AANTEEKENINGEN

Bij het schrijven van dit stuk werd Shakespeare door het gevoel

bezield, dat de dag van Agincourt de grootste en schoonste dag was uit

de Engelsche geschiedenis, en Hendrik de Vijfde de grootste held,

waarop zijn land kon bogen. En inderdaad, wel waren de veroveringen van

den veelgeprezen vorst kort van duur, ja, waren alle voor goed verloren

gegaan, eer zijn zoon en erfgenaam de oogen gesloten had, maar daarmede

waren geenszins de vruchten zijner overwinningen verdwenen. Het volk

leerde onder den stouten, jeugdigen vorst zijn kracht voor het eerst in

haar vol vermogen, in haar hooge waarde kennen, en in den slag van

Agincourt, waar adel, kleinere grondbezitters, burgers en boeren, allen

te zamen, naast elkander een ongeëvenaarde zege bevochten, viel het

laatste onderscheid tusschen Normandische edelen en Saksische

overwonnelingen weg. Het Engelsche volk was geboren, dat met fierheid

terugzag op de daden, die het volbracht had, en voortaan het bewustzijn

in zich omdroeg, dat het steeds met denzelfden onverschrokken moed,

denzelfden volhardenden ijver, verachting van doodsgevaren, gelijke

kalmte van geest, dezelfde samenwerking en onderwerping aan tucht en

orde, tot even groote dingen in staat zou zijn. Geen wonder, dat het

zich de meerdere achtte van andere volken. Dat dit gevoel ook

Shakespeare bezielde, blijkt uit het geheele stuk; het brengt hem er

zelfs toe, zijn gewone weergalooze onpartijdigheid te verloochenen, en

de Franschen, met den Dauphijn en den Connetabel te beginnen, allen als

armzalige pochers voor te stellen. Doch het is waar, dat

lichtzinnigheid en zorgeloosheid, overmoed en ijdelheid, die meermalen,

en nog in den laatsten oorlog met Duitschland, de goede eigenschappen

der Franschen hebben verduisterd en hun noodlottig zijn geweest, op den

dag van Agincourt hun de nederlaag hebben doen lijden; waar is het ook,

dat zij, steunend op hun overmacht, reeds vooraf de krijgsgevangenen

onder elkander verdeelden, dat zij de gansche nacht in luide

feestviering doorbrachten, dat de bevelen van den opperbevelhebber in

den wind werden geslagen en zij het slachtoffer werden hunner

doldrieste onbezonnenheid. De wijze, waarop Shakespeare het beloop der

gebeurtenissen voorstelt, is hier volkomen te rechtvaardigen.

Dat Hendrik V van de rechtvaardigheid des oorlogs, dien hij Frankrijk

aandeed, overtuigd was, valt niet te betwijfelen. Zijn overgrootvader

Edward III had, als zoon van Isabella, dochter van Philips den Schoonen

van Frankrijk, zijn aanspraken op de Fransche kroon doen gelden, die

hij, als afstammende in de rechte, zij het dan ook vrouwelijke, lijn

van het oude vorstenhuis van Capet, voor meer gegrond verklaarde dan

het recht der zijlijn van Valois. Wel had hij tegen bepaalde vergoeding

in land en geldsommen bij den vrede van Brétigny afstand gedaan van

zijn aanspraken op de Fransche kroon en de oude leengoederen der

Plantagenets, maar de voorwaarden van den vrede waren nooit nagekomen,

en er bestond eigenlijk tusschen Engeland en Frankrijk geen vrede maar

een wapenstilstand, welks voortduring hoofdzakelijk hieraan te danken

was, dat de toestand van Engeland nòch aan Richard II, nòch aan Hendrik

IV gelegenheid had gelaten om den oorlog door te zetten. Hendrik V

mocht zijn macht hiertoe genoegzaam gevestigd rekenen; de

binnenlandsche twisten waren gedoofd en het ondernemen van den krijg

zou de eendracht in zijn rijk ongetwijfeld nog hechter maken, want

geheel Engeland was met de plannen des konings hooglijk ingenomen en

ondersteunde die met alle kracht. Ook de geestelijkheid bleef hierin

niet achter en deed zelfs het hare om den koning van de rechtmatigheid

des oorlogs, indien dit noodig ware, te overtuigen. Nadat de

onderhandelingen, waardoor Frankrijk den krijg nog getracht had af te

wenden, waren afgesprongen, werden de toebereidselen met ijver

voortgezet en in den zomer van 1415 waren Hendriks leger en vloot voor

den overtocht naar Frankrijk gereed.

Op dat oogenblik kwam op het onverwachtst een gevaarlijke samenzwering

tegen Hendrik aan het licht. Aan het hoofd stonden zijn eigen neef

Richard, graaf van Cambridge, broeder van den hertog van Aumerle,

alsmede lord Scroop, die steeds het volle vertrouwen van Hendrik

genoten had. De samenzwering was niet, zooals Shakespeare in zijn

kroniek vond, door de Franschen verwekt en aangestookt om den krijg te

stuiten, maar was wel degelijk een Engelsche samenzwering, een

voortzetting als het ware van de opstanden der Percys, een voorspel van

den lateren strijd der witte en roode rozen, tusschen het huis van York

en dat van Lancaster. De rechten van het huis van Mortimer, de graven

van March, lagen er ten grondslag aan. Richard, graaf van Cambridge,

zoon van Edmund Langley, hertog van York, die de vijfde zoon was van

Edward III, was gehuwd met Anna Mortimer, achterkleindochter van

Lionel, hertog van Clarence, deszelfden Edwards derden zoon; zij was de

zuster van Edmund Mortimer, graaf van March, die naar het erfrecht

koning van Engeland moest zijn en daarom door Hendrik IV steeds nauw

bewaakt, maar door Hendrik V, die zijn troon stevig gevestigd rekende,

in vrijheid gesteld was. Hendrik deed snel en streng recht; de

saamgezworenen werden in Southampton ter dood gebracht.

