Voor de tent van koning Hendrik.
Gower en Williams komen op.
WILLIAMS. Ik sta er voor in, overste, het is om u tot ridder te slaan.
(Fluellen komt op.)
FLUELLEN. Gods wil en zijn welgevallen, overste, ik verzoek u nu, kom
terstond bij den koning; er is meer goeds voor u, mogelijkerwijs, dan
in uw wetenschap is om van te droomen.
WILLIAMS. Heer, kent gij dezen handschoen?
FLUELLEN. Of ik den handschoen ken? Ik weet, de handschoen is een
handschoen.
WILLIAMS. Maar ik ken dien, en zoo eisch ik hem op.
(Hij geeft Fluellen een slag.)
FLUELLEN. Alle duivels! een aartsverrader, als er één is in de
gesamentlijke wereld, of in Frankrijk of in Engeland.
GOWER. Wat beteekent dit, kerel? gij, schurk!
WILLIAMS. Denkt gij, dat ik mijn eed wil breken?
FLUELLEN. Ga terug, oferste Gower, ik wil de verraderij haar loon
petalen in slagen, dat verzeker ik u.
WILLIAMS. Ik ben geen verrader.
FLUELLEN. Dat liegt gij in uw strot.—Ik pefeel u in naam van zijn
majesteit, hem te vatten; hij is een friend van den hertog van Alençon.
(Warwick en Gloster komen op.)
WARWICK. Wat is er? wat is er? wat gebeurt hier?
FLUELLEN. Mylord van Warwick, hier is,—God zij er voor geprijst!—een
hoogst aanstekelijke verraderij aan het licht gekomen, ziet gij, als
gij maar wenschen kunt op een zomerdag.—Daar komt zijn majesteit.
(Koning Hendrik en Exeter komen op.)
KONING HENDRIK. Wat is er? wat gebeurt hier?
FLUELLEN. Mijn vorst, hier is een hondsvot en een verrader, die, zie uw
genade, den handschoen geslagen heeft, dien uw majesteit is weggenomen
uit den helm van Alençon.
WILLIAMS. Mijn vorst, dit was mijn handschoen; hier is de weergâ er
van; en hij, wien ik hem in ruil gegeven heb, beloofde, dat hij hem op
de muts zou dragen, en ik beloofde, dat ik hem zou slaan, als hij het
deed. Ik ontmoette dezen man met mijn handschoen op zijn muts, en ik
ben zoo goed als mijn woord geweest.
FLUELLEN. Uw majesteit hooren nu, met alle respect voor uw majesteits
manpaarheid, wat een uitpundige, schoftige, armzalige, luizige schelm
hij is. Ik hoop, dat uw majesteit mij getuigenis wil afleggen en
bekentenis en borg, dat dit de handschoen is van Alençon, dien uw
majesteit mij is gegeven, op uw geweten nu.
KONING HENDRIK. Geef mij dien handschoen, soldaat; zie, hier is zijn
wedergâ. Ik was ’t, wien gij die slagen hebt beloofd, En, waarlijk,
bitt’re woorden moet ik hooren.
FLUELLEN. Met uw majesteits verlof, laat zijn hals er voor
verantwoordelijk zijn, als er nog een martiale wet is op de wereld.
KONING HENDRIK. Hoe kunt gij mij voldoening verschaffen?
WILLIAMS. Alle beleedigingen, heer, komen uit het hart; en nooit is er
uit het mijne iets gekomen, dat uw majesteit beleedigen kon.
KONING HENDRIK. Wijzelven waren ’t, die gij hebt gesmaad.
WILLIAMS. Uw majesteit kwam niet in de gedaante van uzelf; gij scheent
mij slechts een gewoon krijgsman; de nacht, uw kleeding, uw min
voorkomen mogen het getuigen; en wat uw hoogheid in deze gedaante heeft
moeten lijden, reken dit, bid ik u, uw schuld en niet de mijne; want
als gij dat geweest waart, waar ik u voor hield, dan beging ik geen
vergrijp; daarom bid ik uw hoogheid, vergeef mij.
