Troyes, in Champagne. Een zaal in het koninklijk paleis.
Uit de eene deur komen op: Koning Hendrik, Bedford, Gloster, Exeter,
Warwick, Westmoreland en andere Lords; uit een andere Koning Karel,
Koningin Isabella, Prinses Catharina, Hovelingen en Hofdames, waaronder
Alice; alsmede de Hertog van Bourgondië met Gevolg.
KONING HENDRIK. Vrede aan den kring hier, die den vrede zoekt!—
Wij wenschen onzen broeder, onze zuster
Van Frankrijk heil en welzijn,—onze nicht,
De schoone Catharina, vreugde en zegen;—
Ook u, als tak en lid van ’t koningshuis,
Die deze vorstensamenkomst tot stand bracht,
U, hertog van Bourgondië, groeten wij;—
En, prinsen, pairs van Frankrijk, heil u allen!
KONING KAREL. Met groote vreugde aanschouwen we uw gelaat,
Doorluchte broeder England; wees hier welkom;
Elk uwer, Englands prinsen, evenzoo!
KONINGIN ISABELLA. Zij de afloop even heilrijk, broeder England,
Des blijden dags, der hart’lijke begroeting,
Als wij, verheugd, u thans in de oogen zien.
Die oogen, die tot dusver op de Franschen,
Die in hun richting hen ontmoetten, steeds
Den moord’naarsblik der basilisken schoten,—
’t Venijn van zulke blikken, hopen wij,
Verloor alsnu zijn kracht, en deze dag
Verkeer’ hier allen twist en strijd in liefde.
KONING HENDRIK. Hier staan we, om amen op dien wensch te zeggen.
KONINGIN ISABELLA. Gij Englands prinsen, ’k heet u allen welkom.
BOURGONDIË. Gelijk’lijk wijd ik dienst en liefde u beiden,
Verheven koningen! Dat ik gestreefd heb
Met al mijn denken, ijver en volharding,
U, hooge vorsten, tot deez’ koningsdag,
Dit mondgesprek te brengen, kunnen mij
Uw majesteiten zelf het best getuigen.
Is nu mijn dienst zoo ver geslaagd, dat gij
Van aangezicht tot aangezicht elkander
Hier ziet en groet, zoo duidt gij ’t mij niet euvel,
Dat ik voor dezen hoogen kring u vraag,
Wat hindernis of aanstoot er nog is,
Dat de arme, naakte, zwaar gekwetste vrede,
Der kunsten kweekster, volks- en welvaartvoedster,
In ’s werelds schoonsten gaard, ons vruchtbaar Frankrijk,
Haar lieflijk aanschijn niet verheffen zou?
Helaas! te lang was zij verjaagd uit Frankrijk;
Op hoopen ligt zijn veld- en akkerschat,
Verrottend in zijn eigen vruchtbaarheid.
Zijn wijnstok, ’s harten lust- en vreugdewekker,
Sterft onverzorgd; zijn fraaie dichte heggen
Zijn, als langhaar’ge en stopp’lige gevang’nen,
Door wilde twijgen haav’loos; op zijn akkers,
Die braak nu liggen, tieren dolik, schierling
En weeld’rige aardrook, en het kouter roest,
Dat zulk een woeste woek’ring moest ontwort’len.
Het effen weiland, eens zoo schoon gesierd
Met sleutelbloemen, pimpernel en klaver,
De zeis nu dervend, brengt, verwilderd, geil,
In woesten moedwil niets dan onkruid voort,
Dan ruwe distels, wilde zuring, klissen;
En met zijn schoon verloor ’t zijn nuttigheid.
En zooals wijngaard, braakland, weide en heg,
Ontaardend, nu tot wildernissen worden,
Is ’t in de huizen; wij en onze kind’ren,
Vergeten hebben we, of verzuimd te leeren,
Wijl tijd ontbrak, wat Frankrijks roem moest zijn,
De wetenschappen; en wij groeien op,
Als wilden,—als soldaten ’t doen, wier denken
Op bloed steeds zint,—tot haveloosheid, vloeken,
Norsch uitzicht, al wat onnatuurlijk schijnt.
Om dit weer in zijn vroegren staat te brengen
Kwaamt gij bijeen; en nu smeekt u mijn tong,
Dat gij mij meldt, waarom de zachte vrede
Niet al dit onheil uit het land zou drijven
En ons weer zeeg’nen met haar vroeg’re kracht.