Op 13 Augustus 1415 ging het leger onder zeil. Op vijftienhonderd

vaartuigen werd het, 6000 ridders, 23000 boogschutters en 1000

kanonniers en schansgravers sterk, naar den mond der Seine overgevoerd.

Daar werd Harfleur na een heldhaftigen weêrstand van vier weken

ingenomen. Maar de toestand der Engelschen was ongunstig geworden en de

kracht der onderneming scheen gebroken te zijn. Een besmettelijke

ziekte had de helft van het leger buiten gevecht gesteld; er was gebrek

aan levensmiddelen; de bevolking was den Engelschen vijandig en de

Franschen begonnen een geweldig leger samen te trekken. Er waren er in

Hendriks omgeving, die den terugtocht raadden; zoo deed zijn broeder,

de Hertog van Clarence. Maar de koning wilde er niet van hooren, de

groote onderneming op te geven; hij was besloten met allen, die hem

wilden volgen, dwars door Frankrijk naar Calais te trekken. Hij zond

zijn zieken, 5000 in aantal, naar huis, liet 2000 man als bezetting in

Harfleur en ondernam met het overschot, ten hoogste 12000 man, op 8

October den merkwaardigen, gewaagden tocht.

Onder heftige regenbuien en telkens door schermutselingen met den

vijand bemoeilijkt, drongen de Engelschen op ellendige wegen, zich te

nauwernood lijftocht verschaffend, het land binnen. De krijgstucht werd

streng gehandhaafd, plunderen zwaar gestraft, de levensmiddelen

betaald. Deze laatsten waren door den vijand, die ook de bruggen bezet

had, zooveel mogelijk weggevoerd. Eindelijk gelukte het, de Somme over

te trekken. Herauten des vijands meldden zich bij den koning aan, met

den eisch, dat hij terug zou trekken; in het tegenovergestelde geval

daagden zij hem ten strijde. „Zegt uw heer”, was het antwoord, „dat ik

hem voor ditmaal niet zal opzoeken; maar als hij of de zijnen mij

opzoeken, zal ik, zoo God wil, standhouden. Maar ik hoop, dat geen uwer

zoo onberaden zal zijn, van mij gelegenheid te geven, om uw bruine

aarde met uw rood bloed te verven”. Met dit antwoord en een gift van

honderd kronen mochten de herauten aftrekken. Eindelijk, op den 24sten

October, stiet men op het leger des vijands, 50000 man sterk, waaronder

niet minder dan 14000 ridders, allen versche manschappen, en

voortreffelijk, ja prachtig uitgerust. Hendrik kon er niet meer dan

10000 boogschutters en 1000 ridders tegenoverstellen. De Franschen

twijfelden geen oogenblik aan de overwinning, de ridderschap alleen kon

die kleine bende, grootendeels uit geminacht voetvolk bestaande,

gemakkelijk verpletteren; luidruchtig werd de nacht al feestvierende

doorgebracht; er werd gedobbeld om de krijgsgevangenen, die den

volgenden dag hun ten deel zouden vallen.

In het Engelsche legerkamp heerschte een ernstige stemming; het was er

donker en stil, tegenover de tallooze wachtvuren des vijands. Allen

wisten, hoe doldriest het was, den strijd aan te nemen; velen biechtten

en namen het sacrament. Maar de doldriestheid ging bij den koning met

groote bedaardheid en overleg, met het nemen van alle voorzorgen

gepaard. Zooveel mogelijk werden de manschappen door spijs en drank en

door rust voor den komenden, zwaren dag versterkt. Het terrein werd

goed verkend en alle beschikkingen werden genomen om aan de

boogschutters de volle werking van hun wapen te verzekeren; de door den

regen week geworden grond, door struikgewas ingesloten, moest den

vijand beletten zich uit te breiden en zijn tegenstander te

overvleugelen en zou ook de kracht zijner ruiterij aanmerkelijk breken.

De 25ste October, de dag van de heiligen Crispinus en Crispianus, brak

aan en werd met misheffing en gebed begonnen. Toen schaarde de koning,

in blinkend harnas en met den gekroonden helm op het hoofd, de zijnen

in een lange rij, nauwelijks vier man diep. Voor iederen boogschutter

stak een lange spitse paal in den grond om tegen den aanval der

vijandelijke ruiters te beschermen. Zonder trompetgeschal trokken de

Engelschen op, en staken, met hun kleederen, die door den langen marsch

veel geleden hadden, treurig af bij de bonte, glinsterende scharen der

Franschen, die in drie dichte hoopen, de een na den anderen, met luid

trompetgeschal tegen hen optrokken. Een ridder uit Hendriks gevolg riep

uit: „Ware heden ieder Engelschman hier, die het zwaard verstaat te

voeren!” De koning antwoordde: „Ik wensch geen man meer; God kan ook

aan het klein aantal de overwinning verleenen”. Geen oogenblik

twijfelde hij aan de ongeloofelijke zege der zijnen.

En het ongeloofelijke geschiedde. Zorgeloosheid, oneenigheid,

ongehoorzaamheid aan de bevelen van den connetabel, alles liep samen om

den Franschen al het voordeel hunner grootere getalsterkte te doen

derven. Daarbij kwam, dat in den van regen doorweekten grond paarden en

kanonnen bleven steken en dat de 8000 afgestegen ridders die de

voorhoede uitmaakten, zich te nauwernood konden bewegen.

