Frankrijk. Een wachtpost in het Engelsch legerkamp.
Fluellen en Gower komen op.
GOWER. Gij hebt gelijk. Maar waarom draagt gij vandaag uw look?
Sint-Davidsdag is al voorbij.
FLUELLEN. Er is aanleidingen en oorzaken, waarom en waarvoor, in alle
dingen. Ik wil het u zeggen, als mijn vriend, overste Gower. De
schoftige, schurftige, lompige, luizige, snoevende schelm Pistool, dien
gij en uw persoon en de geheele wereld voor niets peters kent, ziet
gij, dan als een kerel, die niets waard is, hij is bij mij gekomen, en
prengt mij gisteren prood en zout, ziet gij, en zegt mij, mijn look er
mee te eten. Dat was op een plaats, waar ik geen twist met hem kon
peginnen; maar ik wil nu zoo frij wezen het op mijn muts te dragen, tot
ik hem weer zie, en dan wil ik hem vertellen een klein peetje van mijn
verlangsten.
GOWER. Wel nu, daar komt hij, opgeblazen als een kalkoensche haan.
(Pistool komt op.)
FLUELLEN. Zijn opplazingen en zijn kalkoensche-hanen raakt mij
niet.—God zegen’ u, faandrig Pistool! gij schurftige, luizige schoft,
God zegen’ u!
PISTOOL. Ha! zijt gij dolheid? Lust het u, Trojaan, Dat ik der Parken
stervensweefsel plooi? Weg! ik bezwijm reeds bij de lucht van look!
FLUELLEN. Ik verzoek u hartelijk, schurftige, luizige schoft, op mijn
wensch en mijn pegeeren en mijn aanhoudingen, dit look, ziet gij, op te
eten; omdat gij er niet van houdt, ziet gij, en het uw neigingen en uw
lusten en uw spijsverteringen niet goed pekomt, daarom pit ik u het op
te eten.
PISTOOL. Niet voor Cadwallader en al zijn geiten.
FLUELLEN. Daar is een van de geiten voor u. (Hij slaat hem.) Wilt gij
zoo goed zijn, schurftige schoft, en het opeten?
PISTOOL. Gij hond van Troje, gij moet sterven!
FLUELLEN. Gij zegt de waarheid, schurftige schoft, als het Gods wil is.
Ik wil u ondertusschen pegeeren te leven en uw spijzen te eten; kom,
daar is de saus er bij. (Hij slaat hem weder.) Gij hebt mij gisteren
een pergjonker genoemd, maar ik zal u vandaag een jonker maken van
lagen stand. Ik pit u, tast toe; kunt gij met look spotten, dan kunt
gij ook look eten.
GOWER. Genoeg, overste, gij hebt hem geheel overdonderd.
FLUELLEN. Ik zeg, hij zal een stuk van mijn look eten, of ik sla zijn
kop voor vier dagen pont en plauw.—Pijt toe, pit ik u, het is goed voor
een fersche wond en voor uw ploedigen zotskop.
PISTOOL. Moet ik toebijten?
FLUELLEN. Ja, zeker en zonder twijfel, en zonder fragen ook en
dubbelzinnigheden.
PISTOOL. Nu, bij dit look, ik zal mij gruw’lijk wreken;
Ik eet en eet, ik zweer—
FLUELLEN. Eet, pit ik u. Wilt gij nog meer saus bij uw look hebben? er
is niet genoeg look om bij te zweren.
PISTOOL. Geef uwen knuppel rust, gij ziet, ik eet.
FLUELLEN. Wel pekome het u, schurftige schoft, van harte. Neen, ik pit
u, gooi niets weg, de schil is goed genoeg voor uw gewonden zotskop.
Wilt gij hiernamaals gelegenheden nemen om look te zien, zoo pit ik u,
spot er mede, dat is alles.
PISTOOL. Goed.
FLUELLEN. Ja, look is goed.—Hier, daar hebt gij een stooter, om te
genezen uw hersenpan.
PISTOOL. Een stooter mij!
FLUELLEN. Ja zeker, en in waarheid, gij zult dien aannemen, of ik heb
nog een ander look in mijn zak, wat gij zult opeten.
PISTOOL. Ik neem hem aan, als handgeld voor mijn wraak.
FLUELLEN. Als ik u iets schuldig ben, zal ik u petalen in knuppels; gij
moet in hout gaan doen en niets koopen van mij dan knuppels. God zij
met u en pehoete u en geneze uw pol!
(Fluellen af.)
PISTOOL. Hierover komt de gansche hel in opstand.
GOWER. Loop, loop! gij zijt een pochende, laffe schelm. Wilt gij
spotten over een oud gebruik, dat uit een eervolle aanleiding ontsproot
en als een gedenkwaardig teeken van vroegere dapperheid gedragen wordt,
en waagt gij het niet, zelfs één uwer woorden door daden waar te maken?
Ik heb het twee of drie keer gezien, dat gij dien wakkeren man begekt
en gesard hebt. Gij dacht, omdat hij de Engelsche taal niet in haar
landsdracht spreken kan, dat hij ook geen Engelschen knuppel kon
hanteeren? Nu bevindt gij het anders; en laat voor het vervolg een
Walliser tuchtiging u goede Engelsche manieren leeren. Goeden dag.
(Gower af.)
PISTOOL. Gaat nu Fortuin ’t valsch vrouwmensch met mij spelen?
’k Vernam, dat in het hospitaal mijn Neel
Stierf aan de Fransche ziekte.
Ginds ligt mijn toevluchtsoord alzoo in puin.
Oud groei ik op en de eer is uitgeknuppeld
Uit dit vermoeide lijf. ’k Wil kopp’laar worden;
Ook handig beurzensnijden trekt mij aan.
Steelswijs wip ik naar England om te stelen;
Ik leg mij pleisters op de knuppelschrammen;
En zweer, dat ze uit den Franschen oorlog stammen.
(Pistool af.)