KONING HENDRIK. Wenscht gij den vrede, hertog van Bourgondië,
Welks afzijn wasdom geeft aan al de rampen,
Door u genoemd, dien vrede moet gij koopen,
Door al de billijke eischen toe te staan,
Die gij, kort saamgevat, met juiste omschrijving
Van elk bijzonder punt, in handen hebt.
BOURGONDIË. De koning kent ze reeds, doch heeft zijn antwoord
Ons nog niet meêgedeeld.
KONING HENDRIK. Welnu, de vrede,
Waar gij op aandrongt, ligt juist in zijn antwoord.
KONING KAREL. Ik heb de artik’len slechts met vluchtig oog
Doorloopen; doch, wil thans uw hoogheid enk’len
Uit uwen raad benoemen, om met ons
Ze grondiger te toetsen, dan wordt dra
Door ons besloten wat we aanneem’lijk achten,
En ons beslissend antwoord meegedeeld.
KONING HENDRIK. Zoo zij het, broeder.—Gaat, oom Exeter,—
En broeder Clarence;—en gij, broeder Gloster,—
Warwick,—en Huntingdon, nu met den koning:
Ik machtig u tot sluiting van ’t verdrag;
Vermeerdert, wijzigt, zooals ’t uwe wijsheid
Voor onze waardigheid voordeeligst acht,
U al of niet aan wat wij eischten houdend;
Wij zullen onderteek’nen.—Waarde zuster,
Gaat gij met hen, of blijft gij hier bij ons?
KONINGIN ISABELLA. Doorluchte broeder, ik wil met hen gaan.
Wellicht bewerkt een vrouwestem iets goeds,
Als eenige eisch te sterk wordt aangedrongen.
KONING HENDRIK. Zoo laat toch onze nicht Cath’rina hier;
Want zij is de eerste vord’ring, die wij stellen,
En heeft den hoogsten rang in onze artik’len.
KONINGIN ISABELLA. ’t Is gaarne haar vergund.
(Allen af, behalve Koning Hendrik, Catharina en haar Hofdame Alice.)
KONING HENDRIK. Nu, schoone Catharina, allerschoonste,
Mag een soldaat van u de woorden leeren,
Die ingang vinden in een vrouwenoor,
Haar teeder hart voor zijne liefde winnen?
CATHARINA. Uw majesteit zal zich van mij spotten; ik niet kan spreken
uw England.
KONING HENDRIK. O, schoone Catharina, als gij met uw Fransch hart
oprecht beminnen wilt, zal ik met genoegen hooren, dat gij het met uw
Engelsche tong gebroken bekent. Hebt gij mij lief, Kaatje?
CATHARINA. Pardonnez-moy, ik niet verstaan, wat is „mij lief.”
KONING HENDRIK. De engelen zijn lief en goed, Kaatje, en gij zijt als
een engel.
CATHARINA. Que dit-il? que je suis semblable à les anges?
ALICE. Ouy, vrayment, sauf vostre grace, ainsi dit-il.
KONING HENDRIK. Dit zeide ik, dierbare Catharina, en dit kan ik zonder
blozen herhalen.
CATHARINA. O bon Dieu! les langues des hommes sont pleines de
tromperies.
KONING HENDRIK. Wat zegt zij, schoon kind? dat de tongen der mannen vol
bedrog zijn?
ALICE. Ouy, dat de tongs van de mans zijn vol bedrog; dat is de
prinses.
KONING HENDRIK. De prinses is de beste Engelsche van u beiden.
Waarachtig, Kaatje, voor mijn aanzoek is uw kennis van het Engelsch
juist geschikt; ik ben blijde, dat gij het niet beter spreekt, want als
gij dit deedt, zoudt gij mij zulk een eenvoudig koning vinden, dat gij
zoudt denken, dat ik mijn bouwmanshoeve verkocht had om mijn kroon te
koopen. Ik versta de kunst niet om mijn liefde fraai voor te doen; ik
kan slechts eenvoudigweg zeggen: „ik bemin u.” En als gij mij dan
verder dringt, dan dat gij vraagt: „meent gij het in ernst”? dan ben ik
uitgepraat met mijn aanzoek. Geef mij uw antwoord; in allen ernst, doe
het; dan een handslag en de koop is gesloten. Wat zegt gij, jonkvrouw?
CATHARINA. Sauf vostre honneur, ik verstaan goed.