Tegen elf uur riep koning Hendrik: „Sint George en voorwaarts!” De

grijze maarschalk Erpingham wierp zijn commandostaf hoog in de lucht en

met luiden wapenkreet viel de lange rij van boogschutters de met lansen

gewapende hoofdmacht der Franschen aan. Dicht als hagel vielen de

pijlen der Engelsche boogschutters in de dichte massa der te voet

vechtende ridders en brachten, trots helmen en pantsers, menige

doodelijke wonde toe. Nu was de tweede krijgshoop der Franschen, onder

den hertog van Alençon, niet meer te houden; onstuimig drong deze

voorwaarts en voegde zich bij den eersten tot een ordeloozen klomp. Van

dit oogenblik maakten de Engelschen gebruik. De stevige boerenknapen

wierpen den boog op den schouder en stormden op den vijand los; met

knots, strijdaks of zwaard alles nederslaand. In de door hen gemaakte

opening drong onweerstaanbaar, de koning te voet vooraan, de

aaneengesloten ridderschap van Engeland; een panische schrik greep de

onbestuurde massa’s des vijands aan; in woeste vlucht verspreidden zij

zich over het veld, duizenden gaven zich zonder wederstand te bieden

aan den vijand over. Plotseling werd in den rug der Engelschen

strijdgedruisch vernomen; daar dreigde een plotselinge aanval het pas

gewonnen voordeel vruchteloos te maken. Snel besloten, gaf Hendrik het

bevel, dat naar toenmalig krijgsgebruik groot geldelijk verlies

veroorzaakte, van alle krijgsgevangenen te dooden, om de handen vrij te

hebben voor den nieuwen strijd. Later bleek, dat het overvallen van het

wagenpark, dat bijna onbewaakt gelaten was, door rooflustige boeren en

stroopers, de oorzaak van het gedruisch geweest was.

Een volkomen, ongehoorde zegepraal was behaald. Meer dan 10000

vijanden, waaronder 8000 edelen, bedekten het slagveld: de hertog van

Orleans en 1500 edellieden waren krijgsgevangen. De lijst van

hooggeboren gesneuvelden, in het achtste tooneel van het vierde

bedrijf, is aan de geschiedenis ontleend. Het verlies der overwinnaars

was fabelachtig klein, al was het veel grooter dan 25, zooals

Shakespeare opgeeft; niet meer dan 15 ridders waren er gevallen; de

voornaamste was de hertog van York, die in „K. Richard II” Aumerle

heet; hij was gesneuveld bij den inval in het centrum der Franschen.

Koning Hendrik vermaande zijn troepen, niet trotsch te zijn op de zege,

daar alle eer er van toekwam aan God, die den vijand met blindheid

geslagen had. Toen de Fransche herauten kwamen, om de dooden te

schouwen, vroeg hij naar den naam van het kasteel, dat boven het veld

uitstak en noemde den veldslag daarnaar den slag van Agincourt. Den

St.-Cripinusdag maakte hij tot een feestdag voor geheel zijn rijk.

Thans konden de Engelschen ongestoord, zooals men denken kan, hun tocht

naar Calais voortzetten, vanwaar zij met onmetelijken buit naar

Engeland overstaken. Toen de koning Londen naderde, stroomde de geheele

burgerij, met den Mayor en de Aldermans aan het hoofd, hem te gemoet en

geleidde hem door de versierde straten naar de Paulskerk en naar

Westminster. Hendrik zelf reed, zonder sieraad, en ernstig, door de

jubelende menigte, wars van alle ijdel vertoon.

Shakespeare heeft de vier oorlogsjaren, die op den dag van Agincourt

volgden, met weinige woorden overgesprongen en op de nederlaag der

Franschen onmiddellijk den merkwaardigen vrede laten volgen. Hij heeft

de moeite niet genomen, iets te melden van de redenen, die het Fransche

hof bewogen, den Dauphijn op te offeren en een vreemden vorst tot

troonopvolger en rijksbestuurder te maken. Hertog Jan van Bourgondië

was te Parijs, in tegenwoordigheid, en waarschijnlijk met voorkennis

des Dauphijns, verraderlijk vermoord geworden. De moeder des Dauphijns,

koningin Isabeau van Frankrijk, was hierover in woede ontvlamd en had

haar zoon wraak en verderf gezworen. De erfgenaam des vermoorden,

hertog Philips van Bourgondië, verbond zich met haar, en het viel hun

beiden niet moeilijk, den onnoozelen koning tot den vrede van Troyes te

bewegen, die inderdaad Frankrijk aan den vijand, den koning van

Engeland, geheel in handen leverde.

Twee jaren lang heeft Hendrik V Frankrijk werkelijk als rijksbestuurder

beheerscht, „grootmoedig, dapper en wijs”, zooals een tijdgenoot, een

monnik van Saint Dénis, die zijn inval in Frankrijk beschreven heeft,

getuigt. Allen, ook zijn vijanden, erkenden hem als een voortreffelijk

vorst, dapper in het veld, verstandig in den raad, rechtvaardig op den

rechterstoel, trouw aan zijn beloften, minzaam jegens armen en

geringen, rein van leven, voor kerk en godsdienst ijverend. Moesten

Frankrijk en Engeland onder één scepter vereenigd worden, geen

waardiger vorst ware er te denken. Groot waren reeds zijn macht en

invloed, en alles liet verwachten, dat zij nog aanmerkelijk zouden

toenemen. Daar verraste hem de dood. Vijf-en-dertig jaren oud, stierf

hij ten gevolge van een fistel, waartegen de geneeskunde toenmaals geen

baat wist, te Vincennes, op den 31sten Augustus 1422, negen maanden

nadat koningin Catharina hem een zoon geschonken had. Zorgvuldig had

hij op zijn sterfbed alle beschikkingen gemaakt, die dienstig konden

geacht worden om zijn nalatenschap aan zijn zoon te verzekeren en

bejammerde dit alleen, dat het hem niet vergund was geweest, de

vereenigde wapens van zijn beide rijken in het Heilig Land tegen de

ongeloovigen te richten.

