Een ander gedeelte van het slagveld.
Strijdgedruisch. Fluellen en Gower komen op.
FLUELLEN. De jongens en de pagage om te prengen! Het is uitdrukkelijk
tegen de wetten van den oorlog; het is zulk een schurkenstreek van
schelmerij, let wel op, als volpracht kan worden; op uw geweten af, is
het niet?
GOWER. Zooveel is zeker, zij hebben geen jongen in het leven gelaten,
en juist diezelfde laffe schurken, die uit den slag wegliepen, hebben
die slachting aangericht. Bovendien hebben zij alles verbrand en
weggeroofd, wat in des konings tent was, waarom de koning naar
verdienste allen soldaten bevolen heeft hun krijgsgevangenen den hals
af te snijden. O, hij is een dapper koning!
FLUELLEN. Ja, hij is geporen te Monmouth, oferste Gower. Hoe noemt gij
den naam van de stad, waar Alexander de Lange is geporen?
GOWER. Alexander de Groote!
FLUELLEN. Nu, ik pit u, is Lang niet groot? De Lange, of de Groote, of
de Hooge, of de Kloekmoedige, zijn alle één soort van dingen te
rekenen; behalfe de uitdrukking is er een weinig variaties.
GOWER. Alexander de Groote, meen ik, is in Macedonië geboren; zijn
vader heette Philippus van Macedonië, zoo ver ik weet.
FLUELLEN. Ik meen, het is in Macedonië, waar Alexander is geporen. Ik
zeg u, oferste, als gij ziet in de kaarten ter wereld, ik sta er foor
in, dan zult gij finden in de vergelijkingen tusschen Macedonië en
Monmouth, dat de liggingen, siet gij, beide gelijk is. Daar is een
rifier in Macedonië, en daar is ook povendien een rifier te Monmouth;
die heet de Wye te Monmouth, maar het is weggeraakt in mijn prein, wat
is de naam fan die andere rifier, maar dat is alles hetzelfde, ’t is
zoo gelijk als mijn fingers is met mijn fingers, en er is zalmen in
beide. Als gij Alexanders leven wel opgemerkt, Hendrik van Monmouth’s
leven komt achterna tamelijk wel, want daar is gelijking in alle
tingen. Alexander,—God weet het en gij weet het ook,—in zijn
gramschappen en zijn woeden en zijn torens en zijn gallen en zijn
grillen en zijn verdrietigheden en zijn poosheden, en dewijl hij ook
een peetje in zijn prein peschonken is gewezen, zoo heeft hij in zijn
pierluim en zijn poosheid, siet gij, zijn pesten friend omgebracht,
Clytus.
GOWER. Daarin gelijkt onze koning niet op hem, die heeft nooit een van
zijn vrienden omgebracht.
FLUELLEN. Het is niet wel gedaan, versta mij wel, mij de
geschiedenissen uit mijn mond te nemen, eer het gereed is en afgewerkt.
Ik spreek maar van de afpeeldingen en de gelijkenissen er van. Zooals
Alexander zijn vriend Clytus heeft omgebracht, toen hij in zijn
pierluim en zijn pekeren is gewezen, zoo heeft ook Hendrik Monmouth,
toen hij bij zijn goed verstand en zijn prave inzichten was, den dikken
ritter met den grooten tuppelen puik weggezonden; hij was fol grappen
en knepen en schelmerijen en spotternijen; en ik heb zijn naam
fergeten.
GOWER. Sir John Falstaff.
FLUELLEN. Dat is hij. Laat u zeggen, er is prafe mannen geporen in
Monmouth.
GOWER. Daar komt zijn majesteit.
(Strijdgedruisch. Koning Hendrik komt op, met een gedeelte der
Engelsche troepen, verder Warwick, Gloster, Exeter en Anderen.)
KONING HENDRIK. Sinds ik naar Frankrijk kwam, was ik niet toornig;
Dan deze maal.—Heraut, neem een trompetter;
Rijd naar de ruiters op den heuvel ginds;
Hun keus is: af te dalen, om te vechten,
Of ’t veld te ruimen; de aanblik ergert ons.