KONING HENDRIK. Maar waarlijk, Kaatje, als gij verlangt, dat ik om
uwentwil verzen maken of dansen ga, dan ben ik verloren. Voor het eene
ontbreken mij de woorden en de maat, en wat het andere betreft, ben ik
niet sterk in het maathouden, al heb ik een behoorlijke mate van
sterkte. Als ik een jonkvrouw met haasje-over-springen kon winnen, of
door mij met volle wapenrusting in den zadel te slingeren, dan zou ik
mij met springen spoedig een vrouw veroveren. Of als ik om mijn liefste
mocht boksen, of mijn paard voor haar gunst laten steigeren, dan zou ik
er op kunnen toeslaan als een slager en vastzitten als een aap, nooit
er af. Maar, bij God, Kaatje, ik kan niet kwijnend kijken, noch mijn
welsprekendheid uitzuchten, ook ben ik niet bedreven in het bezweren
van mijn liefde, maar heb alleen eeden zonder omhaal, die ik nooit
gebruik dan als het niet anders gaat, en nooit breek, hoe het ook ga.
Als gij een man van dit slag kunt beminnen, Kaatje, wiens gezicht niet
waard is van de zon verbrand te worden, die nooit in zijn spiegel kijkt
uit verliefdheid op iets, wat hij daar ziet, laat dan uw oog hem u
toebereiden. Ik spreek tot u als een rond soldaat; kunt gij mij hierom
lief hebben, neem mij dan; zoo niet, nu, als ik tot u zeg, dat ik zal
sterven, zoo is dat waar,—maar, door mijn liefde tot u, bij den hemel,
neen; en toch, ik bemin u. En zoo lang gij leeft, lieve Kaatje, neem u
een man van eenvoudige en ongemunte standvastigheid, want die moet
vanzelf u geven wat u toekomt, daar hij de gave mist om elders zijn hof
te maken; die knapen met eindelooze tong, die zich in de gunst van
vrouwen weten in te rijmen, draaien zich door redeneeringen er altijd
weder uit. Kom, een redenaar is maar een prater, en een rijmpje is maar
een deuntje. Een goed been schrompelt in, een rechte rug wordt krom,
een zwarte baard wordt wit, een kroeskop wordt kaal, een blozend
gezicht verwelkt, een vol oog wordt hol; maar een goed hart, Kaatje, is
zon en maan, of liever, de zon, en niet de maan, want het schijnt
helder en verandert nimmer, maar blijft trouw in zijn baan. Als gij er
zoo een hebben wilt, neem dan mij; neem mij, neem een soldaat; neem een
soldaat, neem een koning. En wat zegt gij nu op mijn liefde? Spreek,
melieve, en liefelijk, bid ik u.
CATHARINA. Is het mogelijk, dat ik zou beminnen den vijand van
Frankrijk?
KONING HENDRIK. Neen, het is niet mogelijk, dat gij den vijand van
Frankrijk zoudt beminnen, Kaatje; maar door mij te beminnen, zoudt gij
den vriend van Frankrijk beminnen, want ik bemin Frankrijk zoo zeer,
dat ik er geen dorp van wil laten varen; ik wil het geheel voor mijzelf
hebben. En, Kaatje, als Frankrijk mijn is, en ik de uwe ben, dan is
Frankrijk u en gij zijt mijn.
CATHARINA. Ik niet verstaan, wat dat is.
KONING HENDRIK. Niet, Kaatje? Ik zal het u in het Fransch zeggen, dat
zeker aan mijn tong zal hangen als een pasgetrouwde vrouw aan den hals
van haar man, nauwelijks af te schudden. Quand j’ai le possession de
France, et quand vous avez le possession de moy,—laat zien, hoe verder?
Sint Dénis sta mij bij!—donc vostre est France, et vous estes mienne.
Het valt mij even licht, Kaatje, het koninkrijk te veroveren, als nog
eens zooveel Fransch te spreken. Ik zal nooit in het Fransch u tot iets
bewegen, of het moet zijn tot lachen.
CATHARINA. Sauf vostre honneur, le François que vous parlez est
meilleur que l’Anglois lequel je parle.
KONING HENDRIK. Neen, waarlijk, Kaatje, dat is het niet; maar zooals
gij mijn taal spreekt en ik de uwe, beiden oprecht slecht, komt, dit
moet erkend worden, vrij wel op hetzelfde neer. Maar, Kaatje, verstaat
gij zooveel Engelsch: kunt gij mij beminnen?
