlijk is,
is het noodzakelijk voortaan de grootste beleefdheid in acht te nemen.
In het vervolg moet ge u doen bewonderen, als een voorbeeld zien
aanwijzen. Beleefd en voorkomend is niet lafhartig zijn. Welnu, heeft
ooit iemand er aan gedacht te zeggen, dat Aramis een lafaard is? Immers
volstrekt niet; derhalve van heden aan zal ik mij in alle opzichten aan
hem spiegelen.... Ha! daar is hij juist.”
D’Artagnan, onder deze alleenspraak zijn weg vervolgende, was op eenige
schreden van het hôtel d’Aiguillon genaderd, en daar voor zag hij
Aramis, in vroolijken kout met drie edellieden van ’s konings lijfwacht.
Ook Aramis had d’Artagnan bespeurd, doch wijl hij nog niet vergeten was,
dat het in de tegenwoordigheid van dien jongeling was, dat de heer de
Tréville zich des morgens zoo kwaad had gemaakt, en dewijl een getuige
dezer den musketiers gedane vermaningen hem in geenen deele aangenaam
was, nam hij den schijn aan hem niet te zien. D’Artagnan integendeel,
vervoerd door zijn vredelievende voornemens van wellevendheid, naderde
de vier jongelieden en maakte een diepe buiging, die hij liet vergezeld
gaan van een zoo bevallig mogelijken glimlach. Aramis knikte even met
het hoofd, doch glimlachte niet; terwijl alle vier onmiddellijk hun
gesprek staakten.
D’Artagnan was niet dom genoeg om niet te bemerken, dat hij te veel was;
maar de manieren der groote wereld waren hem nog te vreemd, om op
geschikte wijze uit dien neteligen toestand te geraken, waarin
gewoonlijk hij zich bevindt, die zich bij lieden voegt, welke hij
nauwelijks kent, en zich in een gesprek mengt, dat hem niet aangaat. Hij
peinsde dus op een geschikt middel om zich te verwijderen, toen hij
bemerkte, dat de zakdoek van Aramis op den grond lag en hij,
waarschijnlijk zonder opzet, er den voet op had gezet; dit voorval
scheen hem gunstig ter herstelling zijner onwelvoeglijkheid, hij boog
zich en met al de bevalligheid, welke hij kon ten toon spreiden, trok
hij den zakdoek van onder den voet des musketiers weg, welke pogingen
deze ook aanwendde om dien vast te houden, en zeide, hem dien
overhandigende: „Ik geloof, mijnheer! dat gij dezen zakdoek niet gaarne
zoudt willen verliezen.”
De zakdoek was werkelijk met prachtig borduursel omzoomd, en aan een der
hoeken met een kroon en een wapen gemerkt. Aramis werd bloedrood en
rukte, eer dan hij hem aannam, den zakdoek uit de handen van den
Gaskonjer.--„Ha! ha!” riep een der gardes uit, „durft gij nu nog zeggen,
achterhoudende Aramis! dat gij met mevrouw de Bois-Tracy in onmin zijt,
terwijl die bekoorlijke dame u zoo goedgunstig haar zakdoeken
leent.”--Aramis wierp op d’Artagnan een dier blikken, welke te verstaan
geven, dat men zich een onverzoenlijken vijand gemaakt heeft; vervolgens
zeide hij met zijn zachte stem: „Gij bedriegt u, mijne heeren! die
zakdoek behoort mij niet, en ik weet niet welke gril dien heer noopt hem
aan mij, liever dan aan een uwer te geven; om u te bewijzen dat hij mij
niet behoort: ziedaar den mijne in mijn zak.”--Bij deze woorden haalde
hij zijn eigen zakdoek te voorschijn, een zakdoek even fraai en ook van
fijn batist, hoewel die stof destijds zeer duur was; overigens was hij
zonder borduursel, zonder wapen en alleen gemerkt met het naamcijfer des
eigenaars.
D’Artagnan bleef het diepste stilzwijgen bewaren; hij begreep zijn
onhandigheid. Intusschen lieten de vrienden van Aramis zich door die
ontkenning niet overtuigen, en een hunner, met geveinsden ernst zich tot
den jeugdigen musketier wendende, zeide: „Indien het is, zooals gij
voorgeeft, dan zou ik genoodzaakt zijn, mijn waarde Aramis! van u dien
doek terug te eischen, want het moet u bekend zijn, dat Bois-Tracy een
mijner beste vrienden is; en ik wil niet, dat men de voorwerpen zijner
vrouw als zegeteekens ronddraagt.”--„Gij vraagt hem op een geheel
ongepaste wijze,” antwoordde Aramis, „en hoezeer de billijkheid uwer
vordering, wat de zaak zelve betreft, erkennende, moet ik echter
weigeren uit hoofde van den vorm, waarin die gedaan wordt.”--„Het is
waar,” waagde d’Artagnan hier bij te voegen, „dat ik den doek niet uit
den zak van den heer Aramis heb zien vallen. Hij stond er met den voet
op, en bijgevolg dacht ik, dat hij hem behoorde.”--„En gij hebt u
bedrogen, mijn waarde heer!” antwoordde Aramis koel en zeer weinig
gevoelig voor deze genoegdoening. Toen zich tot den edelman wendende,
die zich den vriend van Bois-Tracy had verklaard, vervolgde hij:
„Buitendien bedenk ik, waarde boezemvriend van de Bois-Tracy, dat ik
niet minder dan gij het zelf kunt zijn, zijn boezemvriend ben, zoodat de
zakdoek, wèl beschouwd, even goed uit uw zak als uit den mijne kan zijn
gevallen.”--„Neen, op mijn eer!” riep de garde van Zijne
Majesteit.--„Gij zweert op uw eer en ik op mijn woord; bijgevolg moet
noodzakelijk een van ons beiden liegen. Maar doen wij beter, Montaran!
deelen wij hem.”--„Den zakdoek?”--„Ja, dat is een heerlijk denkbeeld!”
riepen de beide andere gardes. „Salomons oordeel!”--„Waarachtig, Aramis!
gij zijt vol wijsheid.”--De jongelingen barstten in een luid gelach uit,
en zooals men wel kan denken, werd over dat geval niet verder gesproken.