In plechtigen optocht werd het lijk door de treurende prinsen, hoogere

en lagere edellieden, over Calais naar Engeland gevoerd, waar het in de

Westminster-abdij werd bijgezet. Gansch Engeland was in rouw; allen

weeklaagden alsof er een heilige gestorven was. Bange tijden volgden;

de vreeselijkste burgeroorlog brak uit; het edelste bloed werd bij

stroomen vergoten; en te nauwernood was er een halve eeuw verloopen, of

de laatste mannelijke spruit van het pas zoo machtige en bloeiende huis

der Plantagenets stierf op het slagveld; maar door alle schriktooneelen

en gruwelen heen was de nagedachtenis van den grooten en goeden koning

in eere bij het Engelsche volk gebleven, tot zijn grootste dichter dien

lievelingsheld verheerlijkte en voor alle eeuwen deed leven.

„Koning Hendrik de Vijfde” werd, zooals uit de proloog van het vijfde

bedrijf blijkt, in den tijd, dat koningin Elizabeth den Graaf van Essex

tot demping van een opstand naar Ierland gezonden had, dus in den zomer

van 1599, gespeeld. Weldra waren boekhandelaars er bij om het stuk uit

te geven, maar de tekst, dien zij, hoe dan ook, wisten machtig te

worden, was allerellendigst; niet alleen ontbraken geheele tooneelen,

alle prologen en de epiloog, maar ook het overige was verminkt en vol

onnauwkeurigheden. Toch werd deze tekst, die in 1600 het licht zag, nog

tweemaal, in 1602 en in 1608, herdrukt. Eerst de folio-uitgave van 1623

deed de echte lezing kennen.

Ten slotte zij hier nog vermeld, dat reeds in het oude, blz. 512

genoemde stuk, „The Famous Victories of Henry the Fifth” eenige

tooneelen voorkomen, die, hoe ruw ook bewerkt, eenige overeenstemming

met die van Shakespeare vertoonen, namelijk het gezantschap van den

Dauphijn, de inneming van Harfleur, de slag van Agincourt en de

verloving des konings.

I. Prol. Chorus. Onder Chorus wordt bij het oud-Engelsch tooneel niet

een vereeniging van personen, maar één persoon verstaan, die de

prologen enz. spreekt en, door te vertellen wat niet voorgesteld kan

worden, de gedeelten van een stuk verbindt en opheldert.

I. Pr. 2. Der vinding. Vinding is Sh.’s bescheiden naam voor poëzie,

dichterlijk scheppingsvermogen. Ook in het Nederlandsch is vinder, voor

minstreel, dichter, zanger gebruikelijk geweest.

I. Pr. 11. Dit hanenstrijdperk. Daarmede vergelijkt Shakespeare zijn

tooneel, wegens de geringe afmetingen. Het Globe-theater had de

gedaante van een lagen ronden toren, vandaar de vergelijking met een O.

Bij de helmen, een paar regels verder, denke men aan helmen met pluimen

of vederbossen, die de lucht deden sidderen.

I. 1. 1. De wet is weer aanhangig. Het voorstel, waarvan de inhoud in

de volgende regels vermeld wordt, ging eigenlijk van de Gemeenten uit,

die reeds in het zevende jaar der regeering van Hendrik IV, toen deze

geldmiddelen verlangde, den koning ronduit voorsloegen al het

wereldlijk grondbezit der kerk in beslag te nemen en daaruit een

blijvend fonds te vormen om den behoeften van den staat te gemoet te

komen. De Gemeenten hadden zoo groot ongelijk niet, want de Kerk had

een derde des lands in bezit en droeg niets tot de staatslasten bij. De

koning en de Lords verwierpen het voorstel. De Gemeenten kwamen in

Hendriks elfde regeeringsjaar op nieuw met haar ontwerp voor den dag,

voegden er een raming van de inkomsten der geestelijkheid bij en

sloegen de verdeeling voor, hier regel 12–19 opgegeven. De Koning

verzette zich ook ditmaal. Toen Hendrik V den troon had beklommen, werd

het voorstel op nieuw gedaan en nu trachtte Chicheley, aartsbisschop

van Canterbury, den slag af te wenden, door den koning tot den oorlog

met Frankrijk te overreden.

I. 1. 28. En een waarachtig vriend der heil’ge kerk. De eenige keer,

dat Sh. zinspeelt op den ijver van Hendrik V voor de kerk; de

vervolging der Lollarden, de voorloopers der hervorming, zou den

protestantschen toehoorders weinig behaagd hebben.

I. 2. 33. Zoo hoort, genadig koning. In deze geheele redeneering van

den Aartsbisschop is Sh. Holinshed zeer nauwkeurig gevolgd; men vindt

daar ook den Latijnschen regel (r. 38), en ook enkele onjuistheden zijn

overgenomen; b.v. Luitgard (r. 74) heet er Lingare (bij Holinshed

Lingard) en reg. 77 staat Lodewijk de Tiende, wat de Negende moest

zijn; ook de aanhaling uit Numeri (kap. 27 vs. 8) in r. 99 is aan

Holinshed ontleend.