CATHARINA. Ik dat niet kan zeggen.
KONING HENDRIK. Kan een van uw buren hier het mij zeggen, Kaatje? Ik
wil ’t haar vragen. Kom, ik weet, gij bemint mij; en als gij van avond
op uw kamer komt, zult gij deze edelvrouw over mij vragen; en ik weet,
Kaatje, gij zult, tegen haar, al die dingen in mij laken, die gij in uw
hart liefhebt; maar, goede Kaatje, spot barmhartig met mij, vooral,
lieve prinses, omdat ik u gruwelijk bemin. Als gij ooit de mijne wordt,
Kaatje,—en ik heb het zaligend geloof in mij, dat gij het worden
zult,—dan won ik u met schermutselen, en dan moet gij vanzelf een goede
soldatenmoeder blijken. Welnu, zullen wij beiden niet, tusschen Sint
Denis en Sint George in, een jongen tot stand brengen, half Fransch,
half Engelsch, die naar Constantinopel zal gaan en den grooten Turk bij
den baard trekken? zullen wij niet? wat zegt gij, mijn schoone
leliebloem?
CATHARINA. Ik niet weet dat.
KONING HENDRIK. Neen, te weten is het eerst later, maar nu te beloven.
Beloof nu maar, Kaatje, dat gij uw best zult doen voor uw Fransche
helft van zulk een jongen, en neem voor mijn Engelsche helft het woord
aan van een koning en vrijgezel. Wat antwoordt gij nu, la plus belle
Catharine du monde, mon très cher et divin déesse?
CATHARINA. Uw majesté hebben fausse Fransch genoeg om te bedriegen de
meest sage demoiselle, die is in Frankrijk.
KONING HENDRIK. Foei dan dat valsche Fransch van mij! Op mijn eer, in
trouwhartig Engelsch, ik bemin u, Kaatje. Bij mijn eer durf ik nog wel
niet zweren, dat gij mij bemint, maar mijn bloed begint mij te vleien,
dat gij het doet, niettegenstaande den armzaligen, niet verleidelijken
indruk van mijn gelaat. Verwenscht zij mijns vaders eerzucht! Hij dacht
aan burgeroorlogen, toen hij mij gewon; daardoor werd ik geschapen met
een stuursch uiterlijk, met een ijzeren voorkomen, zoodat ik
jonkvrouwen, als ik haar het hof kom maken, schrik aanjaag. Maar in
waarheid, Kaatje, hoe ouder ik word, des te beter zal ik er uitzien;
mijn troost is, dat de oude dag, die slechte schoonheidsbewaarder, aan
mijn gezicht niets meer bederven kan; gij hebt mij, als gij mij hebt,
op mijn slechtst; en gij zult mij, als gij mij verslijt, door het
verslijten beter en beter maken. Daarom, zeg mij nu, schoone Catharina,
wilt gij mij hebben? Leg uw maagdelijke blosjes ter zijde; verkondig de
gedachten van uw hart met de blikken van een keizerin; neem mij bij de
hand en zeg: „Hendrik van Engeland, ik ben de uwe!” En zoodra zult gij
met dit woord mijn oor niet gezegend hebben, of ik zal luide aan u
verklaren: „Engeland is u, Ierland is u, Frankrijk is u, en Hendrik
Plantagenet is u”, die, al zeg ik het hier voor zijn aangezicht, zoo
hij ook niet de beste kerel onder de koningen zijn moge, u toch de
beste koning van alle goede kerels blijken zal. Kom, uw antwoord! in
gebroken muziek; want uw stem is muziek, en uw Engelsch gebroken;
daarom, aller koningin, Catharina, breek in gebroken Engelsch uw
zwijgen af; wilt gij mij hebben?
CATHARINA. Dat is, zooals het zal behagen den roy mon père.
KONING HENDRIK. O, het zal hem zeer behagen, Kaatje; het zal hem
behagen, Kaatje.
CATHARINA. Dan ik ook zal tevreden zijn.
KONING HENDRIK. Daarvoor kus ik u de hand en noem u mijn Koningin.
CATHARINA. Laissez, mon seigneur, laissez, laissez! Ma foy, je ne veux
point que vous abbaissez vostre grandeur, en baisant le main d’une
vostre indigne serviteur; excusez moi, je vous supplie, mon très
puissant seigneur.