Maar toeven zij, dan vallen wij hen aan,
Dat zij van hier verstuiven, ras als steenen,
Assyrië’s slingers van weleer ontsneld.
Dan slaan wij allen, die wij vangen, dood;
Geen enkel man, die ons in handen valt,
Vindt dan genade.—Ga en zeg hun dit.
(Montjoye komt op.)
EXETER. Daar nadert de heraut der Franschen, heer.
GLOSTER. Zijn blik is veel bescheid’ner dan voorheen.
KONING HENDRIK. Hoe is ’t, heraut, wat wilt ge? weet gij niet,
Dat ik als losprijs u mijn beend’ren bood?
Komt gij om ’t losgeld weer?
MONTJOYE. Neen, groote koning.
Thans kom ik om de christelijke vergunning,
Om op dit bloedig veld vrij rond te gaan,
De dooden op te teek’nen, te begraven,
En de eed’len van ’t gemeene volk te scheiden.
Want velen onzer prinsen liggen, ach!
In ’t bloed van huurlingen verstikt, doorweekt;
Zoo baadde ons boerenvolk zijn grove leden
In vorstlijk bloed; en menig bloedend ros
Stampt tot de vetlok in het roode slijk,
En treft met de’ ijz’ren hoef zijn dooden heer,
Hem nogmaals doodend. O, vergun ons, koning,
In veiligheid het slagveld te doorzoeken,
De lijken te verzorgen.
KONING HENDRIK. ’k Weet in waarheid,
Heraut, nog niet, of wij verwinnaars zijn
Of niet; ’k zie velen uwer ruiters dwalen,
En jagen over ’t veld.
MONTJOYE. U is de zege.
KONING HENDRIK. Geloofd zij God, niet onze kracht, er voor!—
Hoe heet het slot, dat ginder zich verheft?
MONTJOYE. Men noemt het Agincourt.
KONING HENDRIK. Dan heete dit de slag van Agincourt,
Gestreden op Crispinus Crispianus.
FLUELLEN. Uw grootvader beroemder gedachtenis, met uwer majesteits
verlof, en uw oudoom Edward, de zwarte prins van Wales, zooals ik heb
gelezen in de kronieken, hebben een zeer prafen slag hier in Frankrijk
gefochten.
KONING HENDRIK. Dat hebben zij, Fluellen.
FLUELLEN. Uwe majesteit zegt zeer waar. Als het uwe majesteiten
foorstaat, dan deden die fan Wales goeden dienst in een tuin, waar look
groeide, en zij droegen look in hun Monmouth-mutsen, wat, zooals uw
majesteit weet, tot op dit uur is een eervol veldteeken, en ik geloof,
uwe majesteit neemt geen versmading, het look te dragen op
Sint-Tavidsdag.
KONING HENDRIK. Ik draag ’t als gedenkwaardig eereteeken;
Gij weet, ik ben uit Wales, mijn wakk’re landsman.
FLUELLEN. Al het water van de Wye kan uw majesteit’s Walliser ploed
niet uit uw lichaam wasschen, dit kan ik u zeggen; God pehoede het en
pewaar’ het, zoolang het zijn genade pehaagt en zijn majesteit
povendien.
KONING HENDRIK. Dank, mijn goede landsman.
FLUELLEN. Bij Jezus! ik ben uw majesteits landsman, en dat mag iedereen
weten; ik wil het aan de geheele wereld pekennen. Ik pehoef mij over
uwe majesteit niet te schamen, God zij geprijsd, zoo lang als uwe
majesteit is een eerlijke man.
KONING HENDRIK. Zoo sterk’ mij God!—Herauten, gaat met dezen;
En meldt nauwkeurig mij het aantal dooden
Aan beide zijden.—Roep mij gindschen knaap.
(Hij wijst op Williams.—Montjoye en Anderen af.)
EXETER. Soldaat, gij moet bij den koning komen.
KONING HENDRIK. Soldaat, waarom draagt gij dien handschoen op de muts?