I. 2. 162. Om er koning Edwards roem Te hoogen door gevangen koningen.

In het jaar van den slag bij Crecy (1346), in welken zoovele hooge

personen sneuvelden of krijgsgevangenen werden gemaakt, werden de

Schotten door de edelen van Noord-Engeland, de Percy’s enz. bij

Nevil’s-Cross geslagen en hun koning David Bruce gevangen naar Londen

gevoerd; hij was nog niet in vrijheid gesteld, toen tien jaar later in

den slag bij Poitiers Koning Jan II van Frankrijk den Zwarten Prins in

handen viel en mede naar Engeland gezonden werd.

I. 2. 187. Zoo werken ook de bijen. Een dergelijke vergelijking met een

bijenstaat komt voor in het toen veelgelezen werk van Lyly: „Euphues

and his England” (1580).—Ook in het vierde boek van Vergilius’ Georgica

zijn verscheiden overeenkomstige beschouwingen te vinden.

I. 2. 252. Met lustige Galliarden. De Galliarde was een vroolijke dans

uit Shakespeare’s tijd.

II. Pr. 26. Zij hebben voor Fransch goud,—vergulde schuld!—In het

oorspronkelijke vindt men een woordspeling met gilt en guilt.

II. Pr. 30. Eer hij naar Frankrijk afzeilt, in Southampton. In het

oorspronkelijke volgen hier twee regels, die blijkbaar bedorven zijn en

geen goeden zin geven en bovendien den samenhang, die na weglating

dezer twee regels niets te wenschen overlaat, verbreken. Zij moeten

door het een of ander toeval in den gedrukten tekst geraakt zijn. De

regels zijn:

„Linger your patience on: and we’ll digest

The abuse of distance; force a play.”

II. 1. 44. IJslandsche hond. De naam van IJslandsche hond komt meer als

scheldwoord voor, zooals b.v. bij ons mop gebezigd kan worden.

II. 1. 47. Ik wilde u wel solus hebben. Solus was de gewone

tooneelaanwijzing voor alleen. Pistool houdt het woord voor een

scheldnaam. Het „veradem”, dat hij een oogenblik later gebruikt, moet

beteekenen: „sterf!”

II. 1. 57. Asmodeus. Shakespeare heeft hier den bij ons onbekenden

duivelsnaam Barbason, die toen meer gebezigd werd; zie De vroolijke

vrouwtjes van Windsor, II. 2. 311.

II. 1. 77. Jachthond van Creta. Deze honden waren speurhonden. Sh.

vermeldt ze in den Midzomernachtdroom, IV. 1. 131. Bij de ouden worden

zij niet vermeld.—Van Cressida’s geslacht. De uitdrukking: „Een

nachtuil van Cressida’s geslacht” (het woord kite, dat gebruikt wordt,

beduidt den een of anderen roofvogel) wordt reeds in een stuk van 1578

toegepast op vrouwen als Doortje Scheurlaken, en was dus aan

schouwburgbezoekers zeker wel bekend; het „pekelvat der schande” wijst

op een zweetkuur, waaraan Doortje zich juist moest onderwerpen.

II. 1. 112. Een nobel zult gij hebben. Pistool dingt af; een nobel is

slechts 6 schellingen 4 stuivers.—Drie regels verder schuilt in het

Engelsch: I live by Nym een woordspeling met nim, dat in de dieventaal

„nemen”, „stelen” beteekent.—Met gecorroboreerd in reg. 130 is

gecorrodeerd, aangeknaagd, verteerd, bedoeld.

II. 2. 8. Neen, deze man, die vaak zijn leger deelde. Dit gold als een

bewijs van broederlijke vriendschap. Dat koning Hendrik dit bewijs aan

lord Scroop gegeven had, vond Shakespeare in Holinshed.

II. 2. 155. Mij heeft het goud van Frankrijk niet verlokt. Cambridge

heeft recht dit te zeggen, daar de verheffing van het huis Mortimer het

hoofddoel was, zie boven blz. 606.

II. 2. 167. Gij hebt bij eede u tegen ons verbonden. In deze toespraak

volgde Sh. Holinshed.

II. 3. 5. Falstaff, hij is dood. Dat Shakespeare, toen hij zijn „K.

Hendrik de Vierde” voltooid had en zich gereedmaakte, „K. Hendrik de

Vijfde” te laten volgen, van plan was, ook in dit stuk Falstaff te

laten optreden, weten wij uit goede bron, namelijk, van hemzelf; men

zie de epiloog van „2 K. Hendrik IV,” blz. 559. Maar ongetwijfeld heeft

hij later ingezien, dat Falstaff er niet in mocht voorkomen; in de bres

van Harfleur, in het slaggewoel van Agincourt kon Falstaff zijn rol

niet spelen; hij zou de stemming, die in dit stuk heerscht, bedorven

hebben; de ernst, dien de beslissende gebeurtenissen vorderen, oefent

geen genade jegens Bardolf en Nym; Pistool wordt gespaard, ja, maar

voor een leven in diepe schande; ook vrouw Haastig sterft een

smadelijken dood. Wat zou de dichter dan met hun aller heer en meester,

met Falstaff, in dit stuk uitvoeren? Een eervolle dood op het slagveld

mocht hem niet ten deel vallen. Men moet erkennen, dat de dichter wèl

deed, Falstaff, verre van het tooneel der handeling, in alle stilte te

laten verscheiden, op een wijze, die onze deelneming nog wekt. En

ontegenzeglijk heeft zijn dood, juist op dit oogenblik, nu de groote

gebeurtenissen aanstaande zijn, ook een symbolische beteekenis, want

met Falstaff gaat al de loszinnigheid, die aan koning Hendriks verleden

kleefde, ten grave. Met zijn vroegere metgezellen verstaat de koning

geen scherts meer; zijn blijmoedigheid heeft hij behouden, maar deze

uit zich thans in den omgang met den rechtschapen Fluellen of met

eerlijke, trouwe soldaten, zooals Williams.