KONING HENDRIK. Dan wil ik u op de lippen kussen, Kaatje.
CATHARINA. Les dames, et damoiselles, pour estre baisées devant leurs
nopces, il n’est pas le costume de France.
KONING HENDRIK. Mejonkvrouw tolk, wat zegt zij?
ALICE. Dat het niet is te zijn de gewoonte pour les dames in
Frankrijk,—ik weet niet te zeggen, wat is baiser in Engelsch.
KONING HENDRIK. Kussen.
ALICE. Uw majesteit entendre betre que moy.
KONING HENDRIK. Het is geen gebruik bij de meisjes in Frankrijk, te
kussen, voor zij getrouwd zijn, wilde zij zeggen?
ALICE. Ouy, vraiment!
KONING HENDRIK. O, Kaatje, preutsche zeden buigen zich voor groote
koningen. Gij en ik, beste Kaatje, zijn niet in te sluiten door de
zwakke beperking van landsgewoonten; wij zijn de scheppers van de
gebruiken, Kaatje; en de vrijheid, die onzen rang begeleidt, sluit aan
alle bedillers den mond, zooals ik hem u sluiten wil, wegens het
ophouden van de preutsche zeden van uw land door mij een kus te
weigeren; daarom, stilgezwegen en toegegeven! (Hij kust haar.) Gij hebt
tooverkracht in uw lippen, Kaatje; er is meer welsprekendheid in haar
zoete aanraking, dan in de tongen van den geheelen hoogen raad van
Frankrijk; en zij zouden Hendrik van Engeland eerder overreden, dan een
algemeen verzoek van monarchen.—Daar komt uw vader.
(Koning Karel, Koningin Isabella, Bourgondië, Bedford, Gloster, Exeter,
Westmoreland en andere Fransche en Engelsche Heeren komen op.)
BOURGONDIË. God hoede uw majesteit! Mijn koninklijke neef, geeft gij
onze prinses les in het Engelsch?
KONING HENDRIK. Ik wenschte, waarde neef, dat zij leerde, met welk een
volkomen liefde ik haar bemin; en dat is goed Engelsch.
BOURGONDIË. Is zij niet vlug in ’t leeren?
KONING HENDRIK. Onze taal is ruw, neef, en mijn natuur is niet glad;
zoodat, daar ik noch de stem noch het hart der vleierij in mij heb, ik
niet zoo den geest der liefde in haar kan oproepen, dat die in zijn
ware gedaante verschijnt.
BOURGONDIË. Vergeef de vrijmoedigheid mijner vroolijkheid, zoo ik u
hierop antwoord. Als gij in haar iets bezweren wilt, moet gij een kring
trekken; en wilt gij in haar den liefdegod in ware gedaante bezweren,
dan moet die naakt en blind verschijnen.—En kunt gij het nu laken in
haar, die een meisje is, nog door het maagdelijk purper der zedigheid
als met rozen bedekt, wanneer zij de verschijning van een naakt, blind
jongske in haar naakte, ziende persoonlijkheid niet dulden wil? Het zou
een harde voorwaarde zijn voor een meisje, mylord, zich daaraan te
moeten onderwerpen.
KONING HENDRIK. Toch sluiten zij de oogen en geven toe, wanneer de
liefde blind is en aandringt.
BOURGONDIË. Dan zijn zij verontschuldigd, mylord, wanneer zij niet zien
wat zij doen.
KONING HENDRIK. Nu, waarde lord, leer dan uw nicht met gesloten oogen
toe te stemmen.
BOURGONDIË. Ik zal haar wenken toe te stemmen, mylord, als gij haar
wilt leeren, wat het beteekent; want meisjes zijn, als het gezomerd
heeft en zij warm gehouden zijn, als de vliegen omstreeks Sint
Bartholomeus, blind, al hebben zij ook haar oogen; en dan laten zij
zich met de handen aanvatten, al konden zij te voren het aankijken niet
lijden.
KONING HENDRIK. Die vergelijking verwijst mij naar later tijd en een
warmen zomer, en zoo zal ik de vlieg, uw nicht, ten laatste vangen, en
dan moet zij bovendien blind zijn.
BOURGONDIË. Zooals de liefde is, mylord, voor zij bemint.
