Een ander gedeelte van het slagveld.
Strijdgedruisch. Koning Hendrik, Exeter en Anderen komen op, met
troepen.
KONING HENDRIK. Veel is volbracht, maar, dapp’re landgenooten,
Gedaan is ’t niet; nog houdt de vijand stand.
EXETER. De hertog York laat uwe hoogheid groeten.
KONING HENDRIK. Oom, leeft hij? Driemaal zag ik in dit uur
Hem vallen, driemaal opstaan en weer vechten;
Van helm tot spoor was hij met bloed bedekt.
EXETER. In dien tooi ligt de dapp’re held en maakt
Den bodem rijk; en naast zijn bloedig lijk,—
Zijn eergenoot door schoon ontvangen wonden,—
Ligt de eed’le graaf van Suffolk uitgestrekt.
Suffolk stierf eerst, en York, met houw op houw,
Komt tot hem, waar hij in een bloedplas ligt,
En vat hem bij den baard en kust de wonden,
Die bloedig gaapten op zijn aangezicht;
En luide roept hij: „Toef, mijn beste Suffolk,
Mijn ziel verzelle de uwe hemelwaarts;
Toef, waarde ziel, laat ons te zamen vlieden,
Gelijk dit veld, door dapp’ren strijd verheerlijkt,
Ons samen eed’len ridderplicht zag doen.”
Toen hij dit riep, kwam ik en sprak hem aan;
Hij glimlachte mij toe, en greep mijn hand,
En sprak, ze krachtloos drukkend: „Waarde lord,
Breng aan mijn heer en vorst mijn laatsten groet.”
Zich wendend, sloeg hij toen om Suffolk’s hals
Zijn bloedige’ arm, en kuste hem de lippen,
En zegelde, aan den dood gehuwd, met bloed
Een testament van schoon besloten vriendschap.
Dit teeder, lieflijk doen ontperste mij
Deez’ druppels, die ik gaarne had gestuit,
Doch daartoe voelde ik mij niet mans genoeg;
Mijn moeder nam geheel mijn oogen in
En gaf me aan tranen prijs.
KONING HENDRIK. Ik gisp u niet;
Want ik, die ’t hoor, heb met omnevelde oogen
Mij goed te houden, of zij breken ook
In tranen uit.—(Strijdgedruisch.)
Doch hoor, nieuw slaggedruisch!—
De vijand trok zijn macht weer saam!— Daarom,
Elk krijger doode nu zijn krijgsgevang’nen!
Gaat, zegt dit voort!
(Allen af.)