II. 3. 12. Een kind in het doophemdje. In het Engelsch a chrisom child,

waar vrouw Haastig een christom child van maakt, zooals zij Arthurs

schoot in plaats van Abrahams schoot zegt. Een chrisom child is een

kind, dat in de eerste maand sterft; chrisom is eigenlijk het witte

doekje, dat een kind op het hoofd gelegd werd, opdat de zalvingsolie

niet weggevaagd zou worden.—Dat Falstaff stierf, toen het water begon

te vallen, zegt vrouw Haastig, omdat naar een oud volksgeloof niemand

tijdens het opkomen van het water stierf.

II. 3. 17. Zijn neus was zoo scherp als een pen en een tafellaken met

groene plekken. In ’t Engelsch: his nose was as sharp as a pen, and a

table of green fields. Als men vrouw Haastig verstandig wil laten

praten, is zeker Theobalds oude emendatie: and ’a babbled of green

fields, de verstandigste van allen. Maar verstandig te praten is het

zwak van vrouw Haastig niet; met een tafel kan zij zeer wel er een

gemeend hebben met een tafellaken, en met den spitsen neus en de

groenachtig bleeke kleur den indruk hebben geschetst, dien het

Hippocratisch stervensgezicht van Falstaff op haar gemaakt had.

II. 3. 55. Caveto moge uw raadsman zijn. Een aardig staaltje van de

fouten der quarto-uitgaven is, dat zij hier voor het Latijnsche caveto

(pas op), Cophetua, den koning uit het bekende volksliedje, te lezen

geven.

II. 4. 25. Zich met een pinkster-moorendans vermaakt. Hier zij in het

midden gelaten, of het misschien beter is voor „moorendans” morrisdans

of lentedans te lezen, want het is lang niet onwaarschijnlijk, dat de

morrisdance zijn oorsprong nam in de heidensche tijden van Engeland en

niets met een moorschen dans te maken had. Het was vooral op den

eersten Mei, dat deze dansen plaats hadden: een twaalftal personen

kwamen er in voor, waaronder juffer Marianne of de Mei-koningin, tevens

geliefde van Robin Hood, dan broeder Tuck, de kapelaan van denzelfden,

het stok- of hobbelpaard of hobby-horse, de Meipaal, alsmede een groep

buitenlanders; onder deze laatsten kunnen ook Mooren opgetreden zijn.

II. 4. 102. Bij Jezus’ ingewanden zegt hij u. De ingewanden worden als

zetel van het mededoogen opgevat. Sh. vond deze uitdrukking bij

Holinshed: „nevertheless exhorted the French king, in the bowels of

Jesu Christ, to render him” etc.

III. 2. 19. Zoo vluchtig En luchtig Als ’t vogeltje zingt in ’t bosch.

Deze en de voorafgaande rijmen zijn waarschijnlijk aan volksliedjes

ontleend.

III. 2. 61. Pij te mijnen? seg gij ten hertog, enz. De dichter heeft hier

een Schot Jamy, een Ier Macmorris, en een Walliser Fluellen, laten

optreden, en ieder op zijn eigenaardige wijze laten spreken. Op het

tooneel heeft het spreken in verschillende tongvallen, als het goed

gedaan wordt, een uitnemende uitwerking; geschreven is dit in veel

minder mate het geval; de woorden zien er vreemd uit en de uitwerking

wordt geheel gemist, als de lezer met het bedoelde dialect niet

vertrouwd is. De vertaler heeft er bij den Schot Jamy en den Ier

Macmorris van afgezien, het dialect uit te drukken; bij het overluid

voordragen van het stuk moge de spreker den vreemden tongval, dien hij

machtig is, aan de woorden leenen. Voor den Schot Jamy zou b.v. de

wijze, waarop de Friezen Nederlandsch spreken, kunnen worden

nagebootst, met de harde f voor de v, de zachtere uitspraak van de g,

het weglaten van het voorvoegsel ge bij de verleden deelwoorden enz. De

Ier Macmorris moge zich van een dialect bedienen, dat iets verder van

het gewone Nederlandsch afwijkt; voor zijn gezegden zou b.v. een

Limburgsche of Zuid-Nederlandsche tongval in aanmerking komen. Met den

Walliser Fluellen (= Llewellyn) is het een ander geval. Deze spreekt in

het oorspronkelijke geen volksdialect; hij spreekt als een man, wiens

moedertaal het Kymrisch is en die zich het Engelsch met moeite en

onvolkomen heeft eigen gemaakt. Het Engelsch is hem een vreemde taal

gebleven; ieder oogenblik zondigt hij tegen de juiste woordenkeus, de

taalregels, de uitspraak. Toch is hij voor zichzelf volkomen gerust,

dat hij zich zeer goed en gemakkelijk in het Engelsch uitdrukt en

gebruikt zijn vreemde wendingen en uitdrukkingen, verbuigingen en

vervoegingen met het grootst mogelijke aplomb, ja, hij zoekt, daar hij

vrij wat gelezen heeft, aan zijn taal een geleerd voorkomen te geven en

waagt er allerlei halsbrekende kunsten mee; daarbij komt nog, dat hij

de verkeerde woorden, die den vreemdeling verraden, verkeerd

uitspreekt. Dit alles moest, bij deze tamelijk omvangrijke rol,

uitgedrukt worden; in hoeverre de vertaler hierin geslaagd is, mogen

anderen beoordeelen.