KONING HENDRIK. Zoo is het; en enkelen uwer mogen de liefde dankbaar
zijn voor mijn blindheid, die menige schoone Fransche stad niet zien
kan door één schoone Fransche maagd, die op mijn weg staat.
KONING KAREL. Ja, mylord, gij ziet ze als door een tooverglas, de
steden in een maagd veranderd; want zij zijn alle door maagdelijke
muren omgord, waar de krijg nooit binnen drong.
KONING HENDRIK. Zal Kaatje mijn vrouw worden?
KONING KAREL. Zoo het u behaagt.
KONING HENDRIK. Ik zal het gaarne zien, zoo slechts de maagdelijke
steden, waar gij van spreekt, haar gevolg uitmaken. Zoo zal de maagd,
die op den weg stond van mijn wensch, mij den weg naar mijn verlangen
wijzen.
KONING KAREL. Wij stemden toe in iedren billijke’ eisch.
KONING HENDRIK. Is ’t zoo, gij lords van England?
WESTMORELAND. De koning gaf u alles, wat gij vordert;
Vooreerst zijn dochter, verder ook al ’t andre,
Geheel naar ’t vroeger vastgestelde ontwerp.
EXETER. Alleen dit artikel heeft hij nog niet onderschreven, waarbij uw
majesteit begeert, dat de koning van Frankrijk, als hij aanleiding
heeft om schriftelijk het een of ander te verzoeken, uw hoogheid in
dezen vorm en met deze bijvoeging noemen zal, in het Fransch: Nostre
très cher filz Henry, Roy d’Angleterre, heretier de France; en aldus in
’t Latijn: Praeclarissimus filius noster Henricus, rex Angliae, et
haeres Franciae.
KONING KAREL. Ook dit heb ik niet zoo geweigerd, broeder,
Dat ik ’t op uw verzoek niet door liet gaan.
KONING HENDRIK. Dan bid ik u, als vriend en bondgenoot,
Laat dit artikel staan gelijk die andren.
En nu, sta mij uwe dochter toe.
KONING KAREL. Neem haar, mijn eed’le zoon, wek uit haar bloed
Mij kroost, opdat de aloude tegenstanders,
Frankrijk en England, welker kusten zelfs
Bleek zien van afgunst op elkanders bloei,
Hun haat begraven, en dit schoon verbond
Recht christ’lijke eendracht plante en goede buurtschap
In beider borst, en geen het zwaard meer heff’,
Opdat het fel zijn eed’len broeder treff!
ALLEN. Amen.
KONING HENDRIK. Thans welkom, Kaatje!—Weest getuigen, allen,
Dat ik haar als mijn koningin hier kus.
(Trompetgeschal.)
KONINGIN ISABELLA. God, aller huwelijksbanden beste hoeder,
Voege uwe harten, uwe rijken saam!
Ziet, man en vrouw zijn twee, doch een in liefde,
En zulk een echt vereene uw beider rijk,
Dat nimmer booze diensten noch jaloerschheid,
Die vaak het bed van ’t heilig huw’lijk storen,
Zich dringen tusschen beider rijken bond,
Echtscheiding, van wat één nu wordt, beproevend;
Dat Franschman, Engelschman voortaan de namen
Van broeders zijn!—Spreek’ God hierop zijn Amen!
ALLEN. Amen!
KONING HENDRIK. Nu ’t huw’lijk voorbereid;—dien dag ontvang ik
Van u, hoogeed’le hertog van Bourgondië,
En alle pairs, den eed op ons verbond.
Dan zweer ik Kaatje trouw en zij aan mij;
Dat heilig ons die eed en heilrijk zij!
(Allen af.)
Chorus treedt op.
CHORUS. Tot zoo ver volgde, ruw en onbekwaam,
Tol schroom des schrijvers veder de historie;
Klein was ’t bestek voor mannen, groot van naam,
Verbrokkeld door zijn sprongen werd hun glorie.
Kort scheen die ster van England, maar een zon
In glans gelijk; hem schonk Geluk zijn wapen,
Waar hij der wereld schoonsten gaard meê won,
Des zesden Hendriks deel bij zijn ontslapen.
Frankrijks en Englands koning, kon die zoon,
Gekroond in winds’len, zijn gebied niet hoeden;
Zijn vele raders, woelend om zijn troon,
Verloren Frankrijk, deden England bloeden;
Vaak zaagt gij dit vertoond en waart voldaan;
Neemt daarom ook dit stuk welwillend aan.