WILLIAMS. Met verlof van uw majesteit, het is een pand van iemand, met
wien ik vechten moet, als hij nog in leven is.
KONING HENDRIK. Een Engelschman?
WILLIAMS. Met verlof van uwe majesteit, een schavuit, die mij in de
laatste nacht wat voorsnoefde! en als hij nog leeft en het hart heeft
dien handschoen op te vorderen, heb ik gezworen hem een oorveeg toe te
deelen; of, als ik mijn handschoen op zijn muts zie, gelijk hij, zoo
waar hij soldaat is, gezworen heeft hem te zullen dragen, als hij in
leven bleef,—zal ik hem een duchtig pak geven.
KONING HENDRIK. Wat dunkt u, overste Fluellen, is het betamelijk, dat
deze soldaat zijn eed houdt?
FLUELLEN. Hij is anders een lafaard en een hondsvot, met verlof van uwe
majesteit, op mijn geweten af.
KONING HENDRIK. Het zou kunnen zijn, dat zijn tegenpartij een voornaam
edelman was, veel te hoog om aan iemand van zijn rang rekenschap te
geven.
FLUELLEN. Al was hij een zoo goede edelman, als de tuifel het is, als
Lucifer en Pelzepup zelf, toch is het noodig, versta uwe genade, dat
hij zijn gelofte houdt en zijn eed. Als hij is een eedbreker, siet gij,
dan is zijn reputatie zulk een aartshondsvot en een hansworst, als er
ooit een zijn swarte schoenen op Gods aardbodem heeft geset, op mijn
geweten, siet gij.
KONING HENDRIK. Zoo houd dan uw eed, knaap, als gij den kerel ontmoet.
WILLIAMS. Dat zal ik, mijn vorst, zoo waar ik leef.
KONING HENDRIK. Onder wien dient gij?
WILLIAMS. Onder overste Gower, mijn vorst.
FLUELLEN. Gower is een goed oferste, en is goede wetenschap en
gestudeerd in de oorlogen.
KONING HENDRIK. Roep hem hierheen tot mij, soldaat.
WILLIAMS. Terstond mijn vorst.
(Williams af.)
KONING HENDRIK. Hier, Fluellen, draag gij dit eereteeken voor mij en
steek het op uw muts. Toen Alençon en ik te zamen op den grond lagen,
rukte ik hem dezen handschoen van zijn helm; als iemand hem
terugvordert, is hij Alençons vriend en een vijand van onzen persoon;
als gij zoo iemand ontmoet, vat hem dan, zoo gij mij lief hebt.
FLUELLEN. Uw genade bewijst mij zoo groote eeren, als maar gewenscht
kan worden in de harten van zijn onderdanen. Ik zou wel gaarne willen
zien den man, die op maar twee beenen loopt, die zich beleedigd zal
vinden door dezen handschoen, dat is alles. Maar ik zou het wel eens
willen zien, en het pelieve God in zijn genade, dat ik moge zien.
KONING HENDRIK. Kent gij Gower?
FLUELLEN. Hij is mijn waarde vriend, met uw verlof.
KONING HENDRIK. Ik bid u, zoek hem op en breng hem aan mijn tent.
FLUELLEN. Ik zal hem halen.
(Fluellen af.)
KONING HENDRIK. Mylord van Warwick, en mijn broeder Gloster,
Gaat, volgt Fluellen daad’lijk, op den voet.
De handschoen, dien ik hem als eereteeken
Daar gaf, brengt hem wellicht een oorveeg op;
Hij is van den soldaat; naar de afspraak zou
Ikzelf hem dragen. Volg hem, waarde neef;
Als de soldaat hem slaat,—en ik vermoed,
Omdat hij plomp genoeg is, dat hij woord houdt,—
Dan sproot er licht een plots’ling onheil uit;
Want die Fluellen heeft een hart in ’t lijf,
En vliegt, als hij vergramd is, op als buskruit,
En geeft een smaad op ’t oogenblik terug;
Volgt dus en zorgt, dat zij elkaar geen leed doen.—
Ga gij met mij, mijn oom van Exeter.
(Allen af.)