Chorus treedt op.
CHORUS. Vergunt mij, de geschied’nis te verklaren
Voor elk, die haar niet las; hem, die haar kent,
Smeek ik deemoedig om ontschuldiging,
Dat aantal, tijd, de juiste loop der dingen
Hier in haar eigen, rijk en krachtig leven
Niet voor te stellen zijn. Wij brengen thans
Den koning naar Calais; ziet gij hem daar,
Zoo heft hem, op de vleug’len der gedachte,
Weg, over zee. Ziet, Englands kust omzoomt
Den breeden vloed met mannen, vrouwen, knapen;
Zij overjuichen ’t zwaar geklots der zee,
Die, als een grootsch heraut, den koning voorgaand,
Den weg hem schijnt te banen. Laat hem landen,
En ziet zijn zegetocht naar Londen aan.
Zoo snel is der gedachte gang, dat gij
Hem nu alreeds moogt denken in Blackheath;
Daar smeeken hem zijn lords, dat voor hem uit
Zijn zwaar gebutste helm, verbogen kling,
Gedragen worden door de stad. Hij weigert,
Blijft vrij van ijdelheid en zelfverheffing,
Wijst eerekroon, tropee en praal terug,
En geeft aan God alle eer. Maar ziet nu, ziet,
In der gedachte vlugge smidse en werkplaats,
Hoe Londens burgerij naar buiten stroomt;
De mayor en heel zijn raad in plechtgewaad
Gaan, als oud-Rome’s senatoren, met
Een zwerm Plebejers achter zich, vooruit
En halen de’ overwinnaar Caesar in;
Zoo,—’t beeld zij klein, ’t is liefdevol,—
Als onzer hooge koninginne veldheer,
Wat dra geschiede!—uit Ierland weder kwam,
En ’t oproer aan zijn zwaard geregen hier bracht,
Hoe velen stroomden uit deez’ stad en riepen
Hem welkom toe! Veel meer, met veel meer reden,
Begroetten zij hun Hendrik.—Denkt hem nu
In Londen, wijl het jamm’ren van de Franschen
Thans Englands koning thuis in vreê doet blijven,
Terwijl de keizer zelfs om Frankrijks wil
Als vredestichter komt;—en springt nu over
Al wat intusschen verder is geschied,
Tot Hendrik nogmaals wederkeert naar Frankrijk.
Daar zij hij thans; den tusschentijd heb ik
Gespeeld, opdat gij weet, dat die verstreek.
Blikt, die verkorting duldend, nu meteen,
Waar de gedachte ’t wil, naar Frankrijk heen.
(Chorus af.)