III. 4. 1. Alice, tu as esté en Angleterre. Het Fransch, dat in dit

stuk voorkomt, is—dit is niet te loochenen—zeer slecht; de Franschen

hebben het zeker veel beter gesproken; en voor Koning Hendrik en de

zijnen was het Fransch zeker ook geen vreemde taal. Het is niet wel uit

te maken, wat Shakespeare geschreven heeft, want vaak zijn vreemde

woorden, zelfs daar, waar Sh. ze ongetwijfeld goed geschreven heeft,

tot onkenbaarheid toe verminkt en misvormd. Het valt niet moeilijk de

ergste fouten te verbeteren, maar dan verkrijgt men waarschijnlijk iets

anders dan Sh. schreef en heeft een eigenaardigheid van het

oorspronkelijke uitgewischt. Want het is mogelijk, dat, wat de

folio-uitgave ons heeft overgeleverd, niet veel afwijkt van wat Sh.

geschreven heeft. Het Fransch toch, zooals wij het daar vinden, was

zeker voor Sh.’s publiek voldoende om de gewenschte uitwerking te weeg

te brengen. De hachelijke verandering is daarom hier niet beproefd;

wordt het stuk hier te lande ooit gespeeld, dan moge men het Fransch

wijzigen naar de eischen van ons publiek.

III. 5. 33. Luchtsprongen, vlugge passen onderwijzend. In ’t Engelsch

worden hier twee bepaalde dansen genoemd: And teach lavoltas high, and

swift corantos. De lavolta was een Italiaansche, over Frankrijk naar

Engeland gekomen dans, met omdraaiingen—de naam hangt met het

Latijnsche volvere samen,—en hooge sprongen, die eenige gelijkenis met

de wals zal gehad hebben; de coranto was een vlugge dans, die misschien

meer van een galop had. Sir John Davies (1570–1626) heeft in zijn

gedicht Orchestra, or a Poem of Dancing, in a Dialogue between Penelope

and one of her Wooers, de Lavolta beschreven en schetst de maat aldus:

„And still their feet an anapest do sound:

An anapest is all their musick’s song,

Whose first two feet is short, and third is long”.

De coranto had daarentegen een dactylische maat.

III. 6. 42. Hij stal zich een monstrans. Een monstrans, een

hostiehuisje, heet in ’t Engelsch pix, maar in den tekst staat pax. Pix

zal wel bedoeld zijn; in Holinshed toch lezen wij: A soldier took a pix

out of a church, for which he was apprehended, and the king not once

removed till the box was restored and the offender strangled.—Een pax

was een klein plaatje van hout of metaal, waar een heilige voorstelling

op gegraveerd was; het werd bij het eind der mis aan de geloovigen ten

kus gereikt.

III. 7. 56. Als een Iersche Kern. Kernen waren de lichte Iersche

troepen, met een zeer primitief kostuum.

III. 7. 121. ’t Is een verkapte dapperheid. In ’t Engelsch: ’t Is a

hooded valour; and when it appears, it will bate. „’t Is een verkapte

(of omhuifde) dapperheid; en als zij voor den dag komt, zal zij met de

vleugels slaan”. To bate is een uitdrukking aan de valkerij ontleend,

die ook „afvallen”, „verminderen”, beteekent, een woordspeling, die

hier bedoeld is.

IV. Pr. 45. Van nieuwen moed, van vuur doortinteld zijn. Het is, dunkt

mij, onmiskenbaar, dat, in het oorspronkelijke, achter de woorden:

„that mean and gentle all” een regel is uitgevallen. De inhoud er van

moet geweest zijn, als van dezen door mij ingelaschten regel.

IV. 1. 13. Goeden morgen, oude Thomas Erpingham. Erpingham was reeds

met Bolingbroke uit Bretagne naar Engeland gekomen. Zie „K. Richard

II”, II. 1. 283.

IV. 1. 54. Ik sla hem wis zijn knoflook om zijn bol Op Davidsdag. De slag

bij Crécy had plaats op Davidsdag (25 Augustus) 1346; de Wallisers

hielden toen manmoedig stand nabij een moestuin met look en kozen nu

look als zegeteeken, dat zij sedert op Davidsdag op de muts droegen, in

overeenstemming met een oud Keltisch en Germaansch gebruik.

IV. 1. 197. Dit is zeker, ieder, die in zonde sterft, enz. Deze woorden

zijn misschien eer aan Court toe te kennen.

IV. 1. 292. Hyperions rossen. Hyperion is de Zonnegod, zie Homerus’

Odyssea I. 8. en de naam is hier alzoo van gelijke beteekenis met

Phoebus.

IV. 2. 4. Voort!—les eaux et la terre! Het oorspronkelijke is zeer

bedorven.—De Dauphijn roept: Via! (voort!) over water en land! en

Orleans vraagt spottend: „Wat! ook niet door de andere elementen, lucht

en vuur, heen?” waarop de Dauphijn al pochend er den hemel nog

bijvoegt.

IV. 2. 60. Ik wacht slechts op mijn standaard. Holinshed vertelt hier

van den Hertog van Brabant, dat hij in zijn ongeduld het vaantje van

een trompetter nam.

IV. 3. 10. En, beste neef. Deze woorden richt Salisbury tot

Westmoreland; beiden waren Nevils. Salisbury was de vader van den

beroemden graaf van Warwick, die in „Koning Hendrik VI” een groote rol

speelt. Vergelijk boven blz. 563.

IV. 3. 76. Zie, nu wenscht gij vijfduizend strijders weg. De koning neemt

vijfduizend bij wijze van een onbepaald getal, want het Engelsche leger

is even te voren, regel 4, door Exeter op twaalfduizend man geschat.

IV. 3. 105. Nog losbreekt in een tweede vaart van onheil. Door de booze

ziekten, die de dooden verwekken. Dat zij dit zouden doen als een

schampschot, like to the bullet’s grazing, zooals de tweede

folio-uitgave leest, is mij niet duidelijk; ik heb daarom hier van een

opstuitkogel d.i. „een ricochetschot” gesproken; misschien is crasing,

d.i. crazing, verpletterend, der eerste folio-uitgave verkieslijk boven

het woord grazing der tweede folio-uitgave.