KONING HENDRIK. Hier, oom, vul dezen handschoen mij met kronen,
En geef hem dezen knaap.—Gij, borst, behoud hem,
En draag hem op de muts als eereteeken,
Tot ik hem opeisch.—Geef hem nu de kronen.—En,
overste, verzoen u ook met hem.
FLUELLEN. Pij dezen dag en dit licht, de porst heeft hart genoeg in
zijn puik.—Hier, daar is twaalf stuivers voor u, en ik pit u, dien God
en houd u buiten gekijf en gekibbel en twist en tweedrachten; en ik sta
er voor in, het is des te peter voor u.
WILLIAMS. Ik wil uw geld niet.
FLUELLEN. Het is met een goeden wil; ik kan u zeggen, dat het u dienen
kan voor het lappen van uw schoenen. Kom, waarom zoudt gij zoo
schaamachtig wezen? Uw schoenen is niet te best; ’t is een goede
schelling, ik sta er voor in, of ik wil hem wisselen.
(Een Engelsch Heraut komt op.)
KONING HENDRIK. Nu, heraut, zijn de dooden geteld?
HERAUT. Hier is het aantal der gevallen Franschen.
(Hij reikt een papier over.)
KONING HENDRIK. Wat hooge krijgsgevang’nen zijn er, oom?
EXETER. Charles van Orleans, des konings neef,
Jean van Bourbon, de heer van Boucicault;
Van andre heeren, graven, ridders, jonkers,
Ruim vijftienhonderd buiten al de mindren.
KONING HENDRIK. De lijst hier zegt: tienduizend Franschen liggen
In ’t veld gedood; er zijn, in dit getal,
Geveld, van prinsen en van baanderheeren,
Éénhonderd zes-en-twintig; bovendien,
Aan ridders, jonkers, dappere edellieden,
Achtduizend en vierhonderd, onder welke
Vijfhonderd gist’ren pas geridderd werden;
Zoodat van de tienduizend omgekoom’nen
De huurlingen slechts zestienhonderd zijn,
Al de and’ren prinsen, graven, baanderheeren, ridders,
En edellieden van geboorte en rang.
Dit zijn de namen van hun pairs, die vielen:
Charles de la Bret, des rijks grootconnetabel,
Jacques Chatillon, des konings admiraal,
Der kruisboogschutters hoofdman, heer Rambures,
Frankrijks grootmeester, heer Guichard Dauphin,
De hertogen van Alençon, van Brabant,
De broeder van den hertog van Bourgondië,
De hertog Eduard van Bar, de graven
Grandpré, Roussi en Fauconberg en Foix,
Beaumont en Marie, Vaudemont, Lestrale.
Dat was een drang van vorsten tot den dood!—
Waar is de lijst nu van onze eigen dooden?
(De Heraut reikt een tweede papier over.)
Edward, hertog van York, de graaf van Suffolk,
Sir Richard Ketly, David Gam, esquire;
Geen ander man van naam, en van de mind’ren
Slechts vijf-en-twintig.—God! uw arm was hier;
En niet onszelven, uwen arm slechts schrijven
Wij alles toe.—Wanneer ooit zag men, niet
Door listig overvallen, maar door botsing
In ’t open veld en ’t wagen van de krijgskans,
Aan de eene zijde en de andere, een zoo groot
En zoo gering verlies?—O God, aanvaard het;
Want u is ’t, u alleen!
EXETER. ’t Is wonderbaar.
KONING HENDRIK. Komt, gaan we in plechtige’ optocht naar het dorp;
En ’t zij aan ’t heer verkondigd, dat de dood
Hem wacht, die op de zege pocht, of Gode
Den roem onthoudt, die hem alleen behoort.
FLUELLEN. Is het niet veroorloofd, met uw majesteits welgefallen, te
zeggen, hoe velen doodgeslagen is?
KONING HENDRIK. Ja, overste, dit wel, doch met de erkenning,
Dat God hier voor ons streed.
FLUELLEN. Ja, op mijn geweten, hij heeft ons praaf gehelpt.
KONING HENDRIK. Geen heil’ge plechtigheid verzuimd!
’t Non nobis aangeheven en Te Deum;
De dooden christ’lijk aan den grond vertrouwd!
Dan naar Calais en voorts naar England; daar
Ontscheepte uit Frankrijk nooit een blijder schaar.
(Allen af.)