Na weinige oogenblikken was het gesprek uitgeput, en de drie lijfwachten
en de musketier, na elkander vriendschappelijk de hand gedrukt te
hebben, vertrokken, de gardes langs den eenen en Aramis langs den
anderen kant.
„Het oogenblik is nu gekomen om mij met dien bevalligen heer te
verzoenen,” zeide d’Artagnan bij zich zelven, terwijl hij zich gedurende
het laatste gedeelte van het gesprek een weinig had verwijderd gehouden;
en met dat goede denkbeeld bezield Aramis naderende, die zich
verwijderde zonder verder eenige acht meer op hem te slaan, zeide hij:
„Mijnheer, ik hoop dat gij mij wel zult willen verschoonen.”--„Och,
mijnheer!” hernam Aramis, „veroorloof mij u te doen opmerken, dat gij in
deze omstandigheid niet hebt gehandeld zooals het een wellevend man
betaamt.”--„Wat, mijnheer! gij veronderstelt....?”--„Ik veronderstel,
mijnheer, dat gij niet gek zijt, en gij wel weet, ofschoon gij van
_Gaskonje_ komt, dat men niet zonder reden op zakdoeken trapt. Wat
duivel! _Parijs_ is niet met batist bestraat.”--„Mijnheer! gij doet niet
wel mij te willen vernederen,” zeide d’Artagnan, wiens aangeboren
twistzucht zich boven zijn vreedzame voornemens verhief. „Ik kom van
_Gaskonje_, dat is waar, en dewijl gij zulks weet, behoef ik u niet te
zeggen, dat de Gaskonjers niet zeer verdraagzaam zijn, zoodat, wanneer
zij eenmaal bekennen een dwaasheid te hebben begaan, zij reeds bij zich
zelven volkomen verzekerd zijn de helft meer te doen dan zij
moesten.”--„Mijnheer!” antwoordde Aramis, „wat ik u zeg is niet om twist
te zoeken. Goddank! ik ben geen vechtersbaas en slechts voorloopig
musketier, bijgevolg ga ik slechts dan tot een tweegevecht over, wanneer
ik er toe gedwongen word; maar trouwens steeds met grooten weerzin. Maar
deze zaak is ernstig, want de goede naam eener dame wordt door u
bedorven.”--„Door ons, wilt gij zeggen!” riep d’Artagnan.--„Waarom zijt
gij zoo onhandig geweest mij dien doek te geven?”--„Waarom zijt gij zoo
onhandig geweest hem te verliezen?”--„Ik heb het u gezegd en ik herhaal
het, mijnheer! dat die zakdoek niet uit mijn zak is gekomen.”--„Welnu,
dan liegt gij voor de tweede maal, mijnheer! want ik heb hem er zien
uitvallen.”--„Ha! gij slaat dien toon aan, mijnheer de Gaskonjer? maar
wacht, ik zal u leeren wellevend te zijn!”--„En ik zal u naar uw mis
doen terugkeeren, mijnheer de pastoor! trek uit uw degen, en als gij zoo
goed wilt zijn, oogenblikkelijk.”--„Nog niet, als het u belieft, mijn
lieve vriend! althans niet hier. Ziet gij niet, dat wij juist voor het
hôtel d’Aiguillon zijn, dat vol is met dienaren des kardinaals. Wie
verzekert mij, dat het Zijne Eminentie niet is, die u heeft belast hem
mijn hoofd te bezorgen; maar dewijl ik nog al tamelijk aan mijn hoofd
ben gehecht, aangezien het vrij goed op mijn schouders past, zal ik u
het leven ontnemen, maak u daar maar niet ongerust over, doch zonder
gerucht, op een besloten stille plek; dáár, waar gij bij niemand op uw
dood kunt roemen.”--„Gaarne, maar vertrouw hierop niet te veel, en neem
den zakdoek mede, of hij u toebehoort of niet, misschien zal hij u te
stade komen.”--„Mijnheer is Gaskonjer?” vroeg Aramis.--„Ja, maar
mijnheer schijnt uit voorzichtigheid de plaats des gevechts niet te
bepalen.”--„De voorzichtigheid, mijnheer! is een volkomen nuttelooze
deugd voor musketiers, dat weet ik zeer goed; maar dezelve is onmisbaar
voor een geestelijke, en dewijl ik slechts voorloopig musketier ben, wil
ik voorzichtig blijven. Te twee uur zal ik de eer hebben u in het hotel
des heeren de Tréville te wachten, dáár zal ik met u omtrent een
geschikte plaats overeenkomen.”
Beide jongelingen groetten elkander, en Aramis verwijderde zich langs de
straat, die naar het Luxembourg leidde, terwijl d’Artagnan, bemerkende
dat het te laat werd, den weg naar de Barrevoeter-Karmelieten inslaande,
bij zich zelven sprak: „Het is stellig, daar kom ik niet van terug; maar
indien ik sterf, zal ten minste een musketier mij den dood hebben
gegeven.”