IV. 4. 3. Kaliteef? kale hond! zijt gij een edelman? Pistool verstaat

geen Fransch en beschimpt den Franschen soldaat, door den klank zijner

woorden met Engelsche uitdrukkingen na te bootsen. Natuurlijk moeten

deze laatste in de vertaling door andere vervangen worden.—Hoe de

oorspronkelijke tekst soms door drukfouten onkenbaar is geworden,

blijkt hier. Nadat de Franschman van qualité heeft gesproken, zegt

Pistool volgens de folio-uitgave: „Qualtitie calmie custure me. Art

thou a gentleman?” De eerste woorden waren een onoplosbaar raadsel, tot

Malone er de eerste woorden van een Iersch lied in herkende, dat voor

de melodie aangehaald wordt in een boek, verschenen in 1584, en ten

titel voerende: „A Handifulle of pleasant Delites”. Daarin vindt men:

„Sundry new Sonets, in divers kinds of meeter newly devised to the

newest tunes that are now in use to be sung” en onder deze: a Sonet of

a Lover in the praise of his Lady; to (d.i. op de wijs van:) „Calen o

custure me;” sung at everie line’s end. De woorden van den tekst moeten

dus gelezen worden: Quality! Calen o custure me! [1] Het woord qualité

brengt eenvoudig den klank van Calen aan Pistool in de gedachte, zoodat

hij de woorden der melodie herhaalt.

IV. 4. 9. Mijn kling, gij springt er over. In ’t Engelsch: thou diest on

point of fox. Fox komt meer in de beteekenis van zwaard voor, omdat

sommige klingen een loopenden vos als smidsmerk hadden.—Een oogenblik

later vat Pistool het woord moi als een gouden munt, voluit moidore

geheeten, op.

IV. 4. 75. Dan deze brullende duivel. In de oude moraliteiten zag de

duivel er wel vreeselijk uit en brulde geweldig, maar hij was toch zeer

laf en liet zich door den hansworst met zijn houten zwaard ongestraft

op de vingers slaan.

IV. 7. 104. Monmouth-mutsen. Monmouth, in Wales, de geboorteplaats van

Koning Hendrik V, was beroemd om de mutsen, daar vervaardigd en bij

krijgslieden veel in gebruik.

IV. 7. 114. Zoolang het zijn genade behaagt en zijn majesteit bovendien.

Fluellen spreekt van Gods genade, maar houdt het woord „genade” voor

een titel, die hem te gering schijnt, zoodat hij zich haast er

„majesteit” bij te voegen.

IV. 8. 81. Charles van Orleans enz. De namen en getallen, die Exeter

noemt en die de koning opleest, zijn aan Holinshed ontleend; dat

Shakespeare ze hier opneemt, bewijst voor de belangstelling, die alle

bijzonderheden van den slag van Agincourt in zijn tijd nog opwekten.

IV. 8. 128. ’t Non nobis aangeheven en Te Deum. Holinshed verhaalt, dat

de koning na de overwinning zijn leger vereenigde; zijn prelaten en

kapelanen moesten den psalm: In exitu Israel de Aegypto zingen, en bij

het vers: Non nobis, Domine, moest iedereen knielen.

V. Pr. 30. Als onzer hooge koninginne veldheer. Essex, die van April

tot September 1599 in Ierland was, om er een opstand te dempen, zie

boven blz. 65.

V. Pr. 38. De keizer zelf. Inderdaad heeft keizer Sigismund koning

Hendrik te Londen bezocht, en getracht, hoewel tevergeefs, den vrede

tusschen Engeland en Frankrijk te bemiddelen.

V. 1. 29. Niet voor Cadwallader en al zijn geiten. Een nieuwe

beleediging voor Fluellen. Cadwallader is een Walliser naam (een vorst

van 984 heet Cadwallon); misschien meent Pistool er een berg of Wales

zelf mee; en de Wallisers werden dikwijls om hun geitenkudden bespot.

V. 2. 17. Den moordnaarsblik der basilisken. Die den mensch deed

versteenen. Het oorspronkelijk „The fatal balls of murdering basilisks”

bevat ook een toespeling op de vuurmonden, die den naam van basilisken

droegen.

V. 2. 84. En broeder Clarence. Nòch Clarence, nòch de Graaf van

Huntingdon komen elders in dit stuk voor.

V. 2. 244. Daardoor werd ik geschapen met een stuursch uiterlijk, enz.

Hendrik V was daarentegen volgens de beschrijving van tijdgenooten een

schoon man, met krachtigen en toch sierlijken lichaamsbouw.

V. 278. Dan wil ik u op de lippen kussen, Kaatje. De Engelschen waren

toen ter tijd veel guller met kussen dan vele andere volken, bij welke

hun begroeting met een kus op den mond meermalen aanstoot gaf.

V. 336. Als de vliegen omstreeks Sint Bartholomeus. Dus in ’t warmste

van het jaar, 24 Augustus.

V. 369. Praeclarissimus filius noster. Als vertaling van très cher

moest het prœcarissimus zijn, maar Shakespeare vond het zoo in

Holinshed.

Epil. 13. Vaak zaagt gij dit vertoond. Meermalen waren de verschillende

deelen van „Koning Hendrik de Zesde”, die tot de eerste stukken van

Shakespeare behooren, opgevoerd. Het eerste deel schetst vooral, hoe

Frankrijk voor Engeland verloren ging; het tweede en derde de bloedige

burgeroorlogen tijdens de regeering van koning Hendrik den Zesden.

Koning Hendrik de Vijfde · 第 31